← België

ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.028

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 05 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.028 Arrest- Rolnummer: 28/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-03-16 Raadplegingen: 567 - laatst gezien 2026-06-18 17:05 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Vernietiging (artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967, in zoverre het, voor de berekening van hun rente in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid, voorziet in de toepassing van een niet-geïndexeerd maximumbedrag op de geïndexeerde bezoldiging van bepaalde werknemers van de overheidssector) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector », ingesteld door J.T. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Arbeidsongevallen - Overheidssector - Kleine blijvende arbeidsongeschiktheden - Renten - Berekening - Referentiebezoldigingen - Indexering Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 28/2026 van 5 maart 2026 Rolnummer : 8529 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector », ingesteld door J.T. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Willem Verrijdt en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 5 september 2025 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 september 2025, heeft J.T. een beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 augustus 1967). Op 30 september 2025 hebben de rechters-verslaggevers Michel Pâques en Yasmine Kherbache, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Maxime Ronsmans, advocaat bij de balie te Brussel, heeft een memorie met verantwoording ingediend. De bepalingen van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 2 II. In rechte –A– A.

  1. Met toepassing van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vordert de verzoekende partij de vernietiging van artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector » (hierna : de wet van 3 juli 1967). Ter ondersteuning van haar beroep tot vernietiging verwijst de verzoekende partij naar het arrest van het Hof nr. 54/2025 van 3 april 2025 (ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.054), waarbij het Hof heeft geoordeeld dat de voormelde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre zij, voor de berekening van hun rente in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid, voorziet in de toepassing van een niet-geïndexeerd maximumbedrag op de geïndexeerde bezoldiging van bepaalde werknemers van de overheidssector. A.
  2. Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de bestreden bepaling, om de redenen die in het voormelde arrest nr. 54/2025 zijn uiteengezet. A.
  3. Bij hun conclusies, genomen met toepassing van artikel 72 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, hebben de rechters-verslaggevers laten weten dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht, om dezelfde motieven als die welke in het voormelde arrest nr. 54/2025 zijn uiteengezet, aan het Hof voor te stellen de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging, waarbij het beroep tot vernietiging gegrond wordt verklaard en waarbij artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 wordt vernietigd, wegens schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het, voor de berekening van hun rente in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid, voorziet in de toepassing van een niet-geïndexeerd maximumbedrag op de geïndexeerde bezoldiging van bepaalde werknemers van de overheidssector. A.4.
  4. In zijn memorie met verantwoording betwist de Ministerraad de ontvankelijkheid van het beroep. De verzoekende partij zou geen belang hebben bij de vernietiging, omdat zij onder de regeling valt van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 « tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten », krachtens hetwelk de bezoldiging die als basis dient voor de berekening van de rente in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid niet is geïndexeerd, zodat de verzoekende partij niet het slachtoffer is van de in het voormelde arrest van het Hof nr. 54/2025 vastgestelde discriminatie. A.4.
  5. Ten gronde voert de Ministerraad aan dat het koninklijk besluit van 13 juli 1970 « betreffende de schadevergoeding, ten gunste van sommige personeelsleden van overheidsdiensten of overheidsinstellingen van de lokale sector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk », waarmee het Hof rekening heeft gehouden in zijn voormelde arrest nr. 54/2025, in die zin moet worden geïnterpreteerd dat het bepaalt dat de bezoldiging die als basis dient voor de berekening van de rente in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid niet is geïndexeerd, zodat het beroep tot vernietiging dient te worden verworpen. A.4.
  6. De Ministerraad vordert in ondergeschikte orde dat het Hof de gevolgen van de vernietigde bepaling handhaaft tot de aanneming van een vervangende bepaling en gedurende maximaal twee jaar, om reden dat de bestreden bepaling werd aangenomen na een sociaal overleg waarmee een evenwicht werd bereikt waarop niet met terugwerkende kracht mag worden teruggekomen, dat een vernietiging zonder handhaving van de gevolgen aanzienlijke financiële gevolgen zou hebben aangezien de maatregel reeds lange tijd geldt, en dat een afdoende termijn noodzakelijk is om het mogelijk te maken de koninklijke besluiten tot uitvoering van de wet van 3 juli 1967 die bepalen dat de bezoldiging die als basis dient voor de berekening van de rente niet is geïndexeerd, te wijzigen. 3 –B– B.1.
  7. Het beroep tot vernietiging heeft betrekking op artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector » (hierna : de wet van 3 juli 1967). B.1.
  8. Artikel 4, § 1, van de wet van 3 juli 1967 bepaalt : « De rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op grond van de jaarlijkse bezoldiging waarop het slachtoffer recht heeft op het tijdstip dat het ongeval zich heeft voorgedaan of de beroepsziekte is vastgesteld. Zij is evenredig met het aan het slachtoffer toegekende percentage aan arbeidsongeschiktheid. Overschrijdt de jaarlijkse bezoldiging 24 332,08 EUR, dan wordt zij slechts tot dat bedrag in aanmerking genomen voor de berekening van de rente. Het bedrag van dit plafond is dit dat van kracht is op de datum van consolidatie van de arbeidsongeschiktheid of op de datum waarop de arbeidsongeschiktheid een karakter van bestendigheid vertoont. Naar aanleiding van een algemene herwaardering van de wedden in de overheidssector en in de mate van die herwaardering kan de Koning dit bedrag wijzigen ». B.2.
  9. Het beroep is ingesteld op basis van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, dat bepaalt : « Voor de Ministerraad, voor de Regering van een Gemeenschap of van een Gewest, voor de voorzitters van de wetgevende vergaderingen op verzoek van twee derde van hun leden of voor iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die doet blijken van een belang staat een nieuwe termijn van zes maanden open voor het instellen van een beroep tot vernietiging tegen een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, wanneer het Hof, uitspraak doende op een prejudiciële vraag, verklaard heeft dat die wet, dat decreet of die in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel een van de in artikel 1 bedoelde regels of artikelen van de Grondwet schendt. De termijn gaat in op de dag na de datum van de bekendmaking van het arrest in het Belgisch Staatsblad ». B.2.
  10. Met het voormelde artikel 4, tweede lid, heeft de bijzondere wetgever willen beletten dat bepalingen in de rechtsorde behouden blijven wanneer het Hof op prejudiciële vraag heeft verklaard dat zij strijdig zijn met de regels die het Hof moet doen naleven (zie Parl. St., Senaat, 2000-2001, nr. 2-897/1, p. 6). 4 B.2.
  11. Uitspraak doende over een beroep tot vernietiging dat is ingesteld op grond van het voormelde artikel 4, tweede lid, kan het Hof dus ertoe worden gebracht de bestreden norm te vernietigen in zoverre het vooraf de ongrondwettigheid heeft vastgesteld in het prejudiciële contentieux. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep B.3.
  12. De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partij bij de vernietiging. B.3.
  13. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. Het bij artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereiste belang verschilt niet van hetwelk wordt vereist bij artikel 2 van dezelfde wet. B.3.
  14. De verzoekende partij is het slachtoffer geweest van verschillende arbeidsongevallen die bij haar blijvende arbeidsongeschiktheden van minder dan 16 % hebben veroorzaakt, en ontvangt renten die zijn berekend op basis van het niet-geïndexeerde maximumbedrag dat is vastgelegd in artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli
  15. Zij werd eveneens het slachtoffer van een recent ongeval op de weg naar en van het werk, dat bij haar een ongeschiktheid veroorzaakte waarvan ze aangeeft dat die nog niet geconsolideerd is. Ingevolge de vernietiging die door het Hof zou worden uitgesproken, zou zij een kans krijgen om haar situatie gunstiger geregeld te zien. Dit volstaat om haar belang bij de vernietiging te verantwoorden. B.3.
  16. De exceptie wordt verworpen. 5 Ten gronde B.
  17. Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de bestreden bepaling, voor de berekening van de rente in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid, voorziet in de toepassing van een niet-geïndexeerd maximumbedrag op de geïndexeerde bezoldiging van bepaalde werknemers van de overheidssector. B.
  18. Bij zijn arrest nr. 54/2025 van 3 april 2025 (ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.054) heeft het Hof geoordeeld : « B.11.
  19. De wet van 3 juli 1967 werd aangenomen om het personeel van de overheidsdiensten te verzekeren tegen de gevolgen van de ongevallen op de weg of de plaats van het werk en van de beroepsziekten. […] B.11.
  20. Uit de […] parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever voor de werknemers van de privésector en die van de openbare sector vergelijkbare stelsels heeft willen vaststellen op het vlak van de regeling van schadeloosstelling van slachtoffers van een arbeidsongeval, zonder evenwel te voorzien in een eenvoudige uitbreiding van het stelsel van de privésector tot de openbare sector, gelet op de eigen kenmerken van elke sector. […] B.
  21. Wat in het bijzonder de keuze betreft om in een vast maximumbedrag te voorzien dat moet worden toegepast op de bezoldiging van het slachtoffer, voorzag de wet van 3 juli 1967 oorspronkelijk evenwel in een verwijzing naar het maximumbedrag waarin voor de werknemers van de privésector is voorzien, en zulks teneinde de in de overheidssector toepasselijke regeling ‘ in overeenstemming te brengen met de in de privé-sector getroffen regeling ’ (Parl. St., Kamer, 1966-1967, nr. 339/6, pp. 6 en 7). Het is bij het koninklijk bijzonderemachtenbesluit nr. 280 van 30 maart 1984 ‘ tot wijziging van de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector ’ dat werd beslist om over te gaan naar een vast maximumbedrag, opnieuw met het oog op overeenstemming met de regeling waarin voor de werknemers van de privésector is voorzien, zoals blijkt uit het verslag aan de Koning dat aan dat koninklijk besluit voorafgaat : ‘ Het als plafond door de wetgever bepaalde forfaitaire bedrag moet constant blijven en mag niet normaal met het indexmechanisme meeëvolueren om het doorlopend in overeenkomst te brengen met de bezoldiging die geïndexeerd is. Het in overeenstemming brengen is slechts denkbaar indien de basisbezoldiging gekoppeld is aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen zoals in de arbeidsongevallenwet van 10 april
  22. 6 Wat het personeel betreft dat onder de toepassing valt van de wet van 3 juli 1967 wordt daarentegen de bezoldiging die in aanmerking komt voor de berekening van de rente altijd aan 100 pct. berekend, dit is zonder verhoging ingevolge de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen ’ (Belgisch Staatsblad, 6 april 1984, p. 4289). […] B.
  23. Bij zijn arrest nr. 9/2016 van 21 januari 2016 (ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.009) heeft het Hof het volgende geoordeeld : ‘ In de privésector wordt de bovengrens voor het bepalen van de rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid jaarlijks geactualiseerd aan de hand van het indexcijfer van de consumptieprijzen, in verhouding tot het eveneens geïndexeerde basisloon. In de overheidssector daarentegen wordt de bovengrens in beginsel – behoudens een aanpassing ervan naar aanleiding van een algemene herwaardering – bepaald in verhouding tot de niet-geïndexeerde jaarlijkse bezoldiging. Beide stelsels berusten derhalve op een eigen interne logica ’ (B.8). B.
  24. Evenwel kan met toepassing van artikel 18 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970, de bezoldiging die als basis dient voor de berekening van de rente van de eiser voor het verwijzende rechtscollege, zijn geïndexeerde bezoldiging zijn. De wet van 3 juli 1967 verhindert niet die interpretatie van het voormelde artikel 18 aangezien, zoals in B.4 tot B.5.2 is vermeld, geen enkele bepaling van de wet van 3 juli 1967, noch enige andere wetsbepaling de inaanmerkingneming van een niet-geïndexeerde bezoldiging opleggen. De wetgever, die aan de Koning de mogelijkheid heeft gelaten om erin te voorzien dat de bezoldiging waarmee rekening moet worden gehouden voor de berekening van de rente, de geïndexeerde bezoldiging is, heeft in artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 overigens voorzien in de toepassing van een niet-geïndexeerd maximumbedrag. De wijziging van het maximumbedrag waartoe de Koning kan overgaan, krachtens artikel 4, § 1, derde lid, van de wet van 3 juli 1967, staat bovendien niet gelijk met een indexering. B.
  25. De toepassing, voor de berekening van de rente van de betrokken werknemers van de overheidssector, van een vast maximumbedrag op hun geïndexeerde bezoldiging is niet pertinent ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde en in B.13 vermelde doelstelling om de in de overheidssector toepasselijke regeling met betrekking tot het maximumbedrag van de referentiebezoldiging in overeenstemming te brengen met de in de privésector getroffen regeling. Zij is evenmin pertinent ten aanzien van de in B.11.1 en B.11.2 vermelde algemenere doelstelling van de wetgever om vergelijkbare regelingen in te voeren voor de werknemers van de privésector en voor die van de overheidssector. Hoewel, zoals in B.12.1 en B.12.2 is vermeld, de objectieve verschillen tussen beide categorieën van werknemers verantwoorden dat die 7 categorieën aan verschillende systemen worden onderworpen, verantwoordt geen enkel specifiek kenmerk dat eigen is aan de overheidssector de toepassing van een niet-geïndexeerd maximumbedrag op een geïndexeerde basisbezoldiging. B.
  26. Artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967, in zoverre het, voor de berekening van de rente van bepaalde werknemers van de overheidssector in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid, de toepassing oplegt van een niet-geïndexeerd maximumbedrag op de geïndexeerde bezoldiging die als basis dient voor de berekening van die rente, is niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ». B.
  27. Artikel 4, § 1, van de wet van 3 juli 1967 is niet gewijzigd sinds de bekendmaking van het voormelde arrest nr. 54/2025 in het Belgisch Staatsblad. B.
  28. Om dezelfde redenen als die welke in het voormelde arrest nr. 54/2025 zijn vermeld, dient te worden vastgesteld dat het enige middel gegrond is. In zoverre het, voor de berekening van hun rente in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid, voorziet in de toepassing van een niet-geïndexeerd maximumbedrag op de geïndexeerde bezoldiging van bepaalde werknemers van de overheidssector, schendt artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen B.8.
  29. De Ministerraad verzoekt het Hof de gevolgen van de bestreden bepaling te handhaven tot de aanneming van een vervangende bepaling. B.8.
  30. De omstandigheid dat een bepaling werd aangenomen na een sociaal overleg verantwoordt op zichzelf niet dat de gevolgen ervan worden gehandhaafd wanneer die bepaling ongrondwettig is. De Ministerraad brengt voorts geen enkel element aan dat het mogelijk maakt de omvang van de financiële schade die uit de vernietiging zou voortvloeien, in te schatten. Ten slotte, aangezien de uit te spreken vernietiging enkel betrekking heeft op de ontstentenis van indexering van het maximumbedrag wanneer het wordt toegepast op een geïndexeerde bezoldiging, toont de Ministerraad niet aan dat het noodzakelijk is om de gevolgen van de bestreden bepaling te handhaven in afwachting van een herziening van de koninklijke besluiten tot uitvoering van de wet van 3 juli 1967 die bepalen dat de bezoldiging die als basis dient voor de berekening van de rente niet is geïndexeerd. 8 Er is derhalve geen aanleiding om in te gaan op het verzoek van de Ministerraad. 9 Om die redenen, het Hof vernietigt artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector », in zoverre het, voor de berekening van hun rente in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid, voorziet in de toepassing van een niet-geïndexeerd maximumbedrag op de geïndexeerde bezoldiging van bepaalde werknemers van de overheidssector. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 5 maart
  31. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.028 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:CTLIE:2026:ARR.20260130.1 ECLI:BE:CTLIE:2026:ARR.20260324.1 citeert: ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.009 ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.054 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.