← België

ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 12 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.021 Arrest- Rolnummer: 21/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-02-23 Raadplegingen: 446 - laatst gezien 2026-06-18 06:26 Versie(s): Versie FR Fiche Schending (artikel 497/2, 5°, van het oud Burgerlijk Wetboek, in zoverre die bepaling verhindert dat een persoon die handelingsonbekwaam werd verklaard om een vordering tot echtscheiding in te stellen en die zijn wil niet meer te kennen kan geven in de zin van artikel 231 van het oud Burgerlijk Wetboek, een vordering tot echtscheiding kan instellen op grond van een bewezen onherstelbare ontwrichting van het huwelijk overeenkomstig artikel 229, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek, waarbij die persoon wordt vertegenwoordigd door zijn bewindvoerder, die moet beschikken over een bijzondere machtiging die door de vrederechter krachtens artikel 499/7, § 1, eerste lid, 3°, van het oud Burgerlijk Wetboek werd verleend) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel 497/2, 5°, van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde. Burgerlijk recht - Beschermde personen - Vordering tot echtscheiding op grond van een bewezen onherstelbare ontwrichting - Onmogelijkheid van vertegenwoordiging door de bewindvoerder Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 21/2026 van 12 februari 2026 Rolnummer : 8460 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 497/2, 5°, van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Joséphine Moerman, Michel Pâques, Sabine de Bethune, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 3 april 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 10 april 2025, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1. Schendt art. 497/2, 5° oud BW de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre een persoon die, wat betreft zijn/haar persoon, onder bewind staat, die handelingsonbekwaam werd verklaard om een vordering tot echtscheiding in te stellen, en die zijn/haar wil niet meer te kennen kan geven, geen vordering tot echtscheiding conform art. 229 § 1 oud BW kan instellen, ook niet bijgestaan en/of vertegenwoordigd door zijn/haar bewindvoerder en ook niet nà een bijzondere machtiging van de vrederechter, terwijl een persoon die, wat betreft zijn/haar persoon, onder bewind staat, die handelingsonbekwaam werd verklaard om een vordering tot echtscheiding in te stellen, maar die zijn/haar wil wel nog te kennen kan geven, een dergelijke vordering tot echtscheiding conform art. 229 § 1 oud BW wel kan instellen, weliswaar na een bijzondere machtiging van de vrederechter, en terwijl een persoon die, wat betreft zijn/haar persoon, onder bewind staat, maar die niet handelingsonbekwaam werd verklaard om een vordering tot echtscheiding in te stellen, dergelijke vordering kan instellen ? 2. Schendt art. 497/2, 5° oud BW en/of artikel 1255, § 7 Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre een persoon die, wat betreft zijn/haar persoon, onder bewind staat, en die zijn/haar wil niet meer te kennen kan geven, geen vordering tot 2 echtscheiding conform art. 229 § 1 oud BW kan instellen, ook niet bijgestaan en/of vertegenwoordigd door zijn/haar bewindvoerder en ook niet nà een bijzondere machtiging van de vrederechter, terwijl diezelfde persoon zich overeenkomstig artikel 1255, § 7 Gerechtelijk Wetboek wél kan laten vertegenwoordigen door zijn/haar bewindvoerder als verweerder in dergelijke procedure tot echtscheiding gesteund op art. 229 § 1 oud BW, en het in beide gevallen gaat om een hoogstpersoonlijke proceshandeling ? 3. Schendt artikel 497/2, 5° (oud) BW artikel 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, in zoverre dat een persoon die, wat betreft zijn/haar persoon, onder bewind staat, die handelingsonbekwaam werd verklaard om een vordering tot echtscheiding in te stellen, en die zijn/haar wil niet meer te kennen kan geven, geen vordering tot echtscheiding conform art. 229 § 1 oud BW kan instellen, ook niet bijgestaan en/of vertegenwoordigd door zijn/haar bewindvoerder en ook niet nà een bijzondere machtiging van de vrederechter, en daardoor geen enkele toegang heeft tot een rechter om de eigenlijke echtscheidingsvordering te beoordelen ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Aube Wirtgen en mr. Sietse Wils, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 17 december 2025 heeft het Hof, na rechter Willem Verrijdt, verslaggever ter vervanging van rechter-verslaggever Danny Pieters, wettig verhinderd, en rechter-verslaggeefster Kattrin Jadin te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij verzoekschrift van 11 september 2024 vraagt de bewindvoerder van S.D., die handelingsonbekwaam is en die haar wil niet meer te kennen kan geven, een machtiging aan het vredegerecht van het kanton Lokeren om haar echtgenoot, E. V.B., die tevens haar vertrouwenspersoon is, te mogen dagvaarden in echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting van het huwelijk (artikel 229, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek). Op 26 september 2024 verleent het vredegerecht bij beschikking de gevraagde machtiging. E. V.B. tekent tegen die beschikking hoger beroep aan bij het verwijzende rechtscollege. Dat stelt vast dat S.D. bij beschikking van de vrederechter te Lokeren van 16 februari 2023 handelingsonbekwaam werd verklaard om een vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting van het huwelijk in te stellen. Tevens stelt het verwijzende rechtscollege vast dat S.D. haar wil niet meer te kennen kan geven, en dus ook niet met betrekking tot de vraag of zij al dan niet wenst te scheiden. Bijgevolg kan S.D. niet in eigen persoon een echtscheidingsvordering op grond van onherstelbare ontwrichting van het huwelijk instellen. Volgens het verwijzende rechtscollege kan een dergelijke vordering evenmin worden ingesteld door haar bewindvoerder, aangezien een vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting van het huwelijk, zoals 3 bedoeld in artikel 229, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek, krachtens artikel 497/2, 5°, van hetzelfde Wetboek niet vatbaar is voor bijstand of vertegenwoordiging. Wanneer S.D. daarentegen verwerende partij zou zijn in een echtscheidingsprocedure, dan zou zij zich op grond van artikel 1255, § 7, van het Gerechtelijk Wetboek wel kunnen laten vertegenwoordigen door haar bewindvoerder. Volgens het verwijzende rechtscollege volgt uit het voorgaande dat S.D., ook al werd E. V.B. vervolgd en geïnterneerd voor meerdere tenlasteleggingen jegens S.D., waaronder het onthouden van voedsel of verzorging aan kwetsbare personen, belaging met verzwarende omstandigheden en opzettelijke slagen met verzwarende omstandigheden, gehuwd zou (moeten) blijven met E. V.B. Daarop beslist het verwijzende rechtscollege om aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen te stellen. III. In rechte -A- A.1. De Ministerraad antwoordt op de eerste prejudiciële vraag dat het redelijk verantwoord is dat een persoon die niet wilsbekwaam en handelingsbekwaam is om zelf een vordering tot echtscheiding in te stellen, zich daarvoor ook niet kan laten bijstaan of vertegenwoordigen door een bewindvoerder. Hij wijst erop dat een echtscheidingsvordering op grond van onherstelbare ontwrichting (artikel 229, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek) een zeer gewichtige handeling is die een hoogstpersoonlijke keuze van de beschermde persoon vereist en waarover niemand anders in zijn plaats kan beslissen, laat staan kan oordelen of de voorgenomen handeling wel strookt met zijn belang. Niettemin voorziet artikel 231 van het oud Burgerlijk Wetboek in de mogelijkheid voor de beschermde persoon die onbekwaam werd verklaard, om aan de vrederechter een bijzondere machtiging te vragen teneinde een vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting in te stellen. Daarvoor is wel vereist dat de beschermde persoon wilsgeschikt is, hetgeen de vrederechter feitelijk moet beoordelen. Aangezien de onbekwaamheid de uitzondering is, moeten de toepassingsvoorwaarden van artikel 497/2, 5°, van het oud Burgerlijk Wetboek strikt worden geïnterpreteerd. Dat betekent dat de rechtspraak zich veeleer terughoudend opstelt om de onbekwaamheid in het kader van een echtscheidingsprocedure te aanvaarden en dat namelijk alleen maar zal doen wanneer het ziektebeeld van de echtgeno(o)t(

  1. e)voldoende ernstig is en niet voor betwisting vatbaar is. A.2. In antwoord op de tweede prejudiciële vraag laat de Ministerraad gelden dat het verschil in behandeling tussen de handelingsonbekwame eiser en de handelingsonbekwame verweerder in een echtscheidingsprocedure wordt verantwoord doordat de echtscheiding aan die laatste wordt opgedrongen, zodat diens wilsgeschiktheid geen essentiële vereiste is voor de echtscheiding. De vertegenwoordigingsbevoegdheid van de bewindvoerder is derhalve beperkt tot het louter voeren van een verweer. A.3. Gelet op de mogelijkheid waarin artikel 231 van het oud Burgerlijk Wetboek voorziet, zoals uiteengezet in A.1, meent de Ministerraad dat op de derde prejudiciële vraag moet worden geantwoord dat de in het geding zijnde bepaling het recht op toegang tot de rechter niet schendt. Bovendien kan de betrokken echtgenoot de beoordeling van de wilsgeschiktheid door de rechter bestrijden met de beschikbare rechtsmiddelen en kunnen de echtgenoten zich tijdens de volledige duur van de echtscheidingsprocedure laten vertegenwoordigen door een advocaat. 4 -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de onmogelijkheid voor een bewindvoerder om als vertegenwoordiger van een persoon die handelingsonbekwaam is een vordering tot echtscheiding op grond van een bewezen onherstelbare ontwrichting van het huwelijk in te stellen. B.2. Het bewind is een rechterlijke beschermingsmaatregel die de vrederechter ten aanzien van de meerderjarige die wegens zijn gezondheidstoestand geheel of gedeeltelijk, zij het tijdelijk, niet in staat is zonder bijstand of andere beschermingsmaatregel zijn belangen van vermogensrechtelijke of niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, kan bevelen wanneer en in zoverre hij vaststelt dat dit noodzakelijk is en dat de bestaande wettelijke of buitengerechtelijke bescherming niet volstaat (artikelen 495, 492, eerste lid, en 488/1 van het oud Burgerlijk Wetboek). De bewindvoering heeft tot doel de belangen van de beschermde persoon te behartigen. Zij bevordert, in de mate van het mogelijke, de autonomie van die persoon (artikel 497, tweede lid, van hetzelfde Wetboek). Het bewind werd hervormd bij de wet van 17 maart 2013 « tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid » (hierna : de wet van 17 maart 2013). Die wet verving de vroegere regeling van het voorlopig bewind, zoals die was ingevoerd bij de wet van 18 juli 1991 « betreffende de bescherming van de goederen van personen die wegens hun lichaams– of geestestoestand geheel of gedeeltelijk onbekwaam zijn die te beheren ». De hervorming strekte onder meer ertoe het voorlopig bewind uit te breiden tot de bescherming van de persoon (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1009/001, p. 4) en « een nieuw en juist evenwicht […] [te vinden] tussen enerzijds de eerbied voor de autonomie zijnde de keuzes en wensen van de persoon met een functioneringsstoornis en anderzijds de bescherming op gepaste en effectieve wijze van deze persoon tegen allerhande negatieve gevolgen en misbruiken die kunnen ontstaan ten gevolge van deze stoornis en die niet enkel voor de persoon zelf, maar ook voor zijn omgeving een terechte vorm van bezorgdheden [vormen] » (ibid., p. 6). De vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit vormen de uitgangspunten van het nieuwe stelsel (ibid., pp. 6-7 en 31-34; Cass., 9 september 2024, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240909.3N.4). De 5 bekwaamheid is de regel, de onbekwaamheid de uitzondering, die door de vrederechter voor elke specifieke vermogensrechtelijke- en niet-vermogensrechtelijke handeling uitdrukkelijk moet worden vastgesteld, en die zo beperkt mogelijk wordt gehouden (artikel 492/1, § 1, eerste, tweede en derde lid, en § 2, eerste, tweede en derde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek). Daarbij moet het regime van bijstand voorrang krijgen boven de vertegenwoordiging (art. 492/2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek). Aldus is de basisgedachte inzake bescherming tegengesteld aan die van de vroegere regeling van het voorlopig bewind. Onder de vroegere regeling hield de instelling van de beschermingsregeling steeds en altijd de aanwijzing van een voorlopige bewindvoerder in en, ingeval de vrederechter het mandaat van de voorlopige bewindvoerder niet omschreef, betrof het een algemeen bewind met vertegenwoordigingsbevoegdheid (artikel 488bis, f), § 3, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de opheffing ervan bij artikel 27 van de wet van 17 maart 2013). B.3.1. Artikel 492/1, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek bepaalt : « De vrederechter die een rechterlijke beschermingsmaatregel met betrekking tot de persoon beveelt, bepaalt de handelingen in verband met de persoon waarvoor de beschermde persoon onbekwaam is, met inachtneming van de persoonlijke omstandigheden en zijn gezondheidstoestand. Hij somt deze handelingen uitdrukkelijk op in zijn beschikking. Bij gebreke van aanwijzingen in de in het eerste lid bedoelde beschikking blijft de beschermde persoon bekwaam voor alle handelingen in verband met zijn persoon. De vrederechter oordeelt in zijn beschikking in ieder geval uitdrukkelijk over de bekwaamheid van de beschermde persoon met betrekking tot : […] 4° het instellen van en zich verweren tegen een vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting van het huwelijk, bedoeld in artikel 229; […] ». Artikel 229, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek bepaalt : « De echtscheiding wordt uitgesproken wanneer de rechter vaststelt dat het huwelijk onherstelbaar ontwricht is. Het huwelijk is onherstelbaar ontwricht wanneer de voortzetting van het samenleven tussen de echtgenoten en de hervatting ervan redelijkerwijs onmogelijk is geworden ingevolge die ontwrichting. Het bewijs van de onherstelbare ontwrichting kan met alle wettelijke middelen worden geleverd ». 6 Artikel 497/2 van het oud Burgerlijk Wetboek bepaalt : « De volgende handelingen zijn, in zoverre de beschermde persoon daarvoor handelingsonbekwaam werd verklaard, niet vatbaar voor bijstand of vertegenwoordiging door de bewindvoerder : […] 5° het instellen van een vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting van het huwelijk, bedoeld in artikel 229; […] ». Artikel 231 van het oud Burgerlijk Wetboek bepaalt : « De persoon die krachtens artikel 492/1 uitdrukkelijk onbekwaam werd verklaard om de echtscheiding te vorderen, kan, op zijn verzoek, door de in artikel 628, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde vrederechter, alsnog worden gemachtigd de vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting als bedoeld in artikel 229 in te stellen of een verzoek tot echtscheiding door onderlinge toestemming als bedoeld in artikel 230 in te dienen. De vrederechter oordeelt over de wilsbekwaamheid van de beschermde persoon ». Artikel 1255, §§ 5 en 7, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « § 5. Indien de echtscheiding door een van de partijen gevorderd wordt met toepassing van artikel 229, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, en het bewijs van de onherstelbare ontwrichting geleverd is, kan de rechter de echtscheiding dadelijk uitspreken. […] § 7. Als een echtgenoot zich in een toestand als bedoeld in artikel 488/1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bevindt, wordt hij als verweerder vertegenwoordigd door zijn bewindvoerder of, bij gebreke, door een beheerder ad hoc die vooraf door de familierechtbank aangewezen wordt op verzoek van de eisende partij ». B.3.2. Uit die bepalingen volgt dat een persoon die handelingsonbekwaam is verklaard voor het instellen van een vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting van het huwelijk een dergelijke vordering evenmin kan instellen via de bijstand van of vertegenwoordiging door zijn bewindvoerder. Hij kan die handeling enkel zelf stellen, indien de vrederechter hem daartoe, in het kader van een specifieke machtiging, wilsbekwaam heeft verklaard. Enkel wanneer de handelingsonbekwame echtgeno(o)t(
  2. e)optreedt als verweerder in 7 een echtscheidingsprocedure, kan deze worden vertegenwoordigd door de bewindvoerder of, in voorkomend geval, door een beheerder ad hoc. De bevoegdheid van die laatsten beperkt zich evenwel tot het louter voeren van een verweer. In geen geval impliceert deze het instellen van een tegenvordering tot echtscheiding (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-2068/2, p. 31). B.4. Artikel 497/2 van het oud Burgerlijk Wetboek bevat een lijst van in totaal 27 handelingen waarvoor bijstand van of vertegenwoordiging door de bewindvoerder niet mogelijk is. Naast handelingen die eerder een familierechtelijk karakter hebben, zoals het geven van de toestemming tot huwen (1°), het – in de voorliggende zaak aan de orde zijnde – instellen van een vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting (5°), een verzoek tot echtscheiding door onderlinge toestemming (7°) en de erkenning van een kind (8°), gaat het onder meer ook om handelingen die rechtstreeks betrekking hebben op de fysieke integriteit van de beschermde persoon, zoals een verzoek tot euthanasie (18°), een verzoek tot uitvoering van een zwangerschapsafbreking (19°) en het verlenen van de toestemming tot het wegnemen van organen (28°). Met betrekking tot de artikelen 231, 492/1, § 1, derde lid, 4°, en 497/2, 5°, van het oud Burgerlijk Wetboek vermeldt de parlementaire voorbereiding van de wet van 17 maart 2013 : « Er wordt aandacht geschonken aan het onderscheid tussen handelingen die de persoon raken en handelingen m.b.t. het beheer van de goederen. Handelingen die betrekking hebben op de persoon kunnen niet worden gelijkgesteld met handelingen die betrekking hebben op de goederen. Handelingen die de persoon raken zijn veel ingrijpender en eisen bijzondere aandacht. De regels inzake de werking van het beheer over de goederen kunnen dan ook niet zonder meer worden getransponeerd naar de persoon » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1009/001, p. 12). En : « De vrederechter oordeelt bij de inrichting van het beschermingsstatuut uitdrukkelijk of de beschermde persoon handelingsonbekwaam is voor het stellen van de betreffende rechtshandeling (art. 492/1, § 1, van het Burgerlijk Wetboek) » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-1009/010, p. 19). En : 8 « De onbekwaamheid om een echtscheidingsvordering in te stellen moet uitdrukkelijk door de vrederechter zijn vastgesteld bij toepassing van artikel 492-2 B.W. Het volstaat niet om onder een beschermingsstatuut te zijn geplaatst. De wet vertrekt vanuit de bekwaamheid van de beschermde persoon » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1009/001, p. 26). En : « Oordeelt de vrederechter dat de beschermde persoon handelingsonbekwaam is, dan nog kan de beschermde persoon tijdens het bewind de toelating (machtiging) aan de vrederechter vragen om alsnog deze rechtshandeling te stellen (cf. procedure art. 1241 en 1246 van het Gerechtelijke Wetboek) » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-1009/010, p. 19). En : « […] De juridische handelingsonbekwaamheid [belet] niet op absolute wijze (meer) dat de beschermde persoon die op het ogenblik van het stellen van de proceshandeling daar wel wilsbekwaam toe is, alsnog een vordering tot echtscheiding instelt. De vrederechter oordeelt enkel over de wilsbekwaamheid, niet over de opportuniteit om uit de echt te scheiden of de vervulling van de voorwaarden daartoe. Op die manier wordt rekening gehouden met personen die een wisselend ziektebeeld vertonen en op bepaalde ogenblikken wel nog bekwaam zijn om te oordelen over hun persoon. De vrederechter beoordeelt de ‘ wilsbekwaamheid ’ tot echtscheiding op dezelfde wijze en met dezelfde middelen als het voornemen om te huwen. De term ‘ wilsbekwaamheid ’ wijst erop dat de persoon in staat is om de facto (in feite) zelf en zelfstandig proceshandelingen te stellen zoals alle andere deelnemers aan het rechtsverkeer in de samenleving die niet beschermd worden. De machtiging dekt niet enkel het instellen van de vordering, maar a fortiori ook het zich in de loop van de procedure akkoord verklaren met een ingestelde echtscheidingsvordering (art. 1255, § 3 Ger. W.) » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1009/001, pp. 26-27). En : « Ingeval een persoon handelingsonbekwaam wordt verklaard voor het stellen van bepaalde handelingen, dan moet bepaald worden hoe deze handelingsonbekwaamheid wordt opgevangen of er is sprake van een rechtsonbekwaamheid. Dit wil zeggen dat de betrokkene juridisch op geen enkele wijze deze handelingen nog kan stellen. Slechts voor zeer uitzonderlijke handelingen die hoogstpersoonlijk zijn, leidt de handelingsonbekwaamheid ook tot een (beperkte) rechtsonbekwaamheid, nl. wat betreft een aantal handelingen opgenomen in de lijst met hoogstpersoonlijke handelingen (art. 497/2 van het Burgerlijk Wetboek). Uiteraard kan de vrederechter steeds deze onbekwaamheid opheffen (art. 492/4 van het Burgerlijk Wetboek) » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-1009/010, p. 43). 9 En : « Artikel 497-3 [lees : artikel 497/2] van het Burgerlijk Wetboek verduidelijkt welke rechts- en proceshandelingen niet vatbaar voor vertegenwoordiging of bijstand zijn. Het betreffen zeer gewichtige handelingen die een hoogstpersoonlijke keuze van de beschermde persoon vereisen en waarover niemand anders in zijn plaats kan beslissen laat staan kan oordelen of de voorgenomen handeling wel strookt met zijn belang. Het betreffen handelingen die een uitdrukking vormen van de diepste gevoelens en wensen van de beschermde persoon. Ook in het Franse recht is dergelijke lijst terug te vinden (zie art. 458 C. civ.) » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1009/001, pp. 48-49). En : « In alle andere gevallen wordt deze handelingsonbekwaamheid opgevangen door hetzij de bijstand van hetzij de vertegenwoordiging door de bewindvoerder. Bij een bijstandsregime stelt de beschermde persoon zelf de betreffende handeling, maar met (juridische) bijstand van zijn bewindvoerder. Het initiatief gaat uit van de beschermde persoon. Bij een vertegenwoordigingsregime treedt de bewindvoerder op in naam en voor rekening van de beschermde persoon » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-1009/010, pp. 43-44). Ten gronde Wat betreft de derde prejudiciële vraag B.5. Met de derde prejudiciële vraag wenst het verwijzende rechtscollege van het Hof te vernemen of artikel 497/2, 5°, van het oud Burgerlijk Wetboek bestaanbaar is met artikel 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre die bepaling verhindert dat een persoon die handelingsonbekwaam werd verklaard om een vordering tot echtscheiding in te stellen en die zijn wil niet meer te kennen kan geven, een vordering tot echtscheiding op grond van een bewezen onherstelbare ontwrichting van het huwelijk zoals bedoeld in artikel 229, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek kan instellen, ook niet met bijstand van of vertegenwoordigd door zijn bewindvoerder en ook niet na een bijzondere machtiging die door de vrederechter aan de bewindvoerder werd verleend, waardoor die persoon geen enkele toegang heeft tot een rechter om zijn verzoek tot echtscheiding te beoordelen. 10 In het bodemgeschil wenst de bewindvoerder van een persoon die handelingsonbekwaam werd verklaard voor die persoon de echtscheiding te vorderen op grond van onherstelbare ontwrichting van het huwelijk wegens verschillende zwaarwichtige feiten die diens echtgenoot jegens die persoon heeft gepleegd en waarvoor hij werd veroordeeld en geïnterneerd. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege werd bij de opstart van het bewind op grond van artikel 492/1, derde lid, 5°, van het oud Burgerlijk Wetboek door het vredegerecht handelingsonbekwaam verklaard om een vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting van het huwelijk in te stellen. Tevens stelt het verwijzende rechtscollege in het kader van de bodemprocedure vast dat de eisende partij haar wil niet meer te kennen kan geven met betrekking tot de vraag of zij al dan niet wenst te scheiden, zoals bedoeld in artikel 231 van het oud Burgerlijk Wetboek. B.6. Artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens verbiedt iedere discriminatie bij het genot van de in het Verdrag vermelde rechten. Aangezien de prejudiciële vraag niet aangeeft in welk opzicht de in het geding zijnde bepaling een verschil in behandeling invoert bij het genot van de rechten die zijn gewaarborgd in de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, is de prejudiciële vraag onontvankelijk in zoverre zij betrekking heeft op de inachtneming van artikel 14 van dat Verdrag. B.7.1. Artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens houdt een recht in op toegang tot de bevoegde rechter. Dat recht wordt eveneens gewaarborgd bij artikel 13 van de Grondwet en bij een algemeen rechtsbeginsel. B.7.2. Artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt voor personen van wie de in dat Verdrag vermelde rechten en vrijheden zijn geschonden, een recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie. B.7.3. Artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens vormt een lex specialis ten opzichte van artikel 13 van dat Verdrag, waarbij voormeld artikel 6, lid 1, van het Verdrag het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel omvat (EHRM, grote kamer, 15 maart 2022, Grzęda t. Polen, ECLI:CE:ECHR:2022:0315JUD004357218, § 352). 11 B.8.1. De toegang tot de rechter kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden. Die voorwaarden mogen echter niet ertoe leiden dat dat recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast. Dat zou het geval zijn wanneer de opgelegde beperkingen geen wettig doel nastreven en indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel (EHRM, grote kamer, 17 januari 2012, Stanev t. Bulgarije, ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD003676006, § 230; 30 mei 2013, Nataliya Mikhaylenko t. Oekraïne, ECLI:CE:ECHR:2013:0530JUD004906911, § 31; 3 oktober 2019, Nikolyan t. Armenië, ECLI:CE:ECHR:2019:1003JUD007443814, § 90). B.8.2. Beschermende maatregelen die de procedurele rechten van een handelingsonbekwaam verklaarde persoon beperken, kunnen gerechtvaardigd zijn ter bescherming van die persoon zelf, ter bescherming van de belangen van anderen en ter waarborging van een goede rechtsbedeling (EHRM, grote kamer, 17 januari 2012, Stanev t. Bulgarije, voormeld, § 241; 3 oktober 2019, Nikolyan t. Armenië, voormeld, § 91). Niettemin hebben beschermende maatregelen die tot de handelingsonbekwaamheid van een persoon leiden ernstige gevolgen voor diverse aspecten van het leven van die persoon (EHRM, 27 maart 2008, Shtukaturov t. Rusland, ECLI:CE:ECHR:2008:0327JUD004400905, § 88; 22 januari 2013, Lashin t. Rusland, ECLI:CE:ECHR:2013:0122JUD003311702, § 81; 3 oktober 2019, Nikolyan t. Armenië, voormeld, § 121). Het besluitvormingsproces dat tot dergelijke ingrijpende beschermende maatregelen leidt, moet eerlijk verlopen (EHRM, 3 oktober 2023, A.A.K. t. Turkije, ECLI:CE:ECHR:2023:1003JUD005657811, § 65) en moet een billijk evenwicht bereiken tussen de belangen van de handelingsonbekwame persoon en de andere betrokken legitieme belangen (EHRM, 3 oktober 2023, A.A.K. t. Turkije, voormeld, § 86; 3 oktober 2019, Nikolyan t. Armenië, voormeld, § 120). Bijzondere procedurewaarborgen zijn mogelijk vereist om diegenen te beschermen die, wegens hun gezondheidstoestand, niet volledig in staat zijn voor eigen rekening te handelen (EHRM, grote kamer, 17 januari 2012, Stanev t. Bulgarije, voormeld, § 170). B.9. Uit de in B.4 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever de bijstand van of vertegenwoordiging door de bewindvoerder heeft uitgesloten omdat hij de vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting van het huwelijk beschouwt als een « zeer gewichtige handeling » die « een uitdrukking [vormt] van de diepste gevoelens en wensen van de beschermde persoon », zodat zij « een hoogstpersoonlijke keuze van de 12 beschermde persoon [vereist] ». Volgens de wetgever kan dan ook enkel de beschermde persoon zelf beslissen of die handeling strookt met zijn belang. Het in het geding zijnde artikel 497/2, 5°, van het oud Burgerlijk Wetboek is derhalve pertinent in het licht van de in B.4 vermelde doelstellingen van de hervorming van het bewind om de autonomie van de beschermde persoon te beschermen en te vermijden dat van zijn gezondheidstoestand misbruik zou worden gemaakt. B.10. Het behoort tot de beoordelingsvrijheid van de wetgever om te bepalen op welke wijze de onbekwaamheid van een persoon om, als gevolg van zijn gezondheidstoestand, zijn belangen van vermogensrechtelijke of niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, moet worden opgevangen. Wanneer het gaat om beschermende maatregelen die, zoals is vermeld in B.9, ernstige gevolgen hebben voor verschillende aspecten van het leven van de beschermde persoon, is die beoordelingsvrijheid evenwel beperkter (EHRM, 27 maart 2008, Shtukaturov t. Rusland, voormeld, § 88; 3 november 2011, X en Y t. Kroatië, ECLI:CE:ECHR:2011:1103JUD000519309, § 109; 3 oktober 2019, Nikolyan t. Armenië, voormeld, § 121). B.11.1. Hoewel het een wettige doelstelling is om de belangen van de beschermde persoon te beschermen door te vermijden dat de bewindvoerder tegen zijn belangen in een vordering tot echtscheiding zou instellen, heeft de in het geding zijnde bepaling onevenredige gevolgen, in zoverre zij, omgekeerd, ook verhindert dat een vordering tot echtscheiding wordt ingesteld wanneer een dergelijke vordering net in het belang is van de beschermde persoon. De in het geding zijnde bepaling dwingt een echtgenoot die blijvend handelingsonbekwaam is en zijn wil niet kan uitdrukken, en die derhalve geen gebruik kan maken van de mogelijkheid die artikel 231 van het oud Burgerlijk Wetboek biedt, ertoe om, zolang zijn handelingsonbekwaamheid duurt, gehuwd te blijven, zelfs indien er redenen zijn om aan te nemen dat het huwelijk onherstelbaar ontwricht is en het niet in zijn belang is om gehuwd te blijven. 13 B.11.2. Noch in de in B.4 vermelde parlementaire voorbereiding, noch in de memorie die de Ministerraad voor het Hof heeft ingediend, wordt aangetoond waarom het belang van de beschermde persoon bij het instellen van een vordering tot echtscheiding op grond van een bewezen onherstelbare ontwrichting van het huwelijk, zoals bedoeld in artikel 229, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek, niet op een objectieve wijze zou kunnen worden bepaald door de bewindvoerder. Deze zou zijn beoordeling kunnen steunen op (eerdere) verklaringen, gedragingen en waardepatronen van de beschermde persoon, alsook op bepaalde feiten die zich tijdens het huwelijk hebben voorgedaan. Het optreden van de bewindvoerder is onderworpen aan meerdere controlemechanismen ter bescherming van de belangen van de handelingsonbekwame persoon. Zo staat de bewindvoerder onder het permanente toezicht van de vrederechter (artikelen 492/4, 496/7, 497/3, § 1, 497/4, 497/8 en 499/14 van het oud Burgerlijk Wetboek). Daarnaast zou de bewindvoerder voor het instellen van een vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting in de zin van artikel 229, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek een bijzondere machtiging moeten verkrijgen van de vrederechter. Het instellen van een dergelijke vordering zou immers het « [in rechte vertegenwoordigen van] de beschermde persoon […] als eiser bij rechtsplegingen en handelingen » betreffen, waarvoor de vrederechter de bewindvoerder op grond van artikel 499/7, § 1, eerste lid, 3°, van het oud Burgerlijk Wetboek een bijzondere machtiging moet verlenen. Indien de bewindvoerder de vordering tot echtscheiding zou instellen zonder dat hij over een bijzondere machtiging beschikt, zou die vordering nietig zijn (artikel 499/13, eerste en tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek). Ten slotte moet de echtscheidingsvordering worden ingesteld bij de familierechtbank (artikel 572bis, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek), die moet nagaan of aan de voorwaarden voor een echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting is voldaan. B.12. Uit het voorgaande blijkt dat de in het geding zijnde bepaling geen billijk evenwicht bewerkstelligt tussen de belangen van de handelingsonbekwame persoon en de andere betrokken legitieme belangen (vergelijk EHRM, 3 oktober 2019, Nikolyan t. Armenië, voormeld, §§ 93-98; 9 oktober 1979, Airey t. Ierland, ECLI:CE:ECHR:1979:1009JUD000628973, §§ 20-28). Artikel 497/2, 5°, van het oud Burgerlijk Wetboek is derhalve niet bestaanbaar met artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor 14 de rechten van de mens, in zoverre die bepaling verhindert dat een persoon die handelingsonbekwaam werd verklaard om een vordering tot echtscheiding in te stellen en die zijn wil niet meer te kennen kan geven in de zin van artikel 231 van het oud Burgerlijk Wetboek, een vordering tot echtscheiding kan instellen op grond van een bewezen onherstelbare ontwrichting van het huwelijk overeenkomstig artikel 229, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek, waarbij die persoon wordt vertegenwoordigd door zijn bewindvoerder, die moet beschikken over een bijzondere machtiging die door de vrederechter krachtens artikel 499/7, § 1, eerste lid, 3°, van het oud Burgerlijk Wetboek werd verleend. Wat betreft de eerste en de tweede prejudiciële vraag B.13. De eerste en de tweede prejudiciële vraag beogen eveneens de onmogelijkheid voor een persoon die handelingsonbekwaam werd verklaard en die zijn wil niet meer te kennen kan geven om een vordering tot echtscheiding in te stellen op grond van een bewezen onherstelbare ontwrichting van het huwelijk. Aangezien het antwoord op die prejudiciële vragen niet tot een ruimere vaststelling van ongrondwettigheid kan leiden, moeten zij niet worden onderzocht. 15 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 497/2, 5°, van het oud Burgerlijk Wetboek schendt artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre die bepaling verhindert dat een persoon die handelingsonbekwaam werd verklaard om een vordering tot echtscheiding in te stellen en die zijn wil niet meer te kennen kan geven in de zin van artikel 231 van het oud Burgerlijk Wetboek, een vordering tot echtscheiding kan instellen op grond van een bewezen onherstelbare ontwrichting van het huwelijk overeenkomstig artikel 229, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek, waarbij die persoon wordt vertegenwoordigd door zijn bewindvoerder, die moet beschikken over een bijzondere machtiging die door de vrederechter krachtens artikel 499/7, § 1, eerste lid, 3°, van het oud Burgerlijk Wetboek werd verleend. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 12 februari 2026. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.021 Gerelateerde publicatie(
  3. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240909.3N.4 ECLI:CE:ECHR:1979:1009JUD000628973 ECLI:CE:ECHR:2008:0327JUD004400905 ECLI:CE:ECHR:2011:1103JUD000519309 ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD003676006 ECLI:CE:ECHR:2013:0122JUD003311702 ECLI:CE:ECHR:2013:0530JUD004906911 ECLI:CE:ECHR:2019:1003JUD007443814 ECLI:CE:ECHR:2022:0315JUD004357218 ECLI:CE:ECHR:2023:1003JUD005657811 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.