id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 05 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.025 Arrest- Rolnummer: 25/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-03-16 Raadplegingen: 438 - laatst gezien 2026-06-18 06:30 Versie(s): Versie FR Fiche - Geen schending (artikelen 1399 tot 1401, 1404, 1405 en 1432 van het oud Burgerlijk Wetboek, rekening houdend met hetgeen in B.10 is vermeld) - De tweede en de derde prejudiciële vraag behoeven geen antwoord - De zesde prejudiciële vraag is onontvankelijk Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 1399, 1400, 1401, 1404, 1405, 1417 en 1432 van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Burgerlijk recht - Wettelijk huwelijksvermogensstelsel - Vereffening - Aandelen van een vennootschap die met eigen gelden zijn gefinancierd - Meerwaarde op aandelen - Vergoeding aan het gemeenschappelijk vermogen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 25/2026 van 5 maart 2026 Rolnummer : 8453 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 1399, 1400, 1401, 1404, 1405, 1417 en 1432 van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache en Willem Verrijdt, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 24 maart 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 3 april 2025, heeft de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen, de volgende prejudiciële vragen gesteld : «
- Schenden de artikelen 1399 (thans 2.3.17), 1400 (thans 2.3.18), 1401 (thans 2.3.19), 1404 (thans 2.3.21, derde lid) en 1405 (thans 2.3.22) van het oud Burgerlijk Wetboek en het Burgerlijk Wetboek, al dan niet in samenhang met elkaar gelezen, niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de arbeid van een in gemeenschap gehuwde echtgenoot en alle door die arbeid gegenereerde inkomsten van welke aard ook (spaargeld, meerwaarde, enz.) volledig gemeenschappelijk zijn wanneer die echtgenoot werknemer is, als natuurlijke persoon een zelfstandige activiteit uitoefent of de enige bezitter van de aandelen van een vennootschap is waarin hij actief is, voor zover die aandelen met gemeenschappelijke gelden waren gefinancierd, terwijl zij niet volledig gemeenschappelijk zijn wanneer die echtgenoot de enige bezitter van de aandelen van een vennootschap is waarin hij actief is, zodra die aandelen met eigen gelden werden gefinancierd (de meerwaarde is eigen, zelfs die welke voortvloeit uit de arbeid van de andere echtgenoot en zelfs die welke voortvloeit uit de nieuwe bedrijfstak die enkel dankzij het kwalificerend diploma van de andere echtgenoot is verworven) ?
- Schenden de artikelen 1399 (thans 2.3.17), 1400 (thans 2.3.18), 1401 (thans 2.3.19), 1404 (thans 2.3.21, derde lid) en 1405 (thans 2.3.22) van het oud Burgerlijk Wetboek en het 2 Burgerlijk Wetboek, al dan niet in samenhang met elkaar gelezen, niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre, terwijl de meerwaarde van aandelen van een vennootschap waarvan een van de in gemeenschap gehuwde echtgenoten de enige eigenaar is en waarin hij zijn activiteit uitoefent, eigen is wanneer hij ze met eigen (al dan niet herbelegde) gelden heeft verkregen, met inbegrip zelfs van de meerwaarde die voortvloeit uit de arbeid van de andere echtgenoot en zelfs die welke voortvloeit uit de nieuwe bedrijfstak die enkel dankzij het kwalificerend diploma van de andere echtgenoot is verworven, zij gemeenschappelijk is in alle andere gevallen, zelfs al vloeit zij telkens (op zijn minst) uit de arbeid van de betrokken echtgenoot voort ?
- Schenden de artikelen 1399 (thans 2.3.17), 1400 (thans 2.3.18), 1401 (thans 2.3.19), 1404 (thans 2.3.21, derde lid) en 1405 (thans 2.3.22) van het oud Burgerlijk Wetboek en het Burgerlijk Wetboek, al dan niet in samenhang met elkaar gelezen, niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de meerwaarde van de aandelen van een vennootschap (ook de nieuwe bedrijfstak) waarvan een van de in gemeenschap gehuwde echtgenoten de enige eigenaar is en waarin hij zijn activiteit uitoefent, gemeenschappelijk is zodra die aandelen door de gemeenschap zijn gefinancierd, en zulks zelfs wanneer de andere echtgenoot nooit erin heeft deelgenomen, terwijl die meerwaarde dat niet is wanneer dezelfde aandelen met het eigen vermogen van de betrokken echtgenoot zijn gefinancierd, en zulks zelfs wanneer de andere echtgenoot erin heeft deelgenomen (in verhoudingen die nog moeten worden vastgesteld) (met andere woorden, de gehele meerwaarde wordt uitgesloten, zelfs die welke voortvloeit uit de nieuwe bedrijfstak die enkel dankzij het kwalificerend diploma van de andere echtgenoot is verworven) ?
- Schendt artikel 1432 van het oud Burgerlijk Wetboek (thans artikel 2.3.44, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek), al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 1399 (thans 2.3.17), 1400 (thans 2.3.18), 1401 (thans 2.3.19), 1404 (thans 2.3.21, derde lid) en 1405 (thans 2.3.22) van het oud Burgerlijk Wetboek en het Burgerlijk Wetboek, niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het begrip ‘ persoonlijk voordeel ’ als ‘ inkomensderving voor de gemeenschap ’ (wat het eerste lid betreft) wordt geïnterpreteerd en in zoverre de vergoeding wordt beperkt tot de nettoberoepsinkomsten die het gemeenschappelijk vermogen niet heeft ontvangen en redelijkerwijze had kunnen ontvangen indien het beroep niet binnen die vennootschap was uitgeoefend (wat het tweede lid betreft), terwijl, zelfs indien de gemeenschap enkel de aandelen van de vennootschap van mijnheer waarin hij zijn activiteit uitoefende, had gefinancierd, de op de dag van de ontbinding van de huwelijksband bestaande meerwaarde gemeenschappelijk zou zijn, zelfs zonder enig inkomensverlies of enige inkomensderving voor de gemeenschap ?
- Schenden de artikelen 1399 (thans 2.3.17), 1400 (thans 2.3.18), 1401 (thans 2.3.19), 1404 (thans 2.3.21, derde lid) en 1405 (thans 2.3.22) van het oud Burgerlijk Wetboek en het Burgerlijk Wetboek, al dan niet in samenhang met elkaar gelezen, in die zin geïnterpreteerd dat, in gemeenschap, de meerwaarde van een eigen goed (hier de aandelen van een vennootschap die aan een van de echtgenoten die er zijn activiteit uitoefent, geheel alleen toebehoort) hem door waardevermeerdering eveneens geheel eigen is, niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, terwijl hiermee bij de vereffening-verdeling van echtgenoten die zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen met verrekening van aanwinsten, een minder gemeenschappelijk stelsel, rekening wordt gehouden met toepassing van de artikelen 2.3.65, 2.3.66, 2.3.67 en 2.3.68 van het Burgerlijk Wetboek in alle gevallen (arbeid of niet van de echtgenoot die de aandelen niet bezit) ? 3
- Schenden de artikelen 1399 (thans 2.3.17), 1400 (thans 2.3.18), 1401 (thans 2.3.19), 1404 (thans 2.3.21, derde lid), 1405 (thans 2.3.22) en 1417 (thans 2.3.31) van het oud Burgerlijk Wetboek en het Burgerlijk Wetboek, al dan niet in samenhang met elkaar gelezen, niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre in een stelsel van gemeenschap het onderscheid ‘ titre - finance ’ in alle gevallen op het cliënteel van toepassing is (het recht op cliënteel is altijd eigen, de waarde van het cliënteel, dat in voorkomend geval wordt beperkt tot het cliënteel dat tijdens het huwelijk is opgebouwd of verworven, is altijd gemeenschappelijk), terwijl dat onderscheid slechts geldt voor de waardevermeerdering tijdens het huwelijk van aandelen van een vennootschap waarin de echtgenoot-eigenaar zijn activiteit uitoefent, aandelen die met gemeenschappelijke gelden zijn verkregen, bovendien zonder rekening te houden noch met de deelneming van de andere echtgenoot (in verhoudingen die nog moeten worden vastgesteld), noch met de nieuwe bedrijfstak die enkel dankzij het kwalificerend diploma van de andere echtgenoot is verworven ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - S.O., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Antoinette Henry en mr. Caroline Delorge, advocates bij de balie Namen-Dinant; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Sébastien Depré en mr. Megi Bakiasi, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 14 januari 2026 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Michel Pâques en Yasmine Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Een man en een vrouw, J.-L. D. en S.O., die sinds 2002 gehuwd waren onder het wettelijk stelsel, scheiden uit de echt in
- In het kader van de procedure van vereffening-verdeling zijn de voormalige echtgenoten het niet eens over het statuut van de waardetoename van de aandelen van een besloten vennootschap (bv). Die bv werd opgericht door J.-L. D. kort na het huwelijk, met eigen gelden. In 2004 werd S.O. aangeduid als medezaakvoerder. De twee echtgenoten hebben voltijds voor de vennootschap gewerkt en ontvingen dezelfde maandelijkse vergoeding. In 2006 hebben de bv en de echtgenoten een naamloze vennootschap verworven die een rusthuis uitbaat, hetgeen enkel mogelijk was omdat S.O. houder was van het vereiste diploma. De aandelen van die naamloze vennootschap werden in 2021 opnieuw verkocht. De notaris belast met de vereffening heeft een proces-verbaal van opmerkingen en zwarigheden opgesteld, en de zaak werd ingesteld voor de Rechtbank van eerste aanleg te Namen, afdeling Namen. 4 De Rechtbank is van oordeel dat de aandelen van de bv niet onderworpen zijn aan de hervorming doorgevoerd bij de wet van 22 juli 2018 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en diverse andere bepalingen wat het huwelijksvermogensrecht betreft en tot wijziging van de wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse bepalingen ter zake », krachtens de overgangsbepalingen van die wet. Aangezien de aandelen van J.-L. D. werden gefinancierd door wederbelegging van eigen gelden, zijn die aandelen hem volledig eigen, dat wil zeggen zonder een onderscheid te moeten maken tussen « titre » (het houderschap van het recht) en « finance », (de vermogenswaarde ervan) overeenkomstig de artikelen 1399 en 1404 van het oud Burgerlijk Wetboek. Wat de rechtsregeling betreft die van toepassing is op de waardetoename van de aandelen van de bv, merkt de Rechtbank op dat de rechtsleer relatief verdeeld is over de kwestie, waarbij bepaalde auteurs de idee verdedigen dat de waardetoename tijdens het huwelijk van het eigen vermogen van een echtgenoot gehuwd onder het stelsel van gemeenschap van goederen wegens het werk van die echtgenoot gemeenschappelijk is, terwijl andere auteurs van mening zijn dat die waardetoename eigen blijft maar dat een vergoeding aan het gemeenschappelijk vermogen verschuldigd is, voor het geheel of een deel van die toename. In die context stelt de Rechtbank aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. III. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste tot de derde prejudiciële vraag A.1.
- S.O. voert aan dat het in de eerste prejudiciële vraag aangevoerde verschil in behandeling niet redelijk verantwoord is. Het doel van de wetgever, in het kader van het wettelijk stelsel van gemeenschap van goederen, is te waarborgen dat de inkomsten van de echtgenoten gemeenschappelijk zouden zijn, alsook de met die inkomsten verworven goederen en hetgeen tijdens het huwelijk wordt gespaard. De echtgenoten kunnen onder bepaalde voorwaarden eigen goederen behouden of verwerven. Het is verantwoord dat de waardetoename van een eigen goed eigen blijft wanneer die toename toevallig is of afhangt van de evolutie van de markt (zoals in het geval van een gebouw of van aandelen), maar niet wanneer die voortvloeit uit de activiteit die de echtgenoot die houder ervan is binnen de vennootschap uitoefent, en nog minder wanneer die activiteit door de andere echtgenoot wordt uitgeoefend – vooral indien de activiteit van die andere echtgenoot de verwerving van een nieuwe bedrijfstak mogelijk heeft gemaakt. Een dergelijke waardetoename als « eigen » kwalificeren gaat in tegen de doelstelling van de wetgever om het gemeenschappelijke karakter van de vruchten van het werk van de echtgenoten vast te leggen, bovendien rekening houdend met het beginsel van de « neutraliteit van de vennootschap », dat door de wetgever is gewaarborgd in 2018, volgens hetwelk de keuze van een echtgenoot, in een stelsel van gemeenschap, om een beroep via een vennootschap uit te oefenen neutraal moet zijn en geen negatieve invloed mag hebben op het gemeenschappelijk vermogen (zie artikel 2.3.44, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek). Bijgevolg dient de prejudiciële vraag, in de interpretatie volgens welke de betwiste waardetoename gemeenschappelijk is, ontkennend te worden beantwoord. A.1.
- Wat de tweede en de derde prejudiciële vraag betreft, verwijst S.O. naar de opmerkingen met betrekking tot de eerste prejudiciële vraag die hiervoor worden weergegeven. A.2.
- De Ministerraad voert aan dat het in de eerste prejudiciële vraag aangevoerde verschil in behandeling op een kennelijk onjuiste interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen steunt. Artikel 1399 van het oud Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat de goederen en schuldvorderingen die aan elk van beide echtgenoten toebehoren op de dag van het huwelijk en die welke ieder van hen tijdens het stelsel verkrijgt door schenking, erfenis of testament, eigen zijn, is te dezen niet pertinent, aangezien de betrokken aandelen werden verworven tijdens het huwelijk en buiten die hypotheses. Het in artikel 1404 van hetzelfde Wetboek bedoelde mechanisme betreft enkel de eigendomstitel van de aandelen, maar niet de vermogenswaarde ervan. Daaruit volgt dat de aandeelhoudersrechten eigen zijn, maar dat de waardetoename van de aandelen, met toepassing van artikel 1405, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek, onder de residuaire gemeenschapskwalificatie valt. De Ministerraad merkt op dat volgens sommige auteurs de vermogenswaarde die tijdens het huwelijk wordt gevormd kan worden gekwalificeerd als « inkomsten uit beroepsactiviteiten » van een van de echtgenoten, in de zin van artikel 1405, 1°, van het oud Burgerlijk Wetboek. De neutraliteit van de uitoefening van het beroep via een vennootschap werd bovendien beklemtoond tijdens de hervorming van
- Andere auteurs zijn van mening 5 dat toevallige of conjuncturele meerwaarden de « eigen » kwalificatie van het goed waarvan zij de waarde verhogen, genieten, en dat zij moeten worden onderscheiden van de meerwaarde die te wijten is aan de professionele bijdrage van de andere echtgenoot, die geen houder van de aandelen is, alsook van die welke te wijten is aan de verwerving van een nieuwe bedrijfstak tijdens het huwelijk, die als gemeenschappelijk worden beschouwd. In tegenstelling tot hetgeen het verwijzende rechtscollege beweert, behoren de waardetoenames van met eigen gelden gefinancierde aandelen bijgevolg niet altijd en op onvoorwaardelijke wijze tot het eigen vermogen van de echtgenoot die houder van die aandelen is. Volgens de Ministerraad creëert artikel 1405, 1°, van het oud Burgerlijk Wetboek geen verschil in behandeling en schendt het bijgevolg de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. A.2.
- De Ministerraad doet gelden dat indien de interpretatie van het verwijzende rechtscollege wordt gevolgd, het in het geding zijnde verschil in behandeling redelijk verantwoord is. Ten eerste berust het onderscheid op een objectief criterium, namelijk de financiering van de aandelen met eigen of gemeenschappelijke gelden. Dat de wetgever het autonome beheer van de eigen gelden wil waarborgen is vervolgens een legitiem doel. Ten slotte creëert het verschil in behandeling geen onevenredige gevolgen ten aanzien van die doelstelling : de echtgenoot die geen houder is van de aandelen kan, tijdens de vereffening, aanspraak maken op een vergoeding of op de overmaking van de tegenwaarde van de aandelen. Hij kan zich in ondergeschikte orde ook beroepen op de theorie van de verrijking zonder oorzaak. A.2.
- Wat de tweede en de derde prejudiciële vraag betreft, verwijst de Ministerraad naar de opmerkingen die hij met betrekking tot de eerste prejudiciële vraag heeft geformuleerd. Ten aanzien van de vierde prejudiciële vraag A.3.
- S.O. voert aan dat de interpretatie door het Hof van Cassatie van het begrip « persoonlijk voordeel » vervat in artikel 1432 van het oud Burgerlijk Wetboek als een « inkomensderving voor de gemeenschap » een beperkende interpretatie is en dat zij aan de toekenning van een vergoeding een voorwaarde toevoegt waarin die bepaling niet voorziet. Een vergoeding ten gunste van het gemeenschappelijk vermogen is verschuldigd ten laste van het eigen vermogen van de echtgenoot die inspanningen heeft geleverd om de waarde van een eigen goed te laten toenemen als daaruit voor de gemeenschap niet alleen een effectief verlies aan inkomsten, maar ook winstderving is voortgevloeid. In die interpretatie dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. In de door het verwijzende rechtscollege in aanmerking genomen interpretatie is het verschil in behandeling daarentegen niet redelijk verantwoord. A.3.
- S.O. doet gelden dat artikel 2.3.44, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, in zoverre het zou kunnen worden toegepast op de waardetoename van de aandelen van de bv die is opgetreden na de inwerkingtreding van die bepaling, die waardetoename niet als « gemeenschappelijk » kwalificeert. Bovendien lijkt de draagwijdte van die bepaling beperkt, aangezien zij de beroepsinkomsten aanhaalt die het vermogen « redelijkerwijs » had moeten ontvangen. Die bepaling laat niet toe te oordelen dat de waardetoenames van de aandelen van een vennootschap die eigen zijn aan een van de echtgenoten gemeenschappelijk zijn, terwijl al zijn andere inkomsten dat wel zijn, noch te oordelen dat alle inkomsten die in een eigen vennootschap van een van de echtgenoten zijn ondergebracht en die een product zijn van inspanningen van die echtgenoot maar ook van die van de andere echtgenoot, aanleiding zouden geven tot een vergoeding die gelijkwaardig is aan diezelfde inkomsten. Daaruit volgt hetzelfde onverantwoorde verschil in behandeling als hetgeen in de eerste prejudiciële vraag wordt aangevoerd. A.
- De Ministerraad voert aan dat, aangezien de meerwaarden van de met eigen gelden gefinancierde aandelen gemeenschappelijk zijn, geen enkele vergoeding aan het gemeenschappelijk vermogen verschuldigd is. Het in het geding zijnde verschil in behandeling bestaat dus niet. In de veronderstelling dat het Hof de in het geding zijnde bepalingen onderzoekt in de interpretatie die door het verwijzende rechtscollege in aanmerking is genomen, is het niet discriminerend te eisen dat wordt aangetoond dat het gemeenschappelijk vermogen inkomsten is ontzegd opdat een vergoeding verschuldigd zou zijn aan het gemeenschappelijk vermogen ten laste van het eigen vermogen wanneer de aandelen met eigen gelden werden gefinancierd. Ten eerste steunt het verschil in behandeling op een objectief criterium : het terugwinnen van de meerwaarde van de aandelen varieert naargelang de aandelen onder het eigen of het gemeenschappelijk vermogen vallen. Vervolgens streeft het verschil in behandeling een legitieme doelstelling na, namelijk de verwezenlijking van een evenwicht tussen, enerzijds, de solidariteit eigen aan het huwelijk en, anderzijds, de autonomie van de twee echtgenoten, die verband houdt met de doelstelling van juridische emancipatie van de vrouw. Ten slotte is de maatregel evenredig ten aanzien van het nagestreefde doel. Artikel 1432 van het oud Burgerlijk Wetboek is algemeen van toepassing op alle situaties waarin een echtgenoot 6 een persoonlijk voordeel uit het gemeenschappelijk vermogen heeft gehaald. Aangezien de wetgever een stelsel heeft ingevoerd dat een gemeenschappelijk vermogen en twee eigen vermogens omvat, is het logisch dat een bewijs van de verrijking van het ene ten koste van het andere wordt geëist om de toekenning van een vergoeding te verantwoorden. De Ministerraad voert aan dat het verschil in behandeling niet voortvloeit uit artikel 1432 van het oud Burgerlijk Wetboek, maar uit het mechanisme zelf van het toebehoren van goederen tot een van de drie vermogens. Het Hof van Cassatie heeft de noodzaak van wederzijdse bescherming van de vermogens tot regel gemaakt (Cass., 30 januari 2014, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140130.2; 5 september 2013, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130905.4). Ten aanzien van de vijfde prejudiciële vraag A.
- S.O. voert aan dat volgens de stelling dat, in het stelsel van gemeenschap van goederen, de waardetoename van de betwiste aandelen geen aanwinst vormt, de echtgenoot gehuwd onder het stelsel van gemeenschap van goederen minder gunstig wordt behandeld dan de echtgenoot gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen met verrekening van aanwinsten, dat een stelsel van scheiding van goederen blijft waarin de inkomsten niet gemeenschappelijk zijn. Dat verschil in behandeling is niet verantwoord en het veroorzaakt een onevenredig nadeel aan de betrokken echtgenoot. A.6.
- De Ministerraad voert aan dat, aangezien de meerwaarden van de met eigen gelden gefinancierde aandelen gemeenschappelijk zijn, geen enkele vergoeding verschuldigd is aan het gemeenschappelijk vermogen. Het in het geding zijnde verschil in behandeling bestaat dus niet. A.6.
- De Ministerraad doet in ondergeschikte orde gelden dat de wetgever ter zake over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt. In dit geval is het verschil in behandeling dat bestaat tussen het stelsel van gemeenschap van goederen en het stelsel van scheiding van goederen met verrekening van aanwinsten als zodanig niet discriminerend, want het vloeit voort uit het bestaan van aparte huwelijksvermogensstelsels en de keuzevrijheid van de paren. Bovendien, in de veronderstelling dat, in het stelsel van gemeenschap van goederen, de meerwaarde van eigen goederen eigen is – quod non –, toont het verwijzende rechtscollege niet aan in welke mate die meerwaarde in het stelsel van scheiding van goederen met verdeling van de aanwinsten gemeenschappelijk zou zijn. De Ministerraad zet uiteen dat, in het stelsel van scheiding van goederen met verrekening van aanwinsten, de aanwinsten worden gevormd door het verschil tussen het eindvermogen van een echtgenoot en zijn aanvangsvermogen. Om het aanvangsvermogen af te bakenen, dient te worden verwezen naar de eigen kwalificaties volgens origine en aard van het wettelijk stelsel. Aangezien het oud Burgerlijk Wetboek de waardetoename van eigen aandelen niet uitdrukkelijk aan het ene of het andere vermogen verbindt, dient bijgevolg naar het wettelijk stelsel te worden verwezen. Indien het verwijzende rechtscollege, in het stelsel van gemeenschap van goederen, de meerwaarden van eigen aandelen kwalificeert als eigen goederen, moet het dezelfde redenering volgen om die op te nemen in het aanvangsvermogen in het stelsel van scheiding van goederen met verdeling van aanwinsten. Bijgevolg bestaat het in het geding zijnde verschil in behandeling niet. Ten aanzien van de zesde prejudiciële vraag A.
- S.O. voert aan dat zelfs vóór de hervorming van 2018, in het stelsel van gemeenschap van goederen, het cliënteel van een echtgenoot samengesteld of verworven tijdens het huwelijk als dusdanig eigen was aan die echtgenoot, maar dat de vermogenswaarde ervan gemeenschappelijk was. Er dient niet anders te worden geredeneerd wat de waardetoename betreft van aandelen van een eigen vennootschap van een van de echtgenoten die, bovendien, toe te schrijven is aan de inspanningen van de twee echtgenoten. Daaruit volgt dat het in het geding zijnde verschil in behandeling niet redelijk verantwoord is. A.
- De Ministerraad verwijst naar de opmerkingen die hij heeft geformuleerd met betrekking tot de eerste prejudiciële vraag. 7 -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen B.
- De prejudiciële vragen betreffen hoofdzakelijk het statuut, bij de vereffening van het huwelijksvermogensstelsel van twee onder het wettelijk stelsel gehuwde echtgenoten, van de meerwaarde verkregen door aandelen van een vennootschap, die tijdens het huwelijk door een van de echtgenoten is opgericht met eigen gelden en om zijn beroep uit te oefenen, die dus tot het eigen vermogen van die echtgenoot behoren. Volgens het verwijzende rechtscollege maakt de meerwaarde die door eigen aandelen wordt verkregen deel uit van die aandelen, zodat die ook tot het eigen vermogen behoort van de echtgenoot die die aandelen bezit. Het verwijzende rechtscollege stelt zich vragen over de bestaanbaarheid met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van meerdere verschillen in behandeling die daaruit voortvloeien. B.
- Artikel 1399, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals het te dezen van toepassing is, bepaalt : « Eigen zijn de goederen en schuldvorderingen die aan elk van beide echtgenoten toebehoren op de dag van het huwelijk en die welke ieder van hen tijdens het stelsel verkrijgt door schenking, erfenis of testament ». Artikel 1400 van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals het te dezen van toepassing is, bepaalt : « Eigen zijn, ongeacht het tijdstip van verkrijging en behoudens vergoeding indien daartoe aanleiding bestaat :
- het toebehoren van eigen goederen of rechten;
- het toebehoren van eigen waardepapieren;
- de goederen aan een der echtgenoten overgedragen door een van zijn bloedverwanten in de opgaande lijn, hetzij om te voldoen wat hij hem verschuldigd is, hetzij onder verplichting een schuld van die bloedverwant aan een derde te betalen;
- het aandeel door een der echtgenoten verkregen in een goed waarvan hij reeds medeëigenaar is; 8
- de goederen en rechten die ten gevolge van zaakvervanging in de plaats treden van eigen goederen, alsook de goederen verkregen uit belegging of wederbelegging;
- de gereedschappen en werktuigen die dienen tot het uitoefenen van het beroep;
- de rechten verbonden aan een personenverzekering door de begunstigde zelf gesloten, die hij verkrijgt bij het overlijden van zijn echtgenoot of na de ontbinding van het stelsel ». Artikel 1401 van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals het te dezen van toepassing is, bepaalt : « Eigen zijn, ongeacht het tijdstip van verkrijging : […]
- de lidmaatschapsrechten verbonden aan gemeenschappelijke aandelen in vennootschappen waarin alle aandelen op naam zijn, indien die toebedeeld zijn aan of ingeschreven zijn op naam van één echtgenoot alleen ». Artikel 1404 van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals het te dezen van toepassing is, bepaalt : « Wederbelegging wordt geacht te zijn gedaan ten aanzien van een echtgenoot, wanneer komt vast te staan dat de verkrijging van roerende goederen voor meer dan de helft betaald is uit gelden of uit de opbrengst van de vervreemding van andere goederen waarvan het karakter van eigen goed is aangetoond overeenkomstig de bepalingen van de voorgaande artikelen ». Artikel 1405 van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals het te dezen van toepassing is, bepaalt : « Gemeenschappelijk zijn :
- de inkomsten uit de beroepsbezigheden van elk der echtgenoten, alle inkomsten of vergoedingen die ze vervangen of aanvullen, evenals de inkomsten uit openbare of particuliere mandaten;
- de vruchten, inkomsten, interesten van hun eigen goederen;
- de goederen geschonken of vermaakt aan de twee echtgenoten samen of aan een van hen, onder beding dat die goederen gemeenschappelijk zullen zijn;
- alle goederen waarvan niet bewezen is dat zij aan een der echtgenoten eigen zijn ingevolge enige wetsbepaling ». Artikel 1417 van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij artikel 18 van de wet van 22 juli 2018 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en diverse andere bepalingen wat het huwelijksvermogensrecht betreft en tot 9 wijziging van de wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse bepalingen ter zake » (hierna : de wet van 22 juli 2018), bepaalde : « De echtgenoot die een beroep uitoefent, verricht alle daartoe noodzakelijke bestuurshandelingen alleen. Wanneer beide echtgenoten samen een zelfde beroep uitoefenen, is beider medewerking vereist voor alle handelingen behalve die van beheer ». Na de voormelde wijziging bepaalt artikel 1417 van het oud Burgerlijk Wetboek : « De echtgenoot die een beroep uitoefent, verricht alle bestuurshandelingen die voor deze uitoefening verantwoord zijn alleen. Wanneer beide echtgenoten samen een zelfde beroep uitoefenen, is beider medewerking vereist voor alle handelingen behalve die van beheer ». Artikel 1432 van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij artikel 22 van de wet van 22 juli 2018, bepaalde : « Elk der echtgenoten is vergoeding verschuldigd ten belope van de bedragen die hij uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te voldoen en, in het algemeen, telkens als hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen ». Artikel 22 van de wet van 22 juli 2018 heeft die bepaling aangevuld met een tweede lid dat luidt als volgt : « De echtgenoot die zijn beroep uitoefent binnen een vennootschap waarvan de aandelen hem eigen zijn, is aan het gemeenschappelijk vermogen een vergoeding verschuldigd voor de nettoberoepsinkomsten die het gemeenschappelijk vermogen niet heeft ontvangen en redelijkerwijze had kunnen ontvangen indien het beroep niet binnen een vennootschap was uitgeoefend ». Volgens het verwijzende rechtscollege is dat nieuwe lid van toepassing op de bestuurshandelingen die vanaf 1 september 2018 worden gesteld. De bestuurshandelingen die vóór die datum zijn gesteld, kunnen aanleiding geven tot een vergoeding op grond van artikel 1432 van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van 22 juli
- 10 B.3.
- De Ministerraad en de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege voeren aan dat de in het geding zijnde bepalingen in die zin dienen te worden geïnterpreteerd dat, in de situatie die zich voor het verwijzende rechtscollege voordoet, de aandeelhoudersrechten eigen zijn aan de echtgenoot die houder van de aandelen is, maar dat de toename van de waarde van die aandelen onder het gemeenschappelijk vermogen valt. Daaruit volgt dat de aangevoerde verschillen in behandeling niet bestaan. B.3.
- Het staat in de regel aan het verwijzende rechtscollege om de bepalingen die het toepast te interpreteren, onder voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing van die bepalingen. B.3.
- In dit geval is het niet kennelijk onjuist te oordelen dat aandelen die door wederbelegging van eigen gelden van een echtgenoot worden gefinancierd « volledig » eigen zijn aan die echtgenoot (dat wil zeggen zowel voor de « titre » – het houderschap van het recht – als voor de « finance » – de vermogenswaarde ervan), met inbegrip van de toename van de waarde van de betrokken aandelen. Het Hof antwoordt dus op de prejudiciële vragen door zich te baseren op de interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen die door het verwijzende rechtscollege in aanmerking is genomen. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.
- Het verwijzende rechtscollege stelt een vraag aan het Hof over de bestaanbaarheid van de artikelen 1399 tot 1401, 1404 en 1405 van het oud Burgerlijk Wetboek met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet « in zoverre de arbeid van een in gemeenschap gehuwde echtgenoot en alle door die arbeid gegenereerde inkomsten van welke aard ook (spaargeld, meerwaarde, enz.) volledig gemeenschappelijk zijn wanneer die echtgenoot werknemer is, als natuurlijke persoon een zelfstandige activiteit uitoefent of de enige bezitter van de aandelen van een vennootschap is waarin hij actief is, voor zover die aandelen met gemeenschappelijke gelden waren gefinancierd, terwijl zij niet volledig gemeenschappelijk zijn wanneer die echtgenoot de enige bezitter van de aandelen van een vennootschap is waarin hij actief is, zodra 11 die aandelen met eigen gelden werden gefinancierd (de meerwaarde is eigen, zelfs die welke voortvloeit uit de arbeid van de andere echtgenoot en zelfs die welke voortvloeit uit de nieuwe bedrijfstak die enkel dankzij het kwalificerend diploma van de andere echtgenoot is verworven) ». B.
- Het verschil in behandeling betreft, in het kader van het wettelijk stelsel, enerzijds, de echtgenoot van wie de andere echtgenoot zijn beroep uitoefent binnen een vennootschap waarvan de aandelen door wederbelegging van eigen gelden werden gefinancierd, en, anderzijds, de echtgenoot van wie de andere echtgenoot zijn beroep uitoefent als werknemer of als zelfstandige natuurlijke persoon, of binnen een vennootschap waarvan de aandelen met gemeenschappelijke gelden werden gefinancierd. In het eerste geval is de tijdens het huwelijk door de aandelen van de betrokken vennootschap verkregen meerwaarde eigen aan de echtgenoot die houder is van de volledige aandelen, zelfs als die ook deels voortvloeit uit de beroepsactiviteit van de andere echtgenoot, terwijl, in het tweede geval, alle inkomsten van de echtgenoten, met inbegrip van de door de aandelen van de betrokken vennootschap verkregen meerwaarde, volledig gemeenschappelijk zijn. B.
- De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
- Het verschil in behandeling steunt op een objectief criterium, namelijk het feit of de betrokken echtgenoot zijn beroepsactiviteit al dan niet uitoefent in een vennootschap die werd opgericht door wederbelegging van eigen gelden, en waarvan de aandelen dus eigen zijn aan die echtgenoot. 12 B.
- Het is redelijk verantwoord dat, in het wettelijk huwelijksvermogensstelsel, dat steunt op het bestaan van een gemeenschappelijk vermogen en van twee eigen vermogens (artikel 1398 van het oud Burgerlijk Wetboek), de aandelen van een vennootschap die met eigen gelden zijn gefinancierd volledig tot het eigen vermogen van de betrokken echtgenoot behoren, gelet op de noodzaak de integriteit van de eigen vermogens te beschermen en op het mechanisme van wederbelegging (artikel 1404 van het oud Burgerlijk Wetboek), alsook op de exclusiviteit van het beheer door elke echtgenoot van zijn eigen vermogen (artikel 1425 van het oud Burgerlijk Wetboek). Het is bovendien verantwoord dat de met die aandelen verkregen meerwaarde aan het eigen vermogen ten goede komt, in zoverre die meerwaarde deel uitmaakt van de eigen aandelen. B.
- Wanneer de betrokken vennootschap die is waarin de aandeelhoudende echtgenoot zijn beroepsactiviteit uitoefent, dient evenwel rekening te worden gehouden met artikel 1405, 1°), van het oud Burgerlijk Wetboek, krachtens hetwelk de inkomsten uit de beroepsbezigheden van elk van de echtgenoten gemeenschappelijk zijn. Het betreft een fundamenteel kenmerk van het wettelijk huwelijksvermogensstelsel, waarvan de echtgenoten niet kunnen afwijken. Het zou niet aanvaardbaar zijn dat in een dergelijk stelsel de betrokken echtgenoot die zijn beroep uitoefent in het kader van een vennootschap waarvan de aandelen hem volledig eigen zijn, het gemeenschappelijk vermogen de inkomsten uit zijn beroepsactiviteit deels of volledig ontzegt. B.10.
- Krachtens artikel 1432 van het oud Burgerlijk Wetboek is elk van de echtgenoten vergoeding verschuldigd ten belope van de bedragen die hij uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te voldoen en, in het algemeen, telkens als hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen. Zo is er een vergoeding verschuldigd wanneer het gemeenschappelijk vermogen verarmd is ten voordele van het eigen vermogen van een van de echtgenoten (Parl. St., Senaat, B.Z. 1974, nr. 683/2, p. 70). B.10.
- Bij zijn arrest van 29 juni 2017 (ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170629.3), heeft het Hof van Cassatie geoordeeld : 13 « Krachtens artikel 1405 Burgerlijk Wetboek zijn gemeenschappelijk: de inkomsten uit de beroepsbezigheden van elk der echtgenoten, alle inkomsten of vergoedingen die ze vervangen of aanvullen, evenals de inkomsten uit openbare of particuliere mandaten, alsook de vruchten, inkomsten, interesten van hun eigen goederen. Daarentegen zijn volgens artikel 1401 Burgerlijk Wetboek eigen, ongeacht het tijdstip van verkrijging, het literaire, artistieke of industriële eigendomsrecht, het recht op herstel van persoonlijke lichamelijke of morele schade en het recht op een pensioen, lijfrente of soortgelijke uitkering, dat een der echtgenoten alleen bezit. Uit die bepalingen volgt dat de persoonlijke werkkracht en de waarde die ze vertegenwoordigt eigen zijn aan elk van de onder het wettelijk stelsel gehuwde echtgenoten. Hoewel, luidens artikel 221, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, iedere echtgenoot naar zijn vermogen bijdraagt in de lasten van het huwelijk, volgt niet uit die bepaling dat een echtgenoot, voor zover hij voldoet aan de verplichtingen die deze bepaling oplegt, niet de vrije beschikking zou hebben over zijn werkkracht, dat hij die volledig zou moeten besteden aan de opbrengst van inkomsten van gemeenschappelijke aard. Overeenkomstig de artikelen 1432 en 1435 Burgerlijk Wetboek is een echtgenoot slechts vergoeding aan het gemeenschappelijk vermogen verschuldigd, voor zover dat zich heeft verarmd ten voordele van zijn eigen vermogen. De verrijking van het eigen vermogen van een echtgenoot door diens arbeid buiten een professionele context, waarmee, bijgevolg, geen enkele verarming van het gemeenschappelijk vermogen overeenstemt, kan geen aanleiding geven tot vergoeding » (zie ook Cass., 5 september 2013, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130905.4; 30 januari 2014, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140130.2;9 september 2021, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210909.1N.11). A contrario kan uit dit arrest worden afgeleid dat, in het wettelijk huwelijksvermogensstelsel, de verrijking van het eigen vermogen door de inspanningen van een echtgenoot in het kader van een beroepsrelatie, die bijgevolg gepaard gaat met een verarming van het gemeenschappelijk vermogen, aanleiding moet geven tot een vergoeding die verschuldigd is aan het vermogen. B.10.
- De toevoeging bij artikel 22 van de wet van 22 juli 2018 van een nieuwe reden voor vergoeding verschuldigd aan het gemeenschappelijk vermogen (artikel 1432, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek) beoogt de huwelijksvermogensrechtelijke neutraliteit van de beroepsbeoefening via een vennootschap te waarborgen (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2848/001, p. 10). De parlementaire voorbereiding van de wet van 22 juli 2018 vermeldt : 14 « De keuze van een echtgenoot om zijn beroepsactiviteit uit te oefenen binnen of buiten een vennootschap moet huwelijksvermogensrechtelijk neutraal zijn; het mag met name niet mogelijk zijn voor een echtgenoot om zijn beroepsinkomsten aan de gemeenschap te onttrekken door gebruik te maken van een vennootschapsstructuur. Het is dus nodig om hier de regel ‘ piercing the corporate veil ’ toe te passen. De wetgever kan inderdaad niet dulden dat, indien een echtgenoot zijn beroepsactiviteit binnen een eigen vennootschap uitoefent (d.w.z. een vennootschap waarvan de aandelen tot zijn eigen vermogen behoren, omdat hij er geen of slechts beperkt gemeenschapsgeld in heeft gebracht) hij zijn beroepsinkomsten binnen deze vennootschap ook eigen kan maken en als eigen goed kan behouden, en ze zodoende aan hun huwelijksvermogensrechtelijk regime te onttrekken. Beroepsinkomsten die tijdens het huwelijk worden gegenereerd horen in het wettelijk stelsel aan de gemeenschap toe te komen. Een echtgenoot die in gemeenschap is gehuwd, en zijn beroepsactiviteit binnen een vennootschap uitoefent (bijv. een doktersvennootschap), kan huwelijksvermogensrechtelijk niet anders worden behandeld dan een echtgenoot die in gemeenschap is gehuwd, en zijn beroepsactiviteit buiten een vennootschap uitoefent (bijv. in een zelfstandige dokterspraktijk) » (ibid.). Zij vermeldt ook : « Krachtens het principe van de huwelijksvermogensrechtelijke neutraliteit van de beroepsuitoefening via een vennootschap (supra) mag de gemeenschap in het wettelijk stelsel geen nadeel ondergaan van het feit dat de beroepsinkomsten die tijdens het huwelijk worden gegenereerd via een vennootschap worden geïnd. Indien de vermogenswaarde van de aandelen van de vennootschap waarbinnen het beroep wordt uitgeoefend door de werking van het voorgesteld artikel 1401, § 1, 5° BW aan de gemeenschap toekomt, is er wat dat betreft dus geen probleem. Hetgeen van het beroepsinkomen tijdens het huwelijk kan worden opgespaard, maar in de vennootschap blijft, zal aan de gemeenschap ten goede komen via de waarde van de aandelen waarop de gemeenschap gerechtigd is. Indien echter het beroep wordt uitgeoefend binnen een ‘ eigen ’ vennootschap, d.w.z. een vennootschap waarvan de aandelen eigen zijn aan de echtgenoot die het beroep uitoefent, ontstaat wel degelijk het risico dat de gemeenschap inkomsten zou mislopen. De vennootschap zal misschien wel tot uitkeringen overgaan, die aan de beroepsactieve echtgenoot zullen toekomen in de vorm van vergoeding voor arbeidsprestaties, beheerdersvergoeding, tantièmes, dividenden enz. Deze uitkeringen komen dan als beroepsinkomsten of vruchten van eigen goederen de gemeenschap toe, en het huwelijksstelsel zal in die mate ten volle gerespecteerd zijn. Blijkt echter dat de uitkeringen door de vennootschap minimaal waren, omdat de winst niet werd uitgekeerd, en daardoor de professionele activiteit van de echtgenoot-vennoot en beheerder of zaakvoerder, ook niet behoorlijk wordt vergoed, dan ontstaat er voor de gemeenschap wel degelijk schade. Ze ontvangt niet wat haar redelijkerwijze moest toekomen. Hiervoor is dan een vergoeding verschuldigd, zo luidt de nieuwe regel die met dit artikel wordt ingevoerd. 15 Naar gemeen recht geldt hier uiteraard dat het aan de echtgenoot eiser toekomt om het recht op vergoeding en de omvang ervan te bewijzen; hij kan dat bewijs door alle middelen leveren (artikel 1436, tweede lid BW). Hij zal zo nodig moeten kunnen verwijzen naar stukken die van de vennootschap uitgaan en waarvan hij, indien ze niet publiek toegankelijk zijn, de overlegging zal kunnen eisen. De echtgenoot verweerder zal eventueel aantonen dat de vergoedingsvoorwaarden niet vervuld zijn. Hij zal bijvoorbeeld aantonen dat de gemeenschap ‘ redelijkerwijze ’ niet meer inkomsten had mogen verwachten dan hetgeen effectief is uitbetaald. De echtgenoot verweerder in deze vergoedingsvordering zou dus bijvoorbeeld kunnen aantonen dat de uitkeringen die de gemeenschap wel ontving, redelijkerwijze beantwoorden aan het inkomen dat hij had kunnen ontvangen indien hij dezelfde professionele prestaties buiten het verband van een vennootschap had geleverd. Daarbij mag de echtgenoot verweerder dus ook inroepen dat er binnen zijn vennootschap bedrijfseconomische redenen waren, die (eventueel minstens voor bepaalde periodes) verantwoordden dat er niet meer werd uitgekeerd dan wat de gemeenschap daadwerkelijk heeft ontvangen » (ibid., pp. 65-66). B.10.
- Daaruit volgt dat, in de situatie die in de prejudiciële vraag wordt aangevoerd, het eigen vermogen van de echtgenoot die houder is van de aandelen van de vennootschap aan de hand waarvan hij zijn beroepsactiviteit uitoefent aan het gemeenschappelijk vermogen een vergoeding verschuldigd is die gelijk is aan het bedrag waarmee het gemeenschappelijk vermogen is verarmd, dat wil zeggen gelijk aan het bedrag van de inkomsten die het gemeenschappelijk vermogen zou hebben ontvangen indien de beroepsactiviteit niet in het kader van een vennootschap was uitgeoefend. Die vergoeding omvat in principe de meerwaarde die door de aandelen van de vennootschap is verkregen dankzij, hoofdzakelijk, de beroepsactiviteit van de aandeelhoudende echtgenoot tijdens het huwelijk en, a fortiori, de meerwaarde die toe te schrijven is aan de beroepsactiviteit van de andere echtgenoot. De omstandigheid dat die andere echtgenoot tegen vergoeding voor de vennootschap heeft gewerkt, zoals het geval is in het bodemgeschil, leidt niet tot een andere conclusie. Het gemeenschappelijk vermogen heeft immers recht op een vergoeding ten belope van de inkomsten die het ten onrechte is ontzegd – die per definitie hoger zijn dan de daadwerkelijk overgemaakte inkomsten. B.
- Rekening houdend met hetgeen in B.10 is vermeld, zijn de artikelen 1399 tot 1401, 1404 en 1405 van het oud Burgerlijk Wetboek bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 16 Ten aanzien van de tweede en de derde prejudiciële vraag B.
- Het verwijzende rechtscollege stelt een tweede prejudiciële vraag aan het Hof over de bestaanbaarheid van de artikelen 1399 tot 1401, 1404 en 1405 van het oud Burgerlijk Wetboek met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, « in zoverre, terwijl de meerwaarde van aandelen van een vennootschap waarvan een van de in gemeenschap gehuwde echtgenoten de enige eigenaar is en waarin hij zijn activiteit uitoefent, eigen is wanneer hij ze met eigen (al dan niet herbelegde) gelden heeft verkregen, met inbegrip zelfs van de meerwaarde die voortvloeit uit de arbeid van de andere echtgenoot en zelfs die welke voortvloeit uit de nieuwe bedrijfstak die enkel dankzij het kwalificerend diploma van de andere echtgenoot is verworven, zij gemeenschappelijk is in alle andere gevallen, zelfs al vloeit zij telkens (op zijn minst) uit de arbeid van de betrokken echtgenoot voort ». Het verwijzende rechtscollege stelt een derde prejudiciële vraag aan het Hof over de bestaanbaarheid van de artikelen 1399 tot 1401, 1404 en 1405 van het oud Burgerlijk Wetboek met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, « in zoverre de meerwaarde van de aandelen van een vennootschap (ook de nieuwe bedrijfstak) waarvan een van de in gemeenschap gehuwde echtgenoten de enige eigenaar is en waarin hij zijn activiteit uitoefent, gemeenschappelijk is zodra die aandelen door de gemeenschap zijn gefinancierd, en zulks zelfs wanneer de andere echtgenoot nooit erin heeft deelgenomen, terwijl die meerwaarde dat niet is wanneer dezelfde aandelen met het eigen vermogen van de betrokken echtgenoot zijn gefinancierd, en zulks zelfs wanneer de andere echtgenoot erin heeft deelgenomen (in verhoudingen die nog moeten worden vastgesteld) (met andere woorden, de gehele meerwaarde wordt uitgesloten, zelfs die welke voortvloeit uit de nieuwe bedrijfstak die enkel dankzij het kwalificerend diploma van de andere echtgenoot is verworven) ». B.
- Rekening houdend met hetgeen in B.10 is vermeld en met het feit dat zij in wezen hetzelfde verschil in behandeling betreffen als dat welk in de eerste prejudiciële vraag is aangevoerd, behoeven de tweede en de derde prejudiciële vraag geen antwoord. 17 Ten aanzien van de vierde prejudiciële vraag B.
- Het verwijzende rechtscollege stelt een vierde prejudiciële vraag aan het Hof over de bestaanbaarheid van artikel 1432 van het oud Burgerlijk Wetboek, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 1399 tot 1401, 1404 en 1405 van het oud Burgerlijk Wetboek, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, « in zoverre het begrip ‘ persoonlijk voordeel ’ als ‘ inkomensderving voor de gemeenschap ’ (wat het eerste lid betreft) wordt geïnterpreteerd en in zoverre de vergoeding wordt beperkt tot de nettoberoepsinkomsten die het gemeenschappelijk vermogen niet heeft ontvangen en redelijkerwijze had kunnen ontvangen indien het beroep niet binnen die vennootschap was uitgeoefend (wat het tweede lid betreft), terwijl, zelfs indien de gemeenschap enkel de aandelen van de vennootschap van de aandeelhoudende echtgenoot waarin hij zijn activiteit uitoefende, had gefinancierd, de op de dag van de ontbinding van de huwelijksband bestaande meerwaarde gemeenschappelijk zou zijn, zelfs zonder enig inkomensverlies of enige inkomensderving voor de gemeenschap ». B.
- Het verschil in behandeling betreft, in het kader van het wettelijk stelsel, enerzijds, de echtgenoot van wie de andere echtgenoot zijn beroepsactiviteit uitoefent binnen een vennootschap die eigen is aan die laatste en, anderzijds, de echtgenoot van wie de andere echtgenoot zijn beroepsactiviteit uitoefent binnen een vennootschap die gemeenschappelijk is aangezien zij door de gemeenschap werd gefinancierd. In het eerste geval behoort de meerwaarde die door de aandelen van de vennootschap is verkregen tot het eigen vermogen van de aandeelhoudende echtgenoot en is enkel een vergoeding aan het gemeenschappelijk vermogen verschuldigd indien de gemeenschap een verlies heeft geleden of haar inkomsten werden ontzegd, terwijl, in het tweede geval, de meerwaarde tot het gemeenschappelijk vermogen behoort, « zelfs zonder enig inkomensverlies of enige inkomensderving voor de gemeenschap ». B.
- Het verschil in behandeling steunt op een objectief criterium, namelijk het eigen of gemeenschappelijke karakter van de vennootschap waarin een echtgenoot zijn beroepsactiviteit uitoefent. B.
- Het is redelijk verantwoord dat, indien de vennootschap eigen is aan een echtgenoot, een verarming van het gemeenschappelijk vermogen moet worden aangetoond opdat aan die laatste een vergoeding verschuldigd zou zijn en dat daarentegen, indien de vennootschap 18 gemeenschappelijk is, aangezien de meerwaarde gemeenschappelijk is, het niet nodig is de verarming van een vermogen ten gunste van een ander te bewijzen. In dat laatste geval heeft immers geen enkel vermogen zich verrijkt ten koste van een ander. B.
- Rekening houdend met hetgeen in B.10 is vermeld, is artikel 1432 van het oud Burgerlijk Wetboek bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Ten aanzien van de vijfde prejudiciële vraag B.
- Het verwijzende rechtscollege stelt een vijfde prejudiciële vraag aan het Hof over de bestaanbaarheid van de artikelen 1399 tot 1401, 1404 en 1405 van het oud Burgerlijk Wetboek, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, « in die zin geïnterpreteerd dat, in gemeenschap, de meerwaarde van een eigen goed (hier de aandelen van een vennootschap die aan een van de echtgenoten die er zijn activiteit uitoefent, geheel alleen toebehoort) hem door waardevermeerdering eveneens geheel eigen is, […] terwijl hiermee bij de vereffening- verdeling van echtgenoten die zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen met verrekening van aanwinsten, een minder gemeenschappelijk stelsel, rekening wordt gehouden met toepassing van de artikelen 2.3.65, 2.3.66, 2.3.67 en 2.3.68 van het Burgerlijk Wetboek in alle gevallen (arbeid of niet van de echtgenoot die de aandelen niet bezit) ». B.
- De vijfde prejudiciële vraag verzoekt personen die zijn onderworpen aan de bepalingen van het oud Burgerlijk Wetboek te vergelijken met personen die zijn onderworpen aan de bepalingen van het nieuw Burgerlijk Wetboek. Om na te gaan of het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wordt nageleefd, is het echter niet pertinent om twee wetgevingen te vergelijken die op verschillende momenten van toepassing waren. B.
- De artikelen 1399 tot 1401, 1404 en 1405 van het oud Burgerlijk Wetboek zijn bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 19 Ten aanzien van de zesde prejudiciële vraag B.
- Het verwijzende rechtscollege stelt een zesde prejudiciële vraag aan het Hof over de bestaanbaarheid van de artikelen 1399 tot 1401, 1404, 1405 en 1417 van het oud Burgerlijk Wetboek met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, « in zoverre in een stelsel van gemeenschap het onderscheid ‘ titre – finance ’ in alle gevallen op het cliënteel van toepassing is (het recht op cliënteel is altijd eigen, de waarde van het cliënteel, dat in voorkomend geval wordt beperkt tot het cliënteel dat tijdens het huwelijk is opgebouwd of verworven, is altijd gemeenschappelijk), terwijl dat onderscheid slechts geldt voor de waardevermeerdering tijdens het huwelijk van aandelen van een vennootschap waarin de echtgenoot-eigenaar zijn activiteit uitoefent, aandelen die met gemeenschappelijke gelden zijn verkregen, bovendien zonder rekening te houden noch met de deelneming van de andere echtgenoot (in verhoudingen die nog moeten worden vastgesteld), noch met de nieuwe bedrijfstak die enkel dankzij het kwalificerend diploma van de andere echtgenoot is verworven ». B.23.
- Het onderzoek van de bestaanbaarheid van een wetsbepaling met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, gewaarborgd door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, veronderstelt onder meer de precieze identificatie van de categorieën van personen die het voorwerp uitmaken van een verschillende of een gelijke behandeling. De bewoordingen van de prejudiciële vraag waarin het Hof wordt verzocht een dergelijk onderzoek – en minstens de motieven van de verwijzingsbeslissing – te verrichten, moeten dus de elementen bevatten die voor die identificatie nodig zijn. Het staat niet aan het Hof de grondwettigheid te onderzoeken van een verschil in behandeling of van een gelijke behandeling van twee categorieën van personen waarvan het zelf de contouren zou moeten bepalen. B.23.
- Aangezien de te vergelijken categorieën van personen niet duidelijk in het verwijzingsvonnis zijn geïdentificeerd, is de zesde prejudiciële vraag onontvankelijk. 20 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Rekening houdend met hetgeen in B.10 is vermeld, schenden de artikelen 1399 tot 1401, 1404, 1405 en 1432 van het oud Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. - De tweede en de derde prejudiciële vraag behoeven geen antwoord. - De zesde prejudiciële vraag is onontvankelijk. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 5 maart
- De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.025 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130905.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140130.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170629.3 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210909.1N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div