id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.024 Arrest- Rolnummer: 24/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-03-09 Raadplegingen: 380 - laatst gezien 2026-06-18 06:29 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche 1. Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie 2. Schorsing : - artikel 1/1 van de voormelde wet van 15 december 1980, zoals gewijzigd bij artikel 3 van de voormelde wet van 18 juli 2025, in zoverre de familieleden van de begunstigde van de subsidiaire beschermingsstatus die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden, niet worden vrijgesteld van de retributie voor hun verblijfsaanvraag; - artikel 10bis, § 2/1, van de voormelde wet van 15 december 1980, zoals gewijzigd bij artikel 6 van de voormelde wet van 18 juli 2025, in zoverre het verblijfsrecht van de familieleden van de begunstigde van de subsidiaire beschermingsstatus die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden, wordt onderworpen aan een wachttermijn van twee jaar vanaf het ogenblik dat de vreemdeling die wordt vervoegd, toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in België, alsook aan voorwaarden inzake bestaansmiddelen, huisvesting en een ziektekostenverzekering; - artikelen 11, § 1, tweede lid, en 12bis, § 5, van de voormelde wet van 15 december 1980, zoals gewijzigd bij de artikelen 8 en 9 van de voormelde wet van 18 juli 2025, in zoverre de daarin bepaalde bewijsregels voor het aantonen van de bloed- en aanverwantschapsbanden niet gelden voor de familieleden van de begunstigde van de subsidiaire beschermingsstatus die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden 3. Beveelt dat de voormelde schorsingen verder uitwerking hebben tot de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het arrest waarbij uitspraak wordt gedaan over de beroepen tot vernietiging die zijn ingeschreven op de rol onder de nummers 8579 en 8580 4. Verwerping van de vorderingen tot schorsing voor het overige Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de vorderingen tot schorsing van de artikelen 3, 5, 6, 8 en 9 van de wet van 18 juli 2025 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat de voorwaarden voor gezinshereniging betreft », ingesteld door Muneer Sablal en Haifa Atya en door Akram Hasan en Abdullah Ahmed. Vreemdelingenrecht - Begunstigde van de subsidiaire beschermingsstatus - Familieleden die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden - Gezinshereniging - Voorwaarden Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 24/2026 van 26 februari 2026 Rolnummers : 8579 en 8580 In zake : de vorderingen tot schorsing van de artikelen 3, 5, 6, 8 en 9 van de wet van 18 juli 2025 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat de voorwaarden voor gezinshereniging betreft », ingesteld door Muneer Sablal en Haifa Atya en door Akram Hasan en Abdullah Ahmed. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de vorderingen en rechtspleging Bij twee verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 7 november 2025 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 12 november 2025, zijn vorderingen tot schorsing van de artikelen 3, 5, 6, 8 en 9 van de wet van 18 juli 2025 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat de voorwaarden voor gezinshereniging betreft » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 augustus 2025) ingesteld respectievelijk door Muneer Sablal en Haifa Atya, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Annelies Nachtergaele, advocate bij de balie te Brussel, en door Akram Hasan en Abdullah Ahmed, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Tom Danhieux, advocaat bij de balie te Brussel. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8579 en 8580 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Bij dezelfde verzoekschriften vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van dezelfde wetsbepalingen. 2 Bij beschikking van 26 november 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Yasmine Kherbache en Michel Pâques te hebben gehoord, de terechtzitting voor de debatten over de vordering tot schorsing bepaald op 17 december 2025, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op 15 december 2025 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partijen over te zenden, alsook, via mail, op het mailadres griffie@const-court.be. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Tine Bricout, advocate bij de balie te Gent, heeft schriftelijke opmerkingen ingediend. Op de openbare terechtzitting van 17 december 2025 : - zijn verschenen : . mr. Annelies Nachtergaele, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 8579; . mr. Tom Danhieux, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 8580; . mr. Tine Bricout en mr. Lukas Asselman, advocaat bij de balie te Gent, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers Yasmine Kherbache en Michel Pâques verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.1. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8579 en 8580 vorderen de schorsing van de artikelen 3, 5, 6, 8 en 9 van de wet van 18 juli 2025 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat de voorwaarden voor gezinshereniging betreft » (hierna, respectievelijk : de wet van 18 juli 2025 en de Vreemdelingenwet). Ten aanzien van de middelen Wat betreft het eerste middel A.2. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8579 en 8580 voeren in het eerste middel een schending aan, door de artikelen 3, 5, 6, 8 en 9 van de wet van 18 juli 2025, van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 3 A.3.1. In het eerste onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met het recht op eerbiediging van het gezinsleven en het beginsel van het hoger belang van het kind, schenden, in zoverre zij de begunstigden van de subsidiaire beschermingsstatus en hun familieleden die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden niet op gelijke wijze behandelen als erkende vluchtelingen en hun familieleden die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden. De bestreden bepalingen voeren immers enkel voor subsidiair beschermden en hun familieleden een wachttermijn van twee jaar in en schrappen enkel voor hen de vrijstelling van de materiële voorwaarden en van de retributie, alsook de soepelere bewijsregels inzake de familieband. A.3.2. De verzoekende partijen benadrukken dat erkende vluchtelingen en begunstigden van de subsidiaire beschermingsstatus zich, wat betreft het recht op gezinshereniging, in vergelijkbare situaties bevinden. Beide categorieën zijn immers geconfronteerd met een gedwongen vlucht en een gedwongen scheiding, en voor beide categorieën bestaan er onoverkomelijke hindernissen om het recht op gezinsleven verder te zetten in het land van herkomst. De ervaring leert bovendien dat subsidiair beschermden niet sneller naar hun land van herkomst kunnen terugkeren gezien het aanhoudende conflict of de instabiliteit aldaar, en dat zij evenzeer nood hebben aan hereniging met hun gezin. De richtsnoeren van de Europese Commissie voor de toepassing van de richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 « inzake het recht op gezinshereniging » (hierna : de richtsnoeren van de Europese Commissie, respectievelijk de richtlijn 2003/86/EG) moedigen de lidstaten dan ook aan om beide groepen vergelijkbare rechten toe te kennen, aangezien hun humanitaire beschermingsbehoeften dezelfde zijn. De Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa benadrukt bovendien dat het verschil tussen vluchtelingen en subsidiair beschermden in de praktijk vaak het gevolg is van institutionele en politieke factoren, en niet van wezenlijke verschillen in beschermingsnood. Om die reden beveelt de Europese Commissaris aan dat Staten aan subsidiair beschermden met betrekking tot gezinshereniging dezelfde rechten verlenen als aan vluchtelingen. Ook het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen stelt in zijn opmerkingen bij het wetsontwerp dat tot de bestreden bepalingen heeft geleid dat het onderscheid tussen vluchtelingen en subsidiair beschermden niet objectief gerechtvaardigd is in het licht van hun behoefte aan bescherming en de redenen waarom die bescherming wordt verleend. A.3.3. De verzoekende partijen zijn van oordeel dat de door de wetgever aangevoerde motieven niet volstaan om het verschil in behandeling te rechtvaardigen. Aldus kan het verschil in behandeling niet worden gerechtvaardigd door het Unierecht. Noch de richtlijn 2003/86/EG, noch de richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 « inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking) » (hierna : de richtlijn 2011/95/EU) verplichten de lidstaten tot een dergelijk onderscheid. Evenmin kan het ontbreken van Unierechtelijke bepalingen inzake gezinshereniging voor subsidiair beschermden dat onderscheid rechtvaardigen. De uitsluiting van familieleden van subsidiair beschermden van het toepassingsgebied van de richtlijn 2003/86/EG is immers niet ingegeven door de wil van de Europese wetgever om subsidiair beschermden anders te behandelen dan erkende vluchtelingen, maar louter door de vaststelling dat op het ogenblik van het aannemen van die richtlijn nog geen geharmoniseerd Europees statuut voor subsidiaire bescherming bestond. Bovendien wordt in overweging 39 van de richtlijn 2011/95/EU vermeld dat het doel erin bestaat vluchtelingen en subsidiair beschermden gelijk te behandelen wat betreft de hun toegekende rechten en voordelen, behalve in noodzakelijke en objectief gerechtvaardigde gevallen. In de toelichting bij het voorstel van de Commissie tot herschikking van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 « inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming » werd bovendien benadrukt dat de gelijkschakeling van de rechten van vluchtelingen en subsidiair beschermden noodzakelijk was omdat de veronderstelling dat de subsidiaire beschermingsstatus tijdelijk zou zijn, onjuist bleek. De verzoekende partijen verwijzen ter zake ook naar de voormelde richtsnoeren van de Europese Commissie, en naar de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie waarin wordt bevestigd dat subsidiair beschermden dezelfde rechten hebben als die welke vluchtelingen genieten, behalve in noodzakelijke en objectief gerechtvaardigde gevallen. Het feit dat de Europese regelgeving het aan de lidstaten overlaat om de gezinshereniging van nareizende familieleden van subsidiair beschermden te regelen, kan geen vrijgeleide zijn om nationale bepalingen aan te nemen die in strijd zijn met het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie. 4 In zoverre het verschil in behandeling gegrond is op het feit dat de status van subsidiair beschermde tijdelijk is terwijl de status van vluchteling permanent is, verwijzen de verzoekende partijen naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State bij de bestreden bepalingen waarin dat uitgangspunt wordt tegengesproken. Het verschil in behandeling kan evenmin worden gerechtvaardigd door de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Uit die rechtspraak blijkt dat wanneer de nationale wetgever een wachttermijn invoert, hij daarvoor een geldige rechtvaardiging moet aanvoeren en steeds een redelijk evenwicht moet bewaren tussen de belangen van de persoon en die van de overheid, hetgeen te dezen niet het geval is. In zoverre wordt verwezen naar het doel om de integratie en de financiële zelfredzaamheid van subsidiair beschermden te bevorderen, merken de verzoekende partijen op dat dat doel evengoed kan worden aangevoerd om strengere voorwaarden voor gezinshereniging op te leggen aan familieleden van erkende vluchtelingen. Bovendien tonen tal van rapporten aan dat dergelijke restricties contraproductief zijn en vaak een rem vormen op de integratie van de begunstigden van internationale bescherming. De wetgever houdt daarbij bovendien geen rekening ermee dat de procedure voor het verkrijgen van internationale bescherming vaak al lange tijd in beslag heeft genomen en dat gedurende die periode al stappen voor integratie en financiële zelfredzaamheid kunnen zijn gedaan. A.3.4. Tot slot zijn de bestreden bepalingen niet doeltreffend, noch evenredig. De verzoekende partijen herhalen ter zake dat strengere voorwaarden voor gezinshereniging niet bevorderlijk zijn voor de integratie en financiële zelfredzaamheid van de subsidiair beschermde, aangezien een gezinsleven vaak juist een positieve factor vormt die de integratie van de betrokkenen stimuleert. De bestreden bepalingen zijn evenmin een doeltreffende maatregel om secundaire migratiestromen in te perken, daar die vorm van secundaire migratie slechts een zeer klein aantal personen betreft. Aldus had in 2024 slechts 1,4 % van de gezinsherenigingen in België betrekking op subsidiair beschermden. De bestreden bepalingen zullen bijgevolg een zeer beperkte impact hebben op secundaire migratiestromen naar België, terwijl de gevolgen voor de personen die worden getroffen door die beperkingen zeer verregaand zijn. Zij blijven immers gedurende lange tijd gescheiden van hun familieleden, die zich vaak in zeer gevaarlijke omstandigheden bevinden. A.4.1. In het tweede onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met het recht op eerbiediging van het gezinsleven en het beginsel van het hoger belang van het kind, schenden, in zoverre zij de familieleden van begunstigden van de subsidiaire beschermingsstatus die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden (de nareizende familieleden) niet op gelijke wijze behandelen als de familieleden van begunstigden van de subsidiaire beschermingsstatus met wie de gezinsband reeds bestond vóór de aankomst van de referentiepersoon in België en die zich wel op het Belgisch grondgebied bevinden (de meereizende familieleden). De bestreden bepalingen voeren immers enkel voor de nareizende familieleden van subsidiair beschermden een wachttermijn van twee jaar in en schrappen enkel voor hen de vrijstelling van de materiële voorwaarden en van de retributie, alsook van de soepelere bewijsregels inzake de familieband. A.4.2. De verzoekende partijen benadrukken dat beide categorieën van familieleden zich, wat betreft het recht op gezinshereniging, in vergelijkbare situaties bevinden. Het enige verschil tussen die categorieën is dat het in het ene geval mogelijk en gunstig was voor het familielid om met de subsidiair beschermde naar België te vluchten en in het andere geval niet. De redenen waarom een familielid niet mee kan vluchten, houden evenwel geen verband met de nood aan bescherming van het familielid. Wat de rechtvaardiging van het verschil in behandeling betreft, merken de verzoekende partijen vooreerst op dat de wetgever niet uitdrukkelijk rechtvaardigt waarom dat onderscheid wordt gemaakt. Voorts verwijzen de verzoekende partijen naar hetgeen wordt uiteengezet in het eerste onderdeel van het eerste middel (A.3.3 en A.3.4). Zij voegen daaraan toe dat het feit dat de lidstaten op grond van de artikelen 23 en 24 van de richtlijn 2011/95/EU enkel verplicht zijn om aan meereizende familieleden van subsidiair beschermden een verblijfstitel af te geven, op zichzelf niet kan rechtvaardigen dat andere familieleden niet gelijk behandeld worden en geen gelijkwaardig recht op gezinshereniging hebben. A.5.1. In het derde onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat de artikelen 5 en 6 van de wet van 18 juli 2025 het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met het recht op eerbiediging van het gezinsleven en het beginsel van het hoger belang van het kind, schenden, in zoverre zij de nareizende familieleden van begunstigden van de subsidiaire beschermingsstatus niet op gelijke wijze behandelen als de familieleden van andere derdelanders met een beperkt verblijfsrecht (met uitzondering van de 5 derdelanders die gemachtigd zijn tot verblijf op grond van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet). Het bestreden artikel 6 van de wet van 18 juli 2025 voert immers enkel voor de familieleden van subsidiair beschermden en van vreemdelingen die gemachtigd werden tot een verblijf op grond van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet een wachttermijn van twee jaar in. A.5.2. De verzoekende partijen benadrukken dat beide categorieën van familieleden zich, wat betreft het recht op gezinshereniging, in vergelijkbare situaties bevinden. Het enige verschil tussen die categorieën is dat de referentiepersoon in België in het ene geval de subsidiaire bescherming geniet en in het andere geval om andere redenen, zoals werk of studies, toegelaten of gemachtigd is tot verblijf. A.5.3. Wat de rechtvaardiging van het verschil in behandeling betreft, merken de verzoekende partijen op dat de scheiding tussen de subsidiair beschermde en zijn familieleden het gevolg is van de gedwongen vlucht uit het land van herkomst en dat zij hun familieleven niet elders dan in België kunnen voortzetten, dit in tegenstelling tot andere derdelanders met een beperkt verblijf die zelf ervoor kiezen naar België te komen om bepaalde redenen en die hun gezinsleven wel elders kunnen voortzetten. In het licht van de criteria die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens hanteert om te bepalen of op de lidstaat een positieve verplichting rust om de verderzetting van het gezinsleven op zijn grondgebied toe te laten, zijn er voor de subsidiair beschermden meer elementen die zouden rechtvaardigen dat gezinshereniging wordt toegelaten dan voor de andere derdelanders met een beperkt verblijf die aan geen van die criteria voldoen. Zo stelt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat de lidstaten een positieve verplichting kunnen hebben om gezinshereniging toe te laten als er onoverkomelijke of grote belemmeringen zijn voor het gezin om te gaan wonen in het land van herkomst van de persoon die om gezinshereniging verzoekt. De verzoekende partijen merken daarbij ook op dat subsidiair beschermden, in tegenstelling tot andere derdelanders, niet voor korte periodes naar hun land van herkomst kunnen terugkeren om hun familieleden te zien tijdens de wachttermijn van twee jaar. De verzoekende partijen merken voorts op dat de wetgever niet uitdrukkelijk de reden voor dat onderscheid rechtvaardigt. De wetgever kan zich in ieder geval niet verschuilen achter het tijdelijke karakter van het statuut van subsidiaire bescherming, daar het beperkte verblijf van een derdelander ook tijdelijk is. Evenmin kan de wetgever het onderscheid doen steunen op Uniewetgeving, aangezien de richtlijn 2003/86/EG uitdrukkelijk toelaat dat een wachttermijn van twee jaar wordt ingevoerd voor de gezinshereniging van derdelanders. De wetgever had dus de mogelijkheid om eenzelfde wachttermijn toe te passen op familieleden van andere derdelanders, hetgeen hij bewust doch zonder enige verantwoording niet heeft gedaan. Voor het overige verwijzen de verzoekende partijen naar de argumentatie die zij hebben uiteengezet in het eerste onderdeel van het eerste middel (A.3.3 en A.3.4). A.6.1. Het eerste middel is volgens de Ministerraad niet ernstig, daar de geviseerde categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn. Wat het in het eerste onderdeel bestreden verschil in behandeling tussen, enerzijds, subsidiair beschermden en hun familieleden en, anderzijds, vluchtelingen en hun familieleden betreft, merkt de Ministerraad op dat de subsidiaire beschermingsstatus en de vluchtelingenstatus onderscheiden beschermingsstatuten betreffen. Dat blijkt uit het feit dat de subsidiaire beschermingsstatus niet kan worden toegekend aan een vreemdeling aan wie de vluchtelingenstatus werd toegekend. Voor beide statuten gelden bovendien andere voorwaarden voor erkenning, andere rechten na erkenning en andere beëindigingsgronden. Zo wordt een erkende vluchteling toegelaten tot een verblijf van vijf jaar, en na afloop van die periode tot een verblijf van onbeperkte duur, terwijl de subsidiair beschermden worden toegelaten tot een verblijf van één jaar, dat jaarlijks verlengbaar is. Het feit dat het ook voor subsidiair beschermden mogelijk is om na vijf jaar te worden toegelaten tot een verblijf van onbeperkte duur, doet geen afbreuk aan het tijdelijke karakter van de subsidiaire beschermingsstatus. Voorts zijn de mogelijkheden voor opheffing of intrekking van het vluchtelingenstatuut minder ruim omschreven dan voor het subsidiair beschermingsstatuut. Tot slot hebben beide statuten op het vlak van gezinshereniging een verschillende ontstaansgeschiedenis en plaats binnen de Europese wetgeving, waarbij de Uniewetgever voor vluchtelingen een meer verregaande, geharmonieerde bescherming heeft georganiseerd dan voor statutair beschermden. Zowel het Hof van Justitie als het Europees Hof voor de Rechten van de Mens hebben de verschillen tussen beide statuten reeds bevestigd. In een groot aantal lidstaten worden de begunstigden van subsidiaire bescherming overigens minder gunstig behandeld dan de erkende vluchtelingen, wat betreft het recht op gezinshereniging. 6 Wat het in het tweede onderdeel bestreden verschil in behandeling tussen de meereizende en de nareizende familieleden van de subsidiair beschermden betreft, merkt de Ministerraad op dat de meereizende familieleden zich op het Belgisch grondgebied bevinden terwijl de nareizende familieleden zich buiten België bevinden, hetgeen een wezenlijk verschil uitmaakt dat verregaande implicaties heeft op de mogelijkheden voor die familieleden om een verblijfsrecht in België te verkrijgen. Het feit dat de Europese wetgever doelbewust niet heeft voorzien in een recht op gezinshereniging voor nareizende familieleden van subsidiair beschermden, zou des te meer duiden op wezenlijke verschillen. Wat het in het derde onderdeel bestreden verschil in behandeling tussen de subsidiair beschermden en hun familieleden en andere derdelanders met een beperkt verblijfsrecht en hun familieleden betreft, merkt de Ministerraad op dat de laatstgenoemde categorie niet het statuut van internationale bescherming heeft en dus niet het land van herkomst is ontvlucht. De verzoekende partijen zouden hun situatie bovendien vergelijken met een dermate heterogene groep van vreemdelingen dat hoe dan ook niet kan worden besloten dat die categorieën vergelijkbaar zijn. A.6.2. In ondergeschikte orde stelt de Ministerraad dat het verschil in behandeling redelijk verantwoord is. Vooraf wijst de Ministerraad erop dat uit de bewoordingen van artikel 10bis, § 2/1, van de Vreemdelingenwet volgt dat de familieleden van een begunstigde van de subsidiaire beschermingsstatus steeds een aanvraag voor een machtiging tot verblijf kunnen indienen, niettegenstaande de wachttermijn van twee jaar nog niet verstreken is. De Dienst Vreemdelingenzaken zal evenwel, indien de andere voorwaarden vervuld zijn, pas een positieve beslissing kunnen nemen na het verstrijken van die termijn. Voorts zijn er Europeesrechtelijk geen hindernissen om een dergelijke wachttermijn op te leggen voor familieleden van subsidiair beschermden. Het verschil in behandeling berust volgens de Ministerraad op een objectief criterium, namelijk de verblijfstatus van de persoon die wordt vervoegd dan wel de plaats waar het familielid verblijft ten opzichte van de referentiepersoon. Voorts is het doel van de bestreden maatregelen, zijnde de secundaire migratiestromen beter kunnen kanaliseren en nauwer laten aansluiten bij de Europese wetgevende instrumenten, legitiem. Dat geldt des te meer gelet op de budgettaire uitdagingen en de problemen in het kader van de opvang van vreemdelingen en daklozen. Tot slot zijn de bestreden maatregelen pertinent en evenredig. De Ministerraad stelt ter zake dat het feit dat het voor de nareizende familieleden van de subsidiair beschermden moeilijker wordt gemaakt om via gezinshereniging een verblijfsrecht te verkrijgen, in lijn ligt met de Europese richtlijnen en de rechtspraak van het Hof van Justitie en met gelijkaardige maatregelen die in andere lidstaten worden ingevoerd voor dezelfde categorieën van vreemdelingen. Bovendien blijft het voor nareizende familieleden van subsidiair beschermden steeds mogelijk om via andere wettelijke wegen een verblijfsaanvraag in te dienen, zoals een aanvraag tot het verkrijgen van een humanitair visum of een aanvraag op grond van artikel 9 van de Vreemdelingenwet. Gelet op de aanzienlijke budgettaire uitdagingen die de grote migratiestromen met zich meebrengen, zijn de bestreden maatregelen, die de zelfredzaamheid van de referentiepersonen moeten verzekeren, des te relevanter. Tot slot gaat de bewering van de verzoekende partijen dat vervolgmigratie slechts een « zeer klein migratiekanaal » vormt, uit van een opportuniteitsbeoordeling die geen afbreuk doet aan de legitimiteit en de evenredigheid van de maatregelen. Wat betreft het tweede middel A.7. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8579 en 8580 voeren in het tweede middel een schending aan, door de artikelen 3, 5, 6, 8 en 9 van de wet van 18 juli 2025, van de artikelen 22 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 17 en 23 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 3 en 10 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, met de artikelen 7 en 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met artikel 23 van de richtlijn 2011/95/EU. A.8. In het eerste onderdeel van het tweede middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen de in het middel vermelde bepalingen schenden, in zoverre zij het recht op gezinshereniging van de familieleden van subsidiair beschermden die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden, inperken door in algemene termen een wachttermijn van twee jaar in te voeren, door materiële voorwaarden en een retributie op te leggen en door de bewijsregel inzake familiebanden te verstrengen, terwijl de wetgever geen redelijke afweging heeft gemaakt tussen het algemeen belang en de belangen van de betrokken personen, in het bijzonder het hoger belang van het kind. 7 Zoals reeds uiteengezet in het eerste middel zijn de bestreden bepalingen niet pertinent, noch proportioneel om de door de wetgever aangevoerde doelstellingen te bereiken. Bovendien heeft de wetgever onvoldoende rekening gehouden met het hoger belang van het kind en het recht van een kind om regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn beide ouders te onderhouden, ook als zij zich in verschillende Staten bevinden, zoals vereist door artikel 9, lid 3, van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind. De door de wetgever bepaalde uitzondering op de wachttermijn en op de materiële voorwaarden wanneer de subsidiair beschermde zich enkel door zijn minderjarig kind laat vervoegen, biedt geen soelaas wanneer beide ouders nog in leven zijn. Indien die uitzondering in dat geval wordt toegepast, brengt zij in ieder geval een scheiding teweeg tussen het kind en een van beide ouders. In dat kader moet bovendien rekening worden gehouden met artikel 23, eerste lid, van de richtlijn 2011/95/EU, dat bepaalt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat het gezin van de internationaal beschermde persoon in stand kan worden gehouden. Die bepaling moet worden geïnterpreteerd in het licht van de artikelen 7 en 24 van het Handvest. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie mogen lidstaten geen nationale bepalingen aannemen die het behoud van het gezin van internationaal beschermden beperken, en in het bijzonder die een kind ervan weerhouden op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen en rechtstreeks contacten met zijn beide ouders te onderhouden. De bestreden bepalingen brengen evenwel een belangrijke inperking teweeg van de mogelijkheid om het gezin van de subsidiair beschermden in stand te houden. A.9. In het tweede onderdeel van het tweede middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen de in het middel vermelde bepalingen schenden, doordat zij niet voorzien in de mogelijkheid om, rekening houdende met de individuele situatie van de subsidiair beschermde en diens gezin, een uitzondering te maken op de wachttermijn, de materiële voorwaarden, de betaling van de retributie of het bewijs van de familieband in het kader van een aanvraag tot gezinshereniging. Nochtans blijkt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat, hoewel de lidstaten geen algemene verplichting hebben om gezinshereniging toe te laten op hun grondgebied, er wel steeds een individuele beoordeling moet gebeuren teneinde een billijk evenwicht te vinden tussen de individuele belangen van de betrokkenen en het algemeen belang. Ook het Hof van Justitie stelt dat, wanneer een wachttermijn wordt toegepast op grond van artikel 8 van de richtlijn 2003/86/EG, die wachttermijn niet kan worden opgelegd zonder in bijzondere gevallen rekening te houden met alle relevante factoren, en in het bijzonder met het hoger belang van het kind. In zoverre de wetgever aanvoert dat de verplichting tot individuele beoordeling wordt opgevangen door de mogelijkheid om te allen tijde een visumaanvraag in te dienen op grond van artikel 9 van de Vreemdelingenwet, merken de verzoekende partijen op dat een dergelijke visumaanvraag van een heel andere aard is dan een aanvraag gebaseerd op het recht op gezinshereniging en niet de nodige waarborgen biedt van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokkenen zoals vereist door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. A.10. De Ministerraad is van oordeel dat het tweede middel niet ernstig is. De bestreden bepalingen ontnemen de verzoekende partijen geen recht op gezinshereniging, maar koppelen voorwaarden eraan. Voorts staat het de verzoekende partijen vrij om via andere wegen op legale wijze naar België te komen en zich te herenigen met hun gezinsleden. De bestreden bepalingen voldoen overigens aan de vereisten die voortvloeien uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. In zoverre de verzoekende partijen wijzen op de verschillen die bestaan tussen een aanvraag tot gezinshereniging, enerzijds, en een aanvraag voor een humanitair visum of een aanvraag op grond van artikel 9 of artikel 9bis van de Vreemdelingenwet, anderzijds, merkt de Ministerraad op dat het eigen is aan de verschillende mogelijkheden om een verblijfsrecht te verkrijgen dat andere voorwaarden gelden. Hiermee wordt evenwel niet aangetoond dat de verzoekende partijen, ingevolge de bestreden bepalingen, in de onmogelijkheid zijn om een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsrecht in te dienen waarbij rekening wordt gehouden met hun individuele situatie. Voorts verwijzen de verzoekende partijen voornamelijk naar rechtspraak inzake maatregelen die het behoud van het gezin beperken, terwijl er in het geval van nareizende familieleden sprake is van gezinshereniging en gezinsvorming. Tot slot benadrukt de Ministerraad dat de wetgever heeft voorzien in een uitzondering op de wachttermijn en de materiële voorwaarden in het hoger belang van het kind. 8 Ten aanzien van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel A.11.1. Volgens de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8579 en 8580 berokkent de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, in zoverre zij ingevolge de bestreden bepalingen slechts twee jaar na de beslissing waarbij aan de eerste verzoekende partij in de zaak nr. 8579, respectievelijk aan de eerste, derde, vierde en vijfde verzoekende partij in de zaak nr. 8580 het statuut van subsidiair beschermde werd toegekend, kunnen vragen om herenigd te worden met respectievelijk de tweede en derde verzoekende partij in de zaak nr. 8579 en de tweede verzoekende partij in de zaak nr. 8580 en daarbij aan strengere voorwaarden en bewijsregels dienen te voldoen, terwijl zij dat verzoek vóór de wetswijziging onmiddellijk konden indienen zonder aan die voorwaarden en bewijsregels te moeten voldoen. A.11.2. Door de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen blijven de verzoekende partijen voor lange duur van elkaar gescheiden, wat nefaste gevolgen heeft voor hun welzijn. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8579 zetten uiteen dat de echtgenoot, de eerste verzoekende partij, Jemen is ontvlucht wegens de oorlogssituatie. Hij kwam op 28 juni 2024 in België aan en diende op 2 juli 2024 een verzoek in tot internationale bescherming. Bij beslissing van 13 oktober 2025 werd hem de subsidiaire beschermingsstatus toegekend. De echtgenoot is dus al bijna anderhalf jaar gescheiden van de tweede en derde verzoekende partij, zijnde zijn echtgenote en minderjarig kind, die nog in Jemen zijn. Als gevolg van de bestreden bepalingen houdt die scheiding nog minstens twee jaar aan. Die termijn kan bovendien nog verder oplopen, daar de termijn van behandeling van de visumaanvraag negen maanden kan duren. Gelet op de oorlogssituatie in Jemen is de enige manier om hun gezinsleven verder te zetten dat de tweede en derde verzoekende partij tot verblijf in België op grond van gezinshereniging worden toegelaten. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8580 zetten uiteen dat het gezin Jemen is ontvlucht wegens de oorlogssituatie. De eerste, derde, vierde en vijfde verzoekende partij dienden op 25 april 2024 een verzoek in tot internationale bescherming. Bij beslissing van 30 september 2025 werd hun de subsidiaire beschermingsstatus toegekend. De echtgenoot, de tweede verzoekende partij, verblijft in Egypte, waar zijn diplomatiek visum vervallen is en hij geen wettig verblijf meer heeft. De echtgenoot is dus al bijna anderhalf jaar gescheiden van de eerste, derde, vierde en vijfde verzoekende partij, zijnde zijn echtgenote en minderjarige kinderen. Als gevolg van de bestreden bepalingen houdt die scheiding nog minstens twee jaar aan. Die termijn kan bovendien nog verder oplopen, daar de termijn van behandeling van de visumaanvraag negen maanden kan duren. Het gezinsleven tussen de verzoekende partijen kan niet worden verdergezet in Jemen, gelet op de oorlogssituatie aldaar. Zij kunnen zich evenmin in Egypte herenigen, aangezien zij daar geen wettig verblijf hebben. De enige manier om hun gezinsleven verder te zetten is dat de tweede verzoekende partij tot verblijf in België op grond van gezinshereniging wordt toegelaten. De verzoekende partijen benadrukken daarbij ook dat het principe van non-refoulement niet wordt gewaarborgd in Egypte. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8579 en 8580 benadrukken dat elke dag dat zij verder van elkaar gescheiden blijven, ernstige negatieve gevolgen heeft voor het welzijn van heel het gezin en in het bijzonder voor de minderjarige kinderen. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat langdurige scheiding tussen een kind en zijn ouder(
- s)aanzienlijke negatieve gevolgen kan hebben voor de ontwikkeling van het kind. Om die reden hebben het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Hof van Justitie reeds herhaaldelijk gesteld dat het verstrijken van de tijd onherstelbare gevolgen kan hebben voor de relatie tussen het kind en de ouder die niet bij hem woont. Indien het Hof de bestreden bepalingen zou vernietigen, zou het reeds geleden nadeel ingevolge de verdere scheiding niet verdwijnen. A.11.3. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8579 zetten voorts uiteen dat de tweede en derde verzoekende partij ingevolge de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen voor lange duur gedwongen blijven om in een onveilige situatie in Jemen te verblijven. Tal van bronnen bestempelen het als de ergste humanitaire crisis ter wereld. Dat de situatie daar gevaarlijk is, blijkt ook uit het feit dat de eerste verzoekende partij de subsidiaire beschermingsstatus werd toegekend. Door de onmiddellijke inwerkingtreding van de bestreden wet worden de tweede en derde verzoekende partij gedwongen om langer in Jemen te verblijven in die zeer onveilige situatie en te leven in de constante stress en angst om slachtoffer te worden van het conflict. Ook voor de echtgenoot, de eerste verzoekende partij, veroorzaakt die situatie veel angst, aangezien hij dagelijks ervoor vreest zijn echtgenote en kind te verliezen. Ook om die reden berokkenen de bestreden bepalingen hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, waarbij het risico bestaat dat een eventuele vernietiging te laat zou komen. A.11.4. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8579 en 8580 benadrukken dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet op een andere manier kan worden hersteld. De mogelijkheid om in de tussentijd een humanitair 9 visum aan te vragen op grond van artikel 9 van de Vreemdelingenwet is geen reëel alternatief, daar een dergelijke visumaanvraag niet de nodige waarborgen biedt om tegemoet te komen aan de vereisten van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.12.1. De Ministerraad is van oordeel dat de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8579 en 8580 niet aantonen dat het uitblijven van een schorsing van de bestreden bepalingen hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent. De verzoekende partijen zetten immers niet uiteen waarom een beperkte verlenging van de reeds bestaande scheidingssituatie voor hen onhoudbaar zou zijn. Bovendien worden de verzoekende partijen niet verhinderd om thans reeds een aanvraag tot gezinshereniging in te dienen, noch om een aanvraag in te dienen op grond van artikel 9 van de Vreemdelingenwet, hetgeen zij tot op heden evenwel niet hebben gedaan. Wat in het bijzonder de verschuldigde retributie betreft, tonen de verzoekende partijen niet aan dat zij niet in staat zouden zijn om die retributie te betalen, noch dat die betaling voor hen een onoverkomelijke hinderpaal zou vormen. Evenmin wordt aangetoond dat een eventueel betaalde retributie niet zou kunnen worden teruggevorderd in geval van een vernietiging van de bestreden bepalingen. Wat de aangescherpte regels inzake het bewijs van de gezinsband betreft, blijkt niet dat die gezinsband in casu daadwerkelijk wordt betwist, noch dat de verzoekende partijen niet in staat zouden zijn die gezinsband te bewijzen. De verzoekende partijen gaan ter zake bovendien voorbij aan artikel 12bis, § 6, van de Vreemdelingenwet, dat de minister bevoegd voor asiel en migratie of diens gemachtigde de mogelijkheid biedt om rekening te houden met andere bewijzen van verwantschap bij gebreke van officiële documenten. Wat betreft de bij de bestreden bepalingen ingevoerde wachttermijn van twee jaar, merkt de Ministerraad op dat de betrokken gezinsleden reeds geruime tijd gescheiden leven en dat er nog geen verblijfsaanvraag werd ingediend door de gezinsleden van de subsidiair beschermden. Het nadeel waarop de verzoekende partijen zich beroepen, kan bijgevolg niet aan de bestreden bepalingen worden toegeschreven. Voorts stellen de verzoekende partijen verkeerdelijk dat bij de wachttermijn van twee jaar de behandelingstermijn van de visumaanvraag moet worden opgeteld. De verzoekende partijen kunnen hun aanvraag immers reeds indienen vóór het verstrijken van de wachttermijn. Bovendien is het mogelijk dat het Hof binnen die behandelingstermijn uitspraak zal hebben gedaan over het vernietigingsberoep. A.12.2. Wat in het bijzonder de verzoekende partijen in de zaak nr. 8579 betreft, merkt de Ministerraad op dat louter wordt verwezen naar algemene elementen inzake de vermeende onveilige situatie in Jemen waarin de tweede en de derde verzoekende partij zich zouden bevinden. De veiligheidssituatie in Jemen is evenwel zeer heterogeen en sterk regiogebonden. De verzoekende partijen tonen niet aan dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen in hun persoonlijke situatie tot een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou leiden. In ieder geval blijkt dat de eerste verzoekende partij Jemen zonder noemenswaardige problemen heeft kunnen verlaten en dat de eerste en de tweede verzoekende partij na dat vertrek nog fysiek contact hebben gehad. Die elementen bevestigen dat de veiligheids- en mobiliteitsdynamiek in hun regio niet van dien aard is dat het voor de tweede verzoekende partij per definitie onmogelijk zou zijn om het land te verlaten of om op andere wijze contact te onderhouden. A.12.3. Wat in het bijzonder de verzoekende partijen in de zaak nr. 8580 betreft, merkt de Ministerraad op dat de « vijfde » (lees : tweede) verzoekende partij vermoedelijk over een verblijfsrecht in Egypte beschikt en dat de « vierde » (lees : eerste) verzoekende partij in het verleden zonder problemen naar Egypte is gereisd. Het blijkt niet dat zulks thans onmogelijk zou zijn. Bovendien moet het voor de « vijfde » verzoekende partij mogelijk zijn om opnieuw een diplomatiek visum aan te vragen, zoals in het verleden reeds werd verkregen en door de « vierde » verzoekende partij bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen als reële optie werd bevestigd. Voorts stelt de Ministerraad dat de door de verzoekende partijen in de zaak nr. 8580 aangevoerde risico’s inzake hechting, emotioneel welzijn en psychosociale ontwikkeling bij langdurige scheiding voornamelijk relevant zijn bij zeer jonge kinderen, terwijl het in die zaak kinderen van zeventien, twaalf en negen jaar betreft. Tot slot verwijst de Ministerraad naar het feit dat de verzoekende partijen Jemen zonder noemenswaardige moeilijkheden konden verlaten, dat zij door meerdere landen konden reizen en dat zij geen belemmeringen ondervonden aan controleposten, evenals naar de tegenstrijdige verklaringen van de verzoekende partijen over de 10 periode van de scheiding. Die elementen ondergraven de stelling dat het voor de « vijfde » verzoekende partij onmogelijk zou zijn om contact te onderhouden, te reizen of zich te herenigen met het gezin binnen Egypte. -B- Ten aanzien van de draagwijdte van de vordering tot schorsing B.1. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8579 en 8580 vorderen de schorsing van de artikelen 3, 5, 6, 8 en 9 van de wet van 18 juli 2025 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat de voorwaarden voor gezinshereniging betreft » (hierna, respectievelijk : de wet van 18 juli 2025 en de Vreemdelingenwet). B.2.1. Het Hof moet de omvang van het beroep tot vernietiging - en dus van de vordering tot schorsing - vaststellen uitgaande van de inhoud van het verzoekschrift en in het bijzonder op basis van de uiteenzetting van de middelen. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de bepalingen waartegen middelen zijn gericht. B.2.2. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. B.3.1. Uit het verzoekschrift en de uiteenzetting van de middelen blijkt dat de middelen enkel zijn gericht tegen de artikelen 3, 6, 8 en 9 van de wet van 18 juli 2025, in zoverre die bepalingen de aanvraag van een machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden door de familieleden van een begunstigde van de subsidiaire beschermingsstatus die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden, onderwerpen aan : - de betaling van een retributie (artikel 1/1 van de Vreemdelingenwet, zoals gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 18 juli 2025); 11 - een wachttermijn van twee jaar vanaf het ogenblik dat de vreemdeling die vervoegd wordt, toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in België, alsook vereisten inzake bestaansmiddelen, huisvesting en ziektekostenverzekering (artikel 10bis, § 2/1, van de Vreemdelingenwet, zoals ingevoerd bij artikel 6 van de wet van 18 juli 2025); - strengere regels inzake het bewijs van de ingeroepen bloed- of aanverwantschapsbanden (artikelen 11 en 12bis van de Vreemdelingenwet, zoals gewijzigd bij de artikelen 8 en 9 van de wet van 18 juli 2025). B.3.2. In het eerste middel vergelijken de verzoekende partijen de voormelde familieleden van een begunstigde van de subsidiaire beschermingsstatus die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden met de familieleden van een begunstigde van de vluchtelingenstatus die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden (eerste onderdeel), met de familieleden van een begunstigde van de subsidiaire beschermingsstatus die zich wel op het Belgisch grondgebied bevinden (tweede onderdeel) en met de familieleden van andere derdelanders met een beperkt verblijf (derde onderdeel), die voordeligere regels inzake gezinshereniging zouden genieten. B.3.3. Wanneer het middel is afgeleid uit de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie dat door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wordt gewaarborgd, dient het te preciseren van welke categorie van personen de situatie moet worden vergeleken met de situatie van de categorie van personen ten aanzien van wie een discriminatie wordt aangevoerd. Het middel moet eveneens preciseren in welk opzicht de bestreden bepaling leidt tot een verschil in behandeling dat discriminerend zou zijn. B.3.4. Uit de uiteenzetting van het eerste en het tweede onderdeel van het eerste middel blijkt voldoende dat het Hof wordt verzocht de familieleden van een begunstigde van de subsidiaire beschermingsstatus die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden te vergelijken met de familieleden van een begunstigde van de vluchtelingenstatus die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden en met de familieleden van een begunstigde van de subsidiaire beschermingsstatus die zich wel op het Belgisch grondgebied bevinden, wier verblijfsrecht krachtens de artikelen 1/1, 10, § 1, eerste lid, 4° en 5°, 11 en 12bis van de Vreemdelingenwet, zoals gewijzigd, respectievelijk vervangen bij de bestreden artikelen 3, 5, 8 en 9 van de wet van 18 juli 2025, niet zou worden onderworpen aan de in B.3.1 vermelde voorwaarden. 12 B.3.5. Wat het derde onderdeel betreft, zetten de verzoekende partijen evenwel niet op duidelijke en ondubbelzinnige wijze uiteen met welke categorie van personen precies moet worden vergeleken. Het derde onderdeel van het eerste middel is bijgevolg niet ontvankelijk. B.3.6. Gelet op hetgeen voorafgaat, beperkt het Hof zijn onderzoek tot de in B.3.1 en B.3.4 vermelde bepalingen. Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.4.1. De wet van 18 juli 2025 herziet een aantal bepalingen van de Vreemdelingenwet wat de voorwaarden voor gezinshereniging betreft, « teneinde tegemoet te komen aan de diverse uitdagingen op nationaal, maar ook op het ruimere Europese niveau » (Parl. St., Kamer, 2024-2025, DOC 56-0913/001, p. 3). De wetgever streeft met name de volgende doelstellingen na : « 1° een doeltreffender beheer van de grote instroom van gezinsmigratie beter in overeenstemming brengen met de relevante Europese rechtsinstrumenten en zodoende een wetgeving creëren die toelaat om sneller en efficiënter te kunnen inspelen op de evoluerende maatschappelijke behoeften; 2° de voorwaardenvrije periode voor gezinshereniging met begunstigden van de vluchtelingenstatus en staatlozen wordt herleid tot zes maanden. Voor gezinshereniging met begunstigden van de subsidiaire beschermingsstatus en de tijdelijke beschermingsstatus wordt de voorwaardenvrije periode afgeschaft; 3° de wachttermijn wordt uitgebreid, teneinde de gezinshereniger de kans te geven een bepaalde graad van stabiliteit en integratie te bereiken alvorens zich te laten vervoegen door zijn gezinsleden; » (ibid.). B.4.2. Tijdens de parlementaire voorbereiding werd erop gewezen dat de wetgever, « door de diverse uitdagingen op het vlak van secundaire migratiestromen op zowel nationaal als Europees niveau », met de bestreden bepalingen « doelbewust [terugkomt] op een aantal eerder 13 gemaakte keuzes en opteert […] voor een doelmatigere en richtlijnconforme opsplitsing naargelang het beschermingsstatuut en de specifieke gezinscontext » (ibid., pp. 7-8). Wat de familieleden van de begunstigden van de subsidiaire beschermingsstatus betreft, is verduidelijkt : « Familieleden van subsidiair beschermden, genoten tot op heden een uitgebreid recht op gezinshereniging conform de bepalingen van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Dit betrof een keuze van de Belgische wetgever in 2006 bij de invoering van het subsidiaire beschermingsstatuut in de Belgische rechtsorde. Met de invoering van de Kwalificatierichtlijn in 2011, bracht de Europese wetgever echter meer duidelijkheid aangaande de verblijfsrechten voor de familieleden van subsidiair beschermden, doch voorzag zij enkel een afgeleid verblijfsrecht voor de categorie van de ‘ meereizende ’ familieleden van subsidiair beschermden en liet zij de mogelijkheid voor de lidstaten onverlet om voor de ‘ nareizende ’ familieleden van subsidiair beschermden in een zuiver nationale maatregel te voorzien […]. In navolging van verschillende andere Europese lidstaten, komt ook de Belgische wetgever op heden terug op de keuze die hij in 2006 maakte en beslist hij om de Gezinsherenigingsrichtlijn niet langer van toepassing te verklaren op derdelanders die gezinslid van een subsidiair beschermde zijn » (ibid., pp. 8-9). B.5.1. De richtlijnen waarnaar de wetgever verwijst, zijn de richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 « inzake het recht op gezinshereniging » (hierna : de richtlijn 2003/86/EG) en de richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 « inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking) » (hierna : de richtlijn 2011/95/EU). B.5.2. De richtlijn 2003/86/EG heeft tot doel « de voorwaarden te bepalen voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging door onderdanen van derde landen die wettig op het grondgebied van de lidstaten verblijven » (artikel 1). Artikel 2 van dezelfde richtlijn definieert gezinshereniging als « toegang tot en verblijf in een lidstaat van de gezinsleden van een wettig in die lidstaat verblijvende onderdaan van een derde land, teneinde de eenheid van het gezin te behouden, ongeacht of de gezinsband tot stand is gekomen vóór of na de komst van degene die in de lidstaat verblijft ». 14 B.5.3. Krachtens artikel 3, lid 1, van de richtlijn 2003/86/EG is de richtlijn van toepassing « wanneer de gezinshereniger wettig in een lidstaat verblijft, in het bezit is van een door een lidstaat afgegeven verblijfstitel met een geldigheidsduur van één jaar of langer en reden heeft om te verwachten dat hem een permanent verblijfsrecht zal worden toegekend, indien de leden van zijn gezin onderdanen van een derde land met ongeacht welke status zijn ». De richtlijn 2003/86/EG is niet van toepassing indien de gezinshereniger « toestemming heeft in een lidstaat te verblijven uit hoofde van subsidiaire vormen van bescherming, overeenkomstig internationale verplichtingen, nationale wetgevingen of in de lidstaten gebruikelijke praktijken, of die op dezelfde grond toestemming om te verblijven heeft aangevraagd en een beslissing aangaande zijn status afwacht » (artikel 3, lid 2, c)). B.5.4. Krachtens artikel 7 van de richtlijn 2003/86/EG kan de betrokken lidstaat verzoeken dat de persoon die een verzoek tot gezinshereniging heeft ingediend het bewijs levert dat de gezinshereniger beschikt over « huisvesting die in de betrokken regio als normaal beschouwd wordt voor een vergelijkbaar gezin en die voldoet aan de algemene normen inzake veiligheid en hygiëne welke in de betrokken lidstaat gelden », over « een ziektekostenverzekering die voor hemzelf en zijn gezinsleden in de betrokken lidstaat alle risico's dekt die normaal voor de onderdanen van die lidstaat zijn gedekt », en over « stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om hemzelf en zijn gezinsleden te onderhouden, zonder een beroep te doen op het stelsel voor sociale bijstand van de betrokken lidstaat ». Voorts mogen de lidstaten krachtens artikel 8, eerste lid, « van de gezinshereniger een periode van ten hoogste twee jaar legaal verblijf op hun grondgebied eisen, voordat zijn gezinsleden zich bij hem voegen ». B.5.5. In hoofdstuk V van de richtlijn 2003/86/EG wordt voorzien in gunstigere regels voor de gezinshereniging van vluchtelingen, zijnde « iedere onderdaan van een derde land of staatloze met een vluchtelingenstatus in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951, gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967 » (artikel 2, b), van de richtlijn 2003/86/EG). Krachtens artikel 1 van het Verdrag van Genève geldt als vluchteling « elke persoon [die] uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil 15 inroepen, of die, indien hij geen nationaliteit bezit en verblijft buiten het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, daarheen niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil terugkeren ». Krachtens artikel 9, lid 2, van de richtlijn 2003/86/EG kunnen de lidstaten de toepassing van hoofdstuk V van die richtlijn beperken tot vluchtelingen wier gezinsband al vóór binnenkomst bestond. De artikelen 11, lid 2, en 12 van de richtlijn 2003/86/EG, die deel uitmaken van hoofdstuk V ervan, bepalen : « Artikel 11 […] 2. Wanneer een vluchteling geen officiële bewijsstukken kan overleggen waaruit de gezinsband blijkt, nemen de lidstaten ook andere bewijsmiddelen inzake het bestaan van een dergelijke gezinsband in aanmerking, die overeenkomstig het nationale recht worden beoordeeld. Een beslissing tot afwijzing van het verzoek mag niet louter gebaseerd zijn op het ontbreken van bewijsstukken. Artikel 12 1. In afwijking van artikel 7 mogen de lidstaten ten aanzien van een vluchteling/gezinslid niet eisen dat hij met betrekking tot verzoeken betreffende de in artikel 4, lid 1, bedoelde gezinsleden, het bewijs levert dat de vluchteling voldoet aan de in laatstgenoemde bepaling gestelde eisen. Onverminderd de internationale verplichtingen, mogen de lidstaten eisen dat het in de eerste alinea vermelde bewijs wordt geleverd wanneer gezinshereniging mogelijk is in een derde land waarmee de gezinshereniger/het gezinslid bijzondere banden heeft. De lidstaten kunnen eisen dat de vluchteling aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, voldoet wanneer het verzoek om gezinshereniging niet wordt ingediend binnen een termijn van drie maanden na de toekenning van de vluchtelingenstatus. 2. In afwijking van artikel 8 mogen de lidstaten ten aanzien van een vluchteling niet eisen dat hij gedurende een bepaalde periode op hun grondgebied heeft verbleven voordat zijn gezinsleden zich bij hem kunnen voegen ». B.5.6. De richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 « inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming » (hierna : de richtlijn 2004/83/EG), die vaststelt dat het Verdrag van Genève de hoeksteen vormt van het internationale rechtsstelsel ter bescherming van vluchtelingen 16 (overweging nr. 3), vult de beschermingsregeling waarin dat Verdrag voorziet, aan met een subsidiaire beschermingsregeling (overweging nr. 24). Die richtlijn werd vervolgens ingetrokken en vervangen door de richtlijn 2011/95/EU. Krachtens artikel 2, f), van de richtlijn 2011/95/EU komt voor subsidiaire bescherming in aanmerking « een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, leden 1 en 2, niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen ». Luidens artikel 15 van dezelfde richtlijn bestaat « ernstige schade » uit « de doodstraf of executie », « foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst » of « ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict ». De richtlijn 2011/95/EU stelt vast dat, tenzij anders is bepaald, de bepalingen die de kenmerken van de internationale bescherming omschrijven, zowel voor vluchtelingen gelden als voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen (artikel 20, lid 2). Artikel 23 van de richtlijn 2011/95/EU bepaalt dat de lidstaten ervoor zorgen dat het gezin in stand kan worden gehouden en dat de lidstaten waarborgen dat gezinsleden van de persoon die internationale bescherming geniet die zelf niet in aanmerking komen voor dergelijke bescherming aanspraak kunnen maken op de in artikel 24 bedoelde voordelen. Dat artikel 24 bepaalt : « 1. Zo spoedig mogelijk nadat internationale bescherming is verleend en zonder dat afbreuk wordt gedaan aan artikel 21, lid 3, verstrekken de lidstaten aan personen met de vluchtelingenstatus een verblijfstitel die ten minste drie jaar geldig is en kan worden verlengd, tenzij dwingende redenen van nationale veiligheid of openbare orde zich daartegen verzetten. Onverminderd het bepaalde in artikel 23, lid 1, kan de aan de gezinsleden van de personen met de vluchtelingenstatus af te geven verblijfstitel minder dan drie jaar geldig zijn en verlengbaar zijn. 17 2. Zo spoedig mogelijk nadat internationale bescherming is verleend, verstrekken de lidstaten personen met de subsidiairebeschermingsstatus en hun gezinsleden een verlengbare verblijfstitel die ten minste één jaar geldig is en ten minste twee jaar in geval van verlenging, tenzij dwingende redenen van nationale veiligheid of openbare orde zich daartegen verzetten ». De « gezinsleden » worden in artikel 2, j), van de richtlijn 2011/95/EU als volgt gedefinieerd : « voor zover het gezin reeds bestond in het land van herkomst, de volgende leden van het gezin van de persoon die internationale bescherming geniet, die in verband met het verzoek om internationale bescherming in dezelfde lidstaat aanwezig zijn : - de echtgenoot van de persoon die internationale bescherming geniet of diens niet- gehuwde partner met wie hij een duurzame relatie onderhoudt, indien het recht of de praktijk van de betrokken lidstaat ongehuwde paren krachtens zijn recht inzake onderdanen van derde landen op een vergelijkbare wijze behandelt als gehuwde paren; - de minderjarige kinderen van de bij het eerste gedachtestreepje bedoelde paren of de persoon die internationale bescherming geniet, mits zij ongehuwd zijn, ongeacht de vraag of zij naar nationaal recht wettige, buitenechtelijke of geadopteerde kinderen zijn; - de vader, moeder of een andere volwassene die volgens het recht of de praktijk van de betrokken lidstaat verantwoordelijk is voor de persoon die internationale bescherming geniet, indien deze persoon minderjarig en ongehuwd is; ». B.6.1. Met verwijzing naar die richtlijnen, vervangen, respectievelijk wijzigen de bestreden artikelen 5 en 6 van de wet van 18 juli 2025 de artikelen 10 en 10bis van de Vreemdelingenwet, die de categorieën bepalen die in het kader van een gezinshereniging van rechtswege zijn toegelaten, respectievelijk worden gemachtigd om meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat het nieuwe artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6°, van de Vreemdelingenwet wordt « voorbehouden voor de verblijfsrechten die verplicht worden opgelegd door het Unierecht » (Parl. St., Kamer, 2024-2025, DOC 56-0913/001, p. 7), terwijl het nieuwe artikel 10bis, § 2/1, van de Vreemdelingenwet voorziet in « een zuiver nationale machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden voor de ‘ nareizende ’ familieleden van begunstigden van de subsidiaire beschermingsstatus en van begunstigden van de tijdelijke beschermingsstatus » (ibid., p. 8). 18 B.6.2. De relevante bepalingen van de artikelen 10 en 10bis van de Vreemdelingenwet, zoals vervangen, respectievelijk gewijzigd bij de artikelen 5 en 6 van de wet van 18 juli 2025 luiden : « Art. 10. § 1. Onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 9 en 12, zijn van rechtswege toegelaten om meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven : […]; 4° de volgende familieleden van een vreemdeling die als begunstigde van een internationale beschermingsstatus dan wel overeenkomstig artikel 57/45 tot een verblijf in het Rijk is toegelaten, die zich in verband met het verzoek om internationale bescherming of de aanvraag om toelating tot verblijf wegens staatloosheid bedoeld in artikel 57/38 op het grondgebied van het Rijk bevinden, maar zelf niet in aanmerking komen voor dergelijke bescherming en voor zover de gezinsbanden reeds bestonden voordat de vreemdeling die begeleid wordt in het Rijk aankwam en de toelating tot verblijf verenigbaar is met de persoonlijke juridische status van het familielid :
- a)de buitenlandse echtgenoot, die met hem samenleeft, op voorwaarde dat beiden ouder zijn dan achttien jaar;
- b)de vreemdeling met wie hij door een wettelijk geregistreerd partnerschap verbonden is, die met hem samenleeft, op voorwaarde dat beiden ouder zijn dan achttien jaar en voldoen aan de voorwaarden voorzien in het tweede lid;
- c)hun gemeenschappelijke minderjarige kinderen, die met hen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en die ongehuwd zijn;
- d)de minderjarige kinderen van de vreemdeling die begeleid wordt, van zijn echtgenoot of van de geregistreerde partner bedoeld in de bepaling onder b), die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en die ongehuwd zijn en voor zover de vreemdeling die begeleid wordt, zijn echtgenoot of zijn geregistreerde partner het ouderlijk gezag inclusief het recht van bewaring uitoefent en de kinderen ten laste zijn van hem, zijn echtgenoot of geregistreerde partner. Indien het ouderlijk gezag wordt gedeeld, dient de andere houder van het ouderlijk gezag zijn toestemming te hebben gegeven;
- e)het ongehuwd gehandicapt kind dat ouder is dan achttien jaar van de vreemdeling die begeleid wordt, van diens echtgenoot of van de geregistreerde partner bedoeld in de bepaling […] onder b), voor zover het kind een attest overlegt dat uitgaat van een door de Belgische diplomatieke of consulaire post erkende arts dat aantoont dat het vanwege zijn handicap niet in zijn eigen behoeften kan voorzien;
- f)de ouders dan wel de meerderjarige vreemdeling die overeenkomstig het Belgisch recht verantwoordelijk is voor hem, voor zover de vreemdeling die begeleid wordt, jonger dan achttien jaar en ongehuwd is en op voorwaarde dat zij met hem samenleven alvorens hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt; 19 5° onder voorbehoud van de bepaling onder 4°, de volgende familieleden van een vreemdeling die hetzij als begunstigde van de vluchtelingenstatus dan wel overeenkomstig artikel 57/45 tot een verblijf in het Rijk is toegelaten :
- a)de buitenlandse echtgenoot die met hem komt samenleven, op voorwaarde dat beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar;
- b)de vreemdeling met wie hij door een wettelijk geregistreerd partnerschap verbonden is, die met hem komt samenleven, op voorwaarde dat beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar en voldoen aan de voorwaarden voorzien in het tweede lid;
- c)hun gemeenschappelijke minderjarige kinderen, die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en die ongehuwd zijn;
- d)de minderjarige kinderen van de vreemdeling die vervoegd wordt, van diens echtgenoot of van de geregistreerde partner bedoeld in de bepaling […] onder b), die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en die ongehuwd zijn en voor zover de vreemdeling die vervoegd wordt, zijn echtgenoot of zijn geregistreerde partner het ouderlijk gezag inclusief het recht van bewaring uitoefent en de kinderen ten laste zijn van hem, diens echtgenoot of geregistreerde partner. Indien het ouderlijk gezag wordt gedeeld, dient de andere houder van het ouderlijk gezag zijn toestemming te hebben gegeven;
- e)het ongehuwd gehandicapt kind dat ouder is dan achttien jaar van de vreemdeling die vervoegd wordt, van diens echtgenoot of van de geregistreerde partner bedoeld in de bepaling onder b), voor zover het kind een attest overlegt dat uitgaat van een door de Belgische diplomatieke of consulaire post erkende arts dat aantoont dat het vanwege zijn handicap niet in zijn eigen behoeften kan voorzien;
- f)de ouders, voor zover de vreemdeling die vervoegd wordt, jonger is dan achttien jaar en het Rijk is binnengekomen zonder begeleiding van een krachtens de wet verantwoordelijke meerderjarige vreemdeling en vervolgens niet daadwerkelijk onder de hoede van een dergelijke persoon gestaan heeft, of zonder begeleiding werd achtergelaten nadat hij het Rijk is binnengekomen en op voorwaarde dat ze met hem komen samenleven alvorens hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt; 6° de volgende familieleden van een vreemdeling die over een verblijf van onbeperkte duur beschikt en sedert minimum twee jaar toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk. Deze laatstgenoemde termijn wordt teruggebracht tot een jaar indien de gezinsbanden reeds bestonden voordat de vreemdeling die vervoegd wordt, in het Rijk aankwam of vervalt indien de vreemdeling zich enkel laat vervoegen door de familieleden bedoeld in de bepalingen onder
- c)tot
- e):
- a)de buitenlandse echtgenoot, die met hem komt samenleven, op voorwaarde dat beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar;
- b)de vreemdeling met wie hij door een wettelijk geregistreerd partnerschap verbonden is, die met hem komt samenleven, op voorwaarde dat beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar en voldoen aan de voorwaarden voorzien in het tweede lid; 20
- c)hun gemeenschappelijke minderjarige kinderen, die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en die ongehuwd zijn;
- d)de minderjarige kinderen van de vreemdeling die vervoegd wordt, van diens echtgenoot of van de geregistreerde partner bedoeld in de bepaling onder b), die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en ongehuwd zijn en voor zover de vreemdeling die vervoegd wordt, zijn echtgenoot of zijn geregistreerde partner het ouderlijk gezag inclusief het recht van bewaring uitoefent en de kinderen ten laste zijn van hem, diens echtgenoot of geregistreerde partner. Indien het ouderlijk gezag wordt gedeeld, dient de andere houder van het ouderlijk gezag zijn toestemming te hebben gegeven;
- e)het ongehuwd gehandicapt kind dat ouder is dan achttien jaar van de vreemdeling die vervoegd wordt, van diens echtgenoot of van de geregistreerde partner bedoeld in de bepaling onder b), voor zover het kind een attest overlegt dat uitgaat van een door de Belgische diplomatieke of consulaire post erkende arts dat aantoont dat het vanwege zijn handicap niet in zijn eigen behoeften kan voorzien. […] § 2. De in paragraaf 1, eerste lid, 2° en 3°, bedoelde vreemdelingen moeten het bewijs aanbrengen dat ze beschikken over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen ten behoeve van zichzelf en om te voorkomen dat ze ten laste van de openbare overheden vallen. De in paragraaf 1, eerste lid, 5°,
- a)tot e), en 6°,
- a)tot e), bedoelde familieleden moeten het bewijs leveren dat de vreemdeling die vervoegd wordt over een ziektekostenverzekering beschikt die de risico’s in België voor hem en zijn familieleden dekt alsook over behoorlijke huisvesting beschikt die als normaal beschouwd wordt voor een vergelijkbaar gezin en dewelke voldoet aan de wettelijk geldende criteria inzake veiligheid en hygiëne. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de criteria waaraan het onroerend goed moet voldoen alsook de wijze waarop de vreemdeling bewijst dat het onroerend goed voldoet aan de gestelde voorwaarden. De in paragraaf 1, eerste lid, 5°,
- a)tot e), en 6°,
- a)tot e), bedoelde familieleden moeten bovendien het bewijs aanbrengen dat de vreemdeling die vervoegd wordt beschikt over toereikende, stabiele en regelmatige bestaansmiddelen, zoals bepaald in paragraaf 5, om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden en om te voorkomen dat zij ten laste van de openbare overheden vallen. Deze voorwaarde is niet van toepassing indien de vreemdeling zich enkel laat vervoegen door de familieleden bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 5°,
- c)tot e), of 6°
- c)tot e). Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op de in paragraaf 1, eerste lid, 5°, bedoelde familieleden voor zover de aanvraag tot verblijf op basis van dit artikel werd ingediend binnen de zes maanden na de beslissing tot toekenning van de vluchtelingenstatus dan wel de beslissing tot toelating tot verblijf overeenkomstig artikel 57/45 en de vreemdeling bij de indiening van deze aanvraag minstens een begin van bewijs van zijn identiteit voorlegt evenals een begin van bewijs van de bloed- of aanverwantschapsband en op voorwaarde dat hij uiterlijk tien maanden na de beslissing tot toekenning van de vluchtelingenstatus dan wel de beslissing tot toelating tot verblijf overeenkomstig artikel 57/45 zijn aanvraag heeft vervolledigd met alle documenten bedoeld in artikel 12bis, §§ 2 tot 4. De minister of zijn gemachtigde houdt bij de beoordeling van deze termijnen rekening met bijzondere 21 omstandigheden dewelke de laattijdige indiening van de aanvraag objectief verschoonbaar maken. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze van indiening van de aanvraag alsook de wijze waarop het familielid kan bewijzen dat hij aan de voorgaande voorwaarden voldoet. In afwijking van het vierde lid kan de minister of zijn gemachtigde, door middel van een met redenen omklede beslissing, echter eisen dat de in het tweede en derde lid bedoelde documenten worden overgelegd indien de gezinshereniging mogelijk is in een ander land, waarmee de vreemdeling die vervoegd wordt of zijn familielid een bijzondere band heeft, waarbij rekening gehouden wordt met de feitelijke omstandigheden, de aan de gezinshereniging gestelde voorwaarden in dat ander land en de mate waarin de betrokken vreemdelingen deze voorwaarden kunnen vervullen. Alle in paragraaf 1 bedoelde familieleden moeten bovendien het bewijs aanbrengen dat zij niet lijden aan een van de ziekten die de volksgezondheid in gevaar kunnen brengen en die worden opgesomd in de bijlage bij deze wet. […] Art. 10bis. […] § 2/1. Onder voorbehoud van artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, en artikel 57/34, wordt de machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden, aangevraagd door de in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°,
- a)tot e), bedoelde familieleden van een vreemdeling die als begunstigde van de subsidiaire beschermingsstatus of de tijdelijke beschermingsstatus tot een verblijf in het Rijk is toegelaten, toegekend op voorwaarde dat de vreemdeling die vervoegd wordt sedert minimum twee jaar toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk en de gezinsbanden reeds bestonden voordat de vreemdeling die vervoegd wordt in het Rijk aankwam, en voor zover de familieleden het bewijs aanbrengen dat : 1° de vreemdeling die vervoegd wordt over stabiele, regelmatige en voldoende bestaansmiddelen beschikt zoals bepaald in artikel 10, § 5, om in zijn eigen behoeften en die van zijn familieleden te kunnen voorzien en om te voorkomen dat zij ten laste vallen van de openbare overheden. Deze voorwaarde is niet van toepassing wanneer de vreemdeling zich enkel laat vervoegen door de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°,
- c)tot e); 2° de vreemdeling die vervoegd wordt over voldoende huisvesting beschikt die als normaal beschouwd wordt voor een vergelijkbaar gezin en dewelke voldoet aan de wettelijk geldende criteria inzake veiligheid en hygiëne. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de criteria waaraan het onroerend goed moet voldoen alsook de wijze waarop de vreemdeling bewijst dat het onroerend goed voldoet aan de gestelde voorwaarden; 3° de vreemdeling die vervoegd wordt over een ziektekostenverzekering beschikt die de risico′s in België voor hem en zijn familieleden dekt; 4° zij zich niet bevinden in een van de in artikel 3, eerste lid, 5° tot 8°, bepaalde gevallen, of niet lijden aan een van de ziekten die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren en die worden opgesomd in de bijlage bij deze wet. 22 De in het eerste lid bedoelde termijn van twee jaar vervalt indien de vreemdeling zich enkel laat vervoegen door de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°,
- c)tot e). […] ». B.6.3. Artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, van de Vreemdelingenwet, zoals vervangen bij artikel 5 van de wet van 18 juli 2025, voorziet in « een afgeleide verblijfstitel voor de ‘ meereizende ’ familieleden van begunstigden van een internationale beschermingsstatus en bij uitbreiding staatlozen, conform de bepalingen van de Kwalificatierichtlijn [2011/95/EU] » (Parl. St., Kamer, 2024-2025, DOC 56-0913/001, p. 8). Die bepaling verleent het recht om van rechtswege te worden toegelaten tot een verblijf van meer dan drie maanden aan de daarin vermelde familieleden van een vreemdeling die als begunstigde van een internationale beschermingsstatus (zijnde de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus) dan wel wegens staatloosheid tot een verblijf in België is toegelaten, die zich in verband met het verzoek om internationale bescherming of de aanvraag om toelating tot verblijf wegens staatloosheid op het Belgisch grondgebied bevinden maar zelf niet in aanmerking komen voor dergelijke bescherming, voor zover de gezinsbanden reeds bestonden voordat de vreemdeling die begeleid wordt in België aankwam. B.6.4. Artikel 10, § 1, eerste lid, 5°, van de Vreemdelingenwet, zoals vervangen bij artikel 5 van de wet van 18 juli 2025, voorziet, onder voorbehoud van artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, in « een recht op gezinshereniging met begunstigden van de vluchtelingenstatus en staatlozen, conform de voordeligere bepalingen van hoofdstuk V van de Gezinsherenigingsrichtlijn [2003/86/EG] » (ibid.). Artikel 10, § 1, eerste lid, 5°, van de Vreemdelingenwet verleent het recht om van rechtswege te worden toegelaten tot een verblijf van meer dan drie maanden aan de daarin vermelde familieleden van een vreemdeling die hetzij als begunstigde van de vluchtelingenstatus dan wel wegens staatloosheid tot een verblijf in het Rijk is toegelaten. Luidens artikel 10, § 2, tweede en derde lid, van de Vreemdelingenwet moeten die familieleden het bewijs leveren dat de vreemdeling die wordt vervoegd, beschikt over een ziektekostenverzekering die de risico’s in België voor hem en zijn familie dekt, over behoorlijke huisvesting die als normaal beschouwd wordt voor een vergelijkbaar gezin en die voldoet aan de wettelijk geldende criteria inzake veiligheid en hygiëne, evenals over toereikende, stabiele 23 en regelmatige bestaansmiddelen om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden en te voorkomen dat zij ten laste van de openbare overheden vallen. De voorwaarde inzake de bestaansmiddelen is evenwel niet van toepassing indien de vreemdeling zich enkel laat vervoegen door diens minderjarig of ongehuwd gehandicapt kind dan wel door het minderjarig of ongehuwd gehandicapt kind van diens echtgenoot, echtgenote of geregistreerde partner. Voorts zijn de voormelde voorwaarden niet van toepassing voor zover de aanvraag tot verblijf werd ingediend binnen zes maanden na de beslissing tot toekenning van de vluchtelingenstatus (artikel 10, § 2, vierde lid, van de Vreemdelingenwet). De minister of zijn gemachtigde kan echter eisen dat de in het tweede en derde lid vermelde documenten worden overgemaakt indien de gezinshereniging mogelijk is in een ander land waarmee de vreemdeling die vervoegd wordt of zijn familielid een bijzondere band heeft (artikel 10, § 2, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet). B.6.5. Artikel 10bis, § 2/1, van de Vreemdelingenwet, zoals ingevoegd bij artikel 6, f), van de wet van 18 juli 2025, voorziet in « een zuiver nationale machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden voor de ‘ nareizende ’ familieleden van begunstigden van de subsidiaire beschermingsstatus en van begunstigden van de tijdelijke beschermingsstatus » (Parl. St., Kamer, 2024-2025, DOC 56-0913/001, p. 8). Die bepaling voorziet, onder voorbehoud van artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, van de Vreemdelingenwet, in een machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden voor de daarin vermelde familieleden van een begunstigde van de subsidiaire beschermingsstatus of de tijdelijke beschermingsstatus, op voorwaarde dat de vreemdeling die wordt vervoegd sedert minimum twee jaar toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in België en de gezinsbanden reeds bestonden voordat de vreemdeling die wordt vervoegd, in België aankwam, en voor zover de familieleden het bewijs aanbrengen dat de vreemdeling die wordt vervoegd, beschikt over een ziektekostenverzekering, over behoorlijke huisvesting en over toereikende, stabiele en regelmatige bestaansmiddelen. De voorwaarden inzake de wachttermijn van twee jaar en inzake de bestaansmiddelen zijn evenwel niet van toepassing indien de vreemdeling zich enkel laat vervoegen door diens minderjarig of ongehuwd gehandicapt kind dan wel door het minderjarig of ongehuwd gehandicapt kind van diens echtgenoot, echtgenote of geregistreerde partner. B.6.6. Het bestreden artikel 3 van de wet van 18 juli 2025 wijzigt artikel 1/1, § 2, 3°, van de Vreemdelingenwet teneinde « de vereiste van betaling van een retributie aan te passen in lijn 24 met de inhoudelijke en structurele wijzigingen aangebracht aan de artikelen 10 en 10bis van diezelfde wet » (ibid., p. 5). Die retributie « dient tot vergoeding van de administratieve kosten verbonden aan de behandeling van de aanvraag gezinshereniging op grond van artikel 10 of de aanvraag tot machtiging tot een verblijf op grond van artikel 10bis van de [Vreemdelingenwet] » (ibid., p. 6). Het bestreden artikel 3 van de wet van 18 juli 2025 vervangt, in artikel 1/1, § 2, 3°, van de Vreemdelingenwet, de woorden « en door de gezinsleden van een vreemdeling die als begunstigde van een internationale beschermingsstatus dan wel overeenkomstig artikel 57/45 tot een verblijf in het Rijk is toegelaten » door de woorden « , door de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, en door de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 5°, voor zover de gezinsbanden reeds bestonden voordat de vreemdeling die vervoegd wordt, in het Rijk aankwam ». Het aldus gewijzigde artikel 1/1 van de Vreemdelingenwet luidt : « § 1. Op straffe van niet-ontvankelijkheid van de in paragraaf 2 bedoelde aanvraag voor machtiging of toelating tot het verblijf betaalt de vreemdeling een retributie die de administratieve kosten dekt. Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad stelt de Koning het bedrag van de retributie en de wijze waarop ze wordt geïnd vast. Elk jaar wordt het bedrag aangepast volgens de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen. § 2. De aanvragen voor machtiging en toelating tot het verblijf bedoeld in paragraaf 1 zijn de aanvragen die zijn ingediend op grond van : […] 3° artikel 10 met uitzondering van de aanvragen ingediend door de begunstigden van de associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije getekend op 12 september 1963, door de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, en door de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 5°, voor zover de gezinsbanden reeds bestonden voordat de vreemdeling die vervoegd wordt, in het Rijk aankwam; 4° artikel 10bis met uitzondering van de aanvragen ingediend door de begunstigden van de associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije getekend op 12 september 1963; […] ». 25 Zoals wordt verduidelijkt in de parlementaire voorbereiding, heeft het aldus gewijzigde artikel 1/1 van de Vreemdelingenwet tot gevolg dat de in artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, bedoelde familieleden van een begunstigde van een internationale beschermingsstatus of van een staatloze die zich op het Belgisch grondgebied bevinden, evenals de in artikel 10, § 1, eerste lid, 5°, bedoelde familieleden van een begunstigde van de vluchtelingenstatus of van een staatloze, worden vrijgesteld van het betalen van een retributie voor hun verblijfsaanvraag, voor zover de gezinsbanden reeds bestonden voordat de vreemdeling die wordt vervoegd, in België aankwam, terwijl de in artikel 10bis, § 2/1, bedoelde familieleden van een begunstigde van de subsidiaire beschermingsstatus die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden, wel worden onderworpen aan het betalen van die retributie (Parl. St., Kamer, 2024-2025, DOC 56-0913/001, pp. 5-6). B.6.7. De bestreden artikelen 8 en 9 van de wet van 18 juli 2025 wijzigen de artikelen 11 en 12bis van de Vreemdelingenwet. Artikel 11, § 1, tweede lid, van de Vreemdelingenwet bepaalt in welke gevallen een beslissing tot weigering van de toelating tot verblijf niet uitsluitend mag worden gebaseerd op het ontbreken van officiële documenten die de bloed- of aanverwantschapsbanden aantonen. Het bestreden artikel 8 van de wet van 18 juli 2025 vervangt in die bepaling de woorden « In het geval van de familieleden van een erkende vluchteling of van een vreemdeling die de subsidiaire bescherming geniet dan wel van een vreemdeling die tot een verblijf in het Rijk is toegelaten overeenkomstig artikel 57/45, met wie de bloed- of aanverwantschapsbanden al bestonden vóór hij het Rijk betrad » door de woorden « In het geval van de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, en de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 5°, met wie de gezinsbanden reeds bestonden voordat de vreemdeling die vervoegd wordt, in het Rijk aankwam ». Het aldus gewijzigde artikel 11, § 1, van de Vreemdelingenwet luidt : « De minister of zijn gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die verklaart dat hij zich in een van de in artikel 10 bepaalde gevallen bevindt, in een van de volgende gevallen niet het recht heeft het Rijk binnen te komen of in het Rijk te verblijven : 1° de vreemdeling voldoet niet of niet meer aan de voorwaarden van artikel 10; 26 2° de vreemdeling en de vreemdeling die vervoegd wordt, onderhouden niet of niet meer een werkelijk huwelijks- of gezinsleven; 3° met uitzondering van afwijkingen, die worden bepaald bij een internationaal verdrag, bevindt de vreemdeling zich in een van de gevallen bepaald in artikel 3, 5° tot 8°, of hij lijdt aan één van de ziekten die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren en die worden opgesomd in de bijlage bij deze wet; 4° het staat vast dat het huwelijk, het partnerschap of de adoptie uitsluitend afgesloten werden opdat de betrokken vreemdeling het Rijk zou kunnen binnenkomen of er verblijven. In het geval van de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, en de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 5°, met wie de gezinsbanden reeds bestonden voordat de vreemdeling die vervoegd wordt, in het Rijk aankwam, mag de beslissing niet uitsluitend worden gebaseerd op het ontbreken van de officiële documenten die de bloed- of aanverwantschapsbanden aantonen, overeenkomstig artikel 30 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht of de internationale overeenkomsten betreffende dezelfde materie. […] ». Artikel 12bis, § 5, van de Vreemdelingenwet voorziet in de verplichting voor de minister of zijn gemachtigde om rekening te houden met andere geldige bewijzen wanneer de vreemdeling de bloed- of aanverwantschapsband niet kan aantonen met officiële documenten. Het bestreden artikel 9 van de wet van 18 juli 2025 vervangt in die bepaling de woorden « Wanneer het familielid of de familieleden van een vreemdeling die tot een verblijf in het Rijk is toegelaten overeenkomstig artikel 57/45 of van een als vluchteling erkende vreemdeling of van een vreemdeling die subsidiaire bescherming geniet, met wie de bloed- of aanverwantschapsbanden al bestonden vóór hij het Rijk betrad » door de woorden « Wanneer de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, en de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 5°, met wie de gezinsbanden reeds bestonden voordat de vreemdeling die vervoegd wordt, in het Rijk aankwam ». Het aldus gewijzigde artikel 12bis, § 5, van de Vreemdelingenwet bepaalt : « Wanneer de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, en de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 5°, met wie de gezinsbanden reeds bestonden voordat de vreemdeling die vervoegd wordt, in het Rijk aankwam, geen officiële documenten kunnen overleggen die aantonen dat zij voldoen aan de in artikel 10 bedoelde voorwaarden met betrekking tot de bloed- of aanverwantschapsband, wordt rekening gehouden met andere geldige bewijzen die met betrekking tot die band worden overgelegd. Bij gebrek hieraan, kunnen de in § 6 voorziene bepalingen worden toegepast ». 27 De aldus gewijzigde artikelen 11, § 1, en 12bis, § 5, van de Vreemdelingenwet hebben tot gevolg dat voor de in artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, bedoelde familieleden van een begunstigde van een internationale beschermingsstatus of van een staatloze die zich op het Belgisch grondgebied bevinden en voor de in artikel 10, § 1, eerste lid, 5°, bedoelde familieleden van een begunstigde van de vluchtelingenstatus of van een staatloze met wie de gezinsbanden reeds bestonden voordat de vreemdeling die wordt vervoegd, in België aankwam, de beslissing tot weigering van de toelating tot verblijf niet uitsluitend mag worden gebaseerd op het ontbreken van officiële documenten die de bloed- of aanverwantschapsband aantonen en de minister of zijn gemachtigde rekening moet houden met andere geldige bewijzen die met betrekking tot die band worden overgelegd. Voor de in artikel 10bis, § 2/1, bedoelde familieleden van een begunstigde van de subsidiaire beschermingsstatus die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden, geldt dat de minister krachtens artikel 12bis, § 6, van de Vreemdelingenwet weliswaar rekening kan houden met andere geldige bewijzen met betrekking tot de bloed- en aanverwantschapsband doch daartoe niet verplicht is, zodat de beslissing tot weigering voor die categorie van vreemdelingen uitsluitend mag worden gebaseerd op het ontbreken van officiële documenten die de bloed- of aanverwantschapsbanden aantonen. Ten aanzien van de schorsingsvoorwaarden B.7. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 dient aan twee voorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing. 28 Ten aanzien van de ernst van de middelen Wat het eerste middel betreft B.8. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8579 en 8580 voeren in het eerste middel een schending aan, door de artikelen 3, 5, 6, 8 en 9 van de wet van 18 juli 2025, van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepalingen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met het recht op eerbiediging van het gezinsleven en het beginsel van het hoger belang van het kind schenden, in zoverre zij de begunstigden van de subsidiaire beschermingsstatus en hun familieleden die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden niet op gelijke wijze behandelen als, enerzijds, de erkende vluchtelingen en hun familieleden die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden (eerste onderdeel) en, anderzijds, de familieleden van begunstigden van de subsidiaire beschermingsstatus met wie de gezinsband reeds bestond vóór de aankomst van de referentiepersoon in België die zich wel op het Belgisch grondgebied bevinden (tweede onderdeel). B.9.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 29 B.9.2. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden. B.9.3. Artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt eveneens het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in het genot van de rechten en vrijheden welke in dat Verdrag en zijn aanvullende protocollen zijn vermeld. B.10.1. In het eerste onderdeel van het eerste middel viseren de verzoekende partijen het verschil in behandeling dat bij de bestreden bepalingen wordt ingesteld tussen, enerzijds, de begunstigden van de subsidiaire beschermingsstatus en hun familieleden die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden en, anderzijds, de begunstigden van de vluchtelingenstatus en hun familieleden die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden. B.10.2. De begunstigden van de subsidiaire beschermingsstatus en hun familieleden die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden, genieten luidens artikel 10bis, § 2/1, van de Vreemdelingenwet het recht op gezinshereniging, op voorwaarde dat de vreemdeling die wordt vervoegd sedert minimum twee jaar toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk en de gezinsbanden reeds bestonden voordat de vreemdeling die wordt vervoegd, in het Rijk aankwam, en voor zover de familieleden het bewijs aanbrengen dat de vreemdeling die wordt vervoegd, beschikt over toereikende, stabiele en regelmatige bestaansmiddelen, over voldoende huisvesting en over een ziektekostenverzekering. Voorts moeten zij een retributie voor de verblijfsaanvraag betalen (artikel 1/1, § 2, 4°, van de Vreemdelingenwet) en mag een beslissing tot weigering voor die categorie van vreemdelingen worden gebaseerd op het ontbreken van officiële documenten die de bloed- of aanverwantschapsbanden aantonen, zonder dat rekening moet worden gehouden met andere geldige bewijzen die met betrekking tot die banden worden overgelegd (artikel 11, § 1, eerste lid, en artikel 12bis, § 6, van de Vreemdelingenwet). De voorwaarden inzake de wachttermijn van twee jaar en inzake de bestaansmiddelen zijn evenwel niet van toepassing indien de vreemdeling zich enkel laat vervoegen door diens minderjarig of ongehuwd gehandicapt kind dan wel door het minderjarig of ongehuwd gehandicapt kind van diens echtgenoot, echtgenote of geregistreerde partner. 30 Luidens artikel 10, § 1, eerste lid, 5°, van de Vreemdelingenwet genieten de begunstigden van de vluchtelingenstatus en hun familieleden die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden het recht op gezinshereniging zonder dat zij moeten voldoen aan een wachttermijn. Zij moeten geen retributie voor de verblijfsaanvraag betalen voor zover de gezinsbanden reeds bestonden voordat de vreemdeling die wordt vervoegd, in het Rijk aankwam (artikel 1/1, § 2, 3°, van de Vreemdelingenwet), en soepelere bewijsregels inzake de bloed- en aanverwantschapsbanden genieten (artikel 11, § 1, tweede lid, en artikel 12bis, § 5, van de Vreemdelingenwet). Voorts worden zij in beginsel vrijgesteld van de voorwaarden inzake bestaansmiddelen, huisvesting en ziektekostenverzekering, op voorwaarde dat de aanvraag tot gezinshereniging wordt ingediend binnen zes maanden na de toekenning van de vluchtelingenstatus (artikel 10, § 2, vierde lid, van de Vreemdelingenwet). De voorwaarde inzake de bestaansmiddelen is evenmin van toepassing indien de vreemdeling zich enkel laat vervoegen door diens minderjarig of ongehuwd gehandicapt kind dan wel door het minderjarig of ongehuwd gehandicapt kind van diens echtgenoot, echtgenote of geregistreerde partner. De begunstigden van de vluchtelingenstatus en hun familieleden die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden, worden aldus aan gunstigere bepalingen inzake gezinshereniging onderworpen dan de begunstigden van de subsidiaire beschermingsstatus en hun familieleden die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden. B.11.1. De Ministerraad betwist de vergelijkbaarheid van de in B.10.1 vermelde categorieën van personen, in zoverre de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus onderscheiden beschermingsstatuten betreffen en de Uniewetgever voor vluchtelingen een meer verregaande, geharmonieerde bescherming heeft georganiseerd dan voor subsidiair beschermden. B.11.2. Verschil en niet-vergelijkbaarheid mogen niet met elkaar worden verward. Het onderscheiden beschermingsstatuut van de vreemdeling die wordt vervoegd, hetgeen gepaard gaat met andere voorwaarden voor erkenning, andere rechten na erkenning en andere beëindigingsgronden, kan weliswaar een element vormen bij de beoordeling van het redelijke en evenredige karakter van het verschil in behandeling, maar volstaat niet om te besluiten tot de niet-vergelijkbaarheid, anders zou de toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie van elke inhoud worden ontdaan. 31 B.11.3. Evenmin kan ervan worden uitgegaan, zoals de Ministerraad voorstelt, dat de twee in B.10.1 beoogde categorieën van personen van nature onvoldoende vergelijkbaar zouden zijn om de reden dat de wetgever voor een van hen de verplichtingen in acht heeft willen nemen die voortvloeien uit de richtlijn 2003/86/EG. Zulks zou de toetsing inzake gelijkheid en niet- discriminatie, die zelfs in dat geval in de interne rechtsorde is voorgeschreven door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in voorkomend geval in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zinledig maken. B.11.4. De begunstigden van de vluchtelingenstatus en hun familieleden, enerzijds, en de begunstigden van de subsidiaire beschermingsstatus en hun familieleden, anderzijds, zijn voldoende vergelijkbaar wat betreft het recht op gezinshereniging. B.12. Uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepalingen blijkt dat de gunstigere regels inzake het recht op gezinshereniging van begunstigden van een vluchtelingenstatus en hun familieleden die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden, zoals die zijn neergelegd in artikel 10, § 1, eerste lid, 5°, van de Vreemdelingenwet, een omzetting vormen van hoofdstuk V van de richtlijn 2003/86/EG (Parl. St., Kamer, 2024-2025, DOC 56-0913/001, p. 8). Voor de begunstigden van de subsidiaire beschermingsstatus en hun familieleden die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden, heeft de wetgever voorzien in een zuiver nationale maatregel (ibid.). Zulks wordt door de wetgever gerechtvaardigd door het feit dat artikel 3, lid 2, c), van de richtlijn 2003/86/EG de subsidiair beschermden uitdrukkelijk van het toepassingsgebied van die richtlijn uitsluit, zodat « lidstaten […] er aldus bewust en conform het Unierecht voor [kunnen] opteren om geen recht op gezinshereniging te voorzien voor ‘ nareizende ’ familieleden van subsidiair beschermden of, indien gewenst, te voorzien in een zuiver nationale maatregel » (ibid., p. 9). B.13.1. Uit B.5.1 tot B.5.5 blijkt dat de Europese wetgever bij de richtlijn 2003/86/EG uitsluitend voor de vluchtelingen heeft voorzien in gunstigere regels voor gezinshereniging, door met name te voorzien in soepelere bewijsregels voor het aantonen van de gezinsband (artikel 11 van de richtlijn 2003/86/EG) en door te bepalen dat de lidstaten ten aanzien van een 32 vluchteling niet mogen eisen dat hij het bewijs levert te beschikken over voldoende bestaansmiddelen, huisvesting en een ziektekostenverzekering, tenzij wanneer het verzoek om gezinshereniging niet wordt ingediend binnen een termijn van drie maanden na de toekenning van de vluchtelingenstatus, noch mogen eisen dat hij gedurende een bepaalde periode op hun grondgebied heeft verbleven voordat zijn gezinsleden zich bij hem kunnen voegen (artikel 12 van dezelfde richtlijn). In overweging 8 van die richtlijn wordt in dat verband vermeld : « De situatie van vluchtelingen vraagt bijzondere aandacht vanwege de redenen die hen ertoe hebben gedwongen hun land te ontvluchten en die hen beletten aldaar een gezinsleven te leiden. Om die reden moeten er voor hen gunstiger voorwaarden worden geschapen voor de uitoefening van hun recht op gezinshereniging ». B.13.2. De begunstigden van de subsidiaire beschermingsstatus worden uitdrukkelijk van het toepassingsgebied van die richtlijn uitgesloten (artikel 3, lid 2, c), van de richtlijn 2003/86/EG). Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft ter zake geoordeeld dat « richtlijn 2003/86 aldus moet worden uitgelegd dat zij niet van toepassing is op derdelanders die gezinslid van een subsidiair beschermde zijn » (HvJ, 7 november 2018, C-380/17, K en B, ECLI:EU:C:2018:877, punt 33). B.14.1. In de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement « betreffende richtsnoeren voor de toepassing van Richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging » (COM
(2014)210 final) wordt inzake de uitsluiting van de subsidiair beschermden van het toepassingsgebied van de richtlijn 2003/86/EG vermeld : « De Commissie benadrukt dat de richtlijn niet aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaten verplicht zijn om personen die tijdelijke bescherming of subsidiaire vormen van bescherming genieten, het recht op gezinshereniging te ontzeggen. De Commissie is van mening dat de behoefte aan humanitaire bescherming van personen die subsidiaire vormen van bescherming genieten, niet verschilt van die van vluchtelingen, en zij spoort de lidstaten aan om regels vast te stellen die vluchtelingen en personen die tijdelijke bescherming of subsidiaire vormen van bescherming genieten, vergelijkbare rechten verlenen. De convergentie van beide soorten bescherming is ook bevestigd in de herschikte erkenningsrichtlijn (Richtlijn 2011/95/EU) in het kader van het ‘ EU-asielpakket ’. In elk geval zijn de lidstaten verplicht om de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens te eerbiedigen, ook wanneer een situatie niet onder de wetgeving van de Europese Unie valt » (p. 25). 33 In overweging 39 van de richtlijn 2011/95/EU, die in de voormelde richtsnoeren wordt vermeld, wordt benadrukt : « Bij het beantwoorden van de oproep in het programma van Stockholm om een uniforme status in te voeren voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, dienen aan personen met de subsidiairebeschermingsstatus, behalve in noodzakelijke en objectief gerechtvaardigde gevallen, dezelfde rechten en voordelen te worden toegekend als de rechten die vluchtelingen krachtens deze richtlijn genieten, en dienen voor hen dezelfde voorwaarden te gelden ». In de toelichting bij het voorstel van de Commissie dat is geresulteerd in de voormelde richtlijn 2011/95/EU (COM
(2009)551 definitief) wordt ter zake verduidelijkt : « Toen de subsidiaire bescherming werd ingevoerd, werd aangenomen dat het om een tijdelijke status ging. Daarom kunnen de lidstaten op grond van de richtlijn aan personen met deze status op bepaalde punten minder rechten toekennen. De ervaring heeft echter geleerd dat deze veronderstelling onjuist was. Daarom moet er een einde worden gemaakt aan de beperkingen van de rechten van degenen die subsidiaire bescherming genieten die niet langer als noodzakelijk en objectief gerechtvaardigd kunnen worden beschouwd. Het gelijktrekken van de rechten is nodig om volledige overeenstemming te waarborgen met het non- discriminatiebeginsel zoals dat is uitgelegd in de recente rechtspraak van het EHRM, en met het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind. Bovendien beantwoordt het aan de oproep in het Haags programma om een uniforme beschermingsstatus in te voeren » (p. 9). Ook het Hof van Justitie heeft in die zin reeds benadrukt dat een nationale regeling weliswaar geldig zou kunnen toestaan een maatregel op te leggen aan personen met de subsidiaire beschermingsstatus zonder een dergelijke maatregel op te leggen aan vluchtelingen en aan onderdanen van derde landen die legaal verblijven op het grondgebied van de betrokken lidstaat op andere dan humanitaire, politieke of volkenrechtelijke gronden, zij het op voorwaarde dat « deze groepen zich niet in een objectief vergelijkbare situatie bevinden uit het oogpunt van de doelstelling van deze regeling » (HvJ, grote kamer, 1 maart 2016, C-443/14 en C-444/14, Kreis Warendorf t. Ibrahim Alo en Amira Osso t. Region Hannover, ECLI:EU:C:2016:127, punt 54). B.14.
- In haar advies bij de bestreden bepalingen stelde de afdeling wetgeving van de Raad van State inzake de bij de bestreden bepalingen ingevoerde verschillen tussen de personen die de subsidiaire beschermingsstatus genieten en de personen die de vluchtelingenstatus 34 genieten, wat betreft de wachttermijn van twee jaar en de voorwaarde met betrekking tot toereikende, regelmatige en stabiele bestaansmiddelen : « De steller van het voorontwerp verantwoordt die verschillen in behandeling dus hoofdzakelijk op basis van het feit dat de status van subsidiaire beschermde tijdelijk is, in tegenstelling tot de status van vluchteling. Een dergelijke verantwoording lijkt evenwel niet aanvaardbaar. De wetgever kan, volgens de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, inzonderheid arrest nr. 121/2013 van 26 september 2013, weliswaar een maatregel waarbij een verschil in behandeling wordt ingevoerd, baseren op een objectief criterium zoals de aard van de verblijfstitel. Zo kan hij voorzien in een wachttermijn om zich ervan te vergewissen dat de gezinshereniger zich in een stabiele situatie bevindt en geïntegreerd is. Maar dan nog moet dat criterium relevant zijn ten aanzien van wat de betrokken regelingen daadwerkelijk inhouden, en moet de maatregel evenredig zijn. Subsidiaire bescherming, hoewel deze technisch gezien verlengbaar is, kan blijven duren, met name in een context van langdurige conflicten, die zo lang kunnen duren als de vervolgingen waarvan de vluchtelingen slachtoffer zijn. De vluchtelingenstatus zelf is niet permanent aangezien er beëindigingsbedingen zijn in het geval dat de omstandigheden wijzigen. Bovendien kunnen beide statussen krachtens richtlijn 2011/51/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2011 ‘ tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad teneinde haar werkingssfeer uit te breiden tot personen die internationale bescherming genieten ’ ertoe leiden dat degene die ze geniet de status van langdurig ingezetene krijgt, wat kan na een legaal verblijf van vijf jaar, zodat beide statussen de personen die deze genieten de hoop kunnen doen koesteren op een permanent verblijfsrecht. Die analyse wordt gesterkt door het standpunt van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat in de arresten C-443/14 en C-444/14 van 1 maart 2016 geoordeeld heeft dat elke maatregel waarbij een verschil in behandeling van subsidiair beschermden wordt ingevoerd, objectief verantwoord en persoonsgebonden moet zijn, en genomen moet worden met inachtneming van de fundamentele rechten, en dat het opleggen van een verblijfsverplichting aan een persoon met een subsidiairebeschermingsstatus, terwijl niet in een dergelijke verplichting voorzien wordt voor personen met een vluchtelingenstatus, discriminatoir is. Als er geen andere elementen zijn dan die welke aangevoerd zijn ter rechtvaardiging van de verschillen in behandeling tussen de twee categorieën vreemdelingen, moet heel het voorontwerp aldus herzien worden [opdat], enerzijds, de voorwaarden voor gezinshereniging gelijkgetrokken worden en, anderzijds, de wachttermijn van twee jaar die opgelegd wordt aan de subsidiair beschermde, afgeschaft wordt » (Parl. St., Kamer, 2024-2025, DOC 56-0913/001, pp. 68-69). Voorts merkte de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen (HCR) over het wetsontwerp dat is geresulteerd in de bestreden bepalingen op : 35 «
- De HCR is van oordeel dat de verschillen tussen de rechten van vluchtelingen en die van andere personen die internationale bescherming nodig hebben, maar die aanvullende vormen van bescherming, zoals de subsidiaire bescherming, genieten, vaak noch noodzakelijk, noch objectief verantwoord zijn in het licht van hun behoefte aan bescherming en de redenen waarom hun die bescherming wordt verleend. In de praktijk zijn de behoeften aan bescherming van personen die aanvullende vormen van internationale bescherming genieten in het algemeen noch door de aard noch door de duur ervan verschillend van die van vluchtelingen. Hetzelfde geldt in vele gevallen voor de begunstigden van de tijdelijke bescherming of van stelsels van tijdelijk verblijf. Hoewel de HCR aanbeveelt dat de tijdelijke bescherming voorlopig wordt verstrekt zonder dat die bescherming in de plaats komt van de vluchtelingenstatus, dan wel van andere vormen van internationale bescherming, of afbreuk doet aan die statussen, wordt die vorm van bescherming in de praktijk vaak voor lange periodes gebruikt. De HCR beveelt aan dat vluchtelingen en personen die subsidiaire en tijdelijke bescherming genieten in gelijke mate toegang hebben tot gezinshereniging zodat zij hun grondrecht op gezinsleven kunnen uitoefenen, los van de door hen genoten soort beschermingsstatus.
- De HCR meent in het bijzonder dat de wachttermijnen die aan de begunstigden van aanvullende vormen van bescherming worden opgelegd, discriminerend zijn, in zoverre bij dat soort van maatregelen geen rekening wordt gehouden met de kwetsbare situatie van hun familieleden die ter plaatse zijn gebleven en de risico’s waaraan zij in hun land van herkomst of in het land waar zij tijdelijk verblijven, kunnen worden blootgesteld. Er wordt evenmin rekening gehouden met de soms lange duur van de asielprocedure. Bijgevolg stelt het opleggen van een wachttermijn de familieleden aan grotere risico’s bloot, maakt het hen kwetsbaarder en belemmert het de integratie van de begunstigde van internationale bescherming in het gastland. In de memorie van toelichting wordt op dat punt verwezen naar het arrest M.A t. Denemarken van het EHRM en wordt vermeldt dat de door het Hof vereiste individuele beoordeling en belangenafweging teneinde de naleving van artikel 8 van het EVRM te waarborgen, ‘ bij wijze van voorbeeld ’ kan worden uitgevoerd in het kader van een op de artikelen 9 of 9bis van de wet van 15 december 1980 gegronde aanvraag. De HCR vraagt zich af of de verwijzing naar een andere procedure in overeenstemming is met het voormelde arrest van het EHRM. Integendeel, het feit of de wachttermijn van twee jaar evenredig is in het licht van artikel 8 van het EVRM zou moeten worden onderzocht in het kader van een aanvraag tot gezinshereniging, en niet in het kader van een onderscheiden procedure. Dat onderzoek zou het bestuur in staat moeten stellen om op basis van de aan hem voorgelegde elementen te beslissen dat een wachttermijn van twee jaar in het kader van de aan hem voorgelegde aanvraag tot gezinshereniging niet in overeenstemming is met artikel 8 van het EVRM.
- De HCR is eveneens bezorgd over het onderscheid dat wordt gemaakt tussen de in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° en 5°, bedoelde familieleden en de ‘ nareizende ’ familieleden van personen die subsidiaire bescherming genieten met betrekking tot het bewijs van de afstammings- of aanverwantschapsband. Artikel 12bis, § 5, in de huidige versie ervan, voorziet in de verplichting voor de overheid om rekening te houden met andere geldige bewijzen wanneer de vreemdeling niet in staat is de bloed- of aanverwantschapsband met officiële documenten aan te tonen. Volgens het wetsontwerp zal zulks voortaan niet meer het geval zijn voor de familieleden van personen die subsidiaire en tijdelijke bescherming genieten. De HCR ziet de pertinentie van dat onderscheid niet in, in zoverre die personen met dezelfde hindernissen kunnen worden geconfronteerd als vluchtelingen voor het verzamelen van documenten van de burgerlijke stand en dus dezelfde soepelheid wat betreft bewijzen zouden moeten genieten. Volgens het HvJ moeten de Staten rekening houden met de persoon van de gezinshereniger, met de concrete situatie waarin zijn gezinsleden zich bevinden en de 36 bijzondere problemen waarmee zij worden geconfronteerd, ‘ zodat de eisen die kunnen worden gesteld aan de bewijskracht of de plausibiliteit van de elementen die de gezinshereniger of het gezinslid verstrekt, met name om aan te tonen dat het niet mogelijk is om officiële bewijsstukken van de gezinsband over te leggen, evenredig moeten zijn en moeten afhangen van de aard en het niveau van de problemen waaraan zij blootstaan ’ » (opmerkingen van 19 juni 2025 van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen bij het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat de voorwaarden voor gezinshereniging betreft, pp. 9-10, eigen vertaling). B.14.
- Die opmerkingen van de afdeling wetgeving van de Raad van State en van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen zouden te dezen eveneens kunnen gelden ten aanzien van de artikelen 3, lid 2, c), en 9 tot 12 van de richtlijn 2003/86/EG, die bij de bestreden bepalingen worden omgezet. Door de personen die de subsidiaire beschermingsstatus genieten en hun gezinsleden uit te sluiten van het toepassingsgebied van de richtlijn 2003/86/EG en meer in het bijzonder van de in hoofdstuk V van die richtlijn vervatte gunstigere regels voor de vluchtelingen en hun gezinsleden, stelt die richtlijn immers zelf een verschil in behandeling in tussen die categorieën van personen, dat, gelet op de daarmee verbonden nationale beoordelingsvrijheid, doorwerkt in de bestreden bepalingen. Het is derhalve nodig om, met het oog op de beoordeling van de grondwettigheid van de bestreden bepalingen, na te gaan of de artikelen 3, lid 2, c), en 9 tot 12 van de richtlijn 2003/86/EG het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, al dan niet in samenhang gelezen met het recht op eerbiediging van het gezinsleven en met de rechten van het kind, schenden. B.14.
- Artikel 267 van het VWEU verleent het Hof van Justitie de bevoegdheid om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over zowel de uitlegging van de verdragen en van de handelingen van de instellingen van de Europese Unie als de geldigheid van die handelingen. Volgens de derde alinea ervan is een nationale rechterlijke instantie gehouden zich tot het Hof van Justitie te wenden, indien haar beslissingen – zoals die van het Grondwettelijk Hof – volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep. Wanneer er twijfel is over de interpretatie of de geldigheid van een bepaling van het recht van de Europese Unie die van belang is voor de oplossing van een voor een dergelijk nationaal rechtscollege hangend geschil, dient dat rechtscollege, zelfs ambtshalve, een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie. 37 B.14.
- Aangezien er redelijke twijfel is over de geldigheid van de artikelen 3, lid 2, c), en 9 tot 12 van de richtlijn 2003/86/EG dient, alvorens ten gronde uitspraak te doen, de eerste in het dictum geformuleerde prejudiciële vraag te worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. B.
- Indien die vraag ontkennend wordt beantwoord, rijst de vraag of het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, al dan niet in samenhang gelezen met het recht op eerbiediging van het gezinsleven en de rechten van het kind, zoals die worden gewaarborgd door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest), zich verzet tegen een nationale maatregel zoals die welke is vervat in de bestreden bepalingen, waarbij de personen met de subsidiaire beschermingsstatus waarin het Unierecht voorziet, worden onderworpen aan minder gunstige regels inzake het recht op gezinshereniging dan de personen met de vluchtelingenstatus. Ondergeschikt dient bijgevolg de tweede in het dictum geformuleerde prejudiciële vraag te worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. B.16.
- In het tweede onderdeel van het eerste middel viseren de verzoekende partijen het verschil in behandeling dat bij de bestreden bepalingen wordt ingesteld tussen de familieleden van begunstigden van de subsidiaire beschermingsstatus die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden en de familieleden van begunstigden van de subsidiaire beschermingsstatus die zich wel op het Belgisch grondgebied bevinden. B.16.
- Luidens artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, van de Vreemdelingenwet hebben de begunstigden van de subsidiaire beschermingsstatus en hun familieleden die zich op het Belgisch grondgebied bevinden, waarvan de gezinsbanden reeds bestonden voordat de vreemdeling die begeleid wordt, in België toekwam, recht op gezinshereniging, zonder dat zij moeten voldoen aan een wachttermijn of aan voorwaarden inzake bestaansmiddelen, huisvesting en ziektekostenverzekering. Zij moeten bovendien geen retributie voor hun verblijfsaanvraag betalen (artikel 1/1, § 2, 3°, van de Vreemdelingenwet) en genieten soepelere bewijsregels voor het aantonen van de bloed- en aanverwantschapsbanden (artikel 11, § 1, tweede lid, en artikel 12bis, § 5, van de Vreemdelingenwet). 38 De begunstigden van de subsidiaire beschermingsstatus en hun familieleden die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden, genieten die voordeligere regels inzake gezinshereniging niet. Slechts indien de vreemdeling zich enkel laat vervoegen door diens minderjarig of ongehuwd gehandicapt kind dan wel door het minderjarig of ongehuwd gehandicapt kind van diens echtgenoot, echtgenote of geregistreerde partner, zijn de voorwaarden inzake de wachttermijn van twee jaar en inzake de bestaansmiddelen niet van toepassing. De bestreden bepalingen stellen aldus een verschil behandeling in tussen die categorieën van personen. B.17.
- De Ministerraad betwist de vergelijkbaarheid van de in B.16.1 vermelde categorieën van personen, in zoverre de al dan niet aanwezigheid op het Belgisch grondgebied van de familieleden van een begunstigde van de subsidiaire beschermingsstatus verregaande gevolgen heeft voor de mogelijkheden om een verblijfsrecht in België te verkrijgen en in zoverre de Uniewetgever uitdrukkelijk niet heeft voorzien in een recht op gezinshereniging voor de familieleden van een subsidiair beschermde die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden. B.17.
- De al dan niet aanwezigheid op het Belgisch grondgebied van de familieleden van een begunstigde van de subsidiaire beschermingsstatus en de gevolgen die daaruit voortvloeien wat hun verblijfsrecht betreft, kunnen weliswaar een element vormen bij de beoordeling van het redelijke en evenredige karakter van het verschil in behandeling, maar volstaan niet om te besluiten tot de niet-vergelijkbaarheid, anders zou de toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van elke inhoud worden ontdaan. B.17.
- Evenmin kan ervan worden uitgegaan, zoals de Ministerraad voorhoudt, dat de twee in B.16.1 beoogde categorieën van personen van nature onvoldoende vergelijkbaar zouden zijn om de reden dat de wetgever voor een van hen de verplichtingen in acht heeft willen nemen die voortvloeien uit de richtlijn 2011/95/EU. Zulks zou de toetsing inzake gelijkheid en niet- discriminatie, die zelfs in dat geval in de interne rechtsorde is voorgeschreven door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in voorkomend geval in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zinledig maken. 39 B.17.
- De familieleden van begunstigden van de subsidiaire beschermingsstatus die zich op het Belgisch grondgebied bevinden en de familieleden van begunstigden v