id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 februari 2026 ECLI n
4, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Vreemdelingenrecht - Toegang en verblijf - Onderdanen van een derde land - Beslissing tot weigering van een studentenvisum - Beroep - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - Vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid Tekst van de beslissing ERROR GetNoECLIfromNoROLE Invalid no ROLE - Invalid no_role 2 A in B.11.2 A Grondwettelijk Hof Arrest nr. 22/2026 van 26 februari 2026 Rolnummer : 7996 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 39/82, §§
4, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 10 mei 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 19 mei 2023, heeft de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schendt artikel 39/82, §
§ 4
, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen de artikelen 10, 11, 13, 22 en 24, § 3, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 14, lid 1, 20, 21 en 47 van het Handvest van de grondrechten en met het doeltreffendheidsbeginsel, in zoverre : - het de onderdanen van een derde land ten aanzien van wie een beslissing tot weigering van een studentenvisum is genomen, niet de mogelijkheid biedt om hun zaak bij uiterst dringende noodzakelijkheid aanhangig te maken bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen teneinde de schorsing van die beslissing en van andere voorlopige maatregelen te vorderen of over een rechtsmiddel te beschikken dat gelijkwaardige waarborgen biedt, 2 - terwijl het rechtsmiddel bij uiterst dringende noodzakelijkheid openstaat voor de onderdanen van een derde land ten aanzien van wie een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel is genomen waarvan de tenuitvoerlegging imminent is, - zelfs ingeval de in het eerste punt bedoelde personen zouden aantonen dat zij blijk hebben gegeven van de vereiste zorgvuldigheid en dat de naleving van de vereiste termijnen voor het instellen van een gewone procedure (schorsing/nietigverklaring) het verloop van de beoogde studie zou kunnen belemmeren en/of onherstelbaar in het gedrang brengen ? Schendt artikel 39/82, §
§ 4
, van de wet van 15 december 1980 de artikelen 10, 11, 13, 22 en 24, § 3, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 7, 14, lid 1, 20, 21 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie : - in zoverre het de onderdanen van een derde land ten aanzien van wie een beslissing tot weigering van een studentenvisum is genomen, niet de mogelijkheid biedt om hun zaak bij uiterst dringende noodzakelijkheid aanhangig te maken bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen teneinde de schorsing van die beslissing en van andere voorlopige maatregelen te vorderen of over een rechtsmiddel te beschikken dat gelijkwaardige waarborgen biedt, - terwijl het rechtsmiddel bij uiterst dringende noodzakelijkheid voor de Raad van State in beginsel openstaat voor de bestuurden tegen wie een bestuurshandeling is gericht die zij willen betwisten, onder wie met name studenten die in België verblijven, - zelfs ingeval de in het eerste punt bedoelde personen zouden aantonen dat zij blijk hebben gegeven van de vereiste zorgvuldigheid en dat de naleving van de vereiste termijnen voor het instellen van een gewone procedure (schorsing/nietigverklaring) het verloop van de beoogde studie zou kunnen belemmeren en/of onherstelbaar in het gedrang brengen ? Schendt artikel 39/82, §
§ 4
, van de wet van 15 december 1980 de artikelen 10, 11, 13, 22 en 24, § 3, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 7, 14, lid 1, 20, 21 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie : - in zoverre het de onderdanen van een derde land ten aanzien van wie een beslissing tot weigering van een studentenvisum is genomen, op dezelfde wijze behandelt als alle andere vreemdelingen ten aanzien van wie beslissingen van andere aard zijn genomen op grond van de wet van 15 december 1980, zonder rekening te houden met het omkeerbare of onomkeerbare karakter van het aangevoerde nadeel, met uitsluiting van degenen ten aanzien van wie een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel is genomen waarvan de tenuitvoerlegging imminent wordt, door hun de toegang te ontzeggen tot de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen teneinde de schorsing van de beslissing tot weigering van een studentenvisum en van andere voorlopige maatregelen te vorderen of over een rechtsmiddel te beschikken dat gelijkwaardige waarborgen biedt, - zelfs ingeval de onderdanen van een derde land ten aanzien van wie een beslissing tot weigering van een studentenvisum is genomen, zouden aantonen dat zij blijk hebben gegeven 3 van de vereiste zorgvuldigheid en dat de naleving van de vereiste termijnen voor het instellen van een gewone procedure (schorsing/nietigverklaring) het verloop van de beoogde studie zou kunnen belemmeren en/of onherstelbaar in het gedrang brengen ? Is artikel 39/82, §
§ 4
, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingeval een van de hierboven gestelde prejudiciële vragen ontkennend zou worden beantwoord, in overeenstemming met de artikelen 10, 11, 13, 22 en 24, § 3, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 14, lid 1, 20, 21 en 47 van het Handvest van de grondrechten en met het doeltreffendheidsbeginsel, indien het zo wordt geïnterpreteerd dat het : - de onderdanen van een derde land ten aanzien van wie een beslissing tot weigering van een visum voor studiedoeleinden is genomen, - die aantonen dat zij blijk hebben gegeven van de vereiste zorgvuldigheid en dat de naleving van de vereiste termijnen voor het instellen van een gewone procedure (schorsing/nietigverklaring) van dien aard zou zijn dat zij het verloop van de beoogde studie op het Belgische grondgebied zou belemmeren en/of onherstelbaar in het gedrang brengen, - de mogelijkheid biedt om een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te stellen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen teneinde de schorsing van de betwiste beslissing en van andere voorlopige maatregelen te verkrijgen ? ». Bij tussenarrest nr. 66/2024 van 20 juni 2024 (ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.066), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 oktober 2024, houdt het Hof de uitspraak over de prejudiciële vragen aan, in afwachting van de antwoorden van het Hof van Justitie van de Europese Unie op de in de zaken C-14/23 en C-299/23 gestelde prejudiciële vragen. Bij arresten van 29 juli 2024 en 19 juni 2025 in de zaken C-14/23 (ECLI:EU:C:2024:647) en C-299/23 (ECLI:EU:C:2025:461) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie op de vragen geantwoord. Bij beschikking van 16 juli 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Kattrin Jadin en Danny Pieters te hebben gehoord, beslist : - de debatten te heropenen, - de partijen uit te nodigen om, in een uiterlijk op 30 september 2025 bij ter post aangetekende brief in te dienen aanvullende memorie, waarvan zij binnen dezelfde termijn een kopie uitwisselen, alsook, via mail, op het mailadres griffie@const-court.be, hun standpunt uiteen te zetten over de gevolgen van de voormelde arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie voor het op de prejudiciële vragen te geven antwoord, - dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en 4 - dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zouden worden gesloten op 30 september 2025 en de zaak in beraad zou worden genomen. Aanvullende memories zijn ingediend door : - de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », de vzw « Coordination et Initiatives pour et avec les Réfugiés et Étrangers » en Jean-Marc Picard, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Michel Kaiser, mr. Cécile Jadot en mr. Julien Hardy, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Elisabeth Derriks, advocate bij de balie te Brussel. Ingevolge het verzoek van meerdere partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 24 september 2025 de dag van de terechtzitting bepaald op 22 oktober
- Op de openbare terechtzitting van 22 oktober 2025 : - zijn verschenen : . mr. Cécile Jadot, tevens loco mr. Michel Kaiser, voor de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », de vzw « Coordination et Initiatives pour et avec les Réfugiés et Étrangers » en Jean-Marc Picard; . mr. Konstantin De Haes, advocaat bij de balie te Brussel, tevens loco mr. Elisabeth Derriks, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers Kattrin Jadin en Danny Pieters verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.
- De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en de vzw « Coordination et Initiatives pour et avec les Réfugiés et Étrangers » beklemtonen in de eerste plaats dat goed het onderscheid moet worden gemaakt tussen, enerzijds, de toetsing door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna : het HvJ) bij het arrest van 29 juli 2024 in de zaak Perle (C-14/23, ECLI:EU:C:2024:647) en bij dat van 19 juni 2025 in de zaak Darvate e.a. (C-299/23, ECLI:EU:C:2025:461) en, anderzijds, de grondwettigheidstoets waartoe de burgerlijke rechtbank te Brussel het Hof verzoekt over te gaan met de eerste drie prejudiciële vragen. Zij merken op dat die vragen betrekking hebben op verschillen in behandeling en een gelijke behandeling waarover het HvJ zich niet heeft uitgesproken. 5 A.
- De voormelde partijen leiden uit de motieven van het voormelde arrest van 19 juni 2025 af dat de gehele procedure voor de behandeling van een aanvraag voor machtiging tot verblijf die met toepassing van artikel 60, § 1, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980) wordt ingediend, welke de uitoefening van het door de Staat geregelde rechtsmiddel tegen de weigering van een machtiging omvat, alsook de aanneming van een nieuw administratief besluit in geval van nietigverklaring van die weigering, in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zodanig moet worden opgezet dat de voortzetting van de studie van het lopende jaar niet onherstelbaar verloren gaat. Zij leiden uit dat arrest eveneens af dat dat rechtsmiddel het mogelijk moet maken om binnen een korte termijn een nieuw besluit te nemen zodat de buitenlandse aanvrager de volle werking kan genieten van de rechten die de richtlijn 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 « betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (herschikking) » (hierna : de richtlijn 2016/801) hem verleent, of met andere woorden zodat hij zijn studies kan voortzetten door toegang te hebben tot het grondgebied van de Europese Unie, zonder dat het eerste jaar van zijn studies onherstelbaar verloren gaat door het verstrijken van de tijd. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en de vzw « Coordination et Initiative pour et avec les Réfugiés et Étrangers » beklemtonen dat de in de richtlijn 2016/801 bedoelde « derdelanders », in het licht van de rechtspraak van het HvJ, de volle werking van de voormelde rechten moeten kunnen genieten op grond van de concrete regeling van de beroepsprocedure. A.
- De Ministerraad bevestigt in het licht van de arresten die door het HvJ zijn gewezen op 29 juli 2024 en 19 juni 2025 dat de eerste drie prejudiciële vragen ontkennend dienen te worden beantwoord omdat zij op het verkeerde uitgangspunt berusten dat de vreemdeling in kwestie niet over een rechtsmiddel beschikt waardoor hij tijdig een nieuw besluit verkrijgt. A.
- Hij leidt uit die twee arresten van het HvJ af dat het bij artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende recht op een doeltreffende voorziening in rechte het Koninkrijk België niet ertoe verplicht om in de in het geding zijnde aangelegenheid een ander rechtsmiddel in te voeren dan die welke worden geregeld bij de artikelen 39/2, § 2, en 39/82, van de wet van 15 december
- Hij merkt op dat, volgens het HvJ, het instellen van dat rechtsmiddel en de uitvoering van de rechterlijke beslissing waartoe dat middel aanleiding geeft, moeten voldoen aan voorwaarden die ervoor zorgen dat de betrokken vreemdeling de volle werking van de rechten die hem bij de richtlijn 2016/801 worden verleend, kan genieten. De Ministerraad merkt op dat de Raad van State bij het arrest nr. 262.671 dat hij op 19 maart 2025 (ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.671) heeft gewezen naar aanleiding van het arrest van het HvJ van 29 juli 2024, heeft geoordeeld dat de Belgische wet aan die voorwaarden voldeed. Tot slot merkt de Ministerraad op dat het Hof niet bevoegd is om kennis te nemen van de eventuele niet- naleving van de wet door de administratieve overheden. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.1.
- De vier prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 39/82, §§
4, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980), in zoverre het « de onderdanen van een derde land ten aanzien van wie een beslissing tot weigering 6 van een studentenvisum is genomen, niet de mogelijkheid biedt om hun zaak bij uiterst dringende noodzakelijkheid aanhangig te maken bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen teneinde de schorsing van die beslissing en van andere voorlopige maatregelen te vorderen of over een rechtsmiddel te beschikken dat gelijkwaardige waarborgen biedt ». B.1.
- Artikel 39/82 van de wet van 15 december 1980 is ingevoegd bij artikel 185 van de wet van 15 september 2006 « tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen » en werd de laatste maal gewijzigd bij artikel 5 van de wet van 10 april 2014 « houdende diverse bepalingen met betrekking tot de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en voor de Raad van State » (hierna : de wet van 10 april 2014). Dat artikel 39/82 bepaalt : « §
- Wanneer een akte van een administratieve overheid vatbaar is voor vernietiging krachtens artikel 39/2, dan kan de Raad als enige de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan bevelen. Nadat de partijen gehoord zijn of behoorlijk opgeroepen, wordt de schorsing bevolen bij gemotiveerde uitspraak van de voorzitter van de geadieerde kamer of van de rechter in vreemdelingenzaken die hij daartoe aanwijst. In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kan de schorsing bij voorraad worden bevolen, zonder dat de partijen of sommige van hen zijn gehoord. De verzoeker dient, wanneer hij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert, te opteren hetzij voor een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid, hetzij voor een gewone schorsing. Hij kan op straffe van niet-ontvankelijkheid noch gelijktijdig noch opeenvolgend hetzij opnieuw toepassing maken van het derde lid, hetzij in zijn in § 3 bedoeld verzoekschrift andermaal de schorsing vorderen. In afwijking van het vierde lid en onverminderd het bepaalde in § 3, belet de verwerping van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet dat de verzoeker nadien een vordering tot schorsing volgens de gewone procedure instelt indien deze vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd verworpen omdat de uiterst dringende noodzakelijkheid niet afdoende werd aangetoond. §
- De schorsing van de tenuitvoerlegging kan alleen worden bevolen als ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte kunnen verantwoorden en op voorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Deze laatste voorwaarde is onder andere vervuld indien een ernstig middel werd aangevoerd gesteund op de grondrechten van de mens, in het bijzonder de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. 7 De uitspraken waarbij de schorsing is bevolen, kunnen worden ingetrokken of gewijzigd op verzoek van de partijen. §
- Behoudens in het geval van uiterst dringende noodzakelijkheid moeten in één en dezelfde akte zowel de vordering tot schorsing al het beroep tot nietigverklaring worden ingesteld. In het opschrift van het verzoekschrift dient te worden vermeld dat hetzij een beroep tot nietigverklaring wordt ingesteld, hetzij een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring. Is aan deze pleegvorm niet voldaan, dan wordt het verzoekschrift geacht enkel een beroep tot nietigverklaring te bevatten. Eenmaal een beroep tot nietigverklaring is ingediend, is een navolgende vordering tot schorsing niet ontvankelijk, onverminderd de mogelijkheid in hoofde van de verzoeker om, indien de beroepstermijn nog niet is verstreken, een nieuw beroep tot nietigverklaring in te stellen waar een vordering tot schorsing is bijgevoegd op de wijze bepaald als hiervoor. De vordering bevat een uiteenzetting van de middelen en de feiten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing of, in voorkomend geval, van voorlopige maatregelen rechtvaardigen. De schorsing en de andere voorlopige maatregelen die zouden zijn bevolen voor het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring van de akte wordt door de voorzitter van de kamer of door de rechter in vreemdelingenzaken die hij aanwijst die ze heeft uitgesproken onmiddellijk opgeheven als hij vaststelt dat binnen de in de procedureregeling vastgestelde termijn geen enkel verzoekschrift tot nietigverklaring is ingediend waarin de middelen worden aangevoerd die ze gerechtvaardigd hadden. §
- De voorzitter van de kamer of de rechter in vreemdelingenzaken die hij aanwijst doet binnen dertig dagen uitspraak over de vordering tot schorsing. Indien de schorsing is bevolen, wordt binnen vier maanden na de uitspraak van de rechterlijke beslissing uitspraak gedaan over het verzoekschrift tot nietigverklaring. Indien de vreemdeling het voorwerp is van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging imminent is, in het bijzonder indien hij is vastgehouden in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 of ter beschikking is gesteld van de regering, en hij nog geen gewone vordering tot schorsing heeft ingeleid tegen de bedoelde verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, kan hij binnen de in artikel 39/57, § 1, derde lid, bedoelde termijn de schorsing van de tenuitvoerlegging van deze maatregel vorderen bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Indien de vordering manifest laattijdig voorkomt, geeft de voorzitter van de geadieerde kamer of de rechter in vreemdelingenzaken die hij daartoe aanwijst, dit aan in zijn beschikking en roept de partijen onverwijld op te verschijnen binnen vierentwintig uur vanaf de ontvangst van de vordering. De kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken doet een zorgvuldig en nauwgezet onderzoek van alle bewijsstukken die hem worden voorgelegd, inzonderheid die welke van dien aard zijn dat daaruit blijkt dat er redenen zijn om te geloven dat de uitvoering van de bestreden beslissing de verzoeker zou blootstellen aan het risico te worden onderworpen aan de schending 8 van de grondrechten van de mens ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt afgedaan door de kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken binnen achtenveertig uur na de ontvangst ervan. Deze termijn wordt evenwel uitgebreid tot vijf dagen volgend op de dag van ontvangst door de Raad van de ingeleide vordering, wanneer de effectieve verwijdering of terugdrijving van de vreemdeling voorzien is voor een datum die de acht dagen te boven gaat. Indien de kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken niet binnen de termijn tot een uitspraak komt, dan moet hij de eerste voorzitter of de voorzitter daarvan op de hoogte brengen. Deze neemt de nodige maatregelen opdat een uitspraak wordt gewezen, al naargelang het geval, ofwel ten laatste binnen tweeënzeventig uur na de ontvangst van het verzoekschrift, ofwel zo snel mogelijk. Inzonderheid kan hij daartoe de zaak evoceren en er zelf uitspraak over doen. In afwijking van de vorige leden, doet de voorzitter van de geadieerde kamer of de rechter in vreemdelingenzaken die hij daartoe aanwijst, bij voorrang uitspraak over de ontvankelijkheid van de vordering, indien nodig zonder de partijen op te roepen, indien de volgende voorwaarden vervuld zijn : 1° het betreft een tweede verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, en 2° de vordering is manifest laattijdig, en 3° de vordering werd minder dan twaalf uur vóór de geplande uitvoering van de maatregel ingediend, en 4° de verzoeker en desgevallend zijn advocaat werden minstens achtenveertig uur vóór de geplande uitvoering van de maatregel ingelicht. Indien hij de vordering onontvankelijk verklaart, sluit het arrest de procedure af. Indien hij de vordering ontvankelijk verklaart, wordt de procedure verdergezet zoals voorzien in het derde tot het zesde lid. […] ». B.1.
- De parlementaire voorbereiding van de wet van 10 april 2014 vermeldt inzake het toepassingsgebied van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid het volgende : « Sinds 2008 tot 2013 werden 4 219 beroepen via de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingediend. In 2012 werden 877 beroepen ingediend, 1 009 beroepen werden ingediend in
- In alle beroepen samen beval de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen 632 keer de schorsing van de beslissing (15 %). 9 Deze wetswijziging stroomlijnt de procedure van uiterst dringende noodzakelijkheid bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De manieren om aan deze grote werklast te remediëren zonder te raken aan de efficiëntie van de rechtspraak ter zake zijn, in het licht van de vereisten van de daadwerkelijke rechtsbescherming zoals onder meer voorzien in artikel 13 van het EVRM en de rechtspraak die over deze bepaling werd gecreëerd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, niet ongelimiteerd. Het uitgangspunt is dat de instroom in wezen niet kan worden verminderd. Een optimaal terugkeerbeleid betekent dat de vreemdeling zich geconfronteerd ziet met een procedure van gedwongen terugkeer wanneer een terugkeer met zijn instemming zonder resultaat bleef. Dit brengt veelal een beroep van de laatste kans met zich, een uiterst dringend beroep. In die optiek is het nuttig en nodig om de werklast die deze uiterst dringende procedures met zich brengen, te herleiden tot een aanvaardbaar niveau zonder dat de fundamentele rechten van de betrokken vreemdeling in het gedrang komen. Duidelijkheid over de rechtsgang voor alle partijen wordt daarbij vooropgesteld. Vooreerst wordt een beroepstermijn bepaald binnen dewelke dringende vorderingen moeten worden ingediend en de gevolgen verduidelijkt die daaraan worden verleend op het vlak van de tenuitvoerlegging van de verwijderingsmaatregel. De uitspraak moet plaatsvinden op het meest nuttige moment, dit wil zeggen voor de daadwerkelijke verwijdering. Verder wordt ook duidelijkheid geboden op het vlak van het voorwerp van de vorderingen : een uiterst dringend beroep zal slechts ontvankelijk zijn indien het nuttig is om een effectieve rechtsbescherming te waarborgen. Zo wordt gewezen op de noodzaak om in ieder geval de verwijderingsmaatregel aan te vechten in het geval van ‘ de activering ’ bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de vorderingen tegen beslissingen waarin een uitspraak wordt gedaan over het verblijfsrecht van de vreemdeling. Tenslotte krijgt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij deze een instrument om zich op zijn jurisprudentie toe te spitsen op de merites van de beroepen, veeleer dan zich te moeten buigen over de procedurele aspecten ervan » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3445/001, pp. 4-5). En : « Thans wordt duidelijk bepaald dat een uiterst dringende procedure enkel mogelijk is wanneer de vreemdeling het voorwerp uitmaakt van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging imminent is, in het bijzonder omdat hij vastgehouden wordt in een gesloten centrum, verblijft in een terugkeerwoning of ter beschikking gesteld is van de Regering met het oog op de uitvoering van deze verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel » (ibid., p. 10). En : 10 « De procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid moet tot slot uitzonderlijk blijven en heeft slechts specifiek nut indien zij, beter nog dan de gewone schorsing, kan verhinderen dat de bestreden beslissing ten uitvoer wordt gelegd. In het kader van een migratiebeleid, dat tot complexe afwegingen noopt en waarbij rekening dient te worden gehouden met de vereisten die voortvloeien uit het recht van de Europese Unie, beschikt de wetgever over een beoordelingsbevoegdheid » (ibid., p. 11). B.1.
- Bij zijn arrest uitgesproken in algemene vergadering op 24 juni 2020, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daaromtrent het volgende geoordeeld : «
- Aldus blijkt dat, hoewel de oorspronkelijke formulering van artikel 39/82 van de wet de deur heeft kunnen openzetten voor een interpretatie die een ‘ dubbele weg ’ toestaat, zoals hiervoor is vermeld, in de memorie van toelichting bij de wet van 10 april 2014 duidelijk wordt aangegeven dat de bedoeling van de wetgever, althans op dat ogenblik, erin bestond de ambiguïteit op dat punt weg te nemen en maar één enkele weg toe te staan en de mogelijkheid om de schorsing van de tenuitvoerlegging van een handeling bij uiterst dringende noodzakelijkheid te vorderen te beperken tot de hypothese van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging imminent is.
- In dezelfde zin kan de omstandigheid dat de wetgever in het derde lid en in de volgende leden van paragraaf 4, zoals zij bij de voormelde wet van 10 april 2014 werden ingevoegd, de voorwaarden en de procedurele regels voor het onderzoek van de in het tweede lid bedoelde vorderingen zeer gedetailleerd heeft afgebakend, zonder op enig ogenblik de nadere regels voor de behandeling van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van een andere beslissing dan die welke in dat tweede lid worden beoogd, te overwegen, eveneens worden gezien als een extra aanwijzing dat hij geen andere hypotheses heeft willen overwegen waarin de schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing zou kunnen worden gevorderd bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
- Er dient eveneens in herinnering te worden gebracht dat de wetgever als algemene regel heeft vastgesteld dat een individuele beslissing waarvan de vernietiging wordt gevorderd, ook het voorwerp van een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ervan kan uitmaken. Vanuit dat perspectief vormt de mogelijkheid om die vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te stellen een uitzondering die afwijkt van de gemeenschappelijke regels die van toepassing zijn op de vordering tot schorsing. In dat verband wordt in de memorie van toelichting bij de wet van 10 april 2014 beklemtoond dat ‘ de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid […] uitzonderlijk [moet] blijven en […] slechts specifiek nut [heeft] indien zij, beter nog dan de gewone schorsing, kan verhinderen dat de bestreden beslissing ten uitvoer wordt gelegd ’ (ibid., p. 11). In zoverre zij afwijken van de algemene regel, dienen de bepalingen welke die uitzondering in het leven roepen, dus strikt te worden geïnterpreteerd, hetgeen ook in de richting gaat van een beperking van de mogelijkheid om de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te stellen tot de enige hypothese die uitdrukkelijk door de wetgever is beoogd.
- Daarenboven, zoals werd aangegeven, is de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid een uitzonderlijke procedure. Zij beperkt onder meer de rechten van verdediging van de verwerende partij tot het strikte minimum, kan nog vóór het instellen van een beroep tot vernietiging worden ingesteld en legt zowel aan de rechter als aan de partijen de 11 naleving van zeer strikte termijnen op. Bovendien kan de schorsing, in het kader van die uitzonderlijke procedure, worden bevolen zonder dat de partijen of sommigen van hen zijn gehoord. Dat uitzonderlijke en afwijkende karakter werd onder meer beklemtoond door het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 141/2018 van 18 oktober 2018 (punt B.8.2). Het is dus legitiem en evenredig om het gebruik ervan te beperken tot de omstandigheden waarin zij de enige manier vormt om het daadwerkelijke karakter van het beroep te waarborgen.
- Zulks is niet het geval wanneer, zoals te dezen, een visumaanvraag wordt geweigerd. In dat geval beschikt de betrokken persoon immers reeds over een daadwerkelijk rechtsmiddel via het beroep tot schorsing en tot vernietiging. Er wordt aan herinnerd dat de wetgever in een termijn van 30 dagen heeft voorzien om uitspraak te doen over een gewone vordering tot schorsing (artikel 39/82, § 4, eerste lid, van de wet van 15 december 1980) en, in voorkomend geval, maakt de rechtspleging met korte debatten (artikel 39/68, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 en artikel 36 PR RvV) het mogelijk om rechtstreeks uitspraak te doen over het beroep tot vernietiging. In tegenstelling tot een schorsing waartoe bij uiterst dringende noodzakelijkheid is beslist, die de overheid niet verplicht om de visumaanvraag opnieuw te onderzoeken, verplicht een vernietigingsarrest die laatste echter om een nieuwe beslissing te nemen. De gewone procedure tot schorsing en tot vernietiging biedt de betrokkene dus een doeltreffender redmiddel dan een bij uiterst dringende noodzakelijkheid besliste schorsing, terwijl zij ook de voorwaarden van een op tegenspraak gevoerd debat beter waarborgt, door met name de wapengelijkheid tussen de partijen in acht te nemen » (Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, 24 juni 2020, X t. AG, nr. 237.408, eigen vertaling). B.1.
- Het verwijzende rechtscollege stelt prejudiciële vragen over de in het geding zijnde bepaling, geïnterpreteerd in de zin van de in B.1.3 vermelde parlementaire voorbereiding en in de zin van de in B.1.4 vermelde rechtspraak. In die interpretatie is het toepassingsgebied van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beperkt tot een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging imminent is. B.
- Het bodemgeschil en de prejudiciële vragen hebben betrekking op de hypothese waarin studenten uit een derde land die zich niet op het Belgische grondgebied bevinden, een machtiging aanvragen om meer dan 90 dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven om er te studeren (hierna : studentenvisum). Krachtens artikel 60, § 1, van de wet van 15 december 1980 moeten die studenten hun aanvraag indienen bij de diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor hun verblijfplaats in het buitenland. Op het ogenblik waarop zij die aanvraag indienen en op het ogenblik waarop de minister of zijn gemachtigde ten aanzien van hen een negatieve beslissing neemt, bevinden zij zich dus niet op het Belgische grondgebied en kunnen zij bijgevolg evenmin worden geconfronteerd met een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging imminent is. 12 Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese. B.
- Tegen de weigering van een studievisum in de in B.2 bedoelde hypothese staat krachtens artikel 39/1, §§
2 van de wet van 15 december 1980 een annulatieberoep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen open. Krachtens artikel 39/82 van de wet van 15 december 1980 staat daartegen eveneens een vordering tot schorsing open. In de interpretatie van de in het geding zijnde bepaling door het verwijzende rechtscollege staat tegen die weigering evenwel geen vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid open. Ten aanzien van de eerste drie prejudiciële vragen B.
- Met de eerste drie prejudiciële vragen wordt het Hof verzocht de situatie te beoordelen van vreemdelingen die een weigering van een visum om in België te studeren, tegengeworpen krijgen en die niet over een rechtsmiddel voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beschikken waarmee zij een nieuwe beslissing kunnen verkrijgen binnen een termijn die hen toelaat het verlies van een academiejaar te voorkomen, in het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, onder meer in samenhang gelezen met het recht op een doeltreffende voorziening in rechte dat is gewaarborgd bij artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest). B.5.
- De in B.2 bedoelde studenten vallen onder het toepassingsgebied van de richtlijn 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 « betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au pair-activiteiten (herschikking) » (hierna : de richtlijn 2016/801). Blijkens haar artikel 1, a), heeft die richtlijn immers onder meer tot doel « de voorwaarden voor toegang tot en verblijf gedurende langer dan 90 dagen op het grondgebied van de lidstaten, alsmede de rechten, van derdelanders […] met het oog op […] studie [te bepalen] ». 13 Bijgevolg dient het Hof de in het geding zijnde bepaling te toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de pertinente bepalingen van het Handvest. B.5.
- Rekening houdend met het voorwerp van de in B.4 vermelde prejudiciële vragen, onderzoekt het Hof die vragen enkel in zoverre zij betrekking hebben op de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 20 en 47 van het Handvest, zonder dat het nodig is de overige in de prejudiciële vragen vermelde referentienormen te onderzoeken. B.6.
- Artikel 20 van het Handvest bepaalt : « Eenieder is gelijk voor de wet ». Die bepaling voorziet niet in een beperking van de werkingssfeer ervan en is derhalve van toepassing in alle door het Unierecht beheerste situaties (HvJ, grote kamer, 6 juni 2023, C-700/21, O.G., ECLI:EU:C:2023:444, punt 41). De gelijkheid voor de wet is een algemeen beginsel van het Unierecht dat vereist dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (HvJ, grote kamer, 8 maart 2022, C-205/20, NE, ECLI:EU:C:2022:168, punt 54; grote kamer, 6 juni 2023, C-700/21, O.G., voormeld, punt 42). Een verschil in behandeling is gerechtvaardigd indien het berust op een objectief en redelijk criterium, dat wil zeggen wanneer het verband houdt met een door de betrokken regeling nagestreefd wettelijk toelaatbaar doel, en dit verschil in verhouding staat tot het met de betrokken behandeling nagestreefde doel (HvJ, 23 november 2023, C-260/22, Seven.One Entertainment Group GmbH, ECLI:EU:C:2023:900, punt 45). B.6.
- Artikel 47 van het Handvest bepaalt : « Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. 14 Rechtsbijstand wordt verleend aan diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen ». Artikel 47 van het Handvest voorziet in een recht op een doeltreffende voorziening in rechte. Aan die bepaling dient dezelfde draagwijdte te worden gegeven als aan de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (HvJ, grote kamer, 19 november 2019, C-585/18, C-624/18 en C-625/18, A. K., ECLI:EU:C:2019:982, punt 117). B.6.
- Krachtens artikel 34, lid 5, van de richtlijn 2016/801 kan elk besluit tot niet- ontvankelijk verklaren, afwijzing van de aanvraag of niet-verlenging of intrekking van een vergunning juridisch worden aangevochten in de betrokken lidstaat, overeenkomstig het nationale recht. Hoewel het aan de lidstaten toekomt om te beslissen over de aard en specifieke voorwaarden van de rechtsmiddelen die openstaan voor aanvragers van een onder de richtlijn 2016/801 vallend visum voor studiedoeleinden (HvJ, 10 maart 2021, C-949/19, Konsul Rzeczypospolitej Polskiej w N., ECLI:EU:C:2021:186, punt 42), dient die beroepsprocedure te voldoen aan de vereisten van artikel 47 van het Handvest (HvJ, 29 juli 2024, C-14/23, Perle, ECLI:EU:C:2024:647, punt 62; 19 juni 2025, C-299/23, Darvate e.a., ECLI:EU:C:2025:461, punt 29). B.7.
- De Ministerraad voert aan dat de tweede prejudiciële vraag onontvankelijk is, omdat de categorie van de bestuurden « onder wie met name studenten die in België verblijven », die over een rechtsmiddel bij uiterst dringende noodzakelijkheid voor de Raad van State beschikken, onvoldoende nauwkeurig is geïdentificeerd. B.7.
- De door de Ministerraad opgeworpen exceptie dient niet te worden onderzocht. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden, houdt op zich immers geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen, zoals het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met zich zou meebrengen. 15 B.
- Het Hof moet onderzoeken of het feit dat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet toepasselijk is op de in B.2 bedoelde studenten, in overeenstemming is met de in B.5.2 vermelde normen. B.9.
- Over de vraag of artikel 34, lid 5, van de richtlijn 2016/801, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, de toegang tot een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid vereist, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld : «
- Hoewel het bij gebreke van Unieregelgeving ter zake weliswaar een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat is om de bevoegde rechterlijke instanties aan te wijzen en de procedureregels vast te stellen voor vorderingen die worden ingesteld ter bescherming van de aan het Unierecht ontleende individuele rechten, zijn de lidstaten er in alle gevallen verantwoordelijk voor te verzekeren dat het recht op daadwerkelijke rechterlijke bescherming van deze rechten wordt geëerbiedigd, zoals is gewaarborgd in artikel 47 van het Handvest (arrest van 14 mei 2020, Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság Dél-alföldi Regionális Igazgatóság, C‑924/19 PPU en C‑925/19 PPU, EU:C:2020:367, punt 142 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
- Bovendien zij eraan herinnerd dat het Hof heeft geoordeeld dat het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte denkbeeldig zou zijn indien het in de rechtsorde van een lidstaat mogelijk zou zijn dat een definitieve en bindende rechterlijke beslissing zonder uitwerking blijft ten nadele van een partij. Dit geldt met name wanneer de verkrijging van het feitelijke genot van de uit het Unierecht voortvloeiende rechten, zoals erkend door een rechterlijke beslissing, de inachtneming van tijdslimieten impliceert (arrest van 29 juli 2024, Perle, C‑14/23, EU:C:2024:647, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
- In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich in de onderhavige zaak af wat een nuttig tijdstip is voor de afgifte van het aangevraagde visum voor studiedoeleinden en, bijgevolg, voor de beslissing op het beroep tegen de weigering van een dergelijk visum, zodat de betrokken onderdaan van een derde land in voorkomend geval de rechten kan genieten die hij aan richtlijn 2016/801 ontleent.
- Wat in deze context ten eerste de invoering van een uitzonderlijke beroepsprocedure betreft die met spoed moet worden behandeld, zij benadrukt dat het Unierecht, met inbegrip van de bepalingen van het Handvest, volgens vaste rechtspraak de lidstaten er niet toe verplicht om andere rechtsmiddelen in te voeren dan die welke in het nationale recht zijn vastgesteld, tenzij uit de opzet van de betrokken nationale rechtsorde blijkt dat er geen rechtsgang is waarmee, al was het maar incidenteel, de eerbiediging van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, kan worden verzekerd [zie in die zin arrest van 7 september 2023, Rayonna prokuratura Lovech, teritorialno otdelenie Lukovit (Fouillering), C‑209/22, EU:C:2023:634, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
- Artikel 34, lid 5, van richtlijn 2016/801, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, vereist dus niet dat een uitzonderlijke beroepsprocedure wordt ingevoerd die met spoed moet worden behandeld. 16
- Er moet evenwel voor worden gezorgd dat de voorwaarden waaronder beroep wordt ingesteld tegen een besluit van de bevoegde instanties tot afwijzing van een verzoek om toelating tot het grondgebied van een lidstaat voor studiedoeleinden en waaronder in voorkomend geval de uitspraak op dat beroep ten uitvoer wordt gelegd, het in beginsel mogelijk maken om op korte termijn een nieuw besluit vast te stellen, zodat een voldoende zorgvuldige derdelander de volle werking kan genieten van de rechten die hij aan richtlijn 2016/801 ontleent (zie in die zin arrest van 29 juli 2024, Perle, C‑14/23, EU:C:2024:647, punt 66) » (HvJ, 19 juni 2025, Darvate e.a., voormeld, punten 30-35). Bij dat arrest beantwoordde het Hof van Justitie prejudiciële vragen die door het verwijzende rechtscollege zijn gesteld in het vonnis waarmee het ook de bovenvermelde prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof heeft gesteld. Het Hof van Justitie heeft die prejudiciële vragen als volgt beantwoord : « Artikel 34, lid 5, van richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat het met betrekking tot de vordering waarmee een onderdaan van een derde land, om de rechten te doen gelden die hij ontleent aan artikel 5, lid 3, van deze richtlijn, wil opkomen tegen het besluit van de bevoegde instanties tot afwijzing van zijn aanvraag tot toelating tot het grondgebied van de betrokken lidstaat voor studiedoeleinden, niet vereist dat : - die derdelander toegang heeft tot een uitzonderlijke beroepsprocedure die met spoed moet worden behandeld wanneer, hoewel hij de nodige zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd, de inachtneming van de termijnen voor de gewone procedure voor toetsing van dat besluit het verloop van zijn studie zou kunnen belemmeren; - de aangezochte rechter in het kader van een dergelijke uitzonderlijke beroepsprocedure bevoegd is om in voorkomend geval voorlopige maatregelen te gelasten, met name om de bevoegde instanties te verplichten een nieuw besluit te nemen met het oog op de afgifte van de aangevraagde verblijfsvergunning voor studiedoeleinden, en - de rechter bij wie beroep tegen dat besluit is ingesteld, bevoegd is om zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van deze instanties of om een nieuw besluit te nemen. De voorwaarden waaronder het beroep tegen een besluit van de bevoegde instanties tot afwijzing van een verzoek om toelating tot het grondgebied van een lidstaat voor studiedoeleinden wordt uitgeoefend en waaronder in voorkomend geval het na afloop daarvan gewezen vonnis wordt uitgevoerd, moeten evenwel van dien aard zijn dat binnen een korte termijn een nieuw besluit kan worden genomen dat in overeenstemming is met de beoordeling in het vonnis waarbij de nietigverklaring is uitgesproken, zodat de voldoende zorgvuldige onderdaan van een derde land de volle werking kan genieten van de rechten die hij aan die richtlijn ontleent ». 17 B.9.
- Uit het voormelde arrest vloeit voort dat, overeenkomstig de procedurele autonomie, het Unierecht niet aan de wetgever oplegt om een bijzondere spoedprocedure in te voeren, voor zover een voldoende zorgvuldige onderdaan van een derde land toegang heeft tot een procedure waarmee hij de volle werking kan genieten van de rechten die hij aan die richtlijn 2016/801 ontleent. Rekening houdend met de aard van die richtlijn, die te dezen betrekking heeft op het verblijf met het oog op studie (artikel 1, a), van de richtlijn) teneinde « van Europa een wereldcentrum voor onderwijs en beroepsopleiding van topkwaliteit te maken » (overweging 14), is het daaruit voortvloeiende recht enkel doeltreffend wanneer het de betrokken onderdaan in staat stelt tijdig een definitieve beslissing te verkrijgen met betrekking tot zijn visumaanvraag. Daaruit volgt dat het door het Hof van Justitie naar voren geschoven begrip « korte termijn » enkel zo kan worden geïnterpreteerd dat het betrekking heeft op de termijn waarbinnen een definitieve beslissing van de bevoegde overheid kan worden genomen vóór het begin van het academiejaar. Aangezien de aanvraag die met toepassing van de richtlijn 2016/801 wordt ingediend, per definitie verband houdt met die datum, is die interpretatie de enige waarmee het nuttig effect van het Europees recht kan worden gewaarborgd ten aanzien van een aanvrager die voldoende zorgvuldig heeft gehandeld. B.10.
- Noch het instellen van een annulatieberoep, noch dat van een vordering tot schorsing heeft als gevolg dat de bestreden beslissing wordt geschorst zolang de zaak hangende is voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het instellen van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid heeft wel schorsende werking ten aanzien van de bestreden maatregel. Krachtens artikel 39/83 van de wet van 15 december 1980 kan die maatregel immers, behoudens toestemming van de betrokkene, slechts ten uitvoer worden gelegd na het verstrijken van de termijn van tien dagen waarbinnen de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden ingesteld of, wanneer die vordering binnen die termijn werd ingesteld, nadat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ze heeft verworpen. B.10.
- Zoals in B.2 is vermeld, kunnen de studenten uit een derde land die een studentenvisum aanvragen, niet met een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel worden geconfronteerd. Bijgevolg beschikken zij krachtens de in het geding zijnde bepaling, in de 18 interpretatie van het verwijzende rechtscollege, niet over een vordering tot schorsing bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die vanaf het instellen ervan een schorsende werking heeft. B.11.
- Krachtens artikel 39/82, § 1, vierde lid, van de wet van 15 december 1980 dient de verzoeker, wanneer hij de schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing vordert, op straffe van onontvankelijkheid te opteren hetzij voor een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid, hetzij voor een gewone vordering tot schorsing. Het in B.1.4 bedoelde arrest van de algemene vergadering van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 24 juni 2020 biedt die verzoeker rechtszekerheid, aangezien het hem toelaat de relevante vordering te identificeren : indien het gaat om een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel waarvan de uitvoering imminent is, kan hij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid aanwenden, terwijl in alle andere gevallen, waaronder het in B.2 bedoelde geval, alleen de gewone vordering tot schorsing openstaat. B.11.
- Bij de wet van 10 april 2014 beoogde de wetgever tegemoet te komen aan tekortkomingen in de procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid die door het Hof waren vastgesteld bij zijn arrest nr. 1/2014 van 16 januari 2014 (ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.001) en die eerder ook waren vastgesteld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM, grote kamer, 21 januari 2011, M.S.S. t. België en Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609). Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat bijzonder strenge eisen worden gesteld aan de rechtsmiddelen die openstaan tegen verwijderings- en terugdrijvingsmaatregelen die imminent zijn, gezien het risico op onomkeerbare schade die dergelijke maatregelen voor de betrokken vreemdeling kunnen hebben, wanneer hij ingevolge de verwijdering kan worden blootgesteld aan behandelingen die strijdig zijn met de artikelen 2 en 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aan het in artikel 13 van dat Verdrag gestelde vereiste van een daadwerkelijk rechtsmiddel is in een dergelijk geval slechts voldaan wanneer de betrokkene tegen de uitvoering van een dergelijke verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel een beroep met van rechtswege schorsende werking kan instellen bij een nationale instantie die de aangevoerde grieven 19 onafhankelijk en grondig onderzoekt en zich met bijzondere snelheid uitspreekt (EHRM, grote kamer, 21 januari 2011, M.S.S. t. België en Griekenland, voormeld, § 293; grote kamer, 13 december 2012, de Souza Ribeiro t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2012:1213JUD002268907, § 82; grote kamer, 15 december 2016, Khlaifia e.a. t. Italië, ECLI:CE:ECHR:2016:1215JUD001648312, § 275). Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie over het recht op een daadwerkelijk beroep zoals gewaarborgd bij artikel 47, eerste alinea, van het Handvest, blijkt eveneens dat, wanneer een Staat beslist een aanvrager van internationale bescherming terug te wijzen naar een land waar ernstige redenen bestaan om aan te nemen dat hij zou worden blootgesteld aan een werkelijk risico van behandelingen die strijdig zijn met artikel 18 van het Handvest, in samenhang gelezen met artikel 33 van het Verdrag van Genève, of strijdig zijn met artikel 19, lid 2, van het Handvest, het recht op een daadwerkelijke jurisdictionele bescherming, vervat in artikel 47 ervan, vereist dat die aanvrager beschikt over een van rechtswege schorsend beroep tegen de tenuitvoerlegging van de maatregel die zijn terugwijzing mogelijk maakt (zie, in die zin, HvJ, grote kamer, 18 december 2014, C-562/13, Abdida, ECLI:EU:C:2014:2453, punt 52; 17 december 2015, C-239/14, Tall, ECLI:EU:C:2015:824, punt 54; en grote kamer, 19 juni 2018, C-181/16, Sadikou Gnandi, ECLI:EU:C:2018:465, punt 54). B.11.
- Uit de in B.1.3 vermelde parlementaire voorbereiding van de wet van 10 april 2014 blijkt dat de wetgever de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid heeft gewijzigd teneinde de in B.11.2 bedoelde personen een daadwerkelijk rechtsmiddel te waarborgen. Hij hield daarbij rekening met het hoge aantal zaken dat bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen werd ingesteld en wilde in die context de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid voorbehouden voor de zaken waarvoor die procedure het meest nuttig is. Die doelstelling is legitiem, te meer daar een hoog aantal urgente procedures onvermijdelijk gevolgen heeft voor de termijn waarbinnen de overige zaken worden behandeld. B.11.
- De wetgever heeft daarbij beklemtoond dat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid uitzonderlijk moet blijven. Die procedure wijkt af van de gewone schorsingsprocedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Niet alleen kan ze op elk ogenblik van de dag en de nacht worden ingesteld, alsook op zon- en feestdagen, bovendien dient de vordering in beginsel te worden behandeld binnen de 48 uur. Tevens beperkt zij, zoals de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij zijn in B.1.4 vermelde arrest heeft aangegeven, 20 de rechten van verdediging van de verwerende partij tot het strikte minimum, kan zij nog vóór de indiening van een annulatieberoep worden ingesteld, en legt zij zowel de partijen als de rechter zeer strikte termijnen op. De schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan tot slot, overeenkomstig artikel 39/82, § 1, derde lid, van de wet van 15 december 1980, bij voorraad worden bevolen, zonder dat de partijen of sommige van hen zijn gehoord. B.11.
- De situatie van de in B.2 vermelde studenten verschilt aanzienlijk van de situatie van de personen bedoeld in B.11.2 Aangezien zij zich op het ogenblik van de aanvraag van een studentenvisum en op het ogenblik van de weigeringsbeslissing niet op Belgisch grondgebied maar in hun land van herkomst bevinden, heeft die weigeringsbeslissing immers niet tot gevolg dat zij kunnen worden teruggestuurd naar dat land van herkomst. Zij lopen dan ook evenmin het risico te worden blootgesteld aan behandelingen die strijdig zijn met de artikelen 2 en 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het risico dat de betrokken studenten lopen, houdt verband met de onmogelijkheid om te starten met het studiecurriculum waarvoor zij de verblijfsvergunning aanvragen met toepassing van de richtlijn 2016/
- Een dergelijk nadeel kan, wat de gevolgen ervan betreft, niet worden vergeleken met het risico te worden onderworpen aan de schending van de grondrechten van de mens waarvan geen afwijking mogelijk is krachtens artikel 15, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.11.
- Voorts verschillen de rechtsgevolgen van beide soorten beslissingen aanzienlijk. Terwijl de in B.11.2 bedoelde beslissingen de betrokken vreemdelingen tegen hun wil een nadeel berokkenen, hebben de in B.2 bedoelde weigeringsbeslissingen als gevolg dat de betrokken studenten worden tegengehouden of op zijn minst opgehouden in de procedure voor de aangevraagde vergunning tegen een specifieke datum met het oog op studie, met toepassing van het Europees Unierecht. De automatisch schorsende werking van het instellen van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is slechts nuttig ten aanzien van de eerste categorie van beslissingen. Daarentegen zou zij ten aanzien van de tweede categorie van beslissingen niet als gevolg hebben dat de gevraagde vergunning, in casu een studentenvisum, automatisch wordt toegekend in afwachting van de uitspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 21 B.12.
- De rechtzoekenden die wensen op te komen tegen de weigering om een studentenvisum af te geven, kunnen tegen die bestuurshandeling bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een annulatieberoep indienen en tevens de schorsing ervan vorderen via een gewone vordering tot schorsing, waarover binnen 30 dagen uitspraak moet worden gedaan. Ingeval de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een weigering tot toelating op het grondgebied voor studiedoeleinden vernietigt, is de bevoegde overheid gebonden aan het gezag van gewijsde en dus gebonden aan de beoordeling in dat arrest. Die procedure waarborgt evenwel niet dat in alle omstandigheden een definitieve beslissing wordt genomen vóór het begin van het academiejaar waarvoor het visum wordt aangevraagd. B.12.
- Hoewel de betrokken vreemdelingen de Raad ook kunnen verzoeken om voorlopige maatregelen te nemen overeenkomstig artikel 39/84 van de wet van 15 december 1980, valt het opleggen van voorlopige maatregelen die betrekking hebben op burgerlijke rechten onder de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken. Uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie blijkt immers dat de bevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op grond van artikel 39/82 van de wet van 15 december 1980, geen afbreuk doet aan de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken om op grond van artikel 144, eerste lid, van de Grondwet uitspraak te doen over vorderingen met betrekking tot burgerlijke rechten, zelfs als daarbij wordt aangevoerd dat die burgerlijke rechten geschonden worden of dreigen te worden door beslissingen die door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kunnen worden vernietigd : « Die bepalingen, krachtens welke de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bevoegd is om, in het kader van een administratief kort geding en onder de in artikel 39/82, § 2, eerste lid, bepaalde voorwaarden, de schorsing te bevelen van de tenuitvoerlegging van de individuele beslissingen die hij kan vernietigen en, bij voorraad, alle nodige maatregelen te bevelen om de belangen van de partijen of van de personen die belang hebben bij de oplossing van de zaak veilig te stellen, wijken niet af van de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken betreffende de geschillen over burgerlijke rechten » (Cass., 5 januari 2018, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180105.2). B.12.
- Meer in het bijzonder oordeelde het Hof van Cassatie inzake studentenvisa in een situatie waarin op grond van de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen beslissing kon worden verkregen binnen een termijn waarbinnen de betrokken student het Belgische grondgebied zou kunnen zijn binnengekomen voor het begin van zijn academiejaar, eveneens dat de kortgedingrechter bevoegd is om, na een onwettige weigering te hebben 22 verworpen, de bevoegde overheid te bevelen een nieuw afdoende gemotiveerde beslissing te nemen, dat wil zeggen die de daadwerkelijke en niet-willekeurige uitoefening van zijn beoordelingsbevoegdheid zou aantonen, teneinde het aan de verwerende partij erkende burgerlijk grondrecht op onderwijs te vrijwaren (Cass., 11 maart 2024, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240311.3F.8). B.
- Gelet op het voorgaande en rekening houdend met de bevoegdheid van de kortgedingrechter, houdt artikel 39/82, §§
4, van de wet van 15 december 1980 geen onevenredige beperking in van de rechten, waaronder het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, van de voldoende zorgvuldige onderdanen van een derde land ten aanzien van wie een beslissing tot weigering van een studentenvisum is genomen. Artikel 39/82, §§
4 van de wet van 15 december 1980 is bijgevolg bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 20 en 47 van het Handvest. Ten aanzien van de vierde prejudiciële vraag B.14. Uit de formulering van de vierde prejudiciële vraag blijkt dat zij slechts wordt gesteld in de hypothese waarin het Hof tot schending zou besluiten in antwoord op de eerste, de tweede of de derde prejudiciële vraag. Aangezien het Hof in antwoord op die prejudiciële vragen geen schending vaststelt, behoeft de vierde prejudiciële vraag geen antwoord. 23 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Rekening houdend met hetgeen is vermeld in B.13, schendt artikel 39/82, §§
4, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 20 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 26 februari 2026. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.022 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180105.2 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240311.3F.8 ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.001 ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.066 ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609 ECLI:CE:ECHR:2012:1213JUD002268907 ECLI:CE:ECHR:2016:1215JUD001648312 ECLI:EU:C:2014:2453 ECLI:EU:C:2015:824 ECLI:EU:C:2018:465 ECLI:EU:C:2019:982 ECLI:EU:C:2021:186 ECLI:EU:C:2022:168 ECLI:EU:C:2023:444 ECLI:EU:C:2023:900 ECLI:EU:C:2024:647 ECLI:EU:C:2025:461 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div