← België

ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 05 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.026 Arrest- Rolnummer: 26/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-03-16 Raadplegingen: 627 - laatst gezien 2026-06-18 19:53 Versie(s): Versie FR Fiche Schending (artikel 14 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004, in zoverre het de vergoeding van schade voortvloeiend uit het verlies van een kans, zoals bedoeld in de artikelen 1382, 1383 en 1384 van het oud Burgerlijk Wetboek, buiten beschouwing laat) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 14 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 « tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap », gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Vlaamse Gemeenschap - Personen met een handicap - Schade - Vergoeding - Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap - Subrogatierecht - Uitsluiting - Verlies van een kans Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 26/2026 van 5 maart 2026 Rolnummer : 8497 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 14 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 « tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap », gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Joséphine Moerman, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 27 mei 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 11 juni 2025, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 14 van het Decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van een intern verzelfstandigd Agentschap voor Personen met een Handicap, in samenhang gelezen met de artikelen 1382, 1383 en 1384 van het Oud Burgerlijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, inhoudende een verbod op discriminatie, wanneer ze zo geïnterpreteerd worden dat het VAPH die uitkeringen en tegemoetkomingen betaalt aan een persoon met een handicap, zijnde een slachtoffer van een schadegeval waarvoor een derde aansprakelijk is, waarbij de schade van deze persoon wordt omschreven als het verlies van een kans, haar niet kan verhalen op de derde aansprakelijke, terwijl zij wel over deze mogelijkheid beschikt, indien een persoon met een handicap het slachtoffer is van een schadegeval waarvoor een derde aansprakelijk is en de schade bestaat uit het oplopen van blijvende ongeschiktheden en daaruit voortvloeiende schadeposten, terwijl in beide gevallen de gezondheidssituatie van deze persoon dezelfde is, terwijl er in beide gevallen een derde aansprakelijke is en terwijl in beide gevallen dezelfde tegemoetkomingen en uitkeringen worden uitbetaald door het VAPH ». 2 Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de Europese vennootschap « MSIG Europe », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Luc Schuermans en mr. Tom Hens, advocaten bij de balie van Antwerpen, en door mr. Ivan Coppens en mr. Michèle Dumont, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen; - het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Dirk Abbeloos en mr. Ellen Horta, advocaten bij de balie te Dendermonde; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Evelyne Lozie Maes en mr. Brecht Vroonen, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 14 januari 2026 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Joséphine Moerman en Emmanuelle Bribosia te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Door een medische fout bij zijn geboorte loopt een persoon onomkeerbare hersenschade op. In afwachting van een definitieve regeling met de verzekeraar van de betrokken arts verleent het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (hierna : het VAPH) verschillende tegemoetkomingen aan het slachtoffer van de medische fout. Op grond van artikel 14 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 « tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap » (hierna : het decreet van 7 mei 2004) vordert het VAPH die tegemoetkomingen terug van de verzekeraar van de betrokken arts. De verzekeraar weigert te betalen en wijst erop dat de arts enkel is veroordeeld tot vergoeding van het verlies van een kans op een geboorte zonder hersenschade en dat die veroordeling niet dezelfde schade betreft als de schade waarvoor het VAPH tegemoetkomingen verleent. Bij een vonnis van 30 maart 2020 oordeelt de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, dat het VAPH het bij artikel 14 van het decreet van 7 mei 2004 geregelde subrogatierecht wel degelijk kan uitoefenen. Bij een arrest van 24 februari 2022 oordeelt ook het Hof van Beroep te Gent dat het VAPH het subrogatierecht kan uitoefenen, omdat anders erover oordelen zou leiden tot een ongrondwettigheid. Het Hof van Beroep verwijst daarbij naar het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 42/2017 van 30 maart 2017 (ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.042). Bij een arrest van 5 mei 2023 (ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230505.1N.5) vernietigt het Hof van Cassatie het voormelde arrest van het Hof van Beroep te Gent, omdat bij het arrest nr. 42/2017 van het Grondwettelijk Hof niet werd geoordeeld over artikel 14 van het decreet van 7 mei 2004, maar over artikel 136, § 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli

  1. Het Hof van Cassatie oordeelt dat het niet toekomt aan het Hof van Beroep te Gent om artikel 14 van 3 het decreet van 7 mei 2004 te toetsen aan de Grondwet en verwijst de zaak door naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Alvorens ten gronde uitspraak te doen, acht het Hof van Beroep te Antwerpen het noodzakelijk de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. III. In rechte -A- A.1.
  2. De Vlaamse Regering wijst erop dat het verwijzende rechtscollege de in het geding zijnde bepalingen in die zin interpreteert dat het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (hierna : het VAPH) op grond van zijn subrogatierecht de door hem toegekende uitkeringen en tegemoetkomingen niet kan verhalen op de derde aansprakelijke wanneer de schade voortvloeit uit een verlies van een kans. Zij wijst erop dat die interpretatie is gebaseerd op een arrest van het Hof van Cassatie van 23 september 2013, waarbij dat Hof het verlies van een kans heeft gekwalificeerd als een afzonderlijke categorie van schade, die dient te worden onderscheiden van de werkelijk geleden schade, en waarbij werd geoordeeld dat het verlies van een kans op herstel van de arbeidsongeschiktheid geen schade vormt zoals bedoeld in artikel 136, § 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna : de ZIV-Wet) (Cass., 23 september 2013, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130923.2). Uit dat arrest volgt eveneens dat het subrogatierecht bedoeld in artikel 136, § 2, vierde lid, van de ZIV-Wet geen betrekking heeft op de vergoeding wegens een verlies van een kans. A.1.
  3. De Vlaamse Regering wijst vervolgens erop dat het Grondwettelijk Hof bij zijn arrest nr. 42/2017 van 30 maart 2017 (ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.042) heeft geoordeeld dat artikel 136, § 2, van de ZIV-Wet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het de vergoeding van schade voortvloeiend uit het verlies van een kans, zoals bedoeld in de artikelen 1382, 1383 en 1384 van het oud Burgerlijk Wetboek, buiten beschouwing laat. Bij dat arrest heeft het Hof ook geoordeeld dat artikel 136, § 2, van de ZIV-Wet niet op een grondwetsconforme wijze kan worden geïnterpreteerd zonder afbreuk te doen aan de zelfstandige betekenis van de schade die bestaat in het verlies van een kans. Het Hof heeft aangegeven dat het aan de wetgever staat de vastgestelde ongrondwettigheid weg te werken, in afwachting waarvan de rechter naargelang van de omstandigheden de subrogatie of het recht van terugvordering dient toe te staan. A.1.
  4. Volgens de Vlaamse Regering heeft de wetgever ondertussen de bij het arrest nr. 42/2017 van het Hof vastgestelde ongrondwettigheid weggewerkt, meer bepaald bij het aannemen van artikel 6.22 van het Burgerlijk Wetboek. De wetgever heeft volgens haar ervoor gekozen de grondslag van de theorie betreffende de schade door verlies van een kans te wijzigen. De vergoeding voor het verlies van een kans wordt niet meer beschouwd als een afzonderlijke categorie van schade, maar wordt voortaan ondergebracht in de regels inzake het oorzakelijk verband. Dat blijkt uit het feit dat artikel 6.22 deel uitmaakt van hoofdstuk 3 (« Oorzakelijk verband ») van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, evenals uit de parlementaire voorbereiding. Uit de parlementaire voorbereiding leidt de Vlaamse Regering af dat de wetgever van oordeel is geweest dat het conceptuele schadebegrip van het verlies van een kans een artificiële omweg was, die best achterwege wordt gelaten. Uit artikel 6.22 van het Burgerlijk Wetboek vloeit volgens haar voort dat de vergoeding voor het verlies van een kans geen vergoeding meer is die verschilt van de vergoedingen zoals bedoeld in de socialezekerheidswetgeving. Niet het verlies van een kans wordt vergoed, maar het nadeel waarop de kans betrekking heeft. Daaruit vloeit volgens haar ook voort dat het voormelde arrest van het Hof van Cassatie van 23 september 2013 niet meer van toepassing is. A.2.
  5. De Vlaamse Regering is in hoofdorde van mening dat de in het geding zijnde bepalingen, ten gevolge van artikel 6.22 van het Burgerlijk Wetboek, grondwetsconform kunnen worden geïnterpreteerd en dat de prejudiciële vraag, in die interpretatie, ontkennend dient te worden beantwoord. Die grondwetsconforme interpretatie houdt in dat artikel 14 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 « tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap » (hierna : het decreet van 7 mei 2004), dat is geïnspireerd op artikel 136, § 2, van de ZIV-Wet, ook van toepassing is bij de vergoeding voor het verlies van een kans. 4 A.2.
  6. De omstandigheid dat artikel 6.22 van het Burgerlijk Wetboek pas in werking is getreden op 1 januari 2025 en die bepaling aldus niet van toepassing is in de zaak die hangende is voor het verwijzende rechtscollege, vormt volgens de Vlaamse Regering geen beletsel voor de voormelde grondwetsconforme interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen. Dat de vergoeding voor het verlies van een kans voorheen als een afzonderlijke categorie van schade diende te worden beschouwd, vloeide volgens haar niet voort uit de tekst van de artikelen 1382, 1383 en 1384 van het oud Burgerlijk Wetboek, maar uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie. De in het geding zijnde bepalingen kunnen bijgevolg zo worden geïnterpreteerd dat het verlies van een kans deel uitmaakt van de regels inzake het oorzakelijk verband, gelet op de nieuwe grondslag die de wetgever heeft gegeven aan het verlies van een kans. A.
  7. Indien het Hof van oordeel zou zijn dat de in het geding zijnde bepalingen niet grondwetsconform kunnen worden geïnterpreteerd, verzoekt de Vlaamse Regering het Hof om het verwijzende rechtscollege de mogelijkheid toe te kennen, zoals is gebeurd bij het voormelde arrest nr. 42/2017, de subrogatie bedoeld in artikel 14 van het decreet van 7 mei 2004 toe te staan. Bovendien verzoekt de Vlaamse Regering het Hof om in voorkomend geval te erkennen dat artikel 14 van het decreet van 7 mei 2004, in samenhang gelezen met artikel 6.22 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. Het is immers volgens haar niet dienstig om de decreetgever aan te manen de vastgestelde ongrondwettigheid te verhelpen, daar de federale wetgever reeds in een oplossing heeft voorzien. A.4.
  8. Het VAPH is van oordeel dat de in het geding zijnde bepalingen, zoals geïnterpreteerd door het verwijzende rechtscollege, niet bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en dat de prejudiciële vraag aldus bevestigend dient te worden beantwoord. A.4.
  9. Het VAPH verwijst naar het voormelde arrest nr. 42/2017, waarbij het Hof zich heeft uitgesproken over artikel 136, § 2, van de ZIV-Wet, en doet daarbij gelden dat zijn situatie juridisch en feitelijk vergelijkbaar is met de situatie van de ziekenfondsen, zoals geregeld in dat artikel. Het VAPH wijst erop dat het subrogatierecht in beide situaties tot doel heeft te voorkomen dat de betrokken instanties (het VAPH en de ziekenfondsen) kosten moeten dragen die normaliter ten laste vallen van anderen. Beide regelingen hebben ook tot doel te voorkomen dat vergoedingen worden gecumuleerd. Het VAPH is van mening dat, indien ervan moet worden uitgegaan dat het subrogatierecht niet kan worden uitgeoefend in geval van een vergoeding wegens het verlies van een kans, een verschil in behandeling in het leven wordt geroepen, dat niet redelijk is verantwoord, tussen het VAPH en de ziekenfondsen. Bovendien zou een dergelijke regeling de financiële draagkracht van het VAPH aantasten, doordat kosten dienen te worden gedragen die voortvloeien uit fouten van derden. Een dergelijke regeling zou ook met zich meebrengen dat het slachtoffer verschillende vergoedingen kan cumuleren, wat ingaat tegen de doelstelling van artikel 14 van het decreet van 7 mei
  10. Om zijn standpunt te ondersteunen, verwijst het VAPH naar rechtspraak en rechtsleer. A.5.
  11. De Europese vennootschap « MSIG Europe » is van mening dat de in het geding zijnde bepalingen, in de interpretatie van het verwijzende rechtscollege, bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.5.
  12. Zij zet uiteen dat het verlies van een kans op het verwerven van een voordeel of op het vermijden van een nadeel een specifieke soort van schade betreft die verschilt van het verloren voordeel of het geleden nadeel waarop de kans betrekking heeft. De schadevergoeding die de benadeelde voor het verlies van een kans ontvangt, is geen gedeeltelijke vergoeding van de werkelijk geleden schade, maar een integrale vergoeding van de verloren gegane kans. De vergoeding voor het verlies van een kans en de uitkeringen van het VAPH betreffen niet dezelfde schade, daar de uitkeringen van het VAPH niet ertoe strekken de schade wegens het verlies van een kans te vergoeden. Het verlies van een kans op een geboorte zonder hersenletsel is aldus geen schade zoals bedoeld in artikel 14, vierde lid, van het decreet van 7 mei 2004, waardoor het VAPH niet in de plaats kan treden van de persoon met een handicap teneinde de uitgekeerde bedragen terug te vorderen van de persoon die voor de schade van de persoon met een handicap aansprakelijk is. In zoverre de Vlaamse Regering en het VAPH verwijzen naar bepalingen van het nieuw aangenomen Burgerlijk Wetboek, wijst de Europese vennootschap « MSIG Europe » erop dat die bepalingen niet van toepassing zijn op het geschil dat hangende is voor het verwijzende rechtscollege. A.5.
  13. Het in de prejudiciële vraag beoogde verschil in behandeling berust volgens de Europese vennootschap « MSIG Europe » op een objectief criterium dat evenredig is ten aanzien van de nagestreefde doelstelling die erin bestaat personen met een handicap te ondersteunen ter bevordering van hun maatschappelijke integratie en hun participatie aan de samenleving. Volgens haar verhindert niets het VAPH een eigen vordering wegens eigen schade in te stellen tegen de persoon die aansprakelijk is voor de schade. Uit het decreet van 7 mei 2004 blijkt immers dat de tegemoetkomingen van het VAPH niet definitief voor rekening van dat agentschap 5 moeten blijven. Daaruit volgt volgens haar ook dat het VAPH niet dient te beschikken over een subrogatierecht. Daar de vergoeding die de benadeelde ontvangt wegens het verlies van een kans andere schade vergoedt dan die waarop de tegemoetkoming van het VAPH betrekking heeft, is er bovendien geen sprake van een ongerechtvaardigde cumulatie van vergoedingen ten voordele van de benadeelde. In voorkomend geval staat het aan de rechter om overlap tussen de vergoedingen te voorkomen. A.5.
  14. In zoverre de Vlaamse Regering en het VAPH verwijzen naar het arrest nr. 42/2017 van het Hof, is de Europese vennootschap « MSIG Europe » van mening dat de in dat arrest vervatte overwegingen met betrekking tot artikel 136, § 2, van de ZIV-Wet niet mutatis mutandis gelden voor artikel 14 van het decreet van 7 mei
  15. Zij wijst in dat kader erop dat het VAPH geen socialezekerheidsinstelling is. A.6.
  16. Met betrekking tot het argument van de Europese vennootschap « MSIG Europe » dat het VAPH een eigen vordering wegens eigen schade kan instellen tegen de persoon die aansprakelijk is voor de schade, antwoordt de Vlaamse Regering dat de Ministerraad in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest nr. 42/2017 van het Hof een soortgelijk argument heeft aangevoerd, maar dat het Hof niettemin tot een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet heeft besloten. Zij is bovendien van mening dat de rechtspraak van het Hof van Cassatie niet in die mate duidelijk is dat zonder twijfel kan worden gesteld dat het VAPH wel degelijk over een eigen vordering beschikt. Zij wijst ook erop dat een eigen vorderingsrecht niet zonder meer gelijk te stellen is aan een subrogatierecht. Een subrogatierecht kan bijvoorbeeld bij de strafrechter worden uitgeoefend wanneer de schade door een misdrijf werd veroorzaakt, terwijl dat niet het geval is voor het eigen vorderingsrecht. A.6.
  17. Het VAPH antwoordt dat het geen eigen recht op schadevergoeding heeft dat losstaat van de situatie van de schadelijder en dat het enkel beschikt over een subrogatierecht. Zij betwist dat de rechtspraak van het Hof van Cassatie waarop de Europese vennootschap « MSIG Europe » zich beroept te dezen toepassing kan vinden. Zij wijst ook erop dat de rechtsleer zich kritisch opstelt ten aanzien van het zogenaamde eigen vorderingsrecht in de bedoelde context. -B- B.1.
  18. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de regeling van het subrogatierecht waarover het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (hierna : het VAPH) beschikt teneinde de prestaties die het aan een persoon met een handicap heeft verleend, te verhalen op de derde die schadevergoeding verschuldigd is aan de persoon met een handicap. Die vraag heeft meer in het bijzonder betrekking op de situatie waarin de schade die de derde dient te vergoeden, bestaat in het verlies van een kans. B.1.
  19. Uit de formulering van de prejudiciële vraag, evenals uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, blijkt dat het verwijzende rechtscollege dient te oordelen over een geschil waarop, wat de aansprakelijkheidsaspecten ervan betreft, de bepalingen van het oud Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn. B.2.
  20. Artikel 1382 van het oud Burgerlijk Wetboek bepaalt : 6 « Elke daad van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, verplicht degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden ». Artikel 1383 van dat Wetboek bepaalt : « Ieder is aansprakelijk niet alleen voor de schade welke hij door zijn daad, maar ook voor die welke hij door zijn nalatigheid of door zijn onvoorzichtigheid heeft veroorzaakt ». Artikel 1384 van dat Wetboek bepaalt : « Men is aansprakelijk niet alleen voor de schade welke men veroorzaakt door zijn eigen daad maar ook voor die welke veroorzaakt wordt door de daad van personen voor wie men moet instaan, of van zaken die men onder zijn bewaring heeft. De vader en de moeder zijn aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door hun minderjarige kinderen. De meesters en zij die anderen aanstellen, voor de schade door hun dienstboden en aangestelden veroorzaakt in de bediening waartoe zij hen gebezigd hebben. De onderwijzers en de ambachtslieden, voor de schade door hun leerlingen en leerjongens veroorzaakt gedurende de tijd dat deze onder hun toezicht staan. De hierboven geregelde aansprakelijkheid houdt op, indien de ouders, onderwijzers en ambachtslieden bewijzen dat zij de daad welke tot die aansprakelijkheid aanleiding geeft, niet hebben kunnen beletten ». B.2.
  21. Uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie met betrekking tot de voormelde artikelen van het oud Burgerlijk Wetboek blijkt dat de werkelijk geleden schade moet worden onderscheiden van de schade die bestaat in het verlies van een kans. De vaststelling dat de werkelijk geleden schade niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat geen zeker oorzakelijk verband bestaat tussen de fout en de werkelijke schade, sluit niet uit dat het verlies van een kans wordt vergoed indien een zeker oorzakelijk verband bestaat tussen de fout en de verloren gegane kans. Die kans heeft aldus een eigen economische waarde. Zij verschilt van andere onderdelen van de voor vergoeding in aanmerking komende schade doordat ermee wordt verwezen naar een toekomstig, doch slechts waarschijnlijk voordeel. De benadeelde kan aldus schadevergoeding verkrijgen voor het verlies van een kans ook al zou zonder de fout het verhoopte resultaat niet met zekerheid zijn verkregen. Het volstaat 7 daarvoor dat tussen de fout en het verlies van een kans een noodzakelijk verband bestaat en dat het verlies een reële kans betreft. De vergoeding bestaat niet in het volledige bedrag van het uiteindelijk geleden nadeel of het verloren voordeel, maar in de eigen economische waarde van de verloren gegane kans (Cass., 15 mei 2015, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150515.2; 21 april 2016, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160421.8). De schadevergoeding die de benadeelde voor het verlies van een kans ontvangt, is bijgevolg geen gedeeltelijke vergoeding van de werkelijk geleden schade, maar een integrale vergoeding van de verloren gegane kans. De economische waarde van die kans wordt doorgaans bepaald door het voordeel dat de benadeelde mocht verwachten wanneer de kans werkelijkheid wordt, te vermenigvuldigen met de graad van waarschijnlijkheid van verwezenlijking van de kans. B.3.
  22. Volgens artikel 4, § 1, eerste lid, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 « tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap » (hierna : het decreet van 7 mei 2004) heeft het VAPH als missie de maatschappelijke integratie en de participatie aan de samenleving van personen met een handicap te bevorderen, door ondersteuning te verlenen waardoor ze hun autonomie en kwaliteit van leven kunnen optimaliseren. B.3.
  23. Artikel 14 van het decreet van 7 mei 2004 bevat een algemene regeling betreffende de tegemoetkomingen van het VAPH in de situatie waarin de persoon met een handicap krachtens andere wetgeving recht heeft op schadeloosstelling voor dezelfde schade en op grond van dezelfde handicap. Artikel 14 van het decreet van 7 mei 2004 bepaalt : « Een persoon met een handicap krijgt geen tegemoetkoming van het agentschap als hij krachtens andere wetten, decreten met uitzondering van het decreet houdende de organisatie van de zorgverzekering, ordonnanties of reglementaire bepalingen, of krachtens gemeen recht, voor dezelfde schade en op grond van dezelfde handicap al een schadeloosstelling heeft gekregen. De persoon met een handicap moet zijn aanspraak op deze schadeloosstelling doen gelden. 8 Als deze schadeloosstelling minder bedraagt dan de tegemoetkoming van het agentschap, dan past het agentschap het verschil bij. De Vlaamse Regering kan bepalen dat sommige delen van de schadeloosstelling niet of slechts gedeeltelijk in aanmerking worden genomen om het verschil bij te passen. De Vlaamse Regering houdt daarbij in het bijzonder rekening met de aard en de duur van de materiële of immateriële hulp- en dienstverlening aan de persoon met een handicap en kan daarvoor de voorwaarden vaststellen. In afwachting van de daadwerkelijke schadeloosstelling krachtens andere wetten, decreten, ordonnanties of reglementaire bepalingen of krachtens gemeen recht, worden de tegemoetkomingen van het agentschap toegekend onder de door de Vlaamse regering vastgestelde voorwaarden. Het agentschap treedt, ten belope van het bedrag van de aan een persoon met een handicap uitgekeerde tegemoetkoming, in diens rechten en rechtsvorderingen tegen de derden die de schadeloosstelling, bedoeld in het derde lid, verschuldigd zijn. De overeenkomst tussen de persoon met een handicap en de derde die de schadeloosstelling moet betalen, is niet tegenstelbaar aan het agentschap, behalve als het agentschap met de overeenkomst akkoord gaat. Daarbij speelt het geen enkele rol of de overeenkomst dateert van voor of na de tussenkomst van het agentschap. Evenmin heeft het feit dat de persoon met een handicap of de derde bij de overeenkomst te goeder trouw handelde, invloed op de geldigheid van de overeenkomst ten aanzien van het agentschap ». B.3.
  24. Uit die bepaling volgt dat een persoon met een handicap geen tegemoetkoming van het VAPH kan krijgen als hij krachtens de artikelen 1382, 1383 of 1384 van het oud Burgerlijk Wetboek, voor dezelfde schade en op grond van dezelfde handicap, al een schadeloosstelling heeft verkregen. Wanneer de schadeloosstelling krachtens het gemeen recht nog niet werd verkregen, kan het VAPH, onder de door de Vlaamse Regering vastgestelde voorwaarden, evenwel tegemoetkomingen toekennen in afwachting van die schadeloosstelling. In dat geval treedt het VAPH, ten belope van het bedrag van de aan een persoon met een handicap uitgekeerde tegemoetkoming, in diens rechten en rechtsvorderingen tegen de derden die de schadeloosstelling verschuldigd zijn. B.4.
  25. Uit de formulering van de prejudiciële vraag blijkt dat het verwijzende rechtscollege het in artikel 14, vierde lid, van het decreet van 7 mei 2004 geregelde subrogatierecht in die zin interpreteert dat het VAPH de aan een persoon met een handicap toegekende uitkeringen en tegemoetkomingen niet kan verhalen op de derde aansprakelijke wanneer de schade die de derde dient te vergoeden, wordt omschreven als een verlies van een kans. 9 B.4.
  26. De voormelde interpretatie van artikel 14, vierde lid, van het decreet van 7 mei 2004 is gebaseerd op een arrest van 23 september 2013 van het Hof van Cassatie dat betrekking had op artikel 136, § 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna : de ZIV-Wet) (Cass., 23 september 2013, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130923.2). Artikel 136, § 2, van de ZIV-Wet voorziet met betrekking tot de erin bedoelde prestaties in een regeling die soortgelijk is aan die welke is vervat in artikel 14 van het decreet van 7 mei
  27. Dat artikel 136, § 2, verleent, in bewoordingen die soortgelijk zijn aan die van artikel 14 van het decreet van 7 mei 2004, aan de in de ZIV-Wet bedoelde verzekeringsinstellingen een subrogatierecht teneinde de prestaties die zij, in afwachting van de schadeloosstelling krachtens het gemeen recht, hebben verleend, te verhalen op de aansprakelijke derde. B.4.
  28. Bij zijn arrest van 23 september 2013 heeft het Hof van Cassatie geoordeeld : «
  29. De in artikel 136, § 2, ZIV-wet bedoelde schade wegens arbeidsongeschiktheid bestaat in het verlies of de vermindering van het vermogen om, door het verrichten van arbeid, inkomsten te verwerven die tot het levensonderhoud kunnen bijdragen. Dit is dezelfde schade als die waarop de gemeenrechtelijke vergoeding voor arbeidsongeschiktheid betrekking heeft.
  30. Degene die schadevergoeding vordert moet bewijzen dat er tussen de fout en de schade, zoals die zich heeft voorgedaan, een oorzakelijk verband bestaat. Dit verband veronderstelt dat, zonder de fout, de schade niet had kunnen ontstaan, zoals ze zich heeft voorgedaan. De rechter kan vergoeding toekennen voor het verlies van een kans op het verwerven van een voordeel of het vermijden van een nadeel indien het verlies van deze kans te wijten is aan een fout. Enkel de economische waarde van de verloren gegane kans komt voor vergoeding in aanmerking. Deze waarde kan niet bestaan uit het volledige bedrag van het uiteindelijk geleden nadeel of het verloren voordeel.
  31. Hieruit volgt dat het verlies van een kans op herstel van de arbeidsongeschiktheid geen schade is zoals bedoeld in artikel 136, § 2, ZIV-wet.
  32. De appelrechters oordelen dat : - de schade van de eiser volgens het tussenarrest van 18 september 2006 bestaat in het verlies van een kans op functioneel herstel; 10 - de omvang van het verlies van deze kans moet vastgesteld worden op 43 % ingevolge de onzorgvuldigheden van dr. D. en de derde verweerder en op 33 % ingevolge de onzorgvuldigheden van de tweede verweerder; - de werkelijke schade van de eiser wegens inkomstenverlies voor de periode tijdelijke arbeidsongeschiktheid 44.612,33 euro en voor de periode van blijvende arbeidsongeschiktheid 449.250,74 euro, hetzij samen 498.863,06 [lees : 493.863,06] euro, bedraagt; - de schadevergoeding verschuldigd voor het inkomstenverlies van de eiser ingevolge het verlies van een kans dient bepaald te worden op 493.863,06 euro x 43 %, hetzij 212.361,11 euro; - de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten uitkeringen tot beloop van 250.075,28 euro heeft verricht aan de eiser.
  33. De appelrechters die in die omstandigheden oordelen dat de vergoeding voor inkomstenverlies volledig toekomt aan het ziekenfonds omdat het om één en dezelfde schade gaat en het feit dat het verlies van een kans hier vergoedbare schade vormt, daaraan geen afbreuk doet, verantwoorden hun beslissing niet naar recht ». B.4.
  34. Uit dat arrest van het Hof van Cassatie vloeit voort dat de economische waarde van de verloren gegane kans een andere schade betreft dan de schade wegens arbeidsongeschiktheid die de verzekeringsinstelling heeft vergoed zodat die verzekeringsinstelling niet in de plaats kan treden van de verzekerde teneinde de uitgekeerde bedragen terug te vorderen van de personen die voor de schade van de verzekerde aansprakelijk zijn. B.4.
  35. Naar analogie daarmee gaat het verwijzende rechtscollege, in de te dezen aan het Hof gestelde prejudiciële vraag, ervan uit dat de economische waarde van de verloren gegane kans een andere schade betreft dan de werkelijk geleden schade die het VAPH heeft vergoed, zodat dat agentschap niet in de plaats kan treden van de persoon met een handicap teneinde de toegekende uitkeringen en tegemoetkomingen terug te vorderen van de personen die voor de schade aansprakelijk zijn. B.
  36. Het verwijzende rechtscollege wenst van het Hof te vernemen of artikel 14 van het decreet van 7 mei 2004, in samenhang gelezen met de artikelen 1382, 1383 en 1384 van het oud Burgerlijk Wetboek, in de voormelde interpretatie, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het VAPH, wanneer het uitkeringen en tegemoetkomingen betaalt aan een persoon met een handicap die het slachtoffer is van een schadegeval waarvoor een derde aansprakelijk is, waarbij de schade van die persoon wordt omschreven als het verlies van een kans, die uitkeringen en tegemoetkomingen niet kan verhalen op de derde aansprakelijke, 11 terwijl het VAPH wel over die mogelijkheid beschikt wanneer een persoon met een handicap het slachtoffer is van een schadegeval waarvoor een derde aansprakelijk is, waarbij de schade van die persoon bestaat uit het oplopen van blijvende ongeschiktheden en daaruit voortvloeiende schadeposten. B.
  37. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.7.
  38. Bij zijn arrest nr. 42/2017 van 30 maart 2017 (ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.042) heeft het Hof zich uitgesproken over een aantal prejudiciële vragen, waarbij het verwijzende rechtscollege van het Hof wenste te vernemen of de artikelen 1382, 1383 en 1384 van het oud Burgerlijk Wetboek, afzonderlijk beschouwd (eerste prejudiciële vraag) of in samenhang gelezen met artikel 136, § 2, van de ZIV-Wet (tweede en derde prejudiciële vraag), bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat zij, in de voormelde interpretatie van het Hof van Cassatie, tot een verschil in behandeling leiden van zowel de slachtoffers van een schadegeval als de verzekeringsinstellingen die uitkeringen hebben betaald aan het verzekerde slachtoffer. Het verschil in behandeling van de verzekeringsinstellingen dat het Hof in dat arrest diende te beoordelen, bestond erin dat de verzekeringsinstellingen die uitkeringen hebben betaald aan het slachtoffer van een schadegeval waarvoor een derde aansprakelijk is, hun uitkeringen niet kunnen verhalen op de derde aansprakelijke wanneer de schade van de verzekerde wordt omschreven als het verlies van een kans, terwijl zij die uitkeringen wel kunnen verhalen wanneer de schade van de verzekerde wordt omschreven als werkelijk geleden schade. 12 B.7.
  39. Bij zijn arrest nr. 42/2017 heeft het Hof geoordeeld : « B.
  40. Het onderscheid tussen de vergoeding van de werkelijk geleden schade, die de verzekeringsinstelling kan terugvorderen, en de vergoeding van de schade voortvloeiend uit het verlies van een kans, die de verzekeringsinstelling niet kan terugvorderen, berust op een objectief criterium dat evenwel niet in verband staat met het nagestreefde doel. Het slachtoffer van een schadegeval heeft immers in het stelsel van ziekte en invaliditeit slechts recht op uitkeringen in zoverre zijn schade niet op een andere wijze wordt vergoed. Dat uitgangspunt strekt met name ertoe te vermijden, enerzijds, dat de gemeenschap instaat voor kosten die door een aansprakelijke derde werden veroorzaakt en, anderzijds, dat de rechthebbende de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid op ongerechtvaardigde wijze met de gemeenrechtelijke vergoeding cumuleert. De verzekeringsinstelling treedt in de plaats van de rechthebbende om de gemeenrechtelijke vergoeding te recupereren. Geen enkel gegeven kan verantwoorden dat de gemeenrechtelijke vergoeding voor het verlies van een kans niet door de verzekeringsinstelling kan worden gerecupereerd, noch dat het slachtoffer de gemeenrechtelijke vergoeding voor het verlies van een kans zou ontvangen zonder dat de verzekeringsinstelling haar prestaties, ten belope van de toegekende gemeenrechtelijke vergoeding, kan terugvorderen. Het niet toestaan, ten behoeve van de instellingen van de ziekteverzekering, van subrogatie voor de vergoeding van schade voortvloeiend uit het verlies van een kans of van de mogelijkheid tot terugvordering van de verleende prestaties ten belope van de toegekende gemeenrechtelijke vergoeding, vormt een buitensporige last voor de vermelde instellingen en voor de financiën van de ziekteverzekering en leidt bovendien tot een ongerechtvaardigd verschil in behandeling van de verzekerden. B.
  41. Artikel 136, § 2, van de ZIV-Wet, in samenhang gelezen met de artikelen 1382, 1383 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de verzekeringsinstellingen niet in de plaats stelt van de verzekerde voor de vergoeding van schade voortvloeiend uit het verlies van een kans of hun niet het recht verleent de uitgekeerde prestaties terug te vorderen ten belope van de aan de verzekerde toegekende gemeenrechtelijke vergoeding voor het verlies van een kans ». B.8.
  42. Zoals is vermeld in B.4.2, voorziet artikel 14 van het decreet van 7 mei 2004 in een regeling die soortgelijk is aan die welke is vervat in het door het Hof bij zijn arrest nr. 42/2017 beoordeelde artikel 136, § 2, van de ZIV-Wet. Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 7 mei 2004 blijkt bovendien dat met artikel 14 doelstellingen worden nagestreefd die soortgelijk zijn aan die van artikel 136, § 2, van de ZIV-Wet. Die parlementaire voorbereiding vermeldt : 13 « Dit artikel beoogt het agentschap niet de kosten te laten dragen die normaliter ten laste vallen van andere wetgevingen. Ook dienen dubbel gebruik en overlappingen vermeden. Desgevallend kan het agentschap wel een aanvullende rol spelen » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2003-2004, nr. 2101/1, p. 11). B.8.
  43. Hoewel het onderscheid tussen de vergoeding van de werkelijk geleden schade, die het VAPH kan terugvorderen, en de vergoeding van de schade voortvloeiend uit het verlies van een kans, die het VAPH niet kan terugvorderen, berust op een objectief criterium, staat dat criterium, om dezelfde redenen als die welke zijn vermeld in het arrest nr. 42/2017 van het Hof, niet in verband met het nagestreefde doel. Geen enkel gegeven kan verantwoorden dat de gemeenrechtelijke vergoeding voor het verlies van een kans niet door het VAPH kan worden gerecupereerd. Het niet toestaan, ten behoeve van het VAPH, van subrogatie voor de vergoeding van schade voortvloeiend uit het verlies van een kans of van de mogelijkheid tot terugvordering van de verleende prestaties ten belope van de toegekende gemeenrechtelijke vergoeding, vormt een buitensporige last voor de financiën van dat agentschap. B.
  44. Artikel 14 van het decreet van 7 mei 2004 is niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de vergoeding van schade voortvloeiend uit het verlies van een kans, zoals bedoeld in de artikelen 1382, 1383 en 1384 van het oud Burgerlijk Wetboek, buiten beschouwing laat. B.
  45. De Vlaamse Regering voert aan dat artikel 14 van het decreet van 7 mei 2004, ten gevolge van de aanneming van artikel 6.22 van het Burgerlijk Wetboek, ook grondwetsconform kan worden geïnterpreteerd. Zij wijst erop dat de federale wetgever met die bepaling op een algemene wijze is willen tegemoetkomen aan het arrest nr. 42/2017 van het Hof en is van mening dat het ingevolge die bepaling te dezen niet dienstig is om de decreetgever, in geval van vaststelling van een ongrondwettigheid, aan te manen die ongrondwettigheid te verhelpen. B.11.
  46. Artikel 6.22 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « Onzekerheid over het causale karakter van de fout - Verlies van een kans Wanneer het onzeker is of de fout van de persoon die wordt aangesproken een noodzakelijke voorwaarde is voor de schade omdat de schade zich ook kon hebben voorgedaan indien deze persoon zich rechtmatig had gedragen eerder dan een fout te begaan, heeft de 14 benadeelde recht op een gedeeltelijke schadeloosstelling voor de schade in verhouding tot de waarschijnlijkheid waarmee de fout de schade heeft veroorzaakt. Deze bepaling vindt overeenkomstige toepassing bij aansprakelijkheid voor fouten begaan door een persoon voor wie men aansprakelijk is op grond van hoofdstuk 2, afdeling 2 ». B.11.
  47. De parlementaire voorbereiding van de wet van 7 februari 2024 « houdende boek 6 ‘ Buitencontractuele aansprakelijkheid ’ van het Burgerlijk Wetboek » (hierna : de wet van 7 februari 2024) vermeldt : « Verlies van een kans Het huidige recht [...] De schadecategorie verlies van een kans is bekend in het aansprakelijkheidsrecht, maar niet in schadevergoedingsstelsels buiten het aansprakelijkheidsrecht, zoals het socialezekerheidsrecht. Dit bemoeilijkt de coördinatie tussen beide. Zo is het verlies van een kans op genezing geen schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden in de zin van artikel 136, § 2, van de ziekteverzekeringswet. Een sociale zekerheidsinstelling die een uitkering toekent voor gezondheidsschade, is dan ook niet op grond van dit artikel gesubrogeerd in het recht op schadevergoeding voor het verlies van een kans dat de begunstigde van de uitkering heeft jegens de aansprakelijke (Cass. 23 september 2013, Arr. Cass. 2013, nr. 472). De benadeelde kan dus de facto voor beide soorten schade vergoed worden : voor het verlies van een kans langs het aansprakelijkheidsrecht en voor het inkomensverlies wegens arbeidsongeschiktheid langs de socialezekerheidswetgeving. Dit gaf aanleiding tot het arrest van het Grondwettelijk Hof van 42/2017 van 30 maart 2017 dat besliste dat artikel 136 Ziekteverzekeringwet strijdig is met art. 10 en 11 GW omdat het niet voorziet in een subrogatie van de sociale verzekeraar in de aanspraken van de benadeelde op vergoeding voor het verlies van een kans. De door het Grondwettelijk Hof voorgeschreven aanpassing van de betrokken wetgeving vond nog niet plaats. [...] Het voorstel [...] Het is niet het verlies van de kans dat vergoed wordt, maar wel het verloren voordeel of het geleden nadeel zelf waarop de kans betrekking heeft. De benadeelde wordt niet schadeloos gesteld voor de volledige schade, maar voor een deel ervan bepaald volgens de waarschijnlijkheid waarmee het foutieve gedrag de schade heeft veroorzaakt. [...] 15 De toepassing van artikel 6.23 [lees : artikel 6.22] leidt tot een vergelijkbaar resultaat als de rechtspraak over het verlies van een kans maar geeft dit een andere grondslag. Nu de regels van het causaal verband door de wetgever zelf nader worden uitgewerkt, is de artificiële omweg langs het conceptuele schadebegrip van het verlies van een kans niet meer nodig. De voorgestelde regel is aldus consistenter en ook transparanter. Hij sluit ook de mogelijkheid uit van vergoeding van zowel het verlies van de kans als van de schade zelf waarop de kans betrekking heeft. Door niet langer een schadecategorie in beeld te brengen die niet erkend wordt in de socialezekerheidswetgeving is ook de door het Grondwettelijk Hof voorgeschreven aanpassing van de socialezekerheidswetgeving overbodig. Het voorstel vermijdt verder ook dat een erg onzekere vorm van schade, de blootstelling op een verhoogd risico op schade die zich nog niet heeft voorgedaan, als verlies van een kans voor vergoeding in aanmerking komt » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3213/001, pp. 107-112). B.11.
  48. Daaruit blijkt dat de wetgever met artikel 6.22 van het Burgerlijk Wetboek de grondslag van de theorie betreffende de schade door verlies van een kans heeft willen wijzigen. Het is niet langer het verlies van de kans dat wordt vergoed, maar wel het verloren voordeel of het geleden nadeel zelf waarop de kans betrekking heeft, waarbij de benadeelde recht heeft op een gedeeltelijke schadeloosstelling voor de schade in verhouding tot de waarschijnlijkheid waarmee de fout de schade heeft veroorzaakt. Die wijziging brengt met zich mee dat de schade door verlies van een kans niet langer wordt beschouwd als een afzonderlijke schadecategorie die verschilt van het verloren voordeel of het geleden nadeel waarop de kans betrekking heeft. Die wijziging brengt eveneens met zich mee dat instellingen die uitkeringen of tegemoetkomingen toekennen aan personen die het slachtoffer zijn van een schadegeval waarvoor een derde aansprakelijk is, op grond van de wetskrachtige bepalingen die hun een subrogatierecht verlenen, die uitkeringen en tegemoetkomingen ook kunnen verhalen op de derde aansprakelijke wanneer de schade van het slachtoffer wordt gekwalificeerd als een verlies van een kans. B.12.
  49. Hoewel artikel 6.22 van het Burgerlijk Wetboek van dien aard is tegemoet te kunnen komen aan de in B.9 vastgestelde ongrondwettigheid, dient te dezen te worden vastgesteld dat die bepaling, krachtens artikel 45 van de wet van 7 februari 2024, in werking is getreden op 1 januari
  50. Artikel 44 van de wet van 7 februari 2024 bepaalt bovendien dat de bepalingen van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn op feiten die tot aansprakelijkheid kunnen leiden en die zich hebben voorgedaan na de inwerkingtreding van de wet en dat die bepalingen 16 niet van toepassing zijn op de toekomstige gevolgen van feiten die zich hebben voorgedaan vóór de inwerkingtreding van de wet. B.12.
  51. Daar het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil betrekking heeft op feiten die zich hebben voorgedaan vóór de inwerkingtreding van de wet van 7 februari 2024, kan artikel 6.22 van het Burgerlijk Wetboek, in tegenstelling tot wat de Vlaamse Regering aanvoert, te dezen niet worden aangewend om de in het geding zijnde bepalingen grondwetsconform te interpreteren. B.13.
  52. Zoals de Vlaamse Regering aanvoert, brengt artikel 6.22 van het Burgerlijk Wetboek te dezen wel met zich mee dat het niet dienstig is om de decreetgever aan te manen de in B.9 vastgestelde ongrondwettigheid te verhelpen. Artikel 6.22 van het Burgerlijk Wetboek komt immers niet alleen tegemoet aan de bij het arrest nr. 42/2017 van het Hof vastgestelde ongrondwettigheid, maar ook aan de ongrondwettigheid vastgesteld in B.9 van dit arrest. B.13.
  53. In afwachting van de toepasbaarheid van artikel 6.22 van het Burgerlijk Wetboek, dient de rechter naargelang van de omstandigheden de subrogatie van het VAPH of een recht van terugvordering van zijn prestaties ten belope van de aan het slachtoffer toegekende gemeenrechtelijke vergoeding van de verloren gegane kans toe te staan. 17 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 14 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 « tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de vergoeding van schade voortvloeiend uit het verlies van een kans, zoals bedoeld in de artikelen 1382, 1383 en 1384 van het oud Burgerlijk Wetboek, buiten beschouwing laat. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 5 maart
  54. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.026 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130923.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150515.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160421.8 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230505.1N.5 ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.042 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.