id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 05 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.027 Arrest- Rolnummer: 27/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-03-16 Raadplegingen: 325 - laatst gezien 2026-06-18 06:30 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de artikelen 41 en 43 van de programmawet van 18 juli 2025, ingesteld door Michel Maus. Fiscaal recht - Permanent systeem inzake fiscale regularisatie - Herinvoering Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 27/2026 van 5 maart 2026 Rolnummer : 8522 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 41 en 43 van de programmawet van 18 juli 2025, ingesteld door Michel Maus. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Joséphine Moerman, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 20 augustus 2025 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 21 augustus 2025, heeft Michel Maus beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 41 en 43 van de programmawet van 18 juli 2025 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 juli 2025). De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Ann Lauwens, adviseur bij de FOD Financiën, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 14 januari 2026 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Joséphine Moerman en Emmanuelle Bribosia te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. 2 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.
- De verzoekende partij voert aan dat zij, als Belgisch rijksinwoner, onderworpen is aan de Belgische wetgeving inzake de inkomstenbelastingen en aan de Belgische strafwetgeving. Het valt dus niet uit te sluiten dat zij thans of in de toekomst in een situatie terechtkomt waarin zij zich genoodzaakt ziet tot fiscale regularisatie over te gaan. Zij leidt hieruit af dat zij over het vereiste belang beschikt om de vernietiging te vorderen van de bestreden bepalingen. Ten gronde A.2.
- De verzoekende partij leidt een eerste middel af uit de schending, door artikel 41, § 1, van de programmawet van 18 juli 2025, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, omdat belastingplichtigen identiek worden behandeld, ongeacht de aard van hun fiscale overtreding (eerste onderdeel) en ongeacht of zij al dan niet een fiscale overtreding hebben begaan (tweede onderdeel). A.2.
- De Ministerraad wijst erop dat de bestreden regularisatieregeling grotendeels gebaseerd is op de vorige, met uitzondering van een verhoging van de tarieven. Net zoals bij de vorige regularisatieregeling is niemand verplicht om een regularisatieaangifte in te dienen. Elke betrokkene in de bestreden regeling heeft bijgevolg de bewuste keuze gemaakt om in te stappen in de regeling. Bij de vorige regularisatiebewegingen was overigens reeds gebleken dat een onderscheid maken tussen gewone en ernstige fiscale fraude kunstmatig was in het licht van de doelstellingen van een dergelijk systeem. De gegevens van de vorige regularisatiebewegingen, in het bijzonder met betrekking tot de omvang van de geregulariseerde kapitalen en het feit dat zij grotendeels afkomstig waren van buitenlandse rekeningen, maken het bovendien weinig geloofwaardig dat de betrokkenen volledig te goeder trouw hebben gehandeld. Met betrekking tot artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens voert de Ministerraad aan dat die bepaling niet van toepassing is op een procedure die, zoals in casu, volledig vrijwillig is. De aangever kan tot op het ogenblik van de betaling uit de regularisatieprocedure treden. A.3.
- De verzoekende partij leidt een tweede middel af uit de schending, door artikel 41, § 1, van de programmawet van 18 juli 2025, in samenhang gelezen met artikel 444 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat niet in een specifieke aanpak is voorzien voor het regulariseren van eerste en te goeder trouw begane fiscale overtredingen. A.3.
- Volgens de Ministerraad is er geen sprake van vergelijkbare situaties. De situaties waarin het vermoeden van goede trouw zal worden aanvaard, zijn geenszins vergelijkbaar met een regularisatieprocedure, zoals ook werd geduid met betrekking tot het eerste middel. A.4.
- De verzoekende partij leidt een derde middel af uit de schending, door artikel 43 van de programmawet van 18 juli 2025, in samenhang gelezen met artikel 48 van dezelfde programmawet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het toepassingsgebied zonder redelijke verantwoording beperkt is tot fiscaal verjaarde kapitalen afkomstig van fiscale misdrijven, levensverzekeringen, buitenlandse rekeningen en juridische constructies. A.4.
- Volgens de Ministerraad is het middel gebaseerd op een verkeerde lezing van de bestreden bepalingen. Het is bijgevolg niet gegrond. A.5.
- De verzoekende partij leidt een vierde middel af uit de schending, door artikel 43 van de programmawet van 18 juli 2025, in samenhang gelezen met artikel 48 van dezelfde programmawet, van de 3 artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat bij de beoordeling van de verjaring van een fiscaal kapitaal altijd rekening moet worden gehouden met de meest uitgebreide aanslagtermijn, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. A.5.
- De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het middel, bij gebrek aan uiteenzetting. In ondergeschikte orde is het niet gegrond. A.6.
- De verzoekende partij leidt een vijfde middel af uit de schending, door artikel 43 van de programmawet van 18 juli 2025, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat belastingplichtige erfgenamen die geen fiscale overtreding hebben begaan, op identieke wijze worden behandeld als belastingplichtigen die wel een fiscale overtreding hebben begaan. A.6.
- De Ministerraad antwoordt dat het net problematisch zou zijn om erfgenamen waarvan de decujus zelf heeft geregulariseerd en erfgenamen die zelf willen regulariseren, verschillend te behandelen. -B- B.
- Het beroep tot vernietiging heeft betrekking op de herinvoering van een permanent systeem inzake fiscale regularisatie. De invoering van die regeling « biedt aan aangevers de mogelijkheid om hun federale fiscale toestand te regulariseren bij het Contactpunt regularisaties van de Federale Overheidsdienst Financiën teneinde zowel fiscale als strafrechtelijke immuniteit te bekomen. Deze nieuwe regularisatie is strenger dan de vorige. De geregulariseerde bedragen ondergaan inderdaad een hogere heffing die bestaat uit de toepassing van het normale basistarief verhoogd met 30 percentpunten. De voor federale belastingen verjaarde kapitalen maken het voorwerp uit van een heffing aan een tarief van 45 percentpunt. De heffing dient definitief en zonder enig voorbehoud betaald te worden » (Parl. St., Kamer, 2024-2025, DOC 56-0909/001, pp. 30-31). B.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt; bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar. B.3.
- In haar verzoekschrift verantwoordt de verzoekende partij haar belang door te verwijzen naar haar hoedanigheid als belastingplichtige. Het valt volgens haar niet uit te sluiten dat zij thans of in de toekomst in een situatie terechtkomt waarin zij zich genoodzaakt ziet tot fiscale regularisatie over te gaan. 4 B.3.
- De hoedanigheid van belastingplichtige volstaat echter niet om een belang aan te tonen om in rechte op te treden ten aanzien van elke bepaling in fiscale aangelegenheden. Bij de beoordeling van het belang om in fiscale aangelegenheden in rechte op te treden, dient immers rekening te worden gehouden, enerzijds, met de draagwijdte van de bestreden bepalingen en met de specifieke categorieën van belastingplichtigen die met die bepalingen worden beoogd en, anderzijds, met de bijzondere situatie van die belastingplichtigen die, gelet op de met de bestreden bepalingen nagestreefde doelstellingen, zich fundamenteel kunnen onderscheiden van de andere categorieën van belastingplichtigen. B.
- De verzoekende partij vermeldt uitdrukkelijk dat zij momenteel niet rechtstreeks en ongunstig wordt geraakt door de bestreden wet. Zij leidt haar belang enkel af uit de bewering dat het niet kan worden uitgesloten dat zij in de toekomst ooit van de betrokken regularisatieregeling zou willen gebruikmaken. Een dergelijk belang aanvaarden om voor het Hof op te treden, zou erop neerkomen dat de actio popularis wordt aanvaard, wat de Grondwetgever niet heeft gewild. B.
- Het beroep tot vernietiging is niet ontvankelijk. 5 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 5 maart
- De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.027 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div