← België

ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.023 Arrest- Rolnummer: 23/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-03-09 Raadplegingen: 571 - laatst gezien 2026-06-18 19:59 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche

  1. Prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie
  2. Schorsing : - artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 « [tot wijziging van de] wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat betreft de behandeling van een volgend verzoek om internationale bescherming »; - artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 « tot wijziging van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen », in zoverre het artikel 4, § 1, van die laatste wet aanvult met een punt 5°; beveelt dat de voormelde schorsingen verder uitwerking hebben tot de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het arrest waarbij definitief uitspraak wordt gedaan over het enige middel in de zaken nrs. 8548, 8549, 8551, 8553, 8556 en 8558, over het eerste middel in de zaken nrs. 8550, 8552, 8555 en 8557, alsook over het enige middel in de zaken nrs. 8554 en 8559
  3. Schorsing van de artikelen 4 en 5 van de wet van 14 juli 2025 « tot wijziging van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen »;
  4. Verwerping van de vorderingen tot schorsing voor het overige Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot vernietiging : - van de wet van 14 juli 2025 « [tot wijziging van de] wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat betreft de behandeling van een volgend verzoek om internationale bescherming », ingesteld door Z.W. en anderen, door C.Z. en anderen, door A. S A H., door A. A A J., door A.N. en anderen en door F.B. en anderen; - van de artikelen 2, 4 en 5 van de wet van 14 juli 2025 « tot wijziging van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen », ingesteld door Z.W. en anderen, door A. S A H., door A. A A J., door F.B. en anderen, door A.N. en anderen, door C.Z. en anderen, door A. M A R., door R. M M A., door H.Y., door S.J. L.M. en R.J. C.L., door Y.I.S. F., door E.D. M.E. en E.D. M.E., door S.N. M. en door M.S. en A.S. Vreemdelingenrecht - Verzoek om internationale bescherming - Persoon die door een andere lidstaat van de Europese Unie toegekende bescherming geniet - Volgend verzoek om internationale bescherming - Recht op materiële hulp - Recht op financiële hulp Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 23/2026 van 26 februari 2026 Rolnummers : 8548, 8549, 8550, 8551, 8552, 8553, 8554, 8555, 8556, 8557, 8558, 8559, 8561, 8562, 8563, 8564, 8565, 8566, 8567 en 8568 In zake : de vorderingen tot schorsing : - van de wet van 14 juli 2025 « [tot wijziging van de] wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat betreft de behandeling van een volgend verzoek om internationale bescherming », ingesteld door Z.W. en anderen, door C.Z. en anderen, door A. S A H., door A. A A J., door A.N. en anderen en door F.B. en anderen; - van de artikelen 2, 4 en 5 van de wet van 14 juli 2025 « tot wijziging van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen », ingesteld door Z.W. en anderen, door A. S A H., door A. A A J., door F.B. en anderen, door A.N. en anderen, door C.Z. en anderen, door A. M A R., door R. M M A., door H.Y., door S.J. L.M. en R.J. C.L., door Y.I.S. F., door E.D. M.E. en E.D. M.E., door S.N. M. en door M.S. en A.S. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de vorderingen en rechtspleging Bij twintig verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 21 en 22 oktober 2025 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 23 en 24 oktober 2025, zijn vorderingen tot schorsing van de wet van 14 juli 2025 « [tot wijziging van de] wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat betreft de behandeling van een volgend verzoek om internationale bescherming » en van de artikelen 2, 4 en 5 van de wet van 14 juli 2025 « tot wijziging van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 23 juli 2025, tweede editie) ingesteld respectievelijk door Z.W. en D.N., handelend zowel 2 in eigen naam als in naam van hun minderjarige kinderen O.N., S.N., O.N., R.N. en S.N., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Farah Feguy, advocate bij de balie te Brussel (8548 en 8550), door C.Z., handelend zowel in eigen naam als in naam van haar minderjarig kind S.Y.K. Z., E.A. Y. en K.Y., handelend zowel in eigen naam als in naam van hun minderjarige kinderen S.Y., E.Y. en F.Y., S.M. N. en L.H. H., handelend zowel in eigen naam als in naam van hun minderjarig kind M.S. M., M. Z M J., H.A. S. en S. M A S., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Oriane Todts, advocate bij de balie te Brussel (8549 en 8559), door A. S A H., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Estelle Didi en mr. Matthieu Lys, advocaten bij de balie te Brussel (8551 en 8552), door A. A A J., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Pierre Robert, advocaat bij de balie te Brussel (8553 en 8554), door F.B. en N.B., handelend zowel in eigen naam als in naam van hun minderjarige kinderen M.B. en F.B., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Estelle Didi en mr. Matthieu Lys (8555 en 8558), door A.N. en J.N., handelend zowel in eigen naam als in naam van hun minderjarige kinderen J.N. en A.N., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Marie Doutrepont en mr. Matthieu Lys, advocaten bij de balie te Brussel (8556 en 8557), door A. M A R., door R. M M A. en door H.Y., allen bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Julien Wolsey, advocaat bij de balie te Brussel (8561, 8562 en 8563), door S.J. L.M. en R.J. C.L., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Léopold Mustin en mr. Antoinette Van Vyve, advocaten bij de balie te Brussel

(8564), door Y.I.S. F., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Bénédicte Bouchat en mr. Antoinette Van Vyve, advocates bij de balie te Brussel
(8565), door E.D. M.E. en E.D. M.E., door S.N. M. en door M.S. en A.S., allen bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Antoinette Van Vyve (8566, 8567 en 8568). Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8548, 8549, 8550, 8551, 8552, 8553, 8554, 8555, 8556, 8557, 8558, 8559, 8561, 8562, 8563, 8564, 8565, 8566, 8567 en 8568 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Bij dezelfde verzoekschriften vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van dezelfde wetsbepalingen. Bij beschikking van 4 november 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt te hebben gehoord, de terechtzitting voor de debatten over de vordering tot schorsing bepaald op 10 december 2025, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op 5 december 2025 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partijen over te zenden, alsook, via mail, op het mailadres griffie@const-court.be. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door : - N.A. en N.A., handelend zowel in eigen naam als in naam van hun minderjarige kinderen M.A., K.A. en M.A., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Oriane Todts (tussenkomende partijen); - P.I., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Colombe Dethier en mr. Antoinette Van Vyve, advocates bij de balie te Brussel (tussenkomende partij); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Cathy Piront, advocate bij de balie Luik-Hoei. 3 Op de openbare terechtzitting van 10 december 2025 : - zijn verschenen : . mr. Farah Feguy, voor de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8548 en 8550; . mr. Oriane Todts, voor de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8549 en 8559 en voor N.A. en N.A.; . mr. Estelle Didi, tevens loco mr. Marie Doutrepont, en mr. Matthieu Lys, voor de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8551, 8552, 8555, 8556, 8557 en 8558; . mr. Pierre Robert, voor de verzoekende partij in de zaken nrs. 8553 en 8554; . mr. Julien Wolsey, voor de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8561, 8562 en 8563; . mr. Antoinette Van Vyve, voor de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8564, 8565, 8566, 8567 en 8568 en voor P.I.; . mr. Cathy Piront en mr. Gautier Matray, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat betreft de zaken nrs. 8548 tot 8559 A.1.1.1. De verzoekers in de zaken nrs. 8548 en 8550 zijn de leden van een gezin (twee ouders en vijf minderjarige kinderen) met de Afghaanse nationaliteit. Zij zijn Afghanistan ontvlucht en in Griekenland aangekomen, waar zij op 11 juni 2025 de vluchtelingenstatus hebben gekregen. Zij hebben geen hulp genoten noch tijdens de behandeling van hun verzoek om internationale bescherming in Griekenland, noch na de toekenning van de status. Zij zijn op 7 augustus 2025 in België aangekomen en hebben op 11 augustus 2025 een verzoek om internationale bescherming ingediend. Het gezin werd eerst opgevangen binnen het netwerk van het Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers (hierna : Fedasil), maar werd vervolgens uitgesloten van het opvangcentrum en moest het centrum verlaten. De beslissing tot uitsluiting uit het opvangnetwerk van Fedasil wordt gemotiveerd door de omstandigheid dat het verzoek om internationale bescherming in België een volgend verzoek is in de zin van artikel 50, § 5, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het 4 grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980) en dat de materiële hulp derhalve wordt geweigerd op grond van artikel 4, § 1, 5°, van de wet van 12 januari 2007 « betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen » (hierna : de wet van 12 januari 2007). Sinds die beslissing van Fedasil verbleef het gezin op straat en werd het sporadisch door vrijwilligers geholpen. De advocaat van die verzoekers geeft op de terechtzitting aan dat het onderzoek van hun verzoek om internationale bescherming nog steeds lopende is in België en dat, bij gebrek aan materiële hulp, zij door leden van hun verre familie in Duitsland worden gehuisvest. A.1.1.2. De verzoekers in de zaken nrs. 8549 en 8559 zijn de leden van een gezin (een volwassene en een minderjarig kind) met de Kameroense nationaliteit, de leden van een gezin (twee volwassenen en drie minderjarige kinderen) met de Afghaanse nationaliteit, de leden van een gezin (twee volwassenen en een minderjarig kind) met de Eritrese nationaliteit, een volwassene met een onbepaalde nationaliteit en van Palestijnse afkomst, een volwassene met de Eritrese nationaliteit en een volwassene met een onbepaalde nationaliteit van Palestijnse afkomst. Nadat zij hun respectieve landen zijn ontvlucht, zijn zij in Griekenland aangekomen, waar zij tussen 2024 en 2025, op verschillende niet nader bepaalde data, de vluchtelingenstatus hebben gekregen. Zij hebben geen hulp genoten noch tijdens de behandeling van hun verzoek om internationale bescherming in Griekenland, noch na de toekenning van de status. Zij zijn op verschillende data in 2025 in België aangekomen en hebben op verschillende data van datzelfde jaar een verzoek om internationale bescherming ingediend. Geen van die personen wordt opgevangen binnen het netwerk van Fedasil of geniet bijstand van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Zij verblijven derhalve op straat en worden sporadisch door vrijwilligers geholpen. Zij geven aan dat sommigen van hen van de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel hebben verkregen dat Fedasil ertoe werd veroordeeld hen te huisvesten, met name omdat zij kwetsbaar zijn, maar dat Fedasil weigert om die beslissingen uit te voeren omdat hun verzoek om internationale bescherming als een volgend verzoek wordt beschouwd. De advocaat van die verzoekers doet op de terechtzitting gelden dat de eerste twee verzoekende gezinnen respectievelijk sinds 24 en 25 november 2025 worden gehuisvest in het centrum dat door de Dienst Vreemdelingenzaken wordt beheerd in Zaventem. A.1.1.3. De verzoeker in de zaken nrs. 8551 en 8552 is een volwassene van Palestijnse afkomst. Hij heeft in Griekenland de vluchtelingenstatus gekregen, maar hij wenste niet in dat land blijven aangezien de levensomstandigheden die hij er heeft gekend, mensonwaardig waren. Hij is op 6 augustus 2025 in België aangekomen en heeft de volgende dag een verzoek om internationale bescherming ingediend. Hij heeft geen opvang in België genoten. Op 28 augustus 2025 heeft de voorzitter van de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel een beschikking gewezen waarbij Fedasil ertoe werd veroordeeld hem een opvangplaats aan te bieden. Fedasil heeft die beschikking, hoewel betekend, niet uitgevoerd en heeft op 8 oktober 2025 een beslissing tot weigering van de hulp gewezen, waarbij het die beslissing heeft gemotiveerd door de omstandigheid dat het verzoek om internationale bescherming in België een volgend verzoek is in de zin van artikel 50, § 5, van de wet van 15 december 1980 en dat de materiële hulp bijgevolg wordt geweigerd op grond van artikel 4, § 1, 5°, van de wet van 12 januari 2007. Hij geniet derhalve geen enkele opvang. A.1.1.4. De verzoeker in de zaken nrs. 8553 en 8554 is een volwassene van Palestijnse afkomst. Hij heeft de vluchtelingenstatus gekregen in Griekenland, waar hij in mensonwaardige omstandigheden heeft geleefd. Hij is op 13 september 2025 in België aangekomen en heeft op 15 september 2025 een verzoek om internationale bescherming ingediend. Hij werd opgevangen in een centrum van Fedasil, dat de hulp heeft stopgezet bij een beslissing van 9 oktober 2025. Die beslissing wordt gemotiveerd door de omstandigheid dat het verzoek om internationale bescherming in België een volgend verzoek is in de zin van artikel 50, § 5, van de wet van 15 december 1980 en dat de materiële hulp bijgevolg geweigerd wordt op grond van artikel 4, § 1, 5°, van de wet van 12 januari 2007. A.1.1.5. De verzoekers in de zaken nrs. 8556 en 8557 zijn de leden van een gezin (twee volwassenen en twee minderjarige kinderen) met de Afghaanse nationaliteit. Zij zijn Afghanistan ontvlucht en zijn in Griekenland aangekomen, waar zij tijdens de zomer van 2025 de vluchtelingenstatus hebben gekregen. Zij zijn niet in dat land gebleven omdat hun levensomstandigheden daar mensonwaardig waren. Zij zijn op 4 september 2025 in België aangekomen en hebben de volgende dag een verzoek om internationale bescherming ingediend. Het gezin werd eerst opgevangen binnen het netwerk van Fedasil, maar werd vervolgens van de materiële hulp uitgesloten bij een beslissing van 29 september 2025. Die beslissing wordt gemotiveerd door de omstandigheid dat het verzoek om internationale bescherming in België een volgend verzoek is in de zin van artikel 50, § 5, van de wet van 15 december 1980 en dat de materiële hulp bijgevolg geweigerd wordt op grond van artikel 4, § 1, 5°, van de wet van 12 januari 2007. Ingevolge die beslissing werd het gezin uit het opvangcentrum gezet en verblijft het thans op straat waar het sporadisch door vrijwilligers wordt geholpen. Op de terechtzitting voert de advocaat van de Ministerraad aan dat de leden van dat gezin op 27 november 2025 werden uitgenodigd om zich bij de dispatching 5 van Fedasil aan te bieden, maar dat zij daaraan geen gevolg hebben gegeven. De advocaat van de verzoekers doet gelden dat dat gezin weigert om te worden gehuisvest in het centrum dat door de Dienst Vreemdelingenzaken wordt beheerd in Zaventem, aangezien het geen opvangcentrum van Fedasil is, maar een centrum waarin de terugkeer naar hun land van oorsprong of van herkomst wordt voorbereid. A.1.1.6. De verzoekers in de zaken nrs. 8555 en 8558 zijn de leden van een gezin (twee volwassenen en twee minderjarige kinderen) met de Afghaanse nationaliteit. Zij hebben in 2025, op een niet nader bepaalde datum, de vluchtelingenstatus gekregen in Griekenland. Zij zijn niet in dat land gebleven omdat hun levensomstandigheden daar mensonwaardig waren. Zij zijn op 21 augustus 2025 in België aangekomen en hebben dezelfde dag een verzoek om internationale bescherming ingediend. Het gezin werd uitgesloten van de opvang bij een beslissing van Fedasil van diezelfde dag. Die beslissing wordt gemotiveerd door de omstandigheid dat het verzoek om internationale bescherming in België een volgend verzoek is in de zin van artikel 50, § 5, van de wet van 15 december 1980 en dat de materiële hulp bijgevolg geweigerd wordt op grond van artikel 4, § 1, 5°, van de wet van 12 januari 2007. Ingevolge die beslissing verblijft het gezin thans op straat waar het sporadisch door vrijwilligers wordt geholpen. Bij beschikking van de voorzitter van de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel van 28 augustus 2025 werd Fedasil ertoe veroordeeld de leden van dat gezin te huisvesten. Fedasil heeft die beschikking, hoewel betekend, niet uitgevoerd. Op 18 september 2025 heeft Fedasil een tweede beslissing tot uitsluiting van de hulp gewezen om dezelfde redenen als in de eerste beslissing. Bij een tweede beschikking van 3 oktober 2025 heeft de voorzitter van de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel Fedasil ertoe veroordeeld de leden van dat gezin te huisvesten. Fedasil heeft die beschikking, hoewel betekend, niet uitgevoerd. De advocaat van de Ministerraad geeft op de terechtzitting aan dat de leden van dat gezin op 27 november 2025 werden uitgenodigd om zich bij de dispatching van Fedasil aan te bieden, maar dat zij daaraan geen gevolg hebben gegeven. De advocaat van de verzoekers deelt mee dat zij die uitnodiging niet hebben ontvangen. A.1.1.7. De eerste tussenkomende partijen zijn de leden van een gezin (twee volwassenen en drie minderjarige kinderen) met de Afghaanse nationaliteit die tot 2024 in Iran hebben verbleven. Zij hebben in juli 2025 de vluchtelingenstatus gekregen in Griekenland. Zij zijn op 15 oktober 2025 in België aangekomen en hebben op 22 oktober 2025 een verzoek om internationale bescherming ingediend dat thans wordt onderzocht. Een beslissing van Fedasil tot weigering van de materiële hulp werd hen ter kennis gebracht op 22 oktober 2025, omdat zij reeds internationale bescherming in Griekenland genieten en omdat hun verzoek om internationale bescherming een volgend verzoek is in de zin van artikel 50 van de wet van 15 december 1980. De voorzitter van de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel heeft, bij beschikking van 14 november 2025, Fedasil ertoe veroordeeld dat gezin te huisvesten met name wegens de kwetsbaarheid van verschillende leden ervan. Die beslissingen werden niet uitgevoerd. A.1.2. Alle voormelde verzoekers en tussenkomende partijen zijn van mening dat zij belang erbij hebben de schorsing en de vernietiging te vorderen van artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 « [tot wijziging van de] wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat betreft de behandeling van een volgend verzoek om internationale bescherming » (hierna : de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 15 december 1980) en van artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 « [tot wijziging van de] wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen » (hierna : de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007), die respectievelijk artikel 50, § 5, in de wet van 15 december 1980 en artikel 4, § 1, 5°, in de wet van 12 januari 2007 hebben ingevoerd. Zij zetten uiteen dat hun verzoek om internationale bescherming, vóór de inwerkingtreding van die bepalingen, niet zou zijn beschouwd als een volgend verzoek en dat zij dus recht op opvang zouden hebben gehad als verzoekers om internationale bescherming. A.1.3. De Ministerraad doet gelden dat, vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen, met toepassing van het recht van de Europese Unie zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, een verzoek om internationale bescherming dat werd ingediend door een persoon die reeds de door een andere lidstaat toegekende internationale bescherming genoot, reeds als volgend verzoek kon worden aangemerkt. Het recht op materiële hulp kon bijgevolg worden beperkt of, in uitzonderlijke gevallen, ingetrokken voor die persoon op grond van artikel 4, eerste lid, 3°, van de wet van 12 januari 2007, dat niet wordt gewijzigd bij de bestreden wet. Hij leidt daaruit af dat de verzoekers geen enkel belang hebben bij het vorderen van de vernietiging van artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 en van artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007 aangezien zij geen enkel voordeel zouden halen uit die vernietiging. Hij zet uiteen dat de verzoeken om internationale bescherming die door de verzoekers worden ingediend op het Belgische grondgebied, zelfs in geval van vernietiging, immers als volgende verzoeken zouden worden aangemerkt en als dusdanig worden behandeld, overeenkomstig de wettelijke definitie van dat begrip in artikel 1, 20°, van de wet van 15 december 1980, in samenhang gelezen met de rechtspraak van het Hof van 6 Justitie. Hij voegt eraan toe dat de verzoekers in werkelijkheid de definities vervat in artikel 1, 19° en 20°, van de wet van 15 december 1980 bekritiseren, die nochtans niet werden gewijzigd bij de bestreden wetten en dat hun beroepen bijgevolg onontvankelijk rationae temporis zijn. Hij is voorts van mening dat de verzoekers niet aantonen dat zij een persoonlijk belang hebben bij de schorsing van de bestreden bepalingen. Hij voegt eraan toe dat sommige verzoekers in de zaken nrs. 8549 en 8559 thans binnen het opvangnetwerk van Fedasil worden opgevangen en dat sommige verzoekers in de zaken nrs. 8556 en 8557 en in de zaken nrs. 8555 en 8558 door Fedasil werden verzocht om zich aan te bieden, zodat zij geen enkel belang zouden hebben om de schorsing van de bestreden bepalingen te verkrijgen. A.1.4. De verzoekers in de zaken nrs. 8550, 8552, 8555 en 8557 zetten daarnaast uiteen dat de artikelen 4 en 5 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007 de mogelijkheid afschaffen voor de verzoekers om internationale bescherming om bijstand te krijgen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn in plaats van te worden opgevangen binnen het netwerk van Fedasil, zodat zij een belang hebben om eveneens de schorsing en de vernietiging ervan te vorderen. Wat betreft de zaken nrs. 8561 tot 8568 A.2.1.1. De verzoekers in de zaken nrs. 8561, 8562 en 8565 zijn drie volwassenen met een onbepaalde nationaliteit en van Palestijnse afkomst. Zij zijn respectievelijk op 30 juli 2025, op 19 september 2025 en op 27 juli 2025 in België aangekomen en hebben een verzoek om internationale bescherming ingediend. Fedasil heeft hen geen enkele opvangplaats toegekend wegens het tekort aan beschikbare plaatsen door de verzadiging van het opvangnetwerk. Bij beschikking van de voorzitter van de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel van 28 augustus 2025 werd Fedasil ertoe veroordeeld de verzoeker in de zaak nr. 8565 materiële hulp toe te kennen. Die beschikking, hoewel zij aan Fedasil is betekend, werd niet uitgevoerd. De advocaat van de verzoekers in de zaken nrs. 8562 en 8565 geeft op de terechtzitting aan dat die verzoekers worden opgevangen binnen het netwerk van Fedasil sinds respectievelijk 4 november en 30 oktober 2025. A.2.1.2. De verzoekster in de zaak nr. 8563 is een volwassene met de Turkse nationaliteit. Zij is op 6 juli 2025 in België aangekomen en heeft zich bij haar verloofde gevoegd, die sinds 2020 in België verblijft als vluchteling. Zij heeft op 15 juli 2025 een verzoek om internationale bescherming ingediend in België. Zij verblijft bij haar verloofde, met wie zij intussen is gehuwd en heeft geen enkele materiële hulp van de Belgische overheid gekregen. A.2.1.3. De verzoekers in de zaak nr. 8564 zijn de leden van een gezin (een volwassene en haar meerderjarige zoon) met de Venezolaanse nationaliteit. Zij zijn op 13 april 2025 in België aangekomen en hebben op 7 mei 2025 een verzoek om internationale bescherming ingediend. Zij verblijven in België bij de echtgenoot van de eerste verzoekende partij, die ertoe gemachtigd is in België te verblijven als slachtoffer van mensensmokkel. Zij zetten uiteen dat de tweede verzoekende partij gezondheidsproblemen heeft die het voor haar bijzonder moeilijk maakt om in gemeenschap te leven. Zij krijgen geen enkele hulp van de Belgische overheid. A.2.1.4. De verzoekers in de zaak nr. 8566 zijn meerderjarige tweelingbroers met de Angolese nationaliteit. Zij zijn op 8 september 2025 in België aangekomen en hebben de volgende dag een verzoek om internationale bescherming ingediend. Zij werden niet opgevangen binnen het netwerk van Fedasil wegens de verzadiging ervan. A.2.1.5. De verzoeker in de zaak nr. 8567 is een volwassene met de Congolese nationaliteit. Hij is op 10 oktober 2025 in België aangekomen en heeft op 14 oktober 2025 een verzoek om internationale bescherming ingediend. Hij werd niet opgevangen binnen het netwerk van Fedasil wegens de verzadiging ervan. A.2.1.6. De verzoeksters in de zaak nr. 8568 zijn een gezin (een moeder en haar meerderjarige dochter) met de Turkse nationaliteit. Zij zijn op 15 juli 2025 in België aangekomen en hebben op 30 juli 2025 een verzoek om internationale bescherming ingediend. De eerste verzoekster in die zaak kampt met ernstige gezondheidsproblemen die het leven in een opvangcentrum van Fedasil onmogelijk maken. De tweede verzoekster heeft een fysieke beperking waardoor zij minder autonoom is en het leven in een gemeenschapscentrum bijzonder moeilijk is. Ondanks hun toelichting hierbij en het feit dat een lid van hun gezin, een erkend vluchteling van Turkse afkomst die vrij recent de Belgische nationaliteit heeft verkregen, in België verblijft, werden zij opgevangen in een door het Rode Kruis, in samenwerking met Fedasil, beheerd centrum, terwijl die vorm van hulp niet is aangepast aan hun situatie. 7 A.2.1.7. De tweede tussenkomende partij is een volwassene met de Turkse nationaliteit. Zij is op 11 mei 2025 in België aangekomen en heeft de volgende dag een verzoek om internationale bescherming ingediend. Fedasil heeft haar een opvangplaats toegewezen in het aanmeldcentrum (het « Klein kasteeltje »). Een psychologe van dat centrum verklaart dat zij aan ernstige trauma’s lijdt die verband houden met seksuele agressie in het verleden. Zij is vervolgens overgebracht naar een ander opvangcentrum, waar zij zegt te zijn aangevallen wegens de onthulling van haar seksuele geaardheid. Daar zij niet door het begeleidend team van Fedasil werd geholpen, heeft zij het opvangcentrum verlaten en wordt zij door een kennis gehuisvest. Zij geniet geen enkele materiële hulp van de overheid. Haar verzoek om internationale bescherming wordt thans onderzocht. A.2.2. Geen van de verzoekers in de zaken nrs. 8561 tot 8568 geniet internationale bescherming in een andere lidstaat van de Europese Unie. Hetzelfde geldt voor de tweede tussenkomende partij. Zij zetten uiteen dat, vóór de inwerkingtreding van de artikelen 4 en 5 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007, toen Fedasil geen verplichte plaats van inschrijving binnen het netwerk toewees of de toewijzing van de verplichte plaats van inschrijving ophief, die beslissing het mogelijk maakte om ten laste van het OCMW van de werkelijke verblijfplaats bijstand te verkrijgen, waardoor de verzoeker om internationale bescherming een menswaardig leven kon leiden. Zij voeren aan dat Fedasil, sinds de inwerkingtreding van die bepalingen, ertoe is gehouden een verplichte plaats van inschrijving binnen het netwerk toe te wijzen, zelfs indien er geen plaatsen beschikbaar zijn of zelfs indien de opvang in het centrum niet is aangepast aan de situatie of aan de behoeften van de begunstigden, waardoor de OCMW’s geen materiële hulp meer kunnen verlenen. Zij zijn derhalve van mening dat zij een belang hebben om de schorsing en de vernietiging van de artikelen 4 en 5 van de voormelde wet te vorderen. A.2.3. De Ministerraad is van mening dat de verzoekers in hun verzoekschriften niet aantonen dat zij een persoonlijk belang hebben bij de schorsing van de bestreden wetten. Hij geeft aan dat meerdere verzoekers in de zaken nrs. 8561, 8565 en 8568 thans worden opgevangen binnen het opvangnetwerk van Fedasil, zodat hij niet inziet welk belang zij zouden hebben bij de schorsing van de bestreden bepalingen. Ten aanzien van de middelen Wat betreft artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 A.3.1. De verzoekers in de zaken nrs. 8548, 8549, 8551, 8553, 8556 en 8558 leiden elk een enig middel af uit de schending, door artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 15 december 1980, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 33 van de richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 « betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking) » (hierna : de richtlijn 2013/32/EU). Zij klagen aan dat die bepaling erin voorziet dat elk verzoek om internationale bescherming dat in België wordt ingediend nadat een verzoek werd ingediend in een andere lidstaat van de Europese Unie, als een volgend verzoek wordt beschouwd, terwijl enkel de verzoeken die in België worden ingediend na de afwijzing van een verzoek door een andere lidstaat van de Europese Unie als dusdanig kunnen worden beschouwd, onder bepaalde voorwaarden. Zij doen gelden dat de bestreden bepaling verschillende categorieën van verzoekers om internationale bescherming, namelijk, enerzijds, de verzoekers van wie het verzoek in een andere lidstaat is afgewezen en, anderzijds, de verzoekers aan wie een andere lidstaat internationale bescherming heeft toegekend, gelijk behandelt. A.3.2. De verzoekers zetten uiteen dat de kwalificatie van een verzoek om internationale bescherming als volgend verzoek procedurele gevolgen heeft. Zij verwijzen dienaangaande naar de mogelijkheid om de verzoeken van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen aan de grens te behandelen (artikel 25, lid 6, tweede alinea, b), ii), van de richtlijn 2013/32/EU), naar de mogelijkheid om het verzoek aan de grens en versneld te behandelen (artikel 31, lid 8, f), van de richtlijn 2013/32/EU), naar de mogelijkheid om het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren (artikel 33, lid 2, d), van de richtlijn 2013/32/EU), naar de mogelijkheid om de verzoeker enkel beperkt te horen (artikelen 34, lid 1, en 42 van de richtlijn 2013/32/EU), naar de mogelijkheid om enkel de nieuwe elementen van het verzoek te onderzoeken (artikel 40 van de richtlijn 2013/32/EU), naar de mogelijkheid om verkorte beroepstermijnen op te leggen (artikel 41 van de richtlijn 2013/32/EU) en naar de mogelijkheid om de verzoeker niet te horen (artikel 42, lid 2, b), van de richtlijn 2013/32/EU). Zij zetten in het bijzonder uiteen dat het recht op opvang van de personen die een verzoek om internationale bescherming indienen dat als volgend verzoek wordt aangemerkt, onder bepaalde voorwaarden, overeenkomstig artikel 20 van de richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 « tot vaststelling 8 van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking) » (hierna : de richtlijn 2013/33/EU), kan worden beperkt of ingetrokken. Zij doen gelden dat het eigenlijke doel van de twee wetsbepalingen waarvan zij de schorsing en de vernietiging vorderen, namelijk artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 en artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007, erin bestaat het recht op opvang te beperken of in te trekken voor de personen die internationale bescherming hebben verkregen in een andere lidstaat. A.3.3. De verzoekers zetten uiteen dat de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie een duidelijk onderscheid maakt tussen het verzoek om internationale bescherming dat wordt ingediend na een negatieve beslissing in een andere lidstaat en het verzoek om internationale bescherming dat wordt ingediend door een persoon aan wie een andere lidstaat bescherming heeft verleend. Zij doen gelden dat enkel de verzoeken na een negatieve beslissing van een andere lidstaat kunnen worden behandeld als volgende verzoeken. Zij verwijzen in dat verband naar de beschikking van het Hof van Justitie van 5 april 2017 (HvJ, 5 april 2017, C-36/17, Ahmed, ECLI:EU:C:2017:273). Zij leiden uit arresten van het Hof van Justitie van 20 mei 2021 (HvJ, 20 mei 2021, C-8/20, L.R., ECLI:EU:C:2021:404), van 22 september 2022 (HvJ, 22 september 2022, C-497/21, Bundesrepublik Deutschland, ECLI:EU:C:2022:721) en van 19 december 2024 (HvJ, 19 december 2024, C-123/23, N.A.K. e.a., en C-202/23, M.E.O., ECLI:EU:C:2024:1042) af dat, wanneer het verzoek om internationale bescherming in een andere lidstaat is afgewezen, de verzoeker in beginsel aan die lidstaat moet worden overgedragen krachtens de verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 « tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking) » (hierna : de Dublin III-verordening). Het is slechts indien die overdracht niet plaatsvindt en indien de tweede lidstaat de verantwoordelijkheid opneemt voor de behandeling van het verzoek dat de vraag rijst of dat verzoek als een volgend verzoek moet worden beschouwd. Zij zijn van mening dat, wat daarentegen de verzoeken betreft die werden ingediend door een persoon aan wie een andere lidstaat reeds de vluchtelingenstatus heeft toegekend, uit arresten van het Hof van Justitie van 19 maart 2019 (HvJ, grote kamer, 19 maart 2019, C-297/17, Ibrahim, ECLI:EU:C:2019:219) en van 18 juni 2024 (HvJ, grote kamer, 18 juni 2024, C-753/22, QY, ECLI:EU:C:2024:524) blijkt dat, overeenkomstig artikel 33, lid 2, a), van de richtlijn 2013/32/EU, de lidstaten een verzoek niet-ontvankelijk mogen verklaren, maar daarvan moeten afzien wanneer het voorzienbaar is dat de betrokken persoon in de lidstaat die de internationale bescherming heeft toegekend, zou worden blootgesteld aan een ernstig risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten op de Europese Unie (hierna : het Handvest). A.3.4. De verzoekers doen gelden dat artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 15 december 1980, dat een ruime interpretatie invoert van het begrip « volgend verzoek », de redactie van artikel 33, lid 2, van de richtlijn 2013/32/EU incoherent maakt, aangezien die bepaling een onderscheid maakt tussen de situatie van bescherming in een eerste lidstaat (punt
  1. a)van die bepaling) en het volgend verzoek (punt
  2. d)van die bepaling). Zij zijn van mening dat de Belgische wetgever niet ertoe gemachtigd is een interpretatie van het Unierecht voor te stellen waarin artikel 33, lid 2, a), een nutteloze herhaling zou zijn van artikel 33, lid 2, d), van de voormelde richtlijn. De verzoekers zijn van mening dat artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 bovendien incoherent is ten opzichte van de Belgische wetgeving, aangezien het niet gewijzigde artikel 57/6, § 3, van de wet van 15 december 1980 duidelijk een onderscheid maakt tussen de hypothese van een volgend verzoek en die van een verzoek ingediend door een persoon die reeds internationale bescherming geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie. Zij doen gelden dat, in het kader van die twee instrumenten, het onderzoek van de ontvankelijkheid van een volgend verzoek noodzakelijkerwijze het bestaan inhoudt van een eerdere beslissing tot weigering van bescherming, aangezien er nieuwe elementen aan de orde moeten zijn of moeten zijn voorgelegd die de kans vergroten dat bescherming wordt toegekend. Zij leiden daaruit af dat het onderzoek van de ontvankelijkheid van een verzoek om internationale bescherming ingediend door een persoon die reeds bescherming geniet, alleen onder artikel 33, lid 2, a), van de richtlijn 2013/32/EU valt en herinneren eraan dat de aard en de draagwijdte van het onderzoek van ontvankelijkheid met toepassing van die bepaling verschillend zijn. Zij besluiten daaruit dat de richtlijn 2013/32/EU een verschil in behandeling in het leven roept tussen het verzoek om internationale bescherming ingediend door een persoon die reeds in een andere lidstaat bescherming heeft verkregen en het verzoek om internationale bescherming ingediend door een persoon van wie het eerste in een andere lidstaat ingediende verzoek is afgewezen. Zij verwijzen dienaangaande naar de voormelde arresten van het Hof van Justitie. 9 A.3.5. De verzoekers doen gelden dat artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 incoherent is ten opzichte van de Dublin III-verordening, die bepaalt dat, wanneer een persoon van wie het verzoek om internationale bescherming in een lidstaat is afgewezen, een nieuw verzoek om internationale bescherming in een andere lidstaat indient, die lidstaat een besluit tot overdracht van die persoon aan de eerste lidstaat kan nemen, terwijl zulks niet het geval is voor de persoon die reeds bescherming geniet in de eerste lidstaat. Zij merken op dat artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 volledig voorbijgaat aan de procedure waarin de Dublin III-verordening voorziet, die nochtans verplicht is wanneer het om een volgend verzoek gaat. Zij doen gelden dat doordat de bestreden bepaling het verzoek onmiddellijk beschouwt als een volgend verzoek, de verzoeker de opvang ontzegt die nochtans moet worden gewaarborgd tijdens de gehele « Dublin »-procedure, tot de overdracht of tot de erkenning van de verantwoordelijkheid van de tweede lidstaat. A.3.6. De verzoekers zetten uiteen dat, in tegenstelling tot hetgeen in de memorie van toelichting bij de bestreden bepaling wordt vermeld, de artikelen 3, 19° en 55, § 2, van de verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 « tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van Richtlijn 2013/32/EU » (hierna : de verordening (EU) 2024/1348), die nog niet in werking zijn getreden, het niet mogelijk maken om een verzoek dat in een tweede lidstaat wordt ingediend door een persoon aan wie de bescherming is toegekend in een eerste lidstaat, als een volgend verzoek te beschouwen. Zij verwijzen dienaangaande naar artikel 38 van de verordening (EU) 2024/1348, dat in de leden 1, c), en 2 ervan uitdrukkelijk de differentiatie overneemt tussen de verzoeken die worden ingediend door personen die reeds in een andere lidstaat internationale bescherming genieten en de verzoeken die worden ingediend door personen van wie het eerste verzoek in een andere lidstaat is afgewezen. Zij halen eveneens artikel 55, lid 2, van dezelfde verordening aan, dat bepaalt dat het volgend verzoek wordt onderzocht door de « verantwoordelijke » lidstaat, hetgeen uitdrukkelijk naar de Dublin III-verordening verwijst. A.3.7. In ondergeschikte orde vragen de verzoekers dat een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie wordt gesteld. A.3.8. De eerste tussenkomende partijen onderschrijven dat middel en de in ondergeschikte orde gestelde vraag om een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen. A.4.1. De Ministerraad citeert artikel 1, 20°, van de wet van 15 december 1980, dat de omzetting is van artikel 2, q), van de richtlijn 2013/32/EU en dat het begrip « volgend verzoek » definieert, alsook artikel 1, 19°, van dezelfde wet, dat overeenkomt met artikel 2, e), van dezelfde richtlijn en dat het begrip « definitieve beslissing » definieert. Volgens hem dient er geen onderscheid te worden gemaakt naargelang die beslissing positief of negatief is. Hij brengt in herinnering dat, met de aanneming van de bestreden bepaling, de bedoeling van de wetgever erin bestaat de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie met betrekking tot het begrip « volgend verzoek », zoals vastgelegd in het arrest van 19 december 2024 (gevoegde zaken C-123/23 en C-202/23), « een te maken » in de wet. Hij zet uiteen dat uit dat arrest kan worden afgeleid dat, wanneer de overheid van een lidstaat een definitieve beslissing heeft genomen over het door een persoon ingediende verzoek om internationale bescherming, het nieuwe verzoek om internationale bescherming dat diezelfde persoon bij de overheid van een andere lidstaat indient, kan worden aangemerkt als een volgend verzoek in de zin van artikel 2, q), van de richtlijn 2013/32/EU. Volgens hem heeft het Hof van Justitie beklemtoond dat die interpretatie in overeenstemming is met het doel de secundaire stromen van verzoekers om internationale bescherming tussen de lidstaten te bestrijden, een doel dat uitdrukkelijk wordt nagestreefd met de richtlijn 2013/32/EU. A.4.2. In hoofdorde is de Ministerraad van mening dat de grieven van de verzoekers, in zoverre zij een bepaald aantal incoherenties aanklagen, onontvankelijk zijn aangezien zij alleen tot doel hebben het debat kunstmatig te bemoeilijken en die grieven niet met de bestreden wet in verband kunnen worden gebracht. A.4.3. In onderschikte orde voert hij aan dat de bestreden bepaling geen enkele incoherentie creëert met artikel 33, lid 2, van de richtlijn 2013/32/EU, aangezien dat laatste artikel in het Belgische recht wordt omgezet in artikel 57/6, § 3, van de wet van 15 december 1980, dat niet wordt gewijzigd bij de bestreden wet. Hij betwist de interpretatie die de verzoekers aan de door het Hof van Justitie op 5 april 2017 gewezen beschikking (HvJ, 5 april 2017, C-36/17, Ahmed) geven en is van mening dat het Hof, in die beschikking, enkel artikel 33 van de richtlijn 2013/32/EU in zijn geheel beoogt, zonder aan te geven of in het betrokken geval een bepaalde grond van onontvankelijkheid in het bijzonder of uitsluitend doorslaggevend zou moeten zijn veeleer dan een andere. Hij merkt op dat het verzoek ingediend in België door een persoon die reeds internationale bescherming in een andere lidstaat geniet in elk geval reeds onontvankelijk kan worden verklaard door de Commissaris-generaal voor de 10 vluchtelingen en de staatlozen, ongeacht of dat verzoek als volgend verzoek wordt aangemerkt, op grond van artikel 57/6, § 3, 3°, van de wet van 15 december 1980. A.4.4. De Ministerraad doet gelden dat de definities van « volgend verzoek » en « definitieve beslissing » vervat in de verordening (EU) 2024/1348, die op 12 juni 2026 in werking zal treden, niet verschillen van de definities van diezelfde begrippen in de richtlijn 2013/32/EU. A.4.5. De Ministerraad is van mening dat het feit dat het Hof van Justitie niet uitdrukkelijk heeft gepreciseerd dat de lidstaten gebruik zouden kunnen maken van de door artikel 33, lid 2, d), van de richtlijn 2013/32/EU geboden mogelijkheid om het volgend verzoek van een verzoeker die reeds in een andere lidstaat internationale bescherming geniet, onontvankelijk te verklaren, niet betekent dat een dergelijk standpunt strijdig zou zijn met het Europees recht. A.4.6. De Ministerraad weerlegt elke incoherentie in de interne wetgeving. Hij meent dat het feit dat artikel 57/6, § 3, van de wet van 15 december 1980, in het 3° en het 5° ervan, twee onderscheiden gevallen beoogt, de wetgever niet belet om te oordelen dat, wanneer een andere lidstaat reeds internationale bescherming heeft toegekend, het op het grondgebied ingediende verzoek om internationale bescherming wordt geregistreerd en beschouwd als een volgend verzoek. A.4.7. De Ministerraad is van mening dat de verzoekers een verkeerde lezing geven aan artikel 40 van de richtlijn 2013/32/EU wanneer zij aanvoeren dat uit die bepaling blijkt dat een volgend verzoek noodzakelijkerwijs het bestaan van een eerdere beslissing tot weigering inhoudt. A.4.8. De Ministerraad doet gelden dat, hoewel het onderscheid tussen de situatie van de verzoeker die reeds in een andere lidstaat een negatieve beslissing heeft gekregen en de situatie van de verzoeker die in die andere lidstaat een positieve beslissing heeft gekregen een weerslag heeft op het al dan niet toepassen van de Dublin III- verordening en op de mogelijkheid voor asielinstanties om een beslissing van niet-ontvankelijkheid te nemen met toepassing van artikel 33, lid 2, a), van de richtlijn 2013/32/EU, zulks de wetgever absoluut niet belet om te oordelen dat het in beide gevallen om een volgend verzoek gaat. Volkomen ten overvloede meent hij dat een eventuele opvallende incoherentie tussen de bestreden bepaling en de Dublin III-verordening in haar geheel het niet mogelijk zou maken te besluiten dat de bestreden wetgeving ongrondwettig is. A.4.9. De Ministerraad is tot slot van mening dat uit het voorgaande blijkt dat de door de verzoekers voorgestelde prejudiciële vraag klaarblijkelijk niet pertinent is, aangezien het duidelijk is dat de bestreden wet geen afbreuk doet aan het Unierecht. Wat betreft artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007 A.5.1. De verzoekers in de zaken nrs. 8550, 8552, 8554, 8555, 8557 en 8559 leiden elk een middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 33 van de richtlijn 2013/32/EU en met artikel 20 van de richtlijn 2013/33/EU, door artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007. Zij klagen aan dat die bepaling, in zoverre zij een 5° in artikel 4, § 1, van de wet van 12 januari 2007 invoert, het mogelijk maakt om het recht op materiële hulp te beperken of af te schaffen voor de verzoekers om internationale bescherming die reeds bescherming in een andere lidstaat van de Europese Unie genieten. A.5.2. Zij zetten uiteen dat artikel 20, lid 1, c), van de richtlijn 2013/33/EU de lidstaten toelaat het voordeel van de materiële opvangvoorzieningen aan verzoekers om internationale bescherming die een volgend verzoek hebben ingediend in de zin van artikel 2, q), van de richtlijn 2013/32/EU, te beperken of in te trekken. Zij verwijzen naar het enige middel dat zij hebben uiteengezet in hun verzoekschriften onder de rolnummers 8548, 8549, 8551, 8553, 8556 en 8558. Zij voeren aan dat de verzoekschriften in die zaken en de verzoekschriften in de zaken nrs. 8550, 8552, 8554, 8555, 8557 en 8559 samenhangen, aangezien de bestreden bepalingen elkaar aanvullen teneinde het mogelijk te maken de materiële hulp aan verzoekers om internationale bescherming die reeds bescherming in een andere lidstaat genieten, te beperken of in te trekken. Zij zijn van mening dat artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007 die verzoekers om internationale bescherming op dezelfde manier behandelt als de personen die een volgend verzoek om internationale bescherming indienen, terwijl die personen, zoals is aangetoond in de verzoekschriften met betrekking tot artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 15 december 1980, zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden. 11 A.5.3. De eerste tussenkomende partijen onderschrijven dat middel. A.6.1. De Ministerraad beklemtoont dat artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007, in zoverre het een 5° in artikel 4, § 1, van de wet van 12 januari 2007 invoert, bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de richtlijn 2013/33/EU, namelijk de secundaire stromen van verzoekers om internationale bescherming, die worden veroorzaakt door het verschil in opvangvoorzieningen tussen lidstaten, beperken en mogelijk misbruik van het opvangstelsel tegengaan. Hij is van mening dat de verzoekers geen belang hebben bij het middel en herhaalt in dat verband dat het verzoek van een persoon die reeds door een andere lidstaat toegekende internationale bescherming genoot en die in België een nieuw verzoek indiende, reeds vóór de aanneming van de bestreden wetten, als volgend verzoek werd aangemerkt en dat ten aanzien van die persoon, in voorkomend geval, een beslissing tot beperking of intrekking van de materiële hulp kon worden genomen op grond van artikel 4, eerste lid, 3°, van de wet van 12 januari 2007. Hij geeft aan dat de bestreden bepaling toch enige toegevoegde waarde heeft omdat, in de praktijk, wanneer de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen oordeelt dat een volgend verzoek ontvankelijk is, hij onmiddellijk tot een inhoudelijk onderzoek overgaat, zonder afzonderlijke beslissing over de ontvankelijkheid. Daar Fedasil, volgens artikel 4, § 1, 3°, van de wet van 12 januari 2007, het recht op materiële hulp kan beperken of, in uitzonderlijke gevallen, intrekken totdat er een beslissing over de ontvankelijkheid is genomen, was het noodzakelijk om de gevallen van verzoekers die in een andere lidstaat bescherming genieten, op te vangen, zonder te worden gehinderd door of gebonden te zijn aan een beslissing over de ontvankelijkheid. A.6.2. De Ministerraad verwijst naar de argumentatie die hij heeft uiteengezet in antwoord op de middelen met betrekking tot artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 15 december 1980. Hij zet uiteen dat de maatregel berust op het objectieve criterium of een verzoeker al dan niet reeds internationale bescherming geniet in een andere lidstaat en dat de maatregel meerdere legitieme doelstellingen nastreeft, namelijk de migratiestromen beheersen, de bestaande druk op het opvangnetwerk verminderen en misbruik vermijden. Hij voert ten slotte aan dat de maatregel adequaat en evenredig is. Hij beklemtoont in dat verband dat Fedasil over een beoordelingsvrijheid beschikt met betrekking tot de beperking of de intrekking van de materiële hulp en dat het agentschap rekening kan houden met bijzondere situaties en dat, zelf in geval van een beperking of intrekking, het recht op medische begeleiding en het recht op een waardige levensstandaard gewaarborgd zijn. Hij brengt in herinnering dat de betrokken verzoekers om internationale bescherming een beroep kunnen instellen bij de arbeidsgerechten om de door Fedasil genomen beslissingen tot beperking of intrekking van de materiële hulp te betwisten. A.7.1. De verzoekers in de zaken nrs. 8550, 8552, 8555 en 8557 leiden elk een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 1 en 24, lid 2, van het Handvest, door artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007. Zij klagen aan dat die bepaling, in zoverre zij een 6° invoert in artikel 4, § 1, van de wet van 12 januari 2007, het mogelijk maakt om het recht op materiële hulp aan het gezin van een kind dat namens dat kind om internationale bescherming vraagt nadat een eerste verzoek om internationale bescherming dat namens de ouders werd ingediend is afgewezen, te beperken of af te schaffen. Zij doen gelden dat de bestreden bepaling aldus een onverantwoord verschil in behandeling in het leven roept tussen het kind dat in die situatie de verzoeker om internationale bescherming is en het kind dat deel uitmaakt van een gezin dat illegaal op het grondgebied verblijft en dat recht heeft op materiële hulp met toepassing van artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna : de wet van 8 juli 1976). A.7.2. Zij zetten uiteen dat de inwerkingstelling van de bestreden bepaling ertoe leidt dat de betrokken gezinnen elke materiële hulp wordt ontzegd, met als doel het misbruik door bepaalde gezinnen te bestrijden. Zij zijn van mening dat de mogelijkheid van misbruik de wetgever niet toestaat een bijzonder kwetsbare categorie van verzoekers om internationale bescherming, namelijk de minderjarige verzoekers die door hun ouders worden begeleid, elke maatschappelijke hulp te ontzeggen. Zij menen dat die beperking of die weigering van elke hulp strijdig is met het recht op waardigheid, zoals gewaarborgd bij artikel 1 van het Handvest, en met het hoger belang van het kind, zoals gewaarborgd bij artikel 24, lid 2, van het Handvest en bij artikel 23 van de richtlijn 2013/33/EU. Zij citeren in dat verband het arrest van het Hof nr. 106/2003 (ECLI:BE:GHCC:2003:ARR.106), dat ten uitvoer is gelegd bij artikel 57, § 2, 2°, tweede lid, van de wet van 8 juli 1976 en bij artikel 4 van het koninklijk besluit van 24 juni 2004 « tot bepaling van de voorwaarden en de modaliteiten voor het verlenen van materiële hulp aan een minderjarige vreemdeling die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft ». Zij leggen uit dat de bestreden bepaling, krachtens artikel 57ter, laatste lid, van de wet van 8 juli 1976, een hindernis vormt voor de toekenning van maatschappelijke hulp. Zij besluiten daaruit dat het gezin dat een verzoek om internationale bescherming namens een minderjarig kind indient, terwijl ten aanzien van een eerder verzoek om internationale bescherming dat namens zijn ouders werd ingediend een negatieve beslissing werd genomen, elke hulp wordt ontzegd en dus 12 ongunstiger wordt behandeld dan het gezin dat illegaal op het grondgebied verblijft en geen verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. A.8.1. De Ministerraad is van mening dat de verzoekers het recht op materiële hulp of het recht op opvang verwarren met het recht op maatschappelijke hulp. Hij doet gelden dat artikel 4, § 1, 6°, van de wet van 12 januari 2007, ingevoerd bij de bestreden bepaling, niet tot doel heeft de minderjarige verzoekers om internationale bescherming die door hun ouders worden begeleid, alle maatschappelijke hulp te ontzeggen. Hij meent dat de kritiek dus niet voortvloeit uit de bestreden wet maar, in voorkomend geval, uit artikel 57ter, laatste lid, van de wet van 8 juli 1976. A.8.2. De Ministerraad doet gelden dat de minderjarige verzoekers om internationale bescherming die door hun ouders worden begeleid en de minderjarigen die niet om internationale bescherming verzoeken die illegaal op het grondgebied verblijven en door hun ouders worden begeleid, geen vergelijkbare categorieën zijn. Hij is overigens van mening dat het fout is te denken dat een gezin met kinderen dat illegaal op het grondgebied verblijft, noodzakelijkerwijs recht zal hebben op maatschappelijke hulp. Hij brengt in herinnering dat de door de in het geding zijnde bepaling nagestreefde doelstelling erin bestaat misbruik te bestrijden en dat de maatregel adequaat en redelijk is ten opzichte van dat doel. A.8.3. De Ministerraad is ten slotte van mening dat de mogelijkheid voor Fedasil om de materiële hulp te beperken of in te trekken, op zich het recht op menselijke waardigheid of het hoger belang van het kind niet kan schenden, aangezien die grondbeginselen deel uitmaken van de Belgische interne orde en dat Fedasil die dus in acht moet nemen. Wat betreft de artikelen 4 en 5 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007 A.9.1. De verzoekers in de zaken nrs. 8550, 8552, 8555 en 8557 leiden elk een derde middel af en de verzoekers in de zaken nrs. 8561 tot 8568 leiden elk een enig middel af uit de schending, door de artikelen 4 en 5 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007, van de artikelen 10, 11, 22 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 17 en 22 van de richtlijn 2013/33/EU en met de artikelen 1 en 7 van het Handvest. Zij verwijten die bepalingen, waarbij de mogelijkheid voor Fedasil wordt opgeheven om geen verplichte plaats van inschrijving toe te wijzen aan de verzoeker om internationale bescherming of om de verplichte plaats van inschrijving die bij het begin van de procedure was toegewezen tijdens de behandeling van het verzoek op te heffen, enerzijds, dat zij de in artikel 23 van de Grondwet vervatte standstill- verplichting schenden en het recht van de verzoekers om internationale bescherming om een waardig leven te leiden, niet waarborgen en, anderzijds, dat zij bepaalde bijzondere categorieën van verzoekers om internationale bescherming die zich in bijzondere omstandigheden bevinden, beletten om toegang te krijgen tot opvang in de vorm van financiële maatschappelijke hulp. Zij brengen in herinnering dat het vaste rechtspraak is van het Hof van Justitie dat het recht op opvang van de verzoekers om internationale bescherming een bijzondere tenuitvoerlegging van de vereisten van artikel 1 van het Handvest vormt (HvJ, 27 september 2012, C-179/11, Cimade en GISTI, ECLI:EU:C:2012:594, punt 56, en 27 februari 2014, C-79/13, Saciri e.a., ECLI:EU:C:2014:103, punt 35). Zij zijn van mening dat de wetgever, met de bestreden bepalingen, zowel de toekomstige gebreken van de Staat inzake opvang van asielzoekers als de onmogelijkheid dat te verhelpen, organiseert. Zij voegen eraan toe dat die bepalingen voor een verzoeker om internationale bescherming wiens gezinssamenstelling, gezondheidstoestand of bijzondere kwetsbaarheid het niet mogelijk maakt in een opvangcentrum te leven, elke mogelijkheid tenietdoen om onder een andere vorm de hulp te genieten waarop hij recht heeft. Zij merken in dat verband op dat de wetgever de afschaffing van die regeling, die ertoe strekte de grondrechten van bepaalde categorieën van verzoekers om internationale bescherming te waarborgen, geenszins heeft verantwoord, aangezien de enige verantwoording verwijst naar de verzadiging van het opvangnetwerk en de opvangcrisis, dat wil zeggen naar omstandigheden die losstaan van de grondrechten van de kwetsbare categorieën van verzoekers. A.9.2. De verzoekers voeren aan dat uit de memorie van toelichting met betrekking tot de bestreden bepalingen blijkt dat de opheffing van de artikelen 11, § 3, vierde lid, en 13 van de wet van 12 januari 2007 past in het kader van de verzadiging van het opvangnetwerk en tegemoetkomt aan de zorg om een aanzuigeffect met betrekking tot de toekenning van financiële hulp weg te nemen of te vermijden. Zij menen dat het zinloos is zulk een aanzuigeffect in te roepen omdat dat effect niet wordt bevestigd in de wetenschappelijke literatuur en omdat de verzoekers om internationale bescherming bij het kiezen van een bestemming rekening houden met dominante factoren zoals het streven naar veiligheid, de aanwezigheid van netwerken of nog de mogelijkheden tot economische inschakeling. Zij brengen in herinnering dat de toename van geschillen voor de arbeidsrechtbanken 13 aantoont dat de « opvangcrisis » structureel is en dat die crisis het gevolg is van beleidsbeslissingen om talrijke opvangplaatsen te sluiten. Zij herinneren eraan dat de artikelen 17 en 18 van de richtlijn 2013/33/EU de lidstaten verplichten in een passende opvang te voorzien voor verzoekers om internationale bescherming. Zij zijn van mening dat de doelstelling van de wetgever om de druk op het opvangnetwerk te verminderen, illegitiem is, met name in het licht van de Europese vereisten. Zij citeren in dat verband het arrest van het Hof van Justitie S.A. en R.J (HvJ, 1 augustus 2025, C-97/24, S.A. en R.J., ECLI:EU:C:2025:594), dat de richtlijn 2013/33/EU in die zin interpreteert dat zij de lidstaten, in geval van verzadiging van hun opvangnetwerk, verplichten om in hulp te voorzien in de vorm van uitkeringen of tegoedbonnen. Zij besluiten daaruit dat de bestreden bepalingen, naast de onverantwoorde aanzienlijke achteruitgang die zij veroorzaken, een discriminerend verschil in behandeling doen ontstaan tussen de verzoekers om internationale bescherming die toegang tot opvang hebben en die welke geen toegang tot opvang hebben. A.9.3. De verzoekers doen gelden dat de mogelijkheid voor Fedasil om de verplichte plaats van inschrijving in een centrum af te schaffen teneinde de toegang tot bijstand van het OCMW mogelijk te maken, in werkelijkheid verplicht is wanneer de inachtneming van de menselijke waardigheid ervan afhangt, met name wanneer de verzoeker in een situatie van bijzondere kwetsbaarheid of bestaansonzekerheid verkeert. Zij voeren aan dat de wetgever niet heeft uiteengezet in welk opzicht het verantwoord zou zijn de afwijkende regeling af te schaffen die ertoe strekte de naleving van de grondrechten van de verzoekers om internationale bescherming die zich in die situatie bevinden te waarborgen. A.9.4. De tweede tussenkomende partij sluit zich aan bij dat middel. A.10.1. De Ministerraad meent dat het middel onontvankelijk is, in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 22 van de Grondwet en artikel 7 van het Handvest, aangezien de verzoekers niet aantonen in welk opzicht die bepalingen zouden zijn geschonden door de artikelen 4 en 5 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007. A.10.2. De Ministerraad voert aan dat uit artikel 2, g), van de richtlijn 2013/33/EU volgt dat de lidstaten kunnen kiezen hoe zij materiële hulp aan verzoekers om internationale bescherming verstrekken en dat een van de opties materiële hulp in natura is. Hij is van mening dat het recht van de Europese Unie de lidstaten niet ertoe verplicht ook hulp in de vorm van uitkeringen te verstrekken. Hij leidt daaruit af dat de bestreden bepalingen de artikelen 2, 17 en 18 van de voormelde richtlijn niet schenden. Hij is van mening dat de verzoekers aan het voormelde arrest van het Hof van Justitie van 1 augustus 2025 een draagwijdte toekennen dat het niet heeft en leidt van zijn kant eruit af dat de lidstaten, zelfs wanneer de normaal beschikbare opvangcapaciteit op hun grondgebied voor de verzoekers om internationale bescherming tijdelijk uitgeput is, een zekere beoordelingsvrijheid behouden. A.10.3. De Ministerraad voert aan dat de verzoekers een verkeerde lezing maken van de wet van 12 januari 2007 wanneer zij stellen dat door de opheffing van de artikelen 11, § 3, vierde lid, en 13 van die wet, de mogelijkheid voor Fedasil wordt afgeschaft om rekening te houden met de bijzondere situatie van bepaalde verzoekers om internationale bescherming en om hun aangepaste opvangvoorzieningen te bieden. Hij brengt in dat verband in herinnering dat de wet Fedasil in elk geval ertoe verplicht een opvang te bieden die is aangepast aan de verzoekers om internationale bescherming en rekening te houden met hun bijzondere situaties en hij verwijst naar de artikelen 11, § 3, 12, § 2, 22 en 36 van de wet van 12 januari 2007 en naar het koninklijk besluit van 25 april 2007 « tot bepaling van de nadere regels van de evaluatie van de individuele situatie van de begunstigde van de opvang ». Hij zet uiteen dat Fedasil, in het kader van zijn netwerk en de met zijn partners afgesloten overeenkomsten, in staat is aan alle soorten van profielen opvang te bieden. Hij is van mening dat, in zoverre de verzoekers grieven formuleren met betrekking tot de wijze waarop de wet wordt toegepast, die grieven niet ontvankelijk zijn. A.10.4. Wat betreft de in artikel 23 van de Grondwet vervatte standstill-verplichting, doet de Ministerraad eerst gelden dat de bedoeling om het aanzuigeffect te bestrijden, werkelijk en legitiem is. Hij zet uiteen dat het fenomeen van het aanzuigeffect, zelfs indien wordt aangenomen dat het niet door de wetenschappelijke literatuur wordt bevestigd, duidelijk blijkt uit de praktijk en met name uit statistieken, alsook uit de verklaringen van verzoekers om internationale bescherming wanneer zij door de Dienst Vreemdelingenzaken worden gehoord. Hij voegt eraan toe dat er eveneens een fenomeen van « asielshoppen » bestaat. Hij doet gelden dat de bestreden bepalingen legitieme doelstellingen van algemeen belang nastreven, namelijk de migratiestromen beheersen, de bestaande druk op het opvangnetwerk verminderen, misbruik vermijden en de houdbaarheid van de 14 overheidsfinanciën van de OCMW’s en de gemeentebesturen in stand houden. Hij herinnert eraan dat de bestreden bepalingen geen afbreuk doen aan het recht op materiële hulp dat de verzoekers om internationale bescherming kunnen genieten, zodat zij niet onevenredig kunnen zijn en dat er om dezelfde redenen geen sprake is van een aanzienlijke achteruitgang van de aan de verzoekers om internationale bescherming toegekende rechten. In uiterst ondergeschikte orde doet hij gelden dat die achteruitgang, voor zover die al aanzienlijk is, een algemeen belang nastreeft en redelijk verantwoord is. Ten aanzien van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel A.11.1. Alle verzoekers in de zaken nrs. 8548 tot 8559 en de eerste tussenkomende partijen doen gelden dat de onmiddellijke uitvoering van de door hen bestreden bepalingen hun een zeer ernstig en onherstelbaar nadeel berokkent. Zij voeren de lering aan van de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaken M.S.S. tegen België en Griekenland (EHRM, grote kamer, 21 januari 2011, M.S.S. t. België en Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609) en N.H. e.a. tegen Frankrijk (EHRM, 2 juli 2020, N.H. e.a. t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2020:0702JUD002882013). Zij herinneren eraan dat zij, als personen die om internationale bescherming verzoeken, pas vier maanden na de indiening van hun verzoek een beroepsactiviteit mogen uitoefenen, overeenkomstig artikel 18, 3°, van het koninklijk besluit van 2 september 2018 « houdende de uitvoering van de wet van 9 mei 2018 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden ». A.11.2. De verzoekers in de zaken nrs. 8548 en 8550 zetten uiteen dat zij met hun vijf kinderen van het centrum van Fedasil werden uitgesloten en op straat werden gezet, waar zij tientallen nachten hebben doorgebracht. Zij worden thans op uiterst precaire wijze gehuisvest in een Brusselse kerk. Zij beklemtonen dat meerdere gezinsleden gezondheidsproblemen hebben. Zij herinneren eraan dat de minister belast met Asiel en Migratie systematisch weigert om de rechterlijke beslissingen uit te voeren waarbij de autoriteiten ertoe worden veroordeeld materiële hulp of opvang te bieden aan verzoekers om internationale bescherming. Zij worden aldus geconfronteerd met de onverschilligheid van de overheid ten aanzien van de noodsituatie waarin zij zich bevinden en zij menen dat die situatie onverenigbaar is met de menselijke waardigheid. A.11.3. De verzoekers in de zaken nrs. 8549 en 8559 zetten uiteen dat zij sinds meerdere maanden in een uiterst precaire situatie leven, wegens de kwalificatie van hun verzoek als volgend verzoek en de daaruit voortvloeiende afschaffing van het recht op materiële hulp. Zij doen gelden dat hun fysieke en geestelijke gezondheidstoestand aanzienlijk is achteruitgegaan, dat de weerslag van de onwaardige levensomstandigheden waarin zij zich bevinden nog dramatischer is voor de kleine kinderen, dat hun toegang tot de zorg ernstig wordt bemoeilijkt en dat zij ertoe worden gedwongen om in grote onzekerheid te leven, hetgeen ernstige en onherstelbare gevolgen heeft. Zij voeren aan dat de hen opgelegde levensomstandigheden een ernstige en onherstelbare weerslag hebben op hun vermogen om aandacht te hebben voor hun asielprocedure en op de mogelijkheden om hun kinderen naar school te doen gaan. A.11.4. De verzoeker in de zaken nrs. 8551 en 8552 zet uiteen dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen hem ertoe dwingt op straat te leven en af te hangen van de vrijgevigheid van vrijwilligers. Hij brengt in herinnering dat België door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens werd veroordeeld voor het systemisch falen om definitieve rechterlijke beslissingen over de opvang van verzoekers om internationale bescherming uit te voeren (EHRM, 18 juli 2023, Camara t. België, ECLI:CE:ECHR:2023:0718JUD004925522, § 118). A.11.5. De verzoeker in de zaken nrs. 8553 en 8554 zet uiteen dat de onmiddellijke uitvoering van de bestreden bepalingen hem het recht op opvang ontzegt tijdens de gehele duur van de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming, die meerdere maanden of zelfs meerdere jaren in beslag kan nemen. Tijdens heel die periode wordt hij ertoe gedwongen op straat te leven en beschikt hij enkel over voedsel en kleding dankzij de vrijgevigheid van vrijwilligers en verenigingen. A.11.6. De verzoekers in de zaken nrs. 8556 en 8557 zetten uiteen dat zij van het centrum van Fedasil werden uitgesloten en met hun jonge kinderen op straat werden gegooid. Zij worden thans op uiterst precaire wijze in een kerk gehuisvest en hangen volledig af van de hulp van verenigingen. Zij geven aan dat zij met fysieke en geestelijke gezondheidsproblemen kampen die niet correct worden behandeld. Zij menen dat de situatie waarin zij moeten leven wegens de toepassing van de door hen bestreden bepalingen, onverenigbaar is met de menselijke waardigheid. 15 A.11.7. De verzoekers in de zaken nrs. 8558 en 8555 zetten uiteen dat zij meerdere nachten op straat hebben doorgebracht met hun twee kleine kinderen, dat zij thans vrijwillig en precair worden gehuisvest door een Brussels gezin en dat zij geen enkele overheidssteun genieten. Zij doen gelden dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen hen in een situatie van grote morele en fysieke ontreddering plaatst, hetgeen hun een ernstig en onherstelbaar nadeel berokkent. A.11.8. De eerste tussenkomende partijen zetten uiteen dat zij ertoe werden gedwongen op straat te leven in uiterst precaire en onmenselijke omstandigheden, zonder toegang tot basisdiensten zoals drinkwater, voedsel, sanitaire voorzieningen en medische zorg, en met blootstelling aan koude en vocht. Zij worden thans gehuisvest in een Brusselse kerk, in een situatie van extreme onzekerheid, zonder aangepaste medische zorg en zonder juridische en sociale begeleiding. Zij doen gelden dat de gevolgen van die levensomstandigheden voor hun reeds precaire gezondheidstoestand en voor de ontwikkeling van hun jonge kinderen zeer ernstig zijn en dus voor hen een ernstig en onherstelbaar nadeel met zich meebrengen. A.12.1. De verzoekers in de zaken nrs. 8561, 8562, 8565, 8566 en 8567 zetten uiteen dat, zolang het opvangnetwerk van Fedasil verzadigd is, zij geen enkele huisvesting of juridische of sociale begeleiding zullen genieten en in grote nood zullen verkeren. Zij herinneren eraan dat het belang van de grondrechten die hun worden ontzegd door de toepassing van de door hen bestreden bepalingen werd benadrukt in het voormelde arrest van het Hof van Justitie van 1 augustus 2025. A.12.2. De verzoekers in de zaken nrs. 8563, 8564 en 8568 zetten uiteen dat, wegens de onmiddellijke uitvoering van de door hen bestreden bepalingen, de hun toegekende opvang niet aan hun situatie is aangepast en dat de ontvangen hulp evenmin aan hun behoeften is aangepast. Zij voegen eraan toe dat sommigen van hen niet in een gemeenschapscentrum kunnen leven wegens hun persoonlijke situatie en gezondheidstoestand. Zij leggen uit dat zij in België worden gehuisvest door familieleden of kennissen en dat zij daarom geen recht hebben op materiële hulp, terwijl zij recht erop zouden moeten hebben als verzoekers om internationale bescherming. A.12.3. De tweede tussenkomende partij zet uiteen dat zij deel uitmaakt van een groep personen wier bijzondere kwetsbaarheid een geïndividualiseerde aanpak vereist. Zij doet gelden dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen tot gevolg heeft dat haar hulp wordt ontzegd die is aangepast aan haar situatie, die wordt gekenmerkt door de kwetsbaarheid van haar geestelijke gezondheid en door de verhoogde veiligheidsrisico’s wegens haar seksuele geaardheid. Zij besluit daaruit dat zij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijdt, aangezien zij ertoe wordt gedwongen in onaangepaste en onwaardige omstandigheden te leven. A.13.1. De Ministerraad is van mening dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet individueel is aangetoond door elk van de verzoekers, van wie het merendeel zich beperkt tot bijzonder vage en algemene beweringen, zonder hun persoonlijke situaties en levensomstandigheden beter uit te leggen. Hij merkt op dat de verzoekers niet concreet bewijzen dat de uitvoering van de bestreden bepalingen een ernstig, moeilijk te herstellen, actueel en zeker nadeel zou kunnen veroorzaken ten aanzien van hen. Hij voegt eraan toe dat een beslissing tot beperking of intrekking van de materiële hulp, overeenkomstig artikel 4, § 1, van de wet van 12 januari 2007, zelf geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan vormen of veroorzaken. Hij herinnert eraan dat de verzoekers om internationale bescherming voor wie de materiële hulp wordt beperkt of ingetrokken, het recht op medische begeleiding en op een waardige levensstandaard behouden. A.13.2. De Ministerraad doet gelden dat het door de verzoekers in de zaken nrs. 8548, 8549, 8551, 8553, 8556 en 8558 aangevoerde nadeel, namelijk het feit dat hun de opvang wordt ontzegd, niet kan voortvloeien uit de toepassing van artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 15 december 1980. Wat betreft de beroepen gericht tegen artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007, zet hij uiteen dat Fedasil, vóór de aanneming van die bepaling, ten aanzien van verzoekers om internationale bescherming die al internationale bescherming in een andere lidstaat genoten, reeds kon beslissen om het recht op materiële hulp te beperken op grond van artikel 4, § 1, 3°, van de wet van 12 januari 2007, gelezen overeenkomstig met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Hij is van mening dat een schorsing van de bestreden bepaling Fedasil dus niet zou beletten om in de toekomst soortgelijke beslissingen te nemen. A.13.3. De Ministerraad doet gelden dat de verzoekers in elk geval aan de oorsprong van de aangevoerde nadelen liggen, in zoverre zij ervoor hebben gekozen om naar België te komen terwijl zij reeds internationale bescherming genoten in Griekenland, waar zij tot verblijf gemachtigd zijn en een hele reeks rechten genieten die uit de status van begunstigde van bescherming voortvloeien. Hij is van mening dat zij, in plaats van te opteren 16 voor een secundaire migratiestroom, hun rechten in die lidstaat hadden moeten doen gelden, in voorkomend geval door een beroep te doen op de daar geldende administratieve en gerechtelijke procedures. A.13.4. De Ministerraad wijst erop dat talrijke verzoekers om internationale bescherming die niet binnen het netwerk van Fedasil worden opgevangen, niet op straat verblijven maar worden gehuisvest in opvangstructuren waarvoor een overeenkomst is gesloten met het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en die integraal door de federale Staat worden gefinancierd, dat de overheid verschillende verenigingen of organisaties hebben gefinancierd waardoor de verzoekers om internationale bescherming in hun elementaire behoeften kunnen voorzien en dat er verschillende verenigingen voor hulp aan daklozen bestaan tot wie de verzoekers zich kunnen richten. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.1. De beroepen ingesteld in de zaken nrs. 8548, 8549, 8551, 8553, 8556 en 8558 hebben betrekking op artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 « [tot wijziging van de] wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat betreft de behandeling van een volgend verzoek om internationale bescherming » (hierna : de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 15 december 1980). Dat artikel 2 vult artikel 50 van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980) aan met een vijfde paragraaf, die bepaalt : « Het verzoek om internationale bescherming dat een vreemdeling doet nadat een definitieve beslissing over een vorig verzoek in een andere lidstaat is genomen, wordt als een volgend verzoek om internationale bescherming beschouwd en geregistreerd ». B.1.2. De memorie van toelichting vermeldt met betrekking tot die bepaling : « Deze wijziging komt […] tegemoet aan het regeerakkoord waarin gestreefd wordt om secundaire migratie maximaal tegen te gaan. […] Dit artikel heeft als doel de interpretatie van de definitie van volgend verzoek uit artikel 2, q), van de Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (Asielprocedurerichtlijn), door het Europees Hof van Justitie in zijn arrest van 19 december 2024 in de gevoegde zaken C-123/23 en C-202/23 (Khan Yunis en Baabda), wettelijk vast te leggen. In dit arrest oordeelde het Hof dat het mogelijk is om een 17 nieuw verzoek dat wordt ingediend in een andere lidstaat te beschouwen als een volgend verzoek indien er in een andere lidstaat een definitieve beslissing werd genomen. […] [Met die bepaling] wordt reeds tegemoet gekomen aan de bepaling in artikel 55, 2 juncto artikel 3, 19°, van de Verordening 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van Richtlijn 2013/32/EU op basis waarvan een later verzoek om internationale bescherming dat in een lidstaat wordt gedaan nadat een definitieve beslissing over een vorig verzoek is genomen, als een volgend verzoek wordt beschouwd. […] […] Dit omvat bijgevolg zowel positieve als negatieve beslissingen » (Parl. St., Kamer, 2024-2025, DOC 56-0912/001, pp. 4-5). B.2.1. De beroepen ingesteld in de zaken nrs. 8550, 8552, 8554, 8555, 8557 en 8559 hebben, naargelang het geval, enkel of in de eerste plaats betrekking op artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 « tot wijziging van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen » (hierna : de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007). Dat artikel 2 vult artikel 4, § 1, van de wet van 12 januari 2007 « betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen » (hierna : de wet van 12 januari 2007) aan met een 5° en een 6°. Artikel 4, § 1, van de wet van 12 januari 2007 bepaalt voortaan : « Het Agentschap kan het recht op materiële hulp beperken of, in uitzonderlijke gevallen, intrekken : […] 5° indien een asielzoeker reeds internationale bescherming geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie; of 6° indien een minderjarige vreemdeling in eigen naam een verzoek om internationale bescherming indient overeenkomstig artikel 57/1, § 2, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, terwijl een eerdere aanvraag ingediend door de ouders een definitieve negatieve beslissing heeft gekregen, totdat er een beslissing is genomen waarbij tot de ontvankelijkheid wordt besloten met toepassing van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 6°, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ». B.2.2. De memorie van toelichting vermeldt met betrekking tot die bepalingen : 18 « Deze wijziging van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen (hierna de ‘ Opvangwet ’ genoemd) maakt deel uit van een reeks wetgevende maatregelen die zijn genomen als antwoord op de opvangcrisis. […] De maatregelen zijn bedoeld om proceduremisbruik tegen te gaan door onderdanen van derde landen die naar België zijn gekomen om andere redenen dan een reële behoefte aan bescherming, omdat ze al een statuut hebben in een andere lidstaat of omdat het verzoek om internationale bescherming al vanuit een andere invalshoek is onderzocht (bescherming van de ouders). […] […] In artikel 20 van Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming worden de gevallen genoemd waarin materiële opvangvoorzieningen kunnen worden beperkt of ingetrokken. Punt 1, onder c), voorziet in de mogelijkheid voor de lidstaten om de materiële hulp te beperken wanneer een verzoeker een volgend verzoek heeft ingediend » (Parl. St., Kamer, 2024-2025, DOC 56-0914/001, pp. 4-5). B.3.1. De beroepen ingesteld in de zaken nrs. 8550, 8552, 8555, 8557 en 8561 tot 8568 hebben, naargelang het geval, in de tweede plaats of uitsluitend betrekking op de artikelen 4 en 5 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007. Artikel 4 heft artikel 11, § 3, vierde lid, van de wet van 12 januari 2007 op. Artikel 5 heft artikel 13 van de wet van 12 januari 2007 op. Vóór die opheffing bepaalde artikel 11, § 3, van de wet van 12 januari 2007 : « Bij de toewijzing van een verplichte plaats van inschrijving ziet het Agentschap erop toe dat deze plaats aangepast is aan de begunstigde van de opvang en dit binnen de grenzen van het aantal beschikbare plaatsen. Het houdt rekening : 1° bij de toewijzing van een verplichte plaats van inschrijving in toepassing van § 1, met de bezettingsgraad van de opvangstructuren; 2° bij de toewijzing van een verplichte plaats van inschrijving in toepassing van § 1, tweede lid en § 2, met een gelijkmatige verdeling tussen de gemeenten op grond van criteria vastgelegd in een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De beoordeling van het aangepaste karakter van deze plaats is met name gebaseerd op criteria als de gezinstoestand van de begunstigde van de opvang, zijn gezondheidstoestand, zijn 19 kennis van één van de landstalen of van de taal waarin de procedure gevoerd wordt. In dit kader besteedt het Agentschap bijzondere aandacht aan de toestand van kwetsbare personen zoals bedoeld in artikel 36. Wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden, kan het Agentschap afwijken van de bepalingen van § 1 door geen verplichte plaats van inschrijving toe te wijzen ». Vóór de opheffing ervan bepaalde artikel 13 van de wet van 12 januari 2007 : « Het Agentschap kan de verplichte plaats van inschrijving die overeenkomstig voorgaande artikelen is toegewezen in bijzondere omstandigheden opheffen. De Koning bepaalt de procedure betreffende deze opheffing ». B.3.2. De memorie van toelichting met betrekking tot die bepalingen vermeldt : « Deze maatregelen hebben […] tot doel het materiële aspect van de sociale bijstand voor rechthebbenden te versterken door de mogelijkheden te beperken om financiële bijstand in plaats van materiële bijstand te ontvangen » (Parl. St., Kamer, 2024-2025, DOC 55-0914/001, p. 4). Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen B.4.1. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. Wat betreft de ontvankelijkheid van de beroepen in zoverre zij zijn gericht tegen artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 en tegen artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007 B.4.2. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8548 tot 8559 zijn allen verzoekers om internationale bescherming die reeds bescherming genoten in een andere lidstaat van de Europese Unie, namelijk Griekenland. Het verzoek om internationale bescherming dat zij in België hebben ingediend, werd gekwalificeerd als « volgend verzoek », met toepassing van 20 artikel 50, § 5, van de wet van 15 december 1980, zoals ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 15 december 1980. De behandelingsprocedures van die verzoeken zijn lopende bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Het recht op materiële hulp van al die partijen werd geweigerd of ingetrokken op basis van artikel 4, § 1, 5°, van de wet van 12 januari 2007, zoals ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007, omdat zij reeds door een andere lidstaat toegekende bescherming genieten. Tijdens de terechtzitting hebben de advocaten van de eerste twee verzoekende families in de zaken nrs. 8549 en 8559 en de Ministerraad aangegeven dat die families zijn ondergebracht in het opvangcentrum van Zaventem, dat door de Dienst Vreemdelingenzaken wordt beheerd. Aangezien de andere verzoekende partijen in die zaken geen opvangplaats in een centrum hebben, is er geen reden om zich af te vragen of die twee families hun belang om in rechte te treden behouden ondanks het feit dat zij in het centrum van Zaventem zijn ondergebracht. Tijdens de terechtzitting heeft de Ministerraad gepreciseerd dat de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8556 en 8557, enerzijds, en de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8558 en 8555, anderzijds, werden verzocht zich op 27 november 2025 te melden bij de dispatching van het Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers (hierna : Fedasil). De advocaten van die verzoekende partijen merken voor die eersten op dat zij weigeren zich naar het centrum van Zaventem te begeven dat door de Dienst Vreemdelingenzaken wordt beheerd, en voor die tweeden dat zij betwisten die uitnodiging te hebben ontvangen. Aangezien de door die partijen ingediende verzoekschriften op alle vlakken vergelijkbaar zijn met de door de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8548, 8549, 8550, 8551, 8552, 8553 ingediende verzoekschriften, is het ondanks die verschillen met betrekking tot een uitnodiging om zich bij Fedasil te melden, niet nodig om te bepalen of de verzoekende partijen hun belang om in rechte te treden behouden. B.4.3. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van die beroepen in zoverre zij artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 en artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007 beogen, aangezien de eerste van die bepalingen zich ertoe zou beperken de definitie te bevestigen van het begrip « volgend verzoek », die reeds ervoor zou hebben bestaan, en de tweede enkel een mogelijke beperking of weigering van materiële hulp zou preciseren waartoe reeds kon worden besloten 21 met toepassing van artikel 4, § 1, 3°, van de wet van 12 januari 2007. De vernietiging van die twee bepalingen zou de verzoekende partijen dus geen enkel voordeel opleveren. B.4.4. De vraag of de kwalificatie als « volgend verzoek », bij artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 15 december 1980, van een verzoek om internationale bescherming ingediend in België door een persoon die door een andere lidstaat van de Europese Unie toegekende bescherming geniet in overeenstemming is met de Europese richtlijnen en met de interpretatie van dat begrip door het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn rechtspraak, maakt precies het voorwerp uit van het enige middel dat alle verzoekende partijen in de zaken nrs. 8548, 8549, 8551, 8553, 8556 en 8558 aanvoeren. De door de Ministerraad aangevoerde exceptie van onontvankelijkheid met betrekking tot de bestreden bepaling in al die zaken, in zoverre zij is gebaseerd op de omstandigheid dat een vernietiging van die bepaling de verzoekende partijen geen enkel voordeel zou opleveren, valt daarom samen met het onderzoek ten gronde. Het is juist dat artikel 4, § 1, 3°, van de wet van 12 januari 2007, dat niet door de bestreden bepalingen werd gewijzigd, Fedasil toelaat het recht op materiële hulp te beperken of in te trekken « indien een asielzoeker een volgend verzoek heeft gedaan, tot aan de beslissing waarbij tot de ontvankelijkheid wordt besloten met toepassing van artikel 57/6/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ». De toepassing van die bepaling op de verzoekers om internationale bescherming die bescherming in een andere lidstaat genieten is dus afhankelijk van de kwalificatie van hun verzoek als « volgend verzoek », zodat die exceptie ook verband houdt met het onderzoek ten gronde. Bovendien, terwijl die bepaling in de mogelijkheid voorziet om het recht op materiële hulp enkel te beperken of in te trekken tijdens het onderzoek van de ontvankelijkheid van het verzoek om bescherming, voorziet de bestreden bepaling in die mogelijkheid tijdens de gehele procedure, ook tijdens het onderzoek ten gronde van het verzoek. Daaruit volgt dat het bij de bestreden bepaling in artikel 4, § 1, van de wet van 12 januari 2007 ingevoegde 5° een ruimer toepassingsgebied heeft dan het 3° van diezelfde bepaling. De verzoekende partijen hebben dus belang bij de vernietiging van artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007, in zoverre het artikel 4, § 1, 5°, in die wet invoegt. 22 B.4.5. De exceptie van onontvankelijkheid met betrekking tot artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 en artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007, in zoverre dat laatste artikel het artikel 4, § 1, 5°, in die wet invoegt, wordt verworpen. B.4.6. Zoals in B.8.3 is vermeld, zetten de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8548 tot 8559 niet uiteen in welk opzicht het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat zij aanvoeren zou worden veroorzaakt door de toepassing van artikel 4, § 1, 6°, van de wet van 12 januari 2007, zoals ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007. Het Hof onderzoekt de vordering tot schorsing bijgevolg niet in zoverre zij betrekking heeft op die bepaling. Bijgevolg dient in dit stadium geen uitspraak te worden gedaan over het belang van de verzoekende partijen bij het vorderen van de vernietiging ervan. Wat betreft de ontvankelijkheid van de beroepen in zoverre zij zijn gericht tegen de artikelen 4 en 5 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007 B.4.7. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8561 tot 8568 hebben in België een eerste verzoek om internationale bescherming ingediend en die verzoeken worden door de bevoegde autoriteiten onderzocht. Uit de toelichting van de verzoekende partijen en van de Ministerraad tijdens de terechtzitting blijkt, enerzijds, dat de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8562, 8566 en 8567 geen toegang hebben tot de door Fedasil verstrekte opvang, wegens de verzadiging van het opvangnetwerk en, anderzijds, dat de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8563 en 8564 op privéadressen verblijven met familieleden die tot verblijf in België gemachtigd zijn. Doordat de artikelen 11, § 3, vierde lid, en 13, van de wet van 12 januari 2007 werden opgeheven door de artikelen 4 en 5 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van diezelfde wet, hebben al die personen, aangezien zij niet in een opvangcentrum van Fedasil verblijven, geen toegang tot enige andere vorm van hulp dan de medische begeleiding. Ten slotte blijkt uit de gegeven toelichting ook dat de verzoekende partijen in de zaak nr. 8568 worden opgevangen in een opvangcentrum van Fedasil maar dat zij het gepaste karakter van die vorm van huisvesting betwisten, gelet op hun respectieve gezondheidstoestand. Doordat artikel 13 van de wet van 12 januari 2007 werd opgeheven bij artikel 5 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van diezelfde wet, kunnen zij geen opheffing verkrijgen van de toewijzing van de verplichte plaats van inschrijving om financiële hulp te vragen die meer aan 23 hun situatie is aangepast. De situatie van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8562, 8563, 8564, 8566, 8567 en 8568 wordt dus rechtstreeks en ongunstig geraakt door de artikelen 4 en 5 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007. B.4.8. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8561 en 8565 worden sinds respectievelijk 4 november en 30 oktober 2025 opgevangen in opvangcentra van Fedasil. Zoals in B.9.3 is vermeld, is het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat zij in hun verzoekschriften tot vernietiging aanvoerden sinds die data dus verdwenen. Bijgevolg onderzoekt het Hof de door die partijen ingestelde vorderingen tot schorsing niet en onderzoekt het in dit stadium evenmin of die laatsten hun belang bij het beroep tot vernietiging behouden. B.4.9. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8550, 8552, 8555 en 8557 vorderen ook de vernietiging en de schorsing van de artikelen 4 en 5 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007. De middelen die zij in verband met die twee bepalingen ontwikkelen zijn vergelijkbaar met de middelen die de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8562 tot 8568 afleiden. Het belang van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8550, 8552, 8555 en 8557 bij het vorderen van de vernietiging van die bepalingen, dient dus niet te worden onderzocht. B.4.10. Onder voorbehoud van hetgeen in B.4.6 en B.4.8 is vermeld, blijkt uit het beperkte onderzoek van de ontvankelijkheid van de beroepen tot vernietiging waartoe het Hof in het kader van de vorderingen tot schorsing is kunnen overgaan, niet dat de beroepen tot vernietiging – en dus de vorderingen tot schorsing – onontvankelijk moeten worden geacht. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de tussenkomsten B.5. De eerste tussenkomende partijen vermelden een situatie die vergelijkbaar is met die van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8548 tot 8559. De tweede tussenkomende partij vermeldt een situatie die vergelijkbaar is met die van de verzoekende partijen in de zaak nr. 8568. Om dezelfde redenen als die welke in B.4.2 tot B.4.5 en in B.4.7 zijn uiteengezet, doet het beperkte onderzoek van de ontvankelijkheid van de tussenkomsten dat het Hof in het kader van de vorderingen tot schorsing heeft kunnen uitvoeren niet blijken dat die tussenkomsten als onontvankelijk dienen te worden beschouwd. 24 Ten aanzien van de voorwaarden van de schorsing B.6.1. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 dient aan twee voorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing. B.6.2. Het ernstig middel mag niet worden verward met het gegrond middel. Wil een middel als ernstig worden beschouwd in de zin van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, volstaat het niet dat het kennelijk niet ongegrond is in de zin van artikel 72, maar moet het ook gegrond lijken na een eerste onderzoek van de gegevens waarover het Hof beschikt in dit stadium van de procedure. B.6.3. Wat het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, moet een schorsing van een wetsbepaling door het Hof kunnen voorkomen dat voor de verzoekende partij door de onmiddellijke toepassing van de bestreden norm een ernstig nadeel zou ontstaan dat bij een eventuele vernietiging van die norm niet of nog moeilijk zou kunnen worden hersteld. B.6.4. Uit artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 blijkt dat, om te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 20, 1°, van die wet, de persoon die een vordering tot schorsing instelt, in zijn verzoekschrift concrete en precieze feiten moet uiteenzetten waaruit voldoende blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de bepaling waarvan hij de vernietiging vordert, hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Die persoon moet met name het bestaan van het risico van een nadeel, de ernst en de moeilijk te herstellen aard ervan en het verband tussen dat risico en de toepassing van de bestreden bepaling aantonen. 25 Ten aanzien van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel B.7.1. Luidens overweging 11 van de richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 « tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking) » (hierna : de richtlijn 2013/33/EU), « moeten [er] normen worden vastgesteld voor de opvang van verzoekers die voldoende zijn om een menswaardige levensstandaard en vergelijkbare levensomstandigheden in alle lidstaten te waarborgen ». B.7.2. Artikel 3 van de wet van 12 januari 2007 bepaalt : « Elke asielzoeker heeft recht op een opvang die hem in staat moet stellen om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Onder opvang wordt de materiële hulp verstaan die op grond van deze wet toegekend wordt of de maatschappelijke dienstverlening die wordt verstrekt door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn overeenkomstig de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn ». Artikel 2, 6°, van dezelfde wet, definieert de materiële hulp als : « de hulp die verleend wordt door het Agentschap of de partner binnen een opvangstructuur en die met name bestaat uit huisvesting, voedsel, kleding, medische, maatschappelijke en psychologische begeleiding en de toekenning van een dagvergoeding. Zij omvat eveneens de toegang tot juridische bijstand, de toegang tot diensten als tolkdiensten of opleidingen, evenals de toegang tot een programma voor vrijwillige terugkeer ». B.7.3. Krachtens artikel 18, 3°, van het koninklijk besluit van 2 september 2018 « houdende de uitvoering van de wet van 9 mei 2018 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden », is het de verzoekers om internationale bescherming slechts toegelaten te werken vanaf de vijfde maand die volgt op de indiening van hun verzoek. B.7.4. De opvang die door de overheid wordt georganiseerd en verstrekt, is voor de meeste verzoekers om internationale bescherming dus de enige mogelijkheid om tijdens het onderzoek van hun verzoek door de bevoegde overheden een menswaardig leven te leiden. In tegenstelling 26 tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, kan het bestaan van vormen van hulp aangeboden door openbare en private voorzieningen die strijden tegen dakloosheid en de mogelijkheid om zich tot verenigingen te richten die op vrijwillige basis hulp verlenen, niet het risico compenseren geen menswaardig leven te kunnen leiden ingeval de door de overheid georganiseerde opvang bedoeld voor verzoekers om internationale bescherming ontbreekt. Het volume van de beschikbare hulp voor andere kwetsbare doelgroepen is immers niet erop voorzien om de verzoekers om internationale bescherming die geen door Fedasil georganiseerde opvang krijgen, op te vangen en de vormen die die hulp aanneemt zijn niet aan de noden van die laatsten aangepast. De door vrijwilligersverenigingen geboden hulp is bovendien precair en er kan niet van worden uitgegaan dat die alle noden van de verzoekers om internationale bescherming dekt. B.7.5. Daaruit volgt dat het ontzeggen van het recht op opvang de verzoekers om internationale bescherming in een situatie plaatst waarin zij geen menswaardig leven kunnen leiden, hetgeen voor hen een zeer ernstig nadeel is. Een dergelijk nadeel kan niet a posteriori door een eventuele vernietiging van de bestreden bepalingen worden hersteld. Het ontzeggen gedurende meerdere weken, of zelfs meerdere maanden, van de nodige voorwaarden om een menswaardig leven te leiden, stelt de betrokken personen en families op tal van vlakken bloot aan bestaansonzekerheid. Die bestaansonzekerheid kan vanzelfsprekend aanzienlijke fysieke en psychologische schade veroorzaken, die gedurende lange tijd kan aanslepen, of zelfs onomkeerbaar kan zijn. Dat geldt des te meer daar de betrokken personen tot kwetsbare bevolkingscategorieën behoren, waarvan sommigen bovendien meerdere oorzaken van kwetsbaarheid cumuleren. Het Hof dient nog te onderzoeken of het moeilijk te herstellen ernstig nadeel uit de toepassing van de bestreden bepalingen voortvloeit. Wat betreft het door de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8548 tot 8559 aangevoerde nadeel B.8.1. Wat betreft de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8548 tot 8559, vloeit dat moeilijk te herstellen ernstig nadeel voort uit de onmiddellijke toepassing van artikel 50, § 5, van de wet van 15 december 1980, zoals ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot 27 wijziging van die wet, en van artikel 4, § 1, 5°, van de wet van 12 januari 2007, zoals ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van die wet. Uit de beslissingen van Fedasil die door de verzoekende partijen en door de Ministerraad worden aangevoerd blijkt immers afdoende dat de beperking, de intrekking of de weigering van materiële hulp ten aanzien van de verzoekers om internationale bescherming die in een andere lidstaat toegekende bescherming genieten, zijn gemotiveerd op basis van de artikelen 50, § 5, van de wet van 15 december 1980 en van artikel 4, § 1, 5°, van de wet van 12 januari 2007. Voor het overige dient te worden opgemerkt dat de Raad van State bij zijn arrest nr. 261.887 van 27 december 2024 (ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.887) de schorsing heeft bevolen van de uitvoering van een beslissing van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie om de materiële hulp te beperken voor de verzoekers om internationale bescherming die reeds in een andere lidstaat van de Europese Unie bescherming genieten, omdat een dergelijke handeling een regelgevende draagwijdte heeft en dus voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State had moeten worden voorgelegd. De aanneming van de bestreden wetsbepalingen is dus met name gemotiveerd door de noodzaak een wettelijke basis te leveren voor de beslissingen tot beperking van de materiële hulp die worden genomen ten aanzien van verzoekers om internationale bescherming, zodat het nadeel dat die verzoekers aan wie opvang werd ontzegd hebben geleden, wel degelijk uit de toepassing van die bestreden bepalingen voortvloeit. Aangezien de eerste twee verzoekende gezinnen in de zaken nrs. 8549 en 8559 momenteel zijn ondergebracht in een centrum dat door de Dienst Vreemdelingenzaken te Zaventem wordt beheerd, ondervinden die gezinnen niet langer het aan de ontstentenis van opvang verbonden nadeel. Aangezien de situatie van de andere verzoekende partijen in dezelfde zaken niet is veranderd en die andere partijen nogmaals alle materiële hulp wordt ontzegd, ondervinden zij wel nogmaals het hierboven beschreven nadeel. B.8.2. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, kan bovendien niet worden geoordeeld dat de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8548 tot 8559 zelf hun nadeel zouden hebben veroorzaakt omdat zij Griekenland, waar zij internationale bescherming genoten, niet hadden mogen verlaten in plaats van naar België te komen. Die partijen geven aan Griekenland te zijn ontvlucht omdat de levensomstandigheden in dat land hen beletten een menswaardig leven te leiden. Het staat niet aan het Hof zich uit te spreken over de manier waarop een ander land van de Europese Unie zijn verplichtingen inzake internationale bescherming toepast. Het staat aan het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, onder toezicht 28 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en de Raad van State, om zich uit te spreken over de nood van de betrokken verzoekers om in België internationale bescherming te krijgen. B.8.3. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8548 tot 8559 tonen daarentegen niet aan in welk opzicht de onmiddellijke toepassing van artikel 4, § 1, 6°, van de wet van 12 januari 2007, zoals ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007, aan de oorsprong ligt van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat zij ondervinden. Bijgevolg onderzoekt het Hof de vorderingen tot schorsing niet in zoverre zij betrekking hebben op die bepaling (tweede middel van de verzoekschriften ingediend in de zaken nrs. 8550, 8552, 8555 en 8557). Wat betreft het door de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8561 tot 8568 aangevoerde nadeel B.9.1. Wat betreft de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8562, 8566 en 8567, vloeit het moeilijk te herstellen ernstig nadeel voort uit de onmiddellijke toepassing van artikel 4 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007. Door artikel 11, § 3, vierde lid, van de wet van 12 januari 2007 op te heffen, ontnemen die bepalingen Fedasil immers de mogelijkheid die het Agentschap had om geen verplichte plaats van inschrijving toe te wijzen aan een persoon die een verzoek om internationale bescherming indient. Het niet toewijzen van een verplichte plaats van inschrijving liet de betrokken personen toe zich tot een OCMW te richten om, onder bepaalde voorwaarden, hulp in een andere vorm te krijgen. Aangezien die mogelijkheid werd opgeheven en er dus geen alternatief meer is voor de materiële hulp die in het netwerk van Fedasil of van zijn partners wordt geboden, worden de verzoekers om internationale bescherming die, om een reden die verband houdt met de verzadiging van het opvangnetwerk en de onbeschikbaarheid van een voldoende aantal plaatsen, geen materiële hulp genieten via de opvang in dat netwerk, de middelen ontzegd die hun toelaten een menswaardig leven te leiden. B.9.2. Wat betreft de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8563 en 8564, vloeit het moeilijk te herstellen ernstig nadeel voort uit de onmiddellijke toepassing van artikel 4 of artikel 5 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007. Vóór de inwerkingtreding van die bepalingen hadden die partijen, die ervoor hebben gekozen bij hun 29 tot verblijf in België gemachtigde echtgenoten te verblijven, aan Fedasil kunnen vragen om hun geen verplichte plaats van inschrijving toe te wijzen of de toegewezen verplichte plaats van inschrijving in de loop van de procedure op te heffen. Het niet toewijzen of de opheffing ervan had hun toegelaten zich tot het OCMW van hun woonplaats te richten om de opvang waarop zij recht hebben in financiële vorm te krijgen. De inwerkingtreding van de bestreden bepalingen maakt een einde aan die mogelijkheid, zodat zij, om bij hun echtgenoot te blijven wonen, verplicht zijn af te zien van alle hulp behalve de medische begeleiding. B.9.3. Tijdens de terechtzitting hebben de advocaten van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8561 en 8565 laten weten dat die verzoekers om internationale bescherming sinds respectievelijk 4 november en 30 oktober 2025 in opvangcentra van Fedasil worden opgevangen. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat die partijen in hun verzoekschrift tot vernietiging aanvoerden, is sinds die data dus verdwenen. B.9.4. De twee verzoekende partijen in de zaak nr. 8568 zetten ten slotte uiteen dat de opvang in een centrum van Fedasil, die zij momenteel genieten, niet aangepast is aan hun respectieve gezondheidstoestand. Eén van hen lijdt aan kanker in een gevorderd stadium waarvoor specifieke medische verzorging vereist is en de andere heeft een handicap die in aanmerking had moeten worden genomen bij de toekenning van een aangepaste verblijfplaats. Door artikel 13 van de wet van 12 januari 2007 op te heffen, ontneemt artikel 5 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van die laatste wet Fedasil echter de mogelijkheid om de plaats van verplichte inschrijving die aan die personen was toegewezen, op te heffen en voor hen in opvang te voorzien in de vorm van een financiële tegemoetkoming, die pertinenter zou kunnen zijn. De moeilijkheden die zij zeggen te ondervinden in hun huidige verblijfplaats en de gevolgen daarvan voor hun respectieve gezondheidstoestand, die een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaken, vloeien dus voort uit de toepassing van de bestreden bepaling. B.10. Onder voorbehoud van hetgeen in B.9.3 is vermeld, is voldaan aan de tweede voorwaarde van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 wat betreft artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 15 december 1980, artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007, maar enkel in zoverre het een 5° invoegt in artikel 4, § 1, van die laatstgenoemde wet en de artikelen 4 en 5 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007. 30 Het Hof onderzoekt bijgevolg het ernstige karakter van de middelen in zoverre zij tegen die bepalingen zijn gericht. Ten aanzien van de ernstige middelen Wat betreft artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 en artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007, in zoverre die laatste bepaling artikel 4, § 1, van die laatste wet met een 5° aanvult B.11.1. Het enige middel in de zaken nrs. 8548, 8549, 8551, 8553, 8556 en 8558 is afgeleid uit de schending, door artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 15 december 1980, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 33 van de richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 « betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking) » (hierna : de richtlijn 2013/32/EU). De verzoekende partijen klagen aan dat die bepaling elk in België ingediend verzoek om internationale bescherming beschouwt als een volgend verzoek wanneer ten aanzien van een in een andere lidstaat van de Europese Unie ingediend vorig verzoek een definitieve beslissing is genomen in die andere lidstaat, waardoor de verzoeken die worden ingediend door personen die bescherming genieten in een andere lidstaat aldus in de categorie van de volgende verzoeken worden opgenomen. Zij verwijten de wetgever dat hij de personen van wie het eerdere verzoek dat in een andere lidstaat was ingediend en tot een positieve beslissing heeft geleid, en diegenen van wie het eerdere verzoek tot een negatieve beslissing heeft geleid, op dezelfde wijze behandelt, terwijl enkel de verzoeken om internationale bescherming die na een eerdere beslissing tot afwijzing zijn ingediend, als volgende verzoeken zouden kunnen worden aangemerkt ten aanzien van het Unierecht. B.11.2. Het eerste middel in de zaken nrs. 8550, 8552, 8555 en 8557, alsook het enige middel in de zaken nrs. 8554 en 8559 zijn afgeleid uit de schending, door artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 33 van de richtlijn 2013/32/EU en met 31 artikel 20 van de richtlijn 2013/33/EU, in zoverre dat dat artikel 2 artikel 4, § 1, van die laatste wet met een 5° aanvult. De verzoekende partijen klagen aan dat die bepaling het mogelijk maakt om het recht op materiële hulp, met uitzondering van de medische begeleiding, te beperken of te weigeren aan de personen die een verzoek om internationale bescherming indienen in België terwijl zij reeds bescherming in een andere lidstaat genieten. Zij zijn van mening dat de wetgever aldus artikel 20 van de richtlijn 2013/33/EU schendt, dat een limitatieve opsomming bevat van de personen aan wie het recht op materiële hulp kan worden geweigerd. B.11.3. De bepalingen die in het kader van die middelen worden bestreden, vullen elkaar aan en moeten in het licht van het begrip « volgend verzoek » in het Europees recht worden begrepen. Daar die middelen samenhangen, onderzoekt het Hof ze samen. B.12.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.12.2. Artikel 33 van de richtlijn 2013/32/EU bepaalt : « 1. Naast de gevallen waarin een verzoek niet in behandeling wordt genomen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 604/2013, zijn de lidstaten niet verplicht te onderzoeken 32 of de verzoeker in aanmerking komt voor internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU, indien een verzoek krachtens dit artikel niet-ontvankelijk wordt geacht. 2. De lidstaten kunnen een verzoek om internationale bescherming alleen als niet-ontvankelijk beschouwen wanneer :
  3. a)een andere lidstaat internationale bescherming heeft toegekend;
  4. b)een land dat geen lidstaat is, ingevolge artikel 35 voor de verzoeker als eerste land van asiel wordt beschouwd;
  5. c)een land dat geen lidstaat is, uit hoofde van artikel 38 voor de verzoeker als veilig derde land wordt beschouwd;
  6. d)het verzoek een volgend verzoek is en er geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen of door de verzoeker werden voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU; of
  7. e)een persoon die ten laste van de verzoeker komt, een verzoek indient nadat hij er overeenkomstig artikel 7, lid 2, mee heeft ingestemd dat zijn geval deel uitmaakt van een namens hem ingediend verzoek en geen met de situatie van de ten laste komende persoon verband houdende feiten een apart verzoek rechtvaardigen ». B.12.3. Artikel 20 van de richtlijn 2013/33/EU bepaalt : « 1. De lidstaten kunnen de materiële opvangvoorzieningen beperken of, in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen, intrekken indien een verzoeker :
  8. a)de door de bevoegde instanties vastgestelde verblijfplaats verlaat zonder deze instanties op de hoogte te stellen of, indien toestemming vereist is, zonder toestemming; of
  9. b)gedurende een in het nationale recht vastgestelde redelijke termijn niet voldoet aan de meldingsplicht of aan verzoeken om informatie te verstrekken of te verschijnen voor een persoonlijk onderhoud betreffende de asielprocedure; dan wel
  10. c)een volgend verzoek als omschreven in artikel 2, onder q), van Richtlijn 2013/32/EU heeft ingediend. In de onder
  11. a)en
  12. b)bedoelde gevallen, wanneer de verzoeker wordt opgespoord of zich vrijwillig bij de betrokken instantie meldt, wordt een met redenen omklede, op de redenen voor de verdwijning gebaseerde beslissing genomen inzake het opnieuw verstrekken van sommige of alle beperkte of ingetrokken materiële opvangvoorzieningen. […] ». 33 B.12.4. In artikel 2, q), van de richtlijn 2013/32/EU wordt het « volgend verzoek » omschreven als : « een later verzoek om internationale bescherming dat wordt gedaan nadat een definitieve beslissing over een vorig verzoek is genomen, met inbegrip van de gevallen waarin de verzoeker zijn verzoek expliciet heeft ingetrokken en de gevallen waarin de beslissingsautoriteit een verzoek heeft afgewezen na de impliciete intrekking ervan overeenkomstig artikel 28, lid 1 ». In artikel 2, e), van dezelfde richtlijn wordt de « definitieve beslissing » omschreven als : « een beslissing of de onderdaan van een derde land of de staatloze de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus wordt verleend overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU, waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat in het kader van hoofdstuk V, ongeacht of dit rechtsmiddel tot gevolg heeft dat de verzoekers in de lidstaten mogen blijven in afwachting van het resultaat ». B.13.1. Artikel 20 van de richtlijn 2013/33/EU beoogt het geval waarin de aanvraag om internationale bescherming als volgend verzoek wordt aangemerkt als een van de limitatief opgesomde gevallen waarin de lidstaten het recht op materiële hulp kunnen beperken of intrekken. In artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 wordt elk verzoek om internationale bescherming dat wordt ingediend door een persoon die een eerste verzoek om bescherming in een andere lidstaat heeft ingediend, met inbegrip van een verzoek dat is ingediend door een persoon die internationale bescherming in een andere lidstaat geniet, beschouwd als een volgend verzoek. Krachtens artikel 20 van de richtlijn 2013/33/EU maakt die kwalificatie het dus mogelijk om in artikel 4, § 1, 5°, van de wet van 12 januari 2007, ingevoerd bij artikel 2 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007, te bepalen dat Fedasil het recht op materiële hulp, behoudens de medische begeleiding, kan beperken of intrekken wanneer de verzoeker reeds internationale bescherming in een andere lidstaat van de Europese Unie geniet. B.13.2. Wat de mogelijkheid voor Fedasil betreft om het recht op materiële hulp te beperken of te weigeren, behandelen de bestreden bepalingen dus op gelijke wijze alle personen die een verzoek om internationale bescherming in België indienen nadat zij een eerste verzoek 34 om bescherming in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben ingediend, ongeacht of dat eerste verzoek

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.