← België

ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.030

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 12 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.030 Arrest- Rolnummer: 30/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-03-23 Raadplegingen: 641 - laatst gezien 2026-06-18 17:05 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche 1. Vernietiging : - wet van 29 maart 2024, a. in zoverre zij niet erin voorziet dat, bij de verwerking van persoonsgegevens met betrekking tot minderjarigen in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R., minstens een personeelslid dient te worden betrokken dat een specifieke opleiding heeft gevolgd en/of beschikt over relevante expertise met betrekking tot de psychosociale situatie van minderjarigen in de context van terrorisme, extremisme en radicalisering; b. in zoverre zij niet voorziet in de tussenkomst van een onafhankelijke magistraat bij de opname van persoonsgegevens met betrekking tot minderjarigen van minder dan veertien jaar in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R.; c. in zoverre zij het recht op toegang tot de gegevens van de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. met betrekking tot de minderjarige kinderen van een « foreign terrorist fighter » die in een jihadistisch conflictgebied verblijft of heeft verbleven, na de terugkeer van die kinderen naar België, niet beperkt tot de diensten die bevoegd zijn voor de opvolging en de bescherming van die kinderen, in het bijzonder de bevoegde gemeenschapsdiensten inzake jeugdbescherming; - artikel 4 van dezelfde wet, a. in zoverre het niet erin voorziet dat, wanneer, enerzijds, de bescherming van het recht van de betrokkene op een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen het besluit tot beëindiging van het controleproces dat vereist en, anderzijds, de in het geding zijnde doelstellingen van algemeen belang zich daar niet tegen verzetten, de informatie aan de betrokkene ruimer kan zijn dan de in artikel 146, tweede lid, van de wet van 30 juli 2018 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens » bedoelde informatie; b. in zoverre het niet erin voorziet dat de betrokken persoon een beroep kan instellen bij een rechtscollege met volle rechtsmacht tegen het besluit van het Controleorgaan op de politionele informatie en het Vast Comité I; 2. Verwerping van het beroep voor het overige, onder voorbehoud van de in B.47.5 en B.70.6 vermelde interpretaties en rekening houdend met hetgeen is vermeld in B.22.5 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de wet van 29 maart 2024 « tot oprichting van de gemeenschappelijke gegevensbank ' Terrorisme, Extremisme, Radicaliseringsproces ' (' T.E.R. ') en tot wijziging van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, de wet van 30 juli 2018 tot oprichting van lokale integrale veiligheidscellen inzake radicalisme, extremisme en terrorisme en de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt », ingesteld door de vzw « Ligue des droits humains » en de vzw « Défense des Enfants - International - Belgique ». Staatsveiligheid - Terrorismebestrijding - Gemeenschappelijke gegevensbank "Terrorisme, Extremisme, Radicaliseringsproces" (T.E.R.) - Verwerking van persoonsgegevens - Modaliteiten Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 30/2026 van 12 maart 2026 Rolnummer : 8349 In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 29 maart 2024 « tot oprichting van de gemeenschappelijke gegevensbank ‘ Terrorisme, Extremisme, Radicaliseringsproces ’ (‘ T.E.R. ’) en tot wijziging van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, de wet van 30 juli 2018 tot oprichting van lokale integrale veiligheidscellen inzake radicalisme, extremisme en terrorisme en de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt », ingesteld door de vzw « Ligue des droits humains » en de vzw « Défense des Enfants - International - Belgique ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 16 oktober 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 18 oktober 2024, is beroep tot vernietiging van de wet van 29 maart 2024 « tot oprichting van de gemeenschappelijke gegevensbank ‘ Terrorisme, Extremisme, Radicaliseringsproces ’ (‘ T.E.R. ’) en tot wijziging van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, de wet van 30 juli 2018 tot oprichting van lokale integrale veiligheidscellen inzake radicalisme, extremisme en terrorisme en de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 april 2024) ingesteld door de vzw « Ligue des droits humains » en de vzw « Défense des Enfants - International - Belgique », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Catherine Forget, advocate bij de balie te Brussel. 2 De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Nicolas Bonbled en mr. Lise-Marie Hennau, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 17 december 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het eerste middel A.1. Het eerste middel is afgeleid uit de schending, door de wet van 29 maart 2024 « tot oprichting van de gemeenschappelijke gegevensbank ‘ Terrorisme, Extremisme, Radicaliseringsproces ’ (‘ T.E.R. ’) en tot wijziging van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, de wet van 30 juli 2018 tot oprichting van lokale integrale veiligheidscellen inzake radicalisme, extremisme en terrorisme en de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt » (hierna : de bestreden wet), van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 8, 10, 13 tot 15 en 54 van de richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad » (hierna : de Politierichtlijn) en met de artikelen 7, 8, 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest). Dat middel bestaat uit twaalf grieven. A.2. De eerste zes grieven zijn afgeleid uit de schending van het wettigheidsbeginsel. A.3.1. In de eerste grief voeren de verzoekende partijen aan dat het in artikel 2, 11°, van de bestreden wet bedoelde begrip « haatpropagandist » niet voldoende nauwkeurig is omschreven. Ten eerste is het door de haatpropagandist nagestreefde doel (« schade […] berokkenen aan de beginselen van de democratie of de mensenrechten, de goede werking van de democratische instellingen of andere grondslagen van de rechtsstaat ») in dermate vage en ruime bewoordingen omschreven dat dat begrip van toepassing kan zijn op uitlatingen die door de vrijheid van meningsuiting worden beschermd. Bepaalde kritiek op de werking van de rechterlijke macht of op het kiesstelsel zou ook in die zin kunnen worden opgevat dat zij een dergelijke doelstelling nastreeft. Ten tweede geeft de vereiste volgens welke de haatpropagandist « het gebruik van geweld of dwang als actiemethode » moet rechtvaardigen, aanleiding tot verwarring tussen geweld en geweldloze dwang, die betrekking zou kunnen hebben op personen die op geweldloze wijze pleiten voor maatschappelijke veranderingen, door bijvoorbeeld tot burgerlijke ongehoorzaamheid op te roepen. De verzoekende partijen verwijzen daaromtrent naar het verslag van 1 maart 2019 van de speciale rapporteur van de Verenigde Naties voor de bevordering en de bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden bij terrorismebestrijding, met als opschrift « Effet des mesures de 3 lutte contre le terrorisme et l’extrémisme violent sur l’espace civique et sur les droits des acteurs de la société civile et des défenseurs des droits de l’homme » (Impact van de maatregelen ter bestrijding van terrorisme en gewelddadig extremisme op de civiele ruimte en op de rechten van de actoren van het maatschappelijk middenveld en de verdedigers van de mensenrechten) (A/HRC/40/52). Zij verwijzen eveneens naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 15 oktober 2015 in zake Perinçek t. Zwitserland (grote kamer, ECLI:CE:ECHR:2015:1015JUD002751008), volgens hetwelk een uitlating die het gebruik van dwang rechtvaardigt om bepaalde doelstellingen te bereiken, wordt beschermd door de vrijheid van meningsuiting zolang zij niet rechtstreeks of onrechtstreeks tot geweld oproept of geweld, haat of intolerantie rechtvaardigt. Ten derde kan het begrip « haatpropagandist » aanleiding geven tot verwarring met de strafbare feiten bestaande in het « aanzetten tot haat » en « verspreiden van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat » bedoeld in de artikelen 20 en 21 van de wet van 30 juli 1981 « tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden ». Ten vierde is het begrip « radicaliserende invloed » niet voldoende nauwkeurig. In samenhang gelezen met het begrip « radicaliseringsproces » bedoeld in artikel 3, 15°, van de wet van 30 november 1998 « houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten », voert dat begrip een intentioneel element in dat echter nog steeds ver afstaat van een bedoeling om aan te zetten tot het plegen van een terroristische handeling. De verwijzing naar « elke actie » leent zich overigens tot ruime en moeilijk voorzienbare toepassingen. De verzoekende partijen vragen zich bijvoorbeeld af of de publicatie van informatie van openbaar belang die bij een deel van de bevolking woede zou opwekken, niet zou kunnen worden gekwalificeerd als « radicaliserende invloed ». De verzoekende partijen betogen dat hun analyse van het begrip « haatpropagandist » niet artificieel is : zij stellen vast dat de gebruikte bewoordingen vatbaar zijn voor verwarring en dat zij niet duidelijk zijn. Zij voegen eraan toe dat informatie, zoals kritische informatie betreffende het eigendomsrecht, afbreuk kan doen aan de mensenrechten. De verzoekende partijen voeren aan dat soortgelijke kritieken kunnen worden geformuleerd ten aanzien van het in artikel 2, 9°, van de bestreden wet bedoelde begrip « potentieel gewelddadige extremist ». A.3.2. De Ministerraad voert aan dat de eerste grief van het eerste middel niet gegrond is. Ten eerste dienen de in artikel 2, 11°, van de bestreden wet opgesomde criteria cumulatief te worden toegepast, zodat het niet pertinent is elk criterium afzonderlijk aan het wettigheidsbeginsel te toetsen. De vereiste graad van nauwkeurigheid van de bestreden wet moet overigens rekening houden met het domein van de nationale veiligheid waarin die wet past. Ten tweede geeft de vereiste volgens welke de haatpropagandist « het gebruik van geweld of dwang als actiemethode » moet rechtvaardigen (artikel 2, 11°, b)) geen aanleiding tot verwarring tussen geweld en geweldloze dwang, aangezien de kwalificatie als haatpropagandist bovendien de bedoeling vereist om, enerzijds, schade te berokkenen aan de beginselen van de democratie of de mensenrechten (artikel 2, 11°, a)) en, anderzijds, een radicaliserende invloed uit te oefenen (artikel 2, 11°, c)). Die laatste bepaling bevat een moreel element, namelijk de bedoeling om invloed uit te oefenen teneinde een radicaliseringsproces te initiëren, te ondersteunen of ertoe bij te dragen. De parlementaire voorbereiding bevestigt dat onder het begrip « dwang » enkel de gewelddadige dwang moet worden verstaan. Ten derde is de kritiek volgens welke het begrip « haatpropagandist » aanleiding zou kunnen geven tot verwarring met de begrippen « aanzetten tot haat » en « verspreiden van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat » onontvankelijk omdat die kritiek niet wordt gestaafd door de verzoekende partijen. Ten vierde leent de verwijzing naar « elke actie » in artikel 2, 11°, c), zich niet tot ruime of moeilijk voorzienbare toepassingen indien die bewoordingen in samenhang worden gelezen met de vereisten bedoeld in de punten a),

  1. b)en
  2. c)van artikel 2, 11°. De publicatie van informatie van openbaar belang die de woede van een deel van de bevolking opwekt, zou niet kunnen worden gekwalificeerd als « radicaliserende invloed », aangezien een dergelijke publicatie, zijnde van openbaar belang, niet tot doel zou hebben schade te berokkenen aan de beginselen van de democratie of de mensenrechten. Evenzo zou kritische informatie betreffende het eigendomsrecht die aanleiding zou geven tot gewelddadige manifestaties, niet kunnen worden gelijkgesteld met een radicaliserende invloed, aangezien de loutere kritiek betreffende het eigendomsrecht niet kan worden beschouwd als een handeling die het gebruik van geweld of dwang als actiemethode rechtvaardigt. A.4.1. In de tweede grief doen de verzoekende partijen gelden dat artikel 9 van de bestreden wet het aan de Koning overlaat om de essentiële elementen van de verwerking te bepalen, in zoverre het de Koning machtigt om de doeleinden van de koppeling tussen de gegevensbanken te regelen. A.4.2. De Ministerraad voert aan dat de tweede grief van het eerste middel niet gegrond is. Hij stelt vast dat de kritiek van de verzoekende partijen is gericht tegen artikel 9 van het voorontwerp van wet dat aan de basis ligt van de bestreden wet. Die bepaling werd echter aangepast ingevolge het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State over het voorontwerp van wet, het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna : de 4 GBA) nr. 97/2023 van 16 juni 2023 en het advies van het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (hierna : het Vast Comité I) nr. 004/VCI/2023 van 13 juli 2023. Volgens de Ministerraad zijn de doeleinden van de koppeling wel degelijk opgenomen in artikel 9, § 1, tweede lid, van de bestreden wet. A.5.1. In de derde grief voeren de verzoekende partijen aan dat de machtigingen die artikel 16 van de bestreden wet aan de Koning verleent, te ruim zijn geformuleerd. Het feit dat, volgens de Ministerraad, andere diensten later een recht op toegang tot de gemeenschappelijke gegevensbank « Terrorisme, Extremisme, Radicaliseringsproces » (hierna : T.E.R.) zouden kunnen verkrijgen, versterkt die grief, aldus de verzoekende partijen. A.5.2. Volgens de Ministerraad is de derde grief van het eerste middel niet gegrond. Hij merkt op dat het Controleorgaan op de politionele informatie, in zijn advies van 20 juni 2023, kritiek heeft geformuleerd die soortgelijk is aan die van de verzoekende partijen en dat de wetgever daarop heeft geantwoord in de parlementaire voorbereiding. Die parlementaire voorbereiding vermeldt de partnerdiensten die de wetgever op voorhand heeft kunnen identificeren. Het is echter mogelijk dat andere diensten in de toekomst een toegangsrecht moeten verkrijgen. De Ministerraad is van mening dat de in artikel 16 bedoelde machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen vooraf door de wetgever zijn vastgesteld. Volgens de Ministerraad somt de bestreden wet in duidelijke en precieze bewoordingen de categorieën van persoonsgegevens op die in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. worden verwerkt. De partnerdiensten beschikken over een lees- en schrijfrecht of een vraagrecht met betrekking tot die gegevensbank, zodat zij toegang kunnen hebben tot de in artikel 6, § 2, van de bestreden wet opgesomde categorieën van gegevens. Wat betreft de betrokken categorieën van personen, geeft artikel 2, 4°,
  3. a)en b), van de bestreden wet een nauwkeurige omschrijving van de term « entiteit » bedoeld in artikel 6, § 2, van dezelfde wet. Het doeleinde van de verwerking door de partnerdiensten is gepreciseerd in artikel 16 van de bestreden wet. Wat betreft de categorieën van personen die toegang hebben tot de verwerkte gegevens, somt artikel 2, 3°, van de bestreden wet nauwkeurig alle diensten op die onder het begrip « partnerdiensten » moeten worden begrepen. De maximumtermijn voor het bewaren van de gegevens is niet pertinent wat betreft het lees- en schrijfrecht of het vraagrecht van de partnerdiensten. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft ten slotte geen kritiek geuit over artikel 17 van het voorontwerp van wet dat ten grondslag ligt aan artikel 16 van de bestreden wet. A.6.1. In de vierde grief voeren de verzoekende partijen aan dat de bij artikel 33, § 2, 7° en 8°, van de bestreden wet bedoelde mogelijkheid voor de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA), de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB), de « Office wallon de la formation professionnelle et de l’emploi » (FOREm), de « Arbeidsamt der Deutschsprachigen Gemeinschaft Belgiens » (ADG) en de Dienst Vreemdelingenzaken om « specifieke maatregelen » te nemen tegen de persoon die in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. is geregistreerd, niet voldoende nauwkeurig is aangezien de betrokken maatregelen en de overeenstemmende wetsbepalingen niet worden geïdentificeerd. De verzoekende partijen zijn van mening dat de bestreden wet tot een vermenging van taken leidt die onbestaanbaar is met het wettigheidsbeginsel en het finaliteitsbeginsel. Het is ondenkbaar dat de deelnemers van de Lokale task force overleg plegen over de door de RVA en de Dienst Vreemdelingenzaken te nemen maatregelen, terwijl die diensten verschillende doeleinden nastreven. A.6.2. Volgens de Ministerraad berust de vierde grief van het eerste middel op een verkeerde lezing van artikel 33, § 2, 7° et 8°, van de bestreden wet. Die bepaling heeft enkel betrekking op het overleg van de Lokale task force over de mogelijkheid om al dan niet een of meerdere in paragraaf 2 bedoelde maatregelen te nemen. Het resultaat van dat overleg wordt vervolgens bezorgd aan de bevoegde overheden die de eventuele maatregelen zullen nemen ten aanzien van een in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. beoogde entiteit. De Lokale task force is dus niet bevoegd om zelf de in paragraaf 2 opgesomde maatregelen te nemen. De Ministerraad merkt op dat noch de afdeling wetgeving van de Raad van State, noch het Vast Comité I, noch de GBA kritiek hebben geuit ten aanzien van artikel 33, § 2, 7° en 8°. Precies omdat de onderzochte maatregelen verschillende doeleinden nastreven, dient de Lokale task force die maatregelen in hun geheel te benaderen, teneinde te beoordelen of zij het gevaar dat uitgaat van de betrokken persoon maximaal kunnen beperken. Indien de Lokale task force in het kader van de opvolging van een in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. geregistreerde persoon vaststelt dat een maatregel van de Dienst Vreemdelingenzaken ingaat tegen een maatregel van de RVA wat betreft de re-integratie van die persoon in de maatschappij, zal hij met de Dienst Vreemdelingenzaken het resultaat van zijn overleg delen en die Dienst voorstellen om zijn maatregel aan te passen. De Dienst Vreemdelingenzaken zal echter als enige bevoegd blijven om de te nemen maatregel te beoordelen ten aanzien van de doeleinden die hij nastreeft. A.7.1. In de vijfde grief verwijten de verzoekende partijen artikel 32, § 1, vierde lid, van de bestreden wet dat de diensten die door de voorzitter van de Lokale task force kunnen worden uitgenodigd, niet bepaalbaar zijn, 5 zodat een betrokkene zich niet ervan kan vergewissen dat de verwerking van zijn gegevens door de uitgenodigde diensten noodzakelijk is en in verhouding staat tot de beoogde doelstelling. Het feit dat, volgens de Ministerraad, andere diensten later een recht op toegang tot de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. zouden kunnen verkrijgen, versterkt die grief, aldus de verzoekende partijen. A.7.2. De Ministerraad voert aan dat de vijfde grief van het eerste middel niet gegrond is. Volgens hem blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat de wetgever rekening heeft gehouden met de opmerkingen die door de afdeling wetgeving van de Raad van State, door de GBA en door het Vast Comité I zijn geformuleerd. Het is bovendien niet noodzakelijk dat de diensten die kunnen worden uitgenodigd, bepaalbaar zijn, aangezien de gegevens of informatie waarover de andere leden van de Lokale task force beschikken, niet aan de uitgenodigde diensten worden meegedeeld. A.8.1. In de zesde grief klagen de verzoekende partijen aan dat de artikelen 23 en 26 van de bestreden wet geen exhaustieve lijst van de mogelijke bestemmelingen van de « informatiekaart » bevatten. Zij verwijzen naar de arresten van het Hof nrs. 29/2018 (ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.029) en 44/2015 (ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.044), naar het arrest van het Hof van Justitie van 12 januari 2023 in zake RW t. Österreichische Post AG (C-154/21, ECLI:EU:C:2023:3) en naar het voormelde advies van de GBA nr. 97/2023. A.8.2. De Ministerraad voert aan dat de zesde grief van het eerste middel niet gegrond is. Ten eerste heeft de wetgever de diensten geïdentificeerd die, voor zover hij weet, in aanmerking komen om toegang te krijgen tot de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. Het zou voor hem echter onmogelijk zijn geweest om al die diensten op voorhand te bepalen. Ten tweede bevat de informatiekaart slechts een beperkt aantal inlichtingen, zonder toegang te geven tot de gegevensbank. Ten derde is het noodzakelijk dat bepaalde inlichtingen, via de informatiekaart, kunnen worden meegedeeld aan andere diensten dan de in de bestreden wet bedoelde diensten. Het zou ondenkbaar zijn dat het doorzenden van cruciale informatie in het kader van de bestrijding van terrorisme en extremisme in dringende gevallen wordt verhinderd omdat een te beperkend wetgevend instrument dient te worden herzien. Ten vierde blijkt uit artikel 156, § 1, 1°, c), van de wet van 30 juli 2018 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens » (hierna : de wet van 30 juli 2018) dat de categorieën van ontvangers van informatiekaarten zullen worden geïdentificeerd in het register van de gegevensverwerking, zodat de bevoegde toezichthoudende organen de nodige verificaties zullen kunnen verrichten. Ten vijfde is de Ministerraad van mening dat de verzoekende partijen niet uitleggen in welk opzicht de uittreksels uit het advies van de GBA waarnaar zij verwijzen, aantonen dat het ontbreken van een exhaustieve lijst van de mogelijke bestemmelingen van de informatiekaart afbreuk doet aan het wettigheidsbeginsel. Hij beklemtoont dat de wetgever zich naar de aanbevelingen van de GBA heeft geschikt. A.9. De zevende en achtste grief zijn afgeleid uit de schending van de vereisten inzake noodzakelijkheid en doeltreffendheid. A.10.1. In de zevende grief voeren de verzoekende partijen aan dat de wetgever geen rekening heeft gehouden met de opmerkingen van de GBA met betrekking tot de diensten die toegang hebben tot de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. Volgens de verzoekende partijen vloeit de verplichting om in een periodiek evaluatieverslag te voorzien wel degelijk voort uit artikel 52, lid 1, van het Handvest en uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.10.2. Volgens de Ministerraad is de zevende grief van het eerste middel niet gegrond. Hij geeft aan dat de gemeenschappelijke gegevensbank « Terrorist Fighters » (terreurstrijders) en de gemeenschappelijke gegevensbank « Haatpropagandisten » in 2016 en in 2018 werden opgericht naar aanleiding van de aanslagen van 22 maart 2016 om informatie doeltreffender te kunnen uitwisselen tussen de diensten die over bevoegdheden beschikken inzake de bestrijding van terroristische en extremistische dreigingen. De bestreden wet houdt rekening met de jaarlijkse verslagen van het Vast Comité I en het Controleorgaan op de politionele informatie over die gegevensbanken. In die verslagen werd de gegrondheid van de toegangen die aan de partners van de gemeenschappelijke gegevensbanken werden verstrekt, nooit ter discussie gesteld. De moeilijkheden met betrekking tot de inachtneming van het evenredigheidsbeginsel werden evenmin daarin opgeworpen. Er werd integendeel betreurd dat de gegevensbanken niet voldoende werden aangevuld door bepaalde diensten. De Ministerraad voert overigens aan dat de aanbeveling van de GBA met betrekking tot de productie van statistieken met het oog op de publicatie van een periodiek evaluatieverslag over de doeltreffendheid van de toegepaste verwerkingsmethoden en de in de bestreden wet bedoelde overheden, opportuniteitskritiek betreft die niet onder de bevoegdheid van het Hof valt. Artikel 52, § 1, van het Handvest en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de 6 rechten van de mens leggen volgens de Ministerraad geen dergelijke verplichting op. Ten slotte kunnen de parlementaire organen die ermee belast zijn de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. te controleren, in voorkomend geval het voorleggen van statistieken vereisen. A.11.1. In de achtste grief betogen de verzoekende partijen dat de wetgever geen rekening heeft gehouden met de opmerkingen van de GBA in haar voormelde advies nr. 97/2023 wat betreft de in artikel 32 van de bestreden wet bedoelde deelname van de Dienst Vreemdelingenzaken en de andere diensten aan de Lokale task forces. Uit het feit dat de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » aan de bevoegde overheden de zorg overlaat om het verblijf op het Belgische grondgebied te beperken of te verbieden omwille van de nationale veiligheid, kan overigens niet worden afgeleid dat die overheden ten behoeve van de nationale veiligheid optreden. A.11.2. Volgens de Ministerraad is de achtste grief van het eerste middel niet gegrond. Hij merkt ten eerste op dat de verzoekende partijen niet uiteenzetten waarom de bestreden wet in haar geheel zou moeten worden vernietigd op basis van die grief, en niet enkel artikel 32 ervan. Zij leggen evenmin uit in welk opzicht die laatste bepaling niet in overeenstemming zou zijn met het wettigheidsbeginsel. Ten tweede, in tegenstelling tot hetgeen de GBA aanvoert in haar advies, verwijst de wetgever naar de zaak Jürgen Conings ter illustratie van de problematiek waaraan de bestreden wet wil verhelpen en niet ter verantwoording van de deelname van de Dienst Vreemdelingenzaken en de andere diensten aan de Lokale task forces. Die deelname geeft gevolg aan de aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscommissie rond de aanslagen van 2016. De aanwezigheid van de Dienst Vreemdelingenzaken en de andere diensten binnen de Lokale task forces is verantwoord door hun bevoegdheden in aangelegenheden inzake openbare orde en nationale veiligheid. De Dienst Vreemdelingenzaken staat bovendien in voor de coördinatie tussen de maatregelen die door de verschillende deelnemers aan de Lokale task force worden genomen ten aanzien van een vreemdeling. Ten derde verwijst de Ministerraad naar de argumenten over de weerlegging van de vijfde grief wat betreft de kritiek van de GBA volgens welke de diensten die voor de Lokale task force kunnen worden uitgenodigd, bepaalbaar moeten zijn. Ten vierde is het begrip « gegevensuitwisseling » in de zin van artikel 31 van de bestreden wet, geen verwerking. Het gaat om een mondelinge uitwisseling die niet onder de bevoegdheid van de GBA valt. De schriftelijke uitwisselingen tussen partners van de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. vinden plaats in het kader van die gegevensbank. De deelnemers die worden uitgenodigd voor de Lokale task force nemen niet deel aan een gegevensuitwisseling : zij leveren een eenzijdige bijdrage aan de Lokale task force om de bijzondere situatie van een entiteit te contextualiseren. A.12. De negende tot twaalfde grief zijn afgeleid uit de schending van de evenredigheidsvereiste. A.13.1. In de negende grief verwijten de verzoekende partijen artikel 5 van de bestreden wet dat het geen onderscheid maakt tussen, enerzijds, de door de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. nagestreefde doeleinden en de doeleinden van de verwerkingen van persoonsgegevens die door elke dienst worden uitgevoerd en, anderzijds, de strategische, tactische en operationele noodzaak. A.13.2. Volgens de Ministerraad is de negende grief van het eerste middel niet gegrond. Hij stelt vast dat de wetgever, ingevolge het voormelde advies van de GBA nr. 97/2023, heeft geantwoord op de door de verzoekende partijen opgeworpen kritieken met betrekking tot de doeleinden van de gegevensbank. De bestreden wet creëert geen nieuwe rechten voor de betrokken diensten. Wanneer zij reeds toegang hebben tot de gegevens van de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. krachtens de bij hun respectieve organieke wetten bepaalde verwerkingsdoeleinden, volstaat een loutere verwijzing naar die organieke wetten. Het is overigens niet wenselijk om afzonderlijke gegevensbanken te creëren voor strategische informatie, enerzijds, en voor tactische en operationele informatie, anderzijds. Bovendien beveelt de afdeling wetgeving van de Raad van State aan te vermijden dat een veelvoud van gegevensbanken wordt opgericht met betrekking tot de bestrijding van terrorisme en extremisme. A.14.1. In de tiende grief voeren de verzoekende partijen aan dat de in artikel 6, § 2, van de bestreden wet bedoelde lijst van de categorieën van gegevens die in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. kunnen worden verwerkt, lang en onevenredig is en dat zij geen rekening houdt met het voormelde advies van de GBA nr. 97/2023. De verzoekende partijen preciseren dat er geen causaal verband bestaat tussen de lengte van de lijst en het onevenredige karakter ervan. Zij doen gelden dat de verwerking van gegevens betreffende levensbeschouwelijke of politieke overtuigingen onevenredig is aangezien een dergelijke verwerking geen verband houdt met het nagestreefde doel om terrorisme te bestrijden. 7 A.14.2. De Ministerraad voert aan dat de tiende grief van het eerste middel niet gegrond is. Volgens hem houdt de lengte van een artikel op zich niet in dat de inhoud ervan onevenredig is. Door zich ertoe te beperken naar het advies van de GBA te verwijzen, laten de verzoekende partijen na om uit te leggen in welk opzicht het evenredigheidsbeginsel zou zijn geschonden. De wetgever heeft ten slotte geantwoord op de kritieken van de GBA. De Ministerraad preciseert dat de verwerking van gegevens van politieke, ideologische, confessionele of filosofische aard beperkt is tot racistische, xenofobe, anarchistische, nationalistische, autoritaire of totalitaire opvattingen of bedoelingen die strijdig zouden zijn met de beginselen van de democratie of de mensenrechten, met de goede werking van de democratische instellingen of andere grondslagen van de rechtsstaat, met inbegrip van het radicaliseringsproces. A.15.1. In de elfde grief doen de verzoekende partijen gelden dat de bewaringstermijn van de gegevens via archivering van maximaal 30 jaar, waarin artikel 7 van de bestreden wet voorziet, onevenredig is. Zij verwijzen daaromtrent naar het voormelde advies van het Controleorgaan op de politionele informatie van 20 juni 2023 over het voorontwerp van wet dat aan de oorsprong ligt van de bestreden wet. A.15.2. De Ministerraad voert aan dat de elfde grief van het eerste middel niet gegrond is. Volgens de Ministerraad laat de loutere verwijzing door de verzoekende partijen naar het advies van het Controleorgaan op de politionele informatie niet toe te begrijpen in welk opzicht die bepaling het evenredigheidsbeginsel zou schenden. De wetgever heeft gepreciseerd dat de in artikel 7 van de bestreden wet bedoelde archivering van gegevens niet overlapt met dat waarin de wet op het politieambt voorziet. Meerdere bestaande mechanismen laten toe om de inachtneming van de in die bepaling bepaalde termijnen te controleren. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft tot slot gesteld dat artikel 7 het evenredigheidsbeginsel niet schond. A.16.1. In de twaalfde grief voeren de verzoekende partijen aan dat de in artikel 4 van de bestreden wet bedoelde rechten van de personen van wie de persoonsgegevens in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. worden verwerkt, niet afdoende worden gewaarborgd. Ten eerste zijn de beperkingen van die rechten niet voorzienbaar, aangezien de bestreden wet niet duidelijk de verantwoordelijke(
  4. n)voor elke verwerking bepaalt. Zij voegen eraan toe dat de wetgever, wat de verwerking van politiegegevens betreft, zich had moeten voegen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 november 2023 in zake Ligue des droits humains ASBL en BA t. Controleorgaan op de politionele informatie (C-333/22, ECLI:EU:C:2023:874). Zij vragen in voorkomend geval dat het Hof een prejudiciële vraag stelt aan het Hof van Justitie. Ten tweede is in geen enkele actieve kennisgevingsplicht voorzien ten aanzien van de gemonitorde personen waardoor zij, na afloop van een bewakingsmaatregel, ervan op de hoogte zouden kunnen worden gebracht dat zij aan een dergelijke maatregel waren onderworpen. Die lacune is in strijd met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ, grote kamer, 4 juni 2013, C-300/11, ZZ t. Secretary of State for the Home Department, ECLI:EU:C:2013:363, punten 57-58) en van het Grondwettelijk Hof (arresten nrs. 41/2019, ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.041, en 145/2011, ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.145). Zij vragen in voorkomend geval dat het Hof een prejudiciële vraag stelt aan het Hof van Justitie. Volgens de verzoekende partijen leidt het verweer van de Ministerraad niet tot een andere conclusie, aangezien hij de inachtneming van de actieve kennisgevingsplicht inroept zodra die plicht niet langer de nationale veiligheid in het gedrang dreigt te brengen. Zij doen gelden dat, bij gebrek aan actieve kennisgevingsplicht, de personen tegen wie een onderzoek wegens terreurdaden heeft gelopen, nooit ervan worden ingelicht dat hun persoonsgegevens werden verwerkt indien dat onderzoek niet tot een strafvervolging leidt, bijvoorbeeld wegens een seponering. Ten derde worden het recht op toegang tot de gegevens en het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel niet afdoende gewaarborgd, in zoverre de enige mogelijkheid tot controle waarover de betrokken personen beschikken, erin bestaat een zaak aanhangig te maken bij het Controleorgaan op de politionele informatie en het Vast Comité I, die uitsluitend kunnen antwoorden dat alle nodige verificaties werden verricht. Zij verwijzen naar het verslag van 8 mei 2019 van de speciale rapporteur van de Verenigde Naties voor de bevordering en de bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden bij terrorismebestrijding, met als opschrift « Visite en Belgique » (Bezoek aan België) (A/HRC/40/52/Add.5), en naar het voormelde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 november 2023 in zake Ligue des droits humains ASBL en BA t. Controleorgaan op de politionele informatie. A.16.2. De Ministerraad voert aan dat de twaalfde grief van het eerste middel niet gegrond is. Hij geeft aan dat artikel 4 van de bestreden wet duidelijk vermeldt dat de rechten van de personen van wie de persoonsgegevens in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. worden verwerkt, worden geregeld bij ondertitel 4 van titel 3 van de wet van 30 juli 2018. Volgens de Ministerraad heeft de wetgever aldus een gemeenschappelijke regeling vastgesteld voor de verwerkingen van persoonsgegevens in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. en voor de verwerkingen van persoonsgegevens door het OCAD. In beide gevallen vindt een bundeling plaats van de persoonsgegevens en de informatie afkomstig van verwerkingsverantwoordelijken, die niet allemaal onderworpen 8 zijn aan dezelfde verplichtingen inzake bescherming van persoonsgegevens. In zoverre de twaalfde grief betrekking heeft op het voormelde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 november 2023 in zake Ligue des droits humains ASBL en BA t. Controleorgaan op de politionele informatie, is de Ministerraad van mening dat die grief onontvankelijk is. Hij ziet het verband niet tussen dat arrest en titel 2 van de wet van 30 juli 2018. Wat het gebrek aan actieve kennisgevingsplicht betreft, doet de Ministerraad ten eerste gelden dat die ontstentenis wordt verantwoord door de doeltreffendheid van de betrokken antiterreurmaatregelen en door de beoordelingsvrijheid waarover de wetgever ter zake beschikt. Volgens de Ministerraad is het, in het kader van de maatregelen ter bestrijding van terrorisme of haatpropaganda die tot terrorisme kan leiden, onmogelijk om zich op een bepaald moment ervan te vergewissen dat een in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. opgenomen entiteit geen dreiging meer vormt voor de staatsveiligheid en dat aan die entiteit een kennisgeving kan worden gedaan « zonder het doel van de beperking in het gedrang te brengen ». Gelet op de omvang van het fenomeen van de terroristische aanslagen en het aantal slachtoffers van die aanslagen, moet de wetgever, volgens de Ministerraad, voorzichtig optreden bij het bepalen van de informatie die aan de in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. geregistreerde personen kan worden meegedeeld. Hij is van mening dat het gebrek aan actieve kennisgevingsplicht het evenredigheidsbeginsel niet schendt gelet op de inzet van de terrorismebestrijding en de aard van de betrokken informatie, op de vereiste veiligheidsmachtigingen om toegang te krijgen tot de gegevens in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R., en op het lage aantal personen dat door de maatregelen wordt getroffen. Ten tweede voorzien wetten zoals de wet van 5 augustus 1992 « op het politieambt » en de wet van 10 juli 2006 « betreffende de analyse van de dreiging » evenmin in een actieve kennisgevingsplicht. Ten derde onderwerpt de bestreden wet de in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. geregistreerde personen niet aan een bewakingsmaatregel op zich. Zij organiseert enkel een uitwisseling van informatie en gegevens waardoor elke basisdienst en partnerdienst zijn wettelijke opdrachten beter kan uitvoeren. Naar aanleiding van die uitwisseling van informatie wordt, in voorkomend geval, aan de betrokkene een kennisgeving gedaan door de dienst, in zoverre die laatste daartoe verplicht is wanneer hij gebruikmaakt van een bewakingsmaatregel. Ten vierde volstaat het, opdat er is voldaan aan de vereiste van een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een onafhankelijk orgaan met eigen procedureregels, dat een orgaan wordt opgericht dat toegang heeft tot alle informatie, hetgeen het geval is voor het Vast Comité I en het Controleorgaan op de politionele informatie. Ten aanzien van het tweede middel A.17. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 11 en 52 van het Handvest. De verzoekende partijen doen gelden dat de bestreden wet die bepalingen schendt in zoverre zij niet in voldoende waarborgen voorziet om de vrijheid van meningsuiting te beschermen. De maatregelen die zouden kunnen worden genomen op grond van een opname in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. wegens uitlatingen of uitspraken die door de vrijheid van meningsuiting worden beschermd, beperken die vrijheid volgens de verzoekende partijen. Het feit dat het mogelijk is om in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. te worden opgenomen uitsluitend op basis van uitspraken die niet tot geweld aanzetten, kan bovendien een ontradend effect hebben op de vrijheid van meningsuiting. Dat geldt des te meer daar de foutenmarge van preventieve onderzoeken hoog is. De gefragmenteerde aard van het Belgische beleid ter voorkoming van terrorisme leidt overigens tot verschillende interpretaties van gedragingen die wijzen op een risico en van uitspraken die worden geacht afbreuk te doen aan de democratische beginselen en een radicaliserende invloed te hebben. Volgens de verzoekende partijen vloeit een schending, door de bestreden wet, van de vrijheid van meningsuiting eveneens voort uit de uiteenzettingen in het eerste middel over de schending van het wettigheidsbeginsel. Zij verwijzen in dat verband naar de arresten van het Hof nrs. 145/2012 (ECLI:BE:GHCC:2012:ARR.145), 72/2016 (ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.072) en 113/2023 (ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.113). A.18. Volgens de Ministerraad is het tweede middel onontvankelijk of, op zijn minst, niet gegrond, aangezien de verzoekende partijen niet aantonen in welk opzicht de bestreden wet op onevenredige wijze afbreuk zou doen aan de vrijheid van meningsuiting. De Ministerraad geeft aan dat de opmerkingen van de speciaal rapporteur van de Verenigde Naties voor de bevordering en de bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden bij terrorismebestrijding, waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, betrekking hebben op het wetgevend kader zoals het in 2018 in België van toepassing was. Sindsdien is dat wetgevend kader aanzienlijk geëvolueerd. 9 Ten aanzien van het derde middel A.19. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 24 en 52 van het Handvest en met de artikelen 3, 9, 12 en 40, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind. De verzoekende partijen werpen twee grieven op. A.20.1. In de eerste grief voeren de verzoekende partijen aan dat de minimumleeftijd van twaalf jaar waarop minderjarigen in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. kunnen worden geregistreerd, overeenkomstig artikel 5 van de bestreden wet, niet redelijk verantwoord is. Ten eerste heeft de wetgever ten onrechte verwezen naar de algemene commentaar nr. 10 van het Comité voor de Rechten van het Kind, aangezien die commentaar in 2020 werd vervangen door de algemene commentaar nr. 24. In die commentaar beveelt het Comité voor de Rechten van het Kind aan om de leeftijd inzake strafrechtelijke aansprakelijkheid van minderjarigen ten minste op veertien jaar vast te stellen. Ten tweede is de opname in de gegevensbank niet rechtstreeks vergelijkbaar met de strafrechtelijke aansprakelijkheid wat betreft de beperkingen van de mensenrechten, zodat de leeftijdsgrens voor de ene niet noodzakelijk ook dient te gelden voor de andere. Overigens is de leeftijdsgrens voor strafrechtelijke aansprakelijkheid in België vastgelegd op achttien jaar en niet op twaalf of veertien jaar. Ten derde kan de opname van een minderjarige in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. de fundamentele rechten van die minderjarige voor een lange duur en met onherstelbare gevolgen beperken, aangezien er geen rechtsmiddelen voorhanden zijn om de rechtzetting van de gegevens in de gegevensbank of de uitschrijving van de minderjarige te verkrijgen. Ten vierde is de omstandigheid dat de verzameling, de verwerking en de bewaring van persoonsgegevens van kinderen worden uitgevoerd uit veiligheidsoverwegingen door overheden die niet gespecialiseerd zijn inzake jeugdbescherming, in strijd met de rechten van het kind. Ten vijfde zou een hogere leeftijdsgrens beter aansluiten bij de algemene bepalingen die van toepassing zijn op het vlak van gegevensbescherming, volgens welke een kind jonger dan dertien jaar, als gevolg van een gebrek aan maturiteit, geen toestemming kan verlenen voor de verwerking van zijn persoonsgegevens. A.20.2. De Ministerraad voert aan dat de eerste grief van het derde middel niet gegrond is. Volgens hem blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat de maatregelen betreffende minderjarigen ertoe strekken hun belang te beschermen en dat de overheden die ermee belast zijn de persoonsgegevens van kinderen te verzamelen, te verwerken en te bewaren, jegens hen een preventieve houding aannemen. Hij voegt eraan toe dat het volgens de afdeling wetgeving van de Raad van State ook grondwettig is dat een natuurlijke persoon al vanaf de leeftijd van twaalf jaar kan worden geregistreerd in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. A.21.1. In de tweede grief voeren de verzoekende partijen aan dat de artikelen 5 en 6 van de bestreden wet de referentienormen schenden, in zoverre zij voorzien in de registratie van de kinderen van « foreign terrorist fighters » (buitenlandse terreurstrijders) in de gemeenschappelijke gegevensbank. Ten eerste zijn de waarborgen ter bescherming van de rechten van die kinderen niet voldoende. Ten tweede is het niet noodzakelijk dat de informatie over die kinderen wordt bijgehouden door andere organen dan de sociale diensten van de gemeenschappen. Dat creëert een niet redelijk verantwoord verschil in behandeling aangezien enkel die kinderen worden geregistreerd in een politionele gegevensbank als gevolg van de misdrijven van hun ouders. De verzoekende partijen verwijzen dienaangaande naar het voormelde advies van het Vast Comité I nr. 004/VCI/2023 en naar de adviezen van de algemeen afgevaardigden voor de rechten van het kind van 14 juni 2023 en 21 juni 2023 over het voorontwerp van wet dat aan de basis ligt van de bestreden wet. Ten derde is het onevenredig dat de identiteit van die kinderen wordt gedeeld met alle diensten die over een leesrecht in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. beschikken, aangezien het gaat om bijzonder kwetsbare kinderen. Zulks geeft overigens aanleiding tot een vermenging van de taken ter voorkoming en controle van terrorisme, enerzijds, en ter bescherming van kinderen, anderzijds. Ten vierde doet de toevoeging van een doeleinde van bescherming aan de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R., afbreuk aan het finaliteitsbeginsel. Ten vijfde vereisen de beginselen van minimale gegevensverwerking en van pseudonimisering dat de identiteit van de betrokken minderjarigen enkel toegankelijk is voor de diensten die bevoegd zijn om de kinderen die in jihadistisch conflictgebied verblijven of hebben verbleven, op te volgen. Een specifieke gegevensbank zou daarvoor kunnen worden opgericht. De verzoekende partijen voeren aan dat, in tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad beweert, die kritiek geen opportuniteitskritiek is, maar dat die verband houdt met de inachtneming van het finaliteitsbeginsel dat centraal staat binnen de regelgeving inzake gegevensbescherming. Ten zesde is de bewaringsduur van de gegevens met betrekking tot de kinderen onevenredig. A.21.2. De Ministerraad voert aan dat de tweede grief van het derde middel niet gegrond is. Ten eerste is de kritiek volgens welke het logischer zou zijn geweest om een specifieke gegevensbank op te richten waartoe enkel de sociale diensten van de gemeenschappen toegang zouden kunnen hebben, een loutere opportuniteitskritiek 10 waarvoor het Hof niet bevoegd is. Ten tweede moeten de minderjarigen die worden beschouwd als entiteiten in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. (artikel 5, 5°, a), van de bestreden wet), worden onderscheiden van de kinderen van « foreign terrorist fighters » die « in het gebied » worden geboren (artikel 5, 5°, b), van dezelfde wet). De minderjarigen van de eerste categorie worden onder een specifiek statuut geregistreerd in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R., als aan de doeleinden ervan is voldaan. Er is echter bepaald dat de verwerking van persoonsgegevens van die minderjarigen de hulp bij de bescherming, de begeleiding en de opvolging van die minderjarigen beoogt. Volgens de Ministerraad blijkt overigens uit de parlementaire voorbereiding dat de opname van minderjarigen van de tweede categorie in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. evenredig is. Ten derde geeft de Ministerraad aan dat hij niet kan bepalen of de kritiek van de verzoekende partijen betreffende de bewaringsduur van de gegevens van minderjarigen is gericht tegen de artikelen 5 en 6 van de bestreden wet of tegen artikel 7 ervan. Hij voert aan dat de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welk opzicht de bij die laatste bepaling vastgestelde duur ongrondwettig zou zijn. -B- Ten aanzien van de bestreden wet en de context ervan B.1. De verzoekende partijen vorderen de gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 29 maart 2024 « tot oprichting van de gemeenschappelijke gegevensbank ‘ Terrorisme, Extremisme, Radicaliseringsproces ’ (‘ T.E.R. ’) en tot wijziging van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, de wet van 30 juli 2018 tot oprichting van lokale integrale veiligheidscellen inzake radicalisme, extremisme en terrorisme en de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt » (hierna : de bestreden wet). B.2.1. De bestreden wet richt een gemeenschappelijke gegevensbank « Terrorisme, Extremisme, Radicaliseringsproces » (hierna : T.E.R.) op, die « de gemeenschappelijke verwerking mogelijk maakt, door alle of een deel van de basisdiensten en de partnerdiensten, van de persoonsgegevens en informatie betreffende de opdrachten inzake de voorkoming en de opvolging van terrorisme en extremisme dat kan leiden tot terrorisme, in de zin van artikel 8, 1°, [tweede lid,]
  5. b)en c), van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, van die diensten, elk in het kader van zijn wettelijke bevoegdheden » (artikel 3, eerste lid, van de bestreden wet). Zij strekt tot de opname in een autonome wet van de bepalingen van de wet van 5 augustus 1992 « op het politieambt » (hierna : de wet op het politieambt) met betrekking tot de gemeenschappelijke gegevensbanken en van de meeste bepalingen van de koninklijke besluiten betreffende, enerzijds, de gemeenschappelijke gegevensbank « Terrorist fighters » 11 (terreurstrijders) (voorheen genaamd : de gemeenschappelijke gegevensbank « Foreign Terrorist Fighters » (buitenlandse terreurstrijders)) en, anderzijds, de gemeenschappelijke gegevensbank « Haatpropagandisten » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3692/001, pp. 5 en 7). Het gaat respectievelijk om

(1)de artikelen 44/2 en volgende van de wet op het politieambt, zoals gewijzigd bij de artikelen 7 tot 13 van de wet van 27 april 2016 « inzake aanvullende maatregelen ter bestrijding van terrorisme » (hierna : de wet van 27 april 2016);
(2)het koninklijk besluit van 21 juli 2016 « betreffende de gemeenschappelijke gegevensbank Terrorist Fighters » (hierna : het koninklijk besluit van 21 juli 2016), zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 april 2018 « tot wijziging van het Koninklijk besluit van 21 juli 2016 betreffende de gemeenschappelijke gegevensbank Foreign Terrorist Fighters en tot uitvoering van sommige bepalingen van de afdeling 1bis ‘ Het informatiebeheer ’ van hoofdstuk IV van de wet op het politieambt en tot omvorming van de gemeenschappelijke gegevensbank Foreign Terrorist Fighters naar de gemeenschappelijke gegevensbank Terrorist Fighters » en bij het koninklijk besluit van 20 december 2019 « tot wijziging van het Koninklijk besluit van 21 juli 2016 betreffende de gemeenschappelijke gegevensbank Terrorist Fighters en van het koninklijk besluit van 23 april 2018 betreffende de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten en tot uitvoering van sommige bepalingen van de afdeling 1bis ‘ Het informatiebeheer ’ van hoofdstuk IV van de wet op het politieambt »;
(3)het koninklijk besluit van 23 april 2018 « betreffende de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten en tot uitvoering van sommige bepalingen van de afdeling 1bis ‘ Het informatiebeheer ’ van hoofdstuk IV van de wet op het politieambt » (hierna : het koninklijk besluit van 23 april 2018 « Haatpropagandisten »), zoals gewijzigd bij het voormelde koninklijk besluit van 20 december
  1. De gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. heeft ook tot doel « de T.E.R.-strategie inzake de gemeenschappelijke gegevensbank en de Lokale Taskforces aan te scherpen » en « de klemtoon te leggen op het noodzakelijke overleg tussen veiligheidsprofessionals over de gegevens in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R., die het met elkaar eens moeten zijn over de wenselijkheid van het nemen van maatregelen wanneer een entiteit in de gemeenschappelijke gegevensbank wordt geregistreerd » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3692/001, p. 7). B.2.
  2. De bestreden wet neemt « zoveel mogelijk elementen » uit de voormelde koninklijke besluiten van 21 juli 2016 en van 23 april 2018 « Haatpropagandisten » over om 12 « eraan een sterkere juridische grondslag te verschaffen, met name op het gebied van de bescherming van personen ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens op het vlak van de categorieën verwerkte gegevens » (ibid.). De meeste bepalingen van de wet op het politieambt met betrekking tot de gemeenschappelijke gegevensbanken of van de voormelde koninklijke besluiten zijn in de bestreden wet overgenomen zonder inhoudelijke wijziging (ibid.). De persoonsgegevens met betrekking tot vijf categorieën van « entiteiten » worden verwerkt in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. : de « foreign terrorist fighters », de « homegrown terrorist fighters », de potentieel gewelddadige extremisten, de terrorismeveroordeelden en de haatpropagandisten (artikel 2, 4°, juncto artikel 6, § 2, 1°, van de bestreden wet). De « entiteit » verwijst naar de natuurlijke persoon, de rechtspersoon of de feitelijke vereniging die beantwoordt aan de criteria van een van de voormelde categorieën (« gevalideerde entiteit ») of ten aanzien waarvan er ernstige aanwijzingen bestaan dat ze kan voldoen aan die criteria (« entiteit in vooronderzoek »), alsook naar al de door hen aangewende middelen, zoals « vervoersmiddelen of gebruikte telefoon-/rekeningnummers » (artikel 2, 4°, van de bestreden wet; Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3692/001, p. 22). De in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. verwerkte persoonsgegevens zijn de niet-geclassificeerde gegevens in de zin van de wet van 11 december 1998 « betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, de veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst » (hierna : de wet van 11 december 1998) (artikel 6, § 2, van de bestreden wet). De opname van een entiteit in de gegevensbank T.E.R. heeft als gevolg « enerzijds […] dat de uitwisseling van gegevens en informatie inzake een entiteit gebeurt in een overlegplatform, [de Lokale task force] genaamd, en anderzijds dat de [Lokale task force], vanaf de validatie van een entiteit in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R., overleg pleegt over eventuele maatregelen die kunnen worden genomen na de opname van een entiteit in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. Het resultaat van dit overleg wordt overgezonden aan de bevoegde overheid om te beslissen over de betrokken maatregel » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3692/001, pp. 132-133; zie de artikelen 31 tot 33 van de bestreden wet). De betrokken maatregelen zijn met name « de politionele seining, de inlichtingseining, de seining door de Dienst Vreemdelingenzaken, overeenkomstig de respectievelijke geldende regelgevingen, en de seining in het kader van de Belgische 13 regelgeving betreffende de verwerking van passagiersgegevens », de schorsing of de intrekking van « de vergunningen toegekend aan bewakingsondernemingen, ondernemingen voor veiligheidsadvies, interne bewakingsdiensten en privédetectives, de erkenningen voor beveiligheidsondernemingen en lesgevers in opleidingsinstellingen alsmede de vergunningen voor het personeel om in die sector te werken » en « de wapenvergunningen toegekend aan bewakingsagenten », de uitvoering van een sociaal en fiscaal onderzoek, de uitvoering van een financieel onderzoek, het nemen van specifieke maatregelen door de diensten van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA), de « Office wallon de la formation professionnelle et de l’emploi » (FOREm), de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling (Actiris), « Bruxelles formation », de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) of de Dienst voor Arbeidsbemiddeling van de Duitstalige Gemeenschap in België (« Arbeidsamt der Deutschsprachigen Gemeinschaft Belgiens » of ADG), het nemen van specifieke maatregelen door de Dienst Vreemdelingenzaken, de weigering, de intrekking of de ongeldigverklaring van een paspoort en Belgische identiteitsdocumenten, de ambtshalve inschrijving of schrapping uit de bevolkingsregisters, de bevriezing van tegoeden, de opvolging door de politiediensten, de opvolging door de inlichtingendiensten, de opvolging van de sociale media en de maatregelen bedoeld in de verordening (EU) 2021/784 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2021 « inzake het tegengaan van de verspreiding van terroristische online-inhoud » en de verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 « betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten en tot wijziging van Richtlijn 2000/31/EG (digitaledienstenverordening) » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3692/001, pp. 142-146; artikel 33, § 2, van de bestreden wet). B.2.
  3. De ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de verwerking van de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. (artikel 5, eerste lid, van de bestreden wet). De federale politie is de beheerder ervan (artikel 2 van het koninklijk besluit van 14 juli 2024 « betreffende de gemeenschappelijke gegevensbank ‘ Terrorisme, Extremisme, Radicaliseringsproces ’ (‘ T.E.R. ’) », hierna : het koninklijk besluit van 14 juli 2024, genomen ter uitvoering van de in artikel 11, eerste lid, van de bestreden wet vervatte machtiging). In dat opzicht zorgt zij met name voor het creëren, het ter beschikking stellen en het beheren van de gemeenschappelijke gegevensbank en het verzekeren van het onderhoud ervan, het organiseren 14 van de rechten en de toegangen die nodig zijn voor de te verrichten verwerkingen in die gegevensbank en het waken over de logbestanden van die verwerkingen (artikel 11, tweede lid, van de bestreden wet). Het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse (hierna : het OCAD) is de operationeel verantwoordelijke van de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. (artikel 3 van het koninklijk besluit van 14 juli 2024, genomen ter uitvoering van de in artikel 12, eerste lid, van de bestreden wet vervatte machtiging). In dat opzicht valideert het OCAD met name de opname van een entiteit in de gemeenschappelijke gegevensbank, controleert het de kwaliteit van de erin verwerkte gegevens en verzekert het zich ervan dat de gegevens worden gebruikt in verhouding tot de beoogde doeleinden (artikel 12, tweede lid, van de bestreden wet; Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3692/002, p. 14). Het Controleorgaan op de politionele informatie en het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (hierna : het Vast Comité I) zijn de gegevensbeschermingsautoriteiten die gezamenlijk belast zijn met de controle van de verwerkingen in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. (hierna : de toezichthoudende overheden) (artikel 29 juncto artikel 2, 22°, van de bestreden wet; artikel 161, tweede lid, van de wet van 30 juli 2018 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens », zoals ingevoegd bij artikel 46 van de bestreden wet). B.2.
  4. De oprichting van de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. strekt in hoofdzaak ertoe gevolg te geven aan de aanbeveling van de parlementaire onderzoekscommissie « belast met het onderzoek naar de omstandigheden die hebben geleid tot de terroristische aanslagen van 22 maart 2016 in de luchthaven Brussel-Nationaal en in het metrostation Maalbeek te Brussel, met inbegrip van de evolutie en de aanpak van de strijd tegen het radicalisme en de terroristische dreiging » (hierna : de parlementaire onderzoekscommissie « Terroristische aanslagen ») en van de Gegevensbeschermingsautoriteit, om een rechtsgrondslag ad hoc te geven aan de bestaande gemeenschappelijke gegevensbanken « Terrorist fighters » en « Haatpropagandisten ». Die laatste gegevensbanken zijn opgericht bij de voormelde koninklijke besluiten ter uitvoering van de machtiging die artikel 44/11/3bis van de wet op het politieambt, zoals ingevoerd bij artikel 13 van de wet van 27 april 2016, verleent aan de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie om gezamenlijk gemeenschappelijke 15 gegevensbanken op te richten voor de gezamenlijke uitoefening van de opdrachten inzake de voorkoming en de opvolging van terrorisme of extremisme dat kan leiden tot terrorisme. Die gegevensbanken zijn technisch gezien één gemeenschappelijke gegevensbank, « die – zoals zijn naam aangeeft – voor verschillende diensten gemeenschappelijk is en dus geen specifieke reden [heeft] om aan de wet op het politieambt te zijn gekoppeld » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3692/001, p. 5; zie ook, DOC 55-3692/002, p. 3). De oprichting van de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. strekt eveneens ertoe, naar aanleiding van « de zaak Conings », te voorzien in « de verplichting voor de Lokale Taskforce om, wanneer er een entiteit in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. wordt opgenomen, een lijst maatregelen te overlopen die ten aanzien ervan kunnen worden genomen » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3692/001, p. 6), zoals « het intrekken van een wapenvergunning, een veiligheidsmachtiging, een verblijfstitel enzovoort » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3692/002, p. 5). Ten slotte strekt de oprichting van de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. ertoe, « als gevolg van het tragische overlijden van een politieagent die werd neergestoken door een persoon die in de gegevensbank T.E.R. was opgenomen en naar een ziekenhuis was gevoerd naar aanleiding van een vermoedelijke psychiatrische stoornis, maar die was vertrokken vooraleer hij door een zorgverlener werd onderzocht » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3692/001, p. 6), enerzijds, « de basisdiensten de mogelijkheid te bieden gegevens inzake mentale en fysieke gezondheid en inzake de gevaarlijkheid van personen opgenomen in de gegevensbank T.E.R. mee te delen aan zorgverleners » en, anderzijds, « ervoor te zorgen dat alle politieagenten in het veld kennis kunnen nemen van de evaluatie van de dreiging van een persoon die in de gegevensbank T.E.R. is opgenomen en met wie ze in contact komen, zonder dat ze daarvoor over een veiligheidsmachtiging hoeven te beschikken » (ibid.). B.
  5. De bestreden wet wijzigt drie andere wetten en een wetboek, namelijk : de wet van 30 juli 2018 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens » (hierna : de wet gegevensbescherming), de wet van 30 juli 2018 « tot oprichting van lokale integrale veiligheidscellen inzake radicalisme, extremisme en terrorisme », de wet op het politieambt en het Consulair Wetboek. 16 De wijzigingen die aan die wetten en dat Wetboek werden aangebracht, zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van de bestreden wet (artikelen 34 tot 54). B.
  6. De bestreden wet is in werking getreden op 1 oktober 2024 (artikel 11, 1°, van het koninklijk besluit van 14 juli 2024, genomen ter uitvoering van de in artikel 60, tweede lid, van de bestreden wet vervatte machtiging). Op diezelfde datum werd het voormelde artikel 44/11/3bis van de wet op het politieambt opgeheven (artikel 55, 3°, van de bestreden wet), alsook de voormelde koninklijke besluiten van 21 juli 2016 en van 23 april 2018 « Haatpropagandisten » (artikelen 10 en 11, 2°, van het koninklijk besluit van 14 juli 2024; artikelen 56 en 57 van de bestreden wet juncto artikel 11, 1°, van het koninklijk besluit van 14 juli 2024). Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de middelen B.5.
  7. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. Om te voldoen aan de voormelde vereisten, dient een verzoekende partij haar kritieken inzonderheid toe te spitsen op de bestreden bepalingen zoals zij finaal door de wetgever zijn aangenomen, in plaats van uit te gaan van de versies ervan zoals zij waren opgenomen in het (voor)ontwerp van wet en waaraan de wetgever desgevallend nog substantiële wijzigingen heeft aangebracht, bijvoorbeeld ingevolge de opmerkingen van een adviserende instantie. B.5.
  8. Het Hof onderzoekt het beroep tot vernietiging slechts in zoverre het aan de voormelde vereisten voldoet. 17 Ten aanzien van het eerste middel (recht op eerbiediging van het privéleven, recht op bescherming van persoonsgegevens en recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel) B.6.
  9. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 8, 10, 13 tot 15 en 54 van de richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad » (hierna : de Politierichtlijn) en met de artikelen 7, 8, 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest). Het middel bestaat uit twaalf grieven. Volgens de verzoekende partijen zou de bestreden wet afbreuk doen aan het recht op eerbiediging van het privéleven, aan het recht op bescherming van persoonsgegevens en aan het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, die door die bepalingen worden gewaarborgd. In hun eerste tot zesde grief doen de verzoekende partijen gelden dat het wettigheidsbeginsel, in de formele en materiële dimensie ervan, is geschonden. In hun zevende en achtste grief doen de verzoekende partijen gelden dat de vereisten van noodzakelijkheid en doeltreffendheid zijn geschonden. In hun negende tot twaalfde grief doen de verzoekende partijen gelden dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden. B.6.
  10. Het recht op eerbiediging van het privéleven, zoals gewaarborgd bij artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, heeft als essentieel doel de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven. Het voorstel dat is voorafgegaan aan de aanneming van artikel 22 van de Grondwet beklemtoonde « de bescherming van de persoon, de erkenning van zijn identiteit en de belangrijkheid van zijn ontplooiing en die van zijn gezin » en onderstreepte de noodzaak om het privéleven en het gezinsleven te beschermen tegen « inmenging, onder meer als gevolg van de onafgebroken 18 ontwikkeling van de informatietechnieken, wanneer maatregelen van opsporing, onderzoek en controle door de overheid en particuliere instellingen worden uitgevoerd bij het uitoefenen van hun functie of hun activiteit » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 100-4/2°, p. 3). In dat voorstel werd eveneens aangegeven dat de wetgever « het recht op de eerbiediging van het privé-leven en het gezinsleven op geen enkele wijze mag uithollen; anders schendt hij niet alleen een grondwetsregel maar ook internationale rechtsregels » (ibid.). Het recht op eerbiediging van het privéleven heeft een ruime draagwijdte en omvat, onder meer, de bescherming van persoonsgegevens en van persoonlijke informatie. Onder meer de volgende gegevens en informatie betreffende personen vallen onder de bescherming van dat recht : de naam, het adres, de professionele activiteiten, de persoonlijke relaties, digitale vingerafdrukken, camerabeelden, foto’s, communicatiegegevens, DNA-gegevens, gerechtelijke gegevens (veroordeling of verdenking), financiële gegevens, informatie over bezittingen en medische gegevens (zie onder meer EHRM, 26 maart 1987, Leander t. Zweden, ECLI:CE:ECHR:1987:0326JUD000924881, §§ 47-48; grote kamer, 4 december 2008, S. en Marper t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:1204JUD003056204, §§ 66-68; 13 oktober 2020, Frâncu t. Roemenië, ECLI:CE:ECHR:2020:1013JUD006935613, § 51). B.6.
  11. Het recht op eerbiediging van het privéleven is evenwel niet absoluut. Artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens sluiten een overheidsinmenging in de uitoefening van dat recht niet uit, voor zover zij wordt toegestaan door een voldoende precieze wettelijke bepaling, zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte in een democratische samenleving en zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. De wetgever beschikt ter zake over een beoordelingsvrijheid. Die vrijheid is evenwel niet onbegrensd : opdat een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven, is vereist dat de wetgever een billijk evenwicht heeft ingesteld tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn. B.6.
  12. Binnen de werkingssfeer van het recht van de Europese Unie waarborgen artikel 22 van de Grondwet, artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 7 van het Handvest analoge grondrechten (HvJ, grote kamer, 9 november 2010, C-92/09 en 19 C-93/09, Volker und Markus Schecke GbR e.a., ECLI:EU:C:2010:662), terwijl artikel 8 van dat Handvest specifiek de rechtsbescherming van persoonsgegevens beoogt. De bestaanbaarheid van een wetskrachtige bepaling met de artikelen 7 en 8 van het Handvest, in samenhang gelezen met artikel 22 van de Grondwet, kan slechts door het Hof worden onderzocht in zoverre de bestreden bepaling binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt (HvJ, grote kamer, 26 februari 2013, C-617/10, Åklagaren, ECLI:EU:C:2013:105, punten 17 e.v.). B.6.
  13. De in de artikelen 7 en 8 van het Handvest verankerde rechten hebben evenmin een absolute gelding (HvJ, grote kamer, 16 juli 2020, C-311/18, Data Protection Commissioner, ECLI:EU:C:2020:559, punt 172). Overeenkomstig artikel 52, lid 1, eerste volzin, van het Handvest moeten beperkingen op de uitoefening van de daarin erkende rechten en vrijheden, waaronder met name het door artikel 7 gewaarborgde recht op eerbiediging van het privéleven en het in artikel 8 ervan neergelegde recht op bescherming van persoonsgegevens, bij wet worden gesteld, de wezenlijke inhoud van die rechten eerbiedigen en, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan een doelstelling van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen (HvJ, grote kamer, 6 oktober 2020, C-623/17, Privacy International, ECLI:EU:C:2020:790, punt 64). B.6.
  14. Artikel 47 van het Handvest voorziet in een recht op een doeltreffende voorziening in rechte. B.6.
  15. De verwerkingen van persoonsgegevens in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. worden geregeld bij ondertitel 4 van titel 3 van de wet gegevensbescherming (artikel 4 van de bestreden wet; artikel 139, eerste lid, van de wet gegevensbescherming, zoals gewijzigd bij artikel 37 van de bestreden wet). De titels 1, 2, 4, 5 en 7 van die wet zijn niet van toepassing op die verwerkingen. In titel 6 zijn enkel de artikelen 226, 227 en 230 erop van toepassing (artikel 139, tweede lid, van de wet gegevensbescherming). B.
  16. De grieven van de verzoekende partijen hebben betrekking op de volgende aspecten : 20
  17. de begrippen « haatpropagandisten » en « potentieel gewelddadige extremisten » (B.8 tot B.12);
  18. de doeleinden van de koppeling tussen de gegevensbanken (B.13 tot B.15);
  19. de toegangsrechten van de partnerdiensten (B.16 tot B.20);
  20. de diensten die door de Lokale task force kunnen worden uitgenodigd (B.21 tot B.23);
  21. de in artikel 33, § 2, 7° en 8°, van de bestreden wet bedoelde maatregelen (B.24 tot B.26);
  22. de bestemmelingen van de « informatiekaart » (B.27 tot B.30);
  23. de diensten die toegang hebben tot de gegevensbank (B.31 tot B.33);
  24. de deelname van de Dienst Vreemdelingenzaken en andere diensten aan de Lokale task forces (B.34 tot B.36);
  25. de nagestreefde verwerkingsdoeleinden (B.37 tot B.39);
  26. de categorieën van gegevens (B.40 tot B.43);
  27. de bewaringstermijn van de gegevens (B.44 tot B.48);
  28. de rechten van de betrokken personen (B.49 tot B.56). 21
  29. Wat betreft de begrippen « haatpropagandisten » en « potentieel gewelddadige extremisten » (artikel 2, 9° en 11°, van de bestreden wet) B.
  30. De verzoekende partijen doen gelden dat artikel 2, 11°, van de bestreden wet het wettigheidsbeginsel schendt in zoverre het begrip « haatpropagandisten » daarin niet voldoende nauwkeurig is omschreven. B.9.
  31. Bij artikel 22 van de Grondwet wordt aan de bevoegde wetgever de bevoegdheid voorbehouden om te bepalen in welke gevallen en onder welke voorwaarden afbreuk kan worden gedaan aan het recht op eerbiediging van het privéleven. Het waarborgt aldus aan elke burger dat geen inmenging in de uitoefening van dat recht kan plaatsvinden dan krachtens regels die zijn aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. Een delegatie aan een andere macht is evenwel niet in strijd met het wettigheidsbeginsel, voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen vooraf door de wetgever zijn vastgesteld. Bijgevolg moeten de essentiële elementen van de verwerking van persoonsgegevens in de wet, het decreet of de ordonnantie zelf worden vastgelegd. In dat verband maken de volgende elementen, ongeacht de aard van de betrokken aangelegenheid, in beginsel essentiële elementen uit :
(1)de categorie van verwerkte gegevens,
(2)de categorie van betrokken personen,
(3)de met de verwerking nagestreefde doelstelling,
(4)de categorie van personen die toegang hebben tot de verwerkte gegevens en
(5)de maximumtermijn voor het bewaren van de gegevens. B.9.2. Naast de formele wettigheidsvereiste legt artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 7, 8 en 52 van het Handvest, de verplichting op dat de inmenging in de uitoefening van het recht op eerbiediging van het privéleven en van het recht op bescherming van persoonsgegevens in duidelijke en voldoende nauwkeurige bewoordingen wordt geformuleerd die het mogelijk maken de hypothesen te voorzien waarin de wetgever een dergelijke inmenging toestaat. 22 Inzake de bescherming van de persoonsgegevens impliceert die vereiste van voorzienbaarheid dat voldoende precies moet worden bepaald in welke omstandigheden de verwerkingen van persoonsgegevens zijn toegelaten (EHRM, grote kamer, 4 mei 2000, Rotaru t. Roemenië, ECLI:CE:ECHR:2000:0504JUD002834195, § 57; grote kamer, 4 december 2008, S. en Marper t. Verenigd Koninkrijk, voormeld, § 99). De vereiste dat de beperking bij wet dient te worden ingesteld, houdt met name in dat de rechtsgrond die de inmenging in die rechten toestaat, zelf de reikwijdte van de beperking van de uitoefening van het betrokken recht moet bepalen (HvJ, grote kamer, 6 oktober 2020, C-623/17, Privacy International, voormeld, punt 65). Derhalve moet eenieder een voldoende duidelijk beeld kunnen hebben van de verwerkte gegevens, de bij een bepaalde gegevensverwerking betrokken personen en de voorwaarden voor en de doeleinden van de verwerking. B.9.3. Wat het geheim toezicht betreft, kan de vereiste van voorzienbaarheid niet op dezelfde manier worden begrepen als in de meeste andere domeinen. Met name zijn de Staten niet ertoe verplicht om rechtsbepalingen uit te vaardigen die op gedetailleerde wijze alle gedragingen opsommen die kunnen leiden tot een beslissing om een persoon aan een geheim toezicht te onderwerpen om redenen van nationale veiligheid. Rekening houdend met het risico op willekeur dat inherent is aan de uitoefening, in het geheim, van een overheidsbevoegdheid, moet het interne recht niettemin voldoende duidelijk zijn opdat iedereen zich op een adequate manier ervan kan vergewissen in welke omstandigheden en onder welke voorwaarden de overheid dergelijke geheime maatregelen mag nemen. De wet moet bovendien de omvang en de wijze van uitoefening van de aan de bevoegde overheden verleende beoordelingsvrijheid voldoende duidelijk omschrijven om de persoon naar behoren tegen willekeur te beschermen (EHRM, grote kamer, 4 december 2015, Roman Zakharov t. Rusland, ECLI:CE:ECHR:2015:1204JUD004714306, §§ 229, 230 en 247; grote kamer, 25 mei 2021, Big Brother Watch e.a. t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2021:0525JUD005817013, § 333). Er dient eveneens rekening te worden gehouden met de wijze waarop de toepassing van de maatregelen van geheim toezicht worden gecontroleerd, met het eventuele bestaan van een kennisgevingsmechanisme en met de in het interne recht bepaalde rechtsmiddelen (EHRM, grote kamer, 4 december 2015, Roman Zakharov t. Rusland, voormeld, §§ 231 en 238; grote kamer, 25 mei 2021, Big Brother Watch e.a. t. Verenigd Koninkrijk, voormeld, § 335). 23 B.10.1. Volgens artikel 2, 11°, van de bestreden wet zijn « haatpropagandisten » : « de natuurlijke personen of rechtspersonen, feitelijke verenigingen, met inbegrip van al de door hen aangewende middelen, ongeacht hun nationaliteit, verblijfplaats of plaats van vestiging, die voldoen aan volgende cumulatieve criteria :
  1. a)zij hebben tot doel schade te berokkenen aan de beginselen van de democratie of de mensenrechten, de goede werking van de democratische instellingen of andere grondslagen van de rechtsstaat;
  2. b)het gebruik van geweld of dwang als actiemethode rechtvaardigen;
  3. c)deze overtuiging verspreiden naar anderen met de bedoeling om een radicaliserende invloed uit te oefenen; wordt verstaan onder ‘ radicaliserende invloed ’ : elke actie gepleegd door een entiteit met als doelstelling om een radicaliseringsproces in de zin van artikel 3, 15°, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten te initiëren, te ondersteunen of ertoe bij te dragen;
  4. d)met een aanknopingspunt in België; ». Krachtens die bepaling worden in de zin van de bestreden wet als « haatpropagandisten » beschouwd, de natuurlijke personen of rechtspersonen en de feitelijke verenigingen, alsook al de door hen aangewende middelen (bijvoorbeeld « een website, traktaat, radio- of televisiebericht of –zender, culturele of propagandacentra, lokalen, enz. ») (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3692/001, p. 34), ongeacht of zij al dan niet de Belgische nationaliteit hebben en of hun verblijfplaats of plaats van vestiging al dan niet in België ligt, die aan de vier in die bepaling opgesomde cumulatieve criteria voldoen. « Haatpropagandisten » zijn een van de categorieën van « entiteiten » waarvan de persoonsgegevens in de gegevensbank T.E.R. worden verwerkt (artikel 2, 4°, juncto artikel 6, § 2, 1°, van de bestreden wet). B.10.2. Het begrip « haatpropagandisten » was niet gedefinieerd in het voorontwerp dat aan de oorsprong ligt van de bestreden wet (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3692/001, pp. 160-162). In haar advies nr. 73.442/2 van 7 juni 2023 over dat voorontwerp van wet heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State de wetgever aanbevolen om zelf de categorieën van entiteiten te preciseren waarvan de gegevens in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. kunnen 24 worden verwerkt, aangezien het om een essentieel element betreffende de verwerking van die gegevens gaat (ibid., pp. 200-202). Ingevolge dat advies is een definitie van het begrip « haatpropagandisten » ingevoegd in artikel 2, 11°, van het wetsontwerp (ibid., p. 228), dat het voormelde artikel 2, 11°, van de bestreden wet is geworden. Die definitie neemt (in het meervoud en met toevoeging van een definitie van het begrip « radicaliserende invloed ») de bewoordingen van het vroegere artikel 1, 11°, van het koninklijk besluit van 23 april 2018 « Haatpropagandisten » over, zoals het van toepassing was vóór de opheffing ervan bij artikel 57, 1°, van de bestreden wet, volgens welke de « haatpropagandist » « de natuurlijke persoon, rechtspersoon, feitelijke vereniging en de door hen aangewende middelen, zoals bedoeld in artikel 6, § 1, 1°, van dit besluit » is. Het voormelde artikel 6, § 1, 1°, van hetzelfde koninklijk besluit, zoals het van toepassing was vóór de opheffing ervan bij artikel 57, 6°, van de bestreden wet, bepaalde dat de persoonsgegevens en de informatie die in de gegevensbank « Haatpropagandisten » worden verwerkt, waren : « de identificatiegegevens aangaande de entiteiten, ongeacht hun nationaliteit, verblijfplaats of plaats van vestiging, en die voldoen aan volgende [cumulatieve] criteria :
  5. a)om schade te berokkenen aan de beginselen van de democratie of de mensenrechten, de goede werking van de democratische instellingen of andere grondslagen van de rechtsstaat;
  6. b)het gebruik van geweld of dwang als actiemethode rechtvaardigen;
  7. c)deze overtuiging verspreiden naar anderen met de bedoeling om een radicaliserende invloed uit te oefenen;
  8. d)met een aanknopingspunt in België ». B.10.3. Zoals in B.10.1 is vermeld, blijkt uit de bewoordingen van de bestreden bepaling dat die criteria cumulatief zijn. Het feit dat niet aan een van die criteria is voldaan, volstaat opdat een persoon, een feitelijke vereniging of middelen niet als « haatpropagandist » worden geregistreerd in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. B.10.4. De cumulatieve aard van de in artikel 2, 11°, van de bestreden wet bedoelde criteria waarborgt dat de vereiste om schade te berokkenen aan de beginselen en rechten die aan de grondslag liggen van de democratische maatschappij en de rechtsstaat, zoals bedoeld in 25 littera
  9. a)van die bepaling, niet ruim kan worden geïnterpreteerd, en maakt het voor de betrokkenen niet onmogelijk om te voorzien wanneer zij als een haatpropagandist worden beschouwd. In het bijzonder impliceert de omstandigheid dat de betrokkene het berokkenen van de voormelde schade « tot doel » heeft, dat hij zich tot op zekere hoogte bewust is van de mogelijke gevolgen van zijn handelingen voor de grondslagen en de werking van de democratische rechtsstaat. B.10.5. Wat betreft de in artikel 2, 11°, b), van de bestreden wet bedoelde vereiste om « het gebruik van geweld of dwang als actiemethode [te] rechtvaardigen », vermeldt de parlementaire voorbereiding : « De haatpropagandist rechtvaardigt het gebruik van geweld of dwang (waaronder alle vormen van dwang en geweld worden begrepen, zoals fysiek en psychisch geweld, intra- en extrafamiliaal geweld, homofoob geweld, cyberaanvallen, …) als actiemethode om deze doelstelling (de schade aan de principes van de democratie, de mensenrechten, aan de goede werking van de democratische instellingen of aan andere fundamenten van de rechtsstaat) te bereiken. De haatpropagandist geeft blijk van zijn intentie om schade te berokkenen en van de rechtvaardiging tot het gebruik van geweld of dwang ten aanzien van een of meerdere andere entiteiten door middel van concrete acties of kanalen. Deze intentie moet openbaar veruitwendigd worden, bijvoorbeeld door middel van een publicatie » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3692/001, p. 33). B.10.6. Wat betreft de in artikel 2, 11°, c), van de bestreden wet bedoelde vereiste om « [hun] overtuiging [te] verspreiden naar anderen met de bedoeling om een radicaliserende invloed uit te oefenen », beoogt het begrip « radicaliserende invloed » krachtens die bepaling « elke actie gepleegd door een entiteit met als doelstelling om een radicaliseringsproces in de zin van artikel 3, 15°, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten te initiëren, te ondersteunen of ertoe bij te dragen ». Artikel 3, 15°, van de wet van 30 november 1998 « houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten » (hierna : de wet van 30 november 1998) definieert het « radicaliseringsproces » als « een proces waarbij een individu of een groep van individuen op dusdanige wijze wordt beïnvloed dat dit individu of deze groep van individuen mentaal gevormd wordt of bereid is tot het plegen van terroristische handelingen ». Artikel 8, 1°, tweede lid, b), van dezelfde wet definieert « terrorisme » als « het gebruik van geweld tegen personen of materiële belangen om ideologische of politieke redenen met het 26 doel zijn doelstellingen door middel van terreur, intimidatie of dreigingen te bereiken. Hieronder wordt ook het radicaliseringsproces begrepen ». Bij zijn arrest nr. 145/2011 van 22 september 2011 (ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.145) heeft het Hof geoordeeld dat de in het voormelde artikel 3, 15°, van de wet van 30 november 1998 bepaalde definitie van « radicaliseringsproces », in samenhang gelezen met die van « terrorisme » bedoeld in artikel 8, 1°, tweede lid, b), van dezelfde wet, voldoet aan het wettigheidsbeginsel van artikel 22 van de Grondwet : « B.96.3. Met het begrip ‘ radicaliseringsproces ’, gelezen in samenhang met het begrip ‘ terrorisme ’, wordt aldus verwezen naar de fase die voorafgaat aan het plegen van terroristische handelingen. In het bijzonder wordt met proces van radicalisering een voorbereidend proces van manipulatie of wilsbeïnvloeding geviseerd, waarbij veiligheidsrisico’s ontstaan. Artikel 3, 15°, van de wet van 30 november 1998 geeft op duidelijke wijze aan dat dit een proces betreft, bestaande in beïnvloeding op dusdanige wijze dat betrokkene mentaal gevormd wordt of bereid is tot het plegen van terroristische handelingen. De bevoegdheid om uitzonderlijke inlichtingenmethoden aan te wenden in het geval van een ernstige bedreiging die betrekking heeft op een activiteit in verband met het radicaliseringsproces, is gesitueerd in het preventief optreden tegen terrorisme. B.97. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat geen afbreuk wordt gedaan aan de wettigheidsvereiste van artikel 22 van de Grondwet ». Het begrip « radicaliserende invloed », omschreven in de bestreden bepaling en in samenhang gelezen met de voormelde wettelijke definities van de begrippen « radicaliseringsproces » en « terrorisme », is voldoende duidelijk, zodat de betrokkene kan voorzien in welke omstandigheden een verwerking van de persoonsgegevens kan plaatsvinden. B.10.7. Uit de in B.10.5 vermelde parlementaire voorbereiding en de cumulatieve aard van de in artikel 2, 11°, van de bestreden wet bedoelde criteria blijkt dat de bewoordingen « het gebruik van geweld of dwang als actiemethode rechtvaardigen » in artikel 2, 11°, b), van de bestreden wet moeten worden gelezen in samenhang met de term « radicaliserende invloed » in artikel 2, 11°, c), van dezelfde wet en met de termen « radicaliseringsproces » en « terrorisme » in de artikelen 3, 15°, en 8, 1°, tweede lid, b), van de wet van 30 november 1998. Het begrip « dwang » dient in de gebruikelijke betekenis ervan te worden begrepen, hetgeen te dezen de uitoefening veronderstelt van een bepaalde macht over iemand waardoor die laatste wordt gedwongen om tegen zijn wil te handelen. Het feit dat dat begrip wordt 27 gebruikt naast het begrip « geweld », maakt het criterium van « het gebruik van geweld of dwang als actiemethode rechtvaardigen » niet onduidelijk. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, heeft dat criterium overigens niet als gevolg dat personen die louter op geweldloze wijze pleiten voor maatschappelijke veranderingen, ook al roepen zij daarbij op tot burgerlijke ongehoorzaamheid, als haatpropagandisten dienen te worden beschouwd. B.10.8. Krachtens de artikelen 20 en 21 van de wet van 30 juli 1981 « tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenophobie ingegeven daden », waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, wordt diegene die in een van de in artikel 444 van het Strafwetboek bedoelde omstandigheden aanzet tot discriminatie, haat of geweld jegens een persoon wegens een van de in die wet vermelde beschermde criteria of tot discriminatie, segregatie, haat of geweld jegens een groep, een gemeenschap of de leden ervan wegens een van die criteria, en diegene die denkbeelden verspreidt die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat, gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met een geldboete van 50 tot 1 000 euro of met een van die straffen alleen. Terwijl die strafrechtelijke bepalingen « het aanzetten tot discriminatie, segregatie, haat of geweld » en « het verspreiden van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat » gepaard doen gaan met een strafbaarstelling, is dat niet het geval voor artikel 2, 11°, van de bestreden wet, dat de definitie van « haatpropagandisten » met geen enkele strafbaarstelling gepaard doet gaan. Daaruit volgt dat, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen aanvoeren, het begrip « haatpropagandisten » en de voormelde misdrijven van « aanzetten tot discriminatie, segregatie, haat of geweld » en van « verspreiden van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat » niet met elkaar kunnen worden verward. B.11. In zoverre de grief betrekking heeft op het in artikel 2, 11°, van de bestreden wet bedoelde begrip « haatpropagandisten », is zij niet gegrond. B.12.1. De verzoekende partijen doen gelden dat kritieken die soortgelijk zijn aan die welke zij richten tegen het begrip « haatpropagandisten », kunnen worden geformuleerd ten aanzien van het begrip « potentieel gewelddadige extremisten » bedoeld in artikel 2, 9°, van de bestreden wet. 28 B.12.2. De verzoekende partijen zetten niet uiteen in welk opzicht de kritieken die zij formuleren ten aanzien van het begrip « haatpropagandisten » kunnen gelden voor het verschillende begrip « potentieel gewelddadige extremisten ». B.12.3. In zoverre de grief betrekking heeft op het in artikel 2, 9°, van de bestreden wet bedoelde begrip « potentieel gewelddadige extremisten », is zij onontvankelijk. 2. Wat betreft de doeleinden van de koppeling tussen de gegevensbanken (artikel 9 van de bestreden wet) B.13. De verzoekende partijen klagen aan dat artikel 9 van de bestreden wet de doeleinden van de erin vervatte koppeling tussen de gegevensbanken niet bepaalt. B.14.1. Artikel 9 van de bestreden wet bepaalt : « § 1. In het kader van de in artikel 3 bedoelde opdrachten en van de in artikel 5, tweede lid, bedoelde doeleinden, kan een koppeling van de in artikel 6, § 2, eerste lid, bedoelde gegevens en de in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. opgenomen informatie tot stand worden gebracht tussen de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. en andere gegevensbanken die worden beheerd door de basisdiensten of de partnerdiensten in het kader van hun wettelijke opdrachten of de authentieke gegevensbronnen als bedoeld in paragraaf 2. De Koning bepaalt, na advies van de verwerkingsverantwoordelijken van de in het eerste lid bedoelde gegevensbanken en van de bevoegde toezichthoudende overheden, en voor wat de gegevensbanken beheerd door de partner bedoeld in artikel 2, 3°, e), betreft, na akkoord van het College van het openbaar ministerie, de verwerkingen die onder de koppeling vallen, de onderling verbonden categorieën van persoonsgegevens en de nadere regels van de koppeling, waarbij de integriteit van de gegevens en van de netwerken gerespecteerd moeten worden, in het bijzonder wat betreft de gegevensbanken die geclassificeerde gegevens bevatten in de zin van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst. § 2. In het kader van de in artikel 3 bedoelde opdrachten en de in artikel 5, tweede lid, bedoelde doeleinden, kan voor de gegevens bedoeld in artikel 6, § 2, eerste lid, 1°, 1), a), i. tot xii., een koppeling tot stand worden gebracht van het Rijksregister van de natuurlijke personen bedoeld in artikel 1 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, naar de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. In het kader van de in artikel 3 bedoelde opdrachten en de in artikel 5, tweede lid, bedoelde doeleinden, kan voor de gegevens bedoeld in artikel 6, § 2, eerste lid, 1°, 2),
  10. a)tot d),
  11. h)en
  12. i)29 en 3),
  13. a)tot d),
  14. h)en i), een koppeling tot stand worden gebracht van de Kruispuntbank van Ondernemingen bedoeld in artikel III.15 van het Wetboek van economisch recht, naar de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. In het kader van de in artikel 3 bedoelde opdrachten en de in artikel 5, tweede lid, bedoelde doeleinden, kan voor de gegevens bedoeld in artikel 6, § 2, eerste lid, 1°, 1), h), 2),
  15. f)en 3), f), een koppeling tot stand worden gebracht van het repertorium van de voertuigen bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen, naar de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. In het kader van de in artikel 3 bedoelde opdrachten en de in artikel 5, tweede lid, bedoelde doeleinden kan, voor natuurlijke personen en rechtspersonen die in de gemeenschappelijke gegevens T.E.R. zijn geregistreerd, een koppeling tot stand worden gebracht van het Centraal Strafregister bedoeld in artikel 589 van het Wetboek van strafvordering, naar de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. ». Artikel 5, tweede lid, van de bestreden wet bepaalt : « De doeleinden van de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. zijn de volgende : 1° het gecoördineerde overleg tussen de basisdiensten en de partnerdiensten; 2° de strategische, tactische of operationele noodzaak om gezamenlijk persoonsgegevens en informatie te verwerken voor het uitoefenen van de respectievelijke opdrachten van de basisdiensten en de partnerdiensten; 3° de hulp bij het nemen van beslissingen door de bestuurlijke overheden of bij het nemen van beslissingen van bestuurlijke of gerechtelijke politie; 4° de analyse, de evaluatie en de opvolging, met inbegrip van het nemen van maatregelen, van de in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. geregistreerde gevalideerde entiteiten, de analyse, de evaluatie en de opvolging van de in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. geregistreerde entiteiten in vooronderzoek en de analyse, de evaluatie en de opvolging van het fenomeen van terrorisme en van extremisme wanneer het kan leiden tot terrorisme; 5° de hulp bij de bescherming, de begeleiding en de opvolging van de volgende personen :
  16. a)minderjarigen van twaalf jaar of ouder die worden beschouwd als foreign terrorist fighters, homegrown terrorist fighters, potentieel gewelddadige extremisten, terrorismeveroordeelden of haatpropagandisten;
  17. b)de minderjarige kinderen van een foreign terrorist fighter die beantwoordt aan de criteria bedoeld in artikel 2, 7°,
  18. a)of c), die niet worden beschouwd of niet kunnen worden beschouwd als foreign terrorist fighters, homegrown terrorist fighters, potentieel gewelddadige extremisten, terrorismeveroordeelden of haatpropagandisten ». B.14.2. Artikel 9 van de bestreden wet geeft gevolg aan de aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscommissie « Terroristische aanslagen », die heeft « onderstreept dat 30 een optimale uitwisseling van de verzamelde gegevens tussen de veiligheidsdiensten en een geïntegreerd beheer van de informatie noodzakelijk zijn » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3692/001, pp. 93-94). De mogelijkheid om een koppeling tot stand te brengen tussen de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. en andere gegevensbanken die worden beheerd door de basisdiensten of de partnerdiensten in het kader van hun wettelijke opdrachten (artikel 9, § 1) en de in artikel 9, § 2, bedoelde authentieke gegevensbronnen (het Rijksregister van de natuurlijke personen, de Kruispuntbank van Ondernemingen, het repertorium van de voertuigen en het Centraal Strafregister) strekt met name ertoe « de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. te verrijken met de gegevens van andere bestaande gegevensbanken zonder die gegevens opnieuw manueel in de [gemeenschappelijke] gegevensbank T.E.R. te moeten invoeren » en een toegang te bieden tot « de meest recente en betrouwbare gegevens mogelijk » die rechtstreeks afkomstig zijn van de dienst aan de bron ervan (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3692/001, p. 92). Wat betreft inzonderheid de mogelijkheid om een koppeling tot stand te brengen tussen de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. en de in artikel 9, § 2, bedoelde authentieke gegevensbronnen, is het doel « te voorkomen dat elke dienst met een leesrecht en een schrijfrecht zich individueel tot de beheerder van deze databanken moet wenden om toegang te krijgen tot de relevante gegevens uit deze authentieke bronnen » (ibid., p. 93). B.14.3. Uit de bewoordingen van artikel 9 van de bestreden wet blijkt dat die bepaling de doeleinden van de erin vervatte koppeling tussen de gegevensbanken vaststelt, door te verwijzen naar de in artikel 5, tweede lid, van dezelfde wet bedoelde doeleinden. B.15. De grief is niet gegrond. 3. Wat betreft de toegangsrechten van de partnerdiensten (artikel 16 van de bestreden wet) B.16. De verzoekende partijen doen gelden dat de in artikel 16 van de bestreden wet vervatte machtigingen aan de Koning te ruim zijn geformuleerd. B.17.1. Artikel 16 van de bestreden wet bepaalt : 31 « Op basis van de inachtneming van de principes van toereikendheid, relevantie en de niet-bovenmatige aard in het kader van de uitoefening van hun opdrachten bedoeld in artikel 3 en overeenkomstig de doeleinden van artikel 5, tweede lid, kunnen de partnerdiensten, elk in het kader van hun respectieve bevoegdheden, beschikken over : 1° een leesrecht en een schrijfrecht in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R.; of 2° een vraagrecht in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de toezichthoudende overheden, voor iedere partnerdienst de aard van het recht en de nadere regels van de uitoefening ervan. Voor de partnerdienst bedoeld in artikel 2, 3°, e), bepaalt de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de toezichthoudende overheden en na eensluidend advies van het College van procureurs-generaal, de aard van het recht en de nadere regels van de uitoefening ervan ». B.17.2. De gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. strekt ertoe het delen van gegevens en informatie tussen de verschillende diensten die optreden in het kader van het voorkomen en bestrijden van terrorisme en extremisme dat tot terrorisme kan leiden, doeltreffender te maken (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3692/001, p. 4). Twee categorieën van diensten hebben toegang tot de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. : de « basisdiensten », enerzijds, en de « partnerdiensten », anderzijds (ibid., p. 9-10). De « basisdiensten » worden geïdentificeerd in artikel 2, 2°, van de bestreden wet als zijnde het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse, de geïntegreerde politie en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, namelijk « Veiligheid van de Staat (VSSE) en de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid (ADIV) » (ibid., p. 9). Het gaat om « politie- of analysediensten die bij hun werk rechtstreeks in eerste lijn met de T.E.R.-entiteiten en -doeleinden te maken hebben of waarvan het analyserend werk op die entiteiten betrekking heeft en die bijgevolg het grootste aandeel gegevens met betrekking tot die entiteiten ter beschikking kunnen hebben of als allereerste een nieuwe T.E.R.-entiteit kunnen opsporen » (ibid.). De « partnerdiensten » worden opgesomd in artikel 2, 3°, van de bestreden wet : «
  19. a)de Passagiersinformatie-eenheid van het Nationaal Crisiscentrum van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken;
  20. b)de Algemene Directie Veiligheid en Preventie van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken; 32
  21. c)het Directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen van de Federale Overheidsdienst Justitie;
  22. d)het Directoraat-generaal Consulaire Zaken van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken;
  23. e)het openbaar ministerie;
  24. f)de Cel voor Financiële Informatieverwerking;
  25. g)de Algemene Directie Dienst Vreemdelingenzaken van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken;
  26. h)de Algemene Administratie van de douane en accijnzen van de Federale Overheidsdienst Financiën;
  27. i)de Dienst erediensten en vrijzinnigheid van de Federale Overheidsdienst Justitie;
  28. j)de Nationale Veiligheidsoverheid;
  29. k)de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën;
  30. l)In het kader van hun wettelijke opdrachten van justitiële begeleiding van en toezicht op daders van misdrijven, de Algemene Administratie van Justitiehuizen van de Franse Gemeenschap, het departement Justitiehuis van het Ministerie van de Duitstalige gemeenschap, het Vlaams Agentschap Justitie en Handhaving, de Algemene Administratie van de hulpverlening aan de jeugd van de Franse Gemeenschap, het departement Jeugdbijstand van de Duitstalige gemeenschap en het Vlaams Agentschap Opgroeien; ». Partnerdiensten zijn « federale diensten of diensten die aan gefedereerde entiteiten toebehoren die specifiek zijn geïdentificeerd als partners in het kader van de doeleinden van de gemeenschappelijke gegevensbank » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3692/001, p. 10), namelijk : « - ofwel een dienst van de staat die rechtshandhavingsopdrachten in tweede lijn uitvoert die rechtstreeks betrekking hebben op de T.E.R.-doeleinden en -entiteiten (zoals het openbaar ministerie, de CFI, het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen van de Federale Overheidsdienst Justitie); - ofwel een dienst van de staat die bij de uitvoering van zijn opdrachten in contact kan komen met een T.E.R.-persoon en die, indien hij niet op de hoogte is van diens hoedanigheid als T.E.R., hem in naam van de staat ‘ prerogatieven ’ kan verlenen, inzonderheid in de vorm van administratieve documenten aan de hand waarvan die zich in België kan vestigen en een bezoldigd beroep kan uitoefenen (zoals de Dienst Vreemdelingenzaken, Consulaire Zaken, de 33 AD Veiligheid en Preventie, de dienst Erediensten en Vrijzinnigheid van de FOD Justitie) » (ibid., pp. 10-11). B.17.3. De artikelen 14 en 16 van de bestreden wet bepalen de aard van het recht op toegang tot de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. waarover de basisdiensten en de partnerdiensten beschikken. Terwijl de basisdiensten over een « creatierecht », een « leesrecht » en een « schrijfrecht » in de gegevensbank beschikken (artikel 14; zie ook artikel 17), beschikken de partnerdiensten ofwel over een « leesrecht en een schrijfrecht », ofwel over een « vraagrecht » (artikel 16, eerste lid). Het « creatierecht » betreft « de opname van een nieuwe entiteit in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. » (artikel 2, 18°, van de bestreden wet). Het « leesrecht » betreft « de raadpleging van alle persoonsgegevens en informatie in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. » (artikel 2, 19°). Het « schrijfrecht » betreft « de invoering, wijziging of uitwissing van de persoonsgegevens en informatie in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. » (artikel 2, 20°). Het « vraagrecht » betreft « [de] kennisneming van het bestaan van een entiteit in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. en, in geval van bevestiging van het bestaan van een entiteit in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R., [de] kennisneming van de dreigingsevaluatie » bedoeld in artikel 22 van de bestreden wet (artikel 2, 21°, juncto artikel 22). Een leesrecht, dat de toegang tot alle gegevens in de gemeenschappelijke gegevensbank inhoudt, gaat gepaard met een schrijfrecht. « Het schrijfrecht kan namelijk enkel zinvol worden uitgeoefend als de dienst die de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. moet aanvullen met de gegevens bedoeld in artikel 6 die hij in zijn bezit heeft, terdege op de hoogte is van de context in verband met de entiteit en dus leesrecht heeft » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3692/001, pp. 44-45). Artikel 18 van de bestreden wet preciseert dat de partnerdiensten die een leesrecht en een schrijfrecht hebben, « verplicht [zijn] respectievelijk de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. te raadplegen en ambtshalve hun eigen persoonsgegevens en relevante informatie daarin in te voeren. Die persoonsgegevens en informatie worden onder hun verantwoordelijkheid en overeenkomstig hun interne validatieprocedures opgenomen in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. ». 34 B.17.4. Artikel 16, tweede lid, van de bestreden wet machtigt de Koning om « bij een in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de toezichthoudende overheden », voor iedere andere partnerdienst dan het openbaar ministerie, « de aard van het recht en de nadere regels van de uitoefening ervan » te bepalen. Artikel 16, derde lid, van de bestreden wet machtigt de Koning om, « bij een in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de toezichthoudende overheden en na eensluidend advies van het College van procureurs-generaal », « de aard van het recht » dat het openbaar ministerie geniet « en de nadere regels van de uitoefening ervan » te bepalen. B.17.5. Rekening houdend met die nieuwe regeling inzake de toegangsrechten van partnerdiensten in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R., heeft de wetgever, bij artikel 55, 3°, van de bestreden wet, artikel 44/11/3ter, § 2, van de wet op het politieambt opgeheven, dat in soortgelijke toegangsrechten voor de partnerdiensten en een soortgelijke machtiging aan de Koning voorzag (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3692/001, pp. 107-108). B.18. Zoals is vermeld in B.9.1, waarborgt artikel 22 van de Grondwet aan elke burger dat geen enkele inmenging in de uitoefening van het recht op eerbiediging van het privéleven kan plaatsvinden dan krachtens regels die zijn aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering, zij het dat een delegatie aan een andere macht mogelijk blijft voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen vooraf door de wetgever zijn vastgesteld. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft niet geoordeeld dat de verwerking van persoonsgegevens en de toegang tot de verwerkte gegevens door de wetgevende macht dienen te worden geregeld. Het heeft enkel beklemtoond dat die verwerking en toegang een duidelijke, toegankelijke en voorzienbare basis in de interne regelgeving moeten hebben (EHRM, grote kamer, 4 mei 2000, Rotaru t. Roemenië, voormeld, §§ 47-63). Ook het Hof van Justitie vereist slechts dat « de rechtsgrond die de inmenging in [het recht op eerbiediging van het privéleven toestaat], zelf de reikwijdte van de beperking op de uitoefening van het betrokken recht moet bepalen » (HvJ, grote kamer, 6 oktober 2020, 35 C-623/17, Privacy International, voormeld, punt 65). Het vereist niet dat alle aspecten van die beperking bij formele wet worden geregeld. B.19.1. Uit de bewoordingen van artikel 16, eerste lid, van de bestreden wet blijkt dat de in het tweede en derde lid van dezelfde bepaling vervatte machtiging aan de Koning om « de aard van het recht » van de partnerdiensten te bepalen, enkel inhoudt dat Hij dient vast te stellen of de betrokken partnerdienst ofwel over een « leesrecht en een schrijfrecht », ofwel over een « vraagrecht » beschikt. De keuze om het aan de Koning over te laten om te bepalen welk van beide in artikel 16, eerste lid, van de bestreden wet bedoelde rechten op toegang tot de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. elke partnerdienst zal genieten, werd verantwoord door de noodzaak om « een zekere flexibiliteit te behouden bij het verlenen, intrekken of wijzigen van de toegang naar gelang van de evolutie van de bevoegdheden, opdrachten en behoeften van de verschillende partnerdiensten » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3692/001, p. 108). Wat het vraagrecht betreft, vermeldt de parlementaire voorbereiding overigens dat dat recht wordt verleend « aan de diensten van de staat die in contact kunnen komen met een T.E.R.-persoon en die bij ontstentenis van de hoedanigheid van T.E.R. van die persoon, hem administratieve documenten kunnen verlenen aan de hand waarvan die zich in België kan vestigen en een bezoldigd beroep kan uitoefenen. Zij beheren evenwel geen informatie zoals bedoeld in artikel 6 van het wetsontwerp en hoeven de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. bijgevolg niet aan te vullen » (ibid., p. 45). B.19.2. De wetgever heeft zelf de types van toegangsrechten bepaald die aan partnerdiensten kunnen worden toegekend (artikel 16, eerste lid, juncto artikel 2, 19° tot 21°), alsook de categorieën van gegevens waartoe de partnerdiensten toegang hebben (artikel 6, § 2), de categorieën van personen van wie de gegevens worden verwerkt (artikel 6, § 2, 1° en 2°, juncto artikel 2, 4°, 7° tot 11°), de categorieën van personen die toegang hebben tot de verwerkte gegevens (artikelen 2, 3°, 6, § 2, 3°, en 16, eerste lid) en de door de verwerking nagestreefde doeleinden (artikel 5, tweede lid). Artikel 16, eerste lid, van de bestreden wet preciseert daaromtrent dat de partnerdiensten over het ene of het andere type van de in B.19.1 bedoelde toegangsrechten beschikken « op basis van de inachtneming van de principes van toereikendheid, relevantie en de niet-bovenmatige aard in het kader van de uitoefening van hun 36 opdrachten bedoeld in artikel 3 en overeenkomstig de doeleinden van artikel 5, tweede lid » en « elk in het kader van hun respectieve bevoegdheden ». Bovendien heeft de wetgever de uitoefening van de aan de partnerdiensten toegekende toegangsrechten gepaard doen gaan met toezichtsmaatregelen. Ten eerste zijn de in de gemeenschappelijke gegevensbank uitgevoerde verwerkingen, zoals de opname en de raadpleging van gegevens, het voorwerp van een logging. De logbestanden laten onder andere toe om « de beweegreden, de datum en het tijdstip van die verwerkingen vast te stellen » en « de categorieën van personen die de persoonsgegevens hebben geraadpleegd vast te stellen, alsook de identificatie of de identificatiecode van de persoon of de dienst die deze gegevens heeft geraadpleegd » (artikel 8). Ten tweede heeft de federale politie, als beheerder van de gemeenschappelijke gegevensbank, tot taak het bijhouden van de lijst van de personen of de identificatiecodes van de personen of de diensten die over een toegang tot de gegevensbank beschikken, en het waken over de logbestanden van de erin uitgevoerde verwerkingen (artikel 11, tweede lid, 7° en 8°). Ten derde waakt het OCAD, als operationeel verantwoordelijke van de gemeenschappelijke gegevensbank, over de kwaliteit en de relevantie van de verwerkte gegevens in verhouding tot de nagestreefde doeleinden en organiseert het een passende samenwerking tussen de beheerder, de basisdiensten en de partnerdiensten (artikel 12, 1°, 3° en 6°). Ten vierde moet de partnerdienst die over een vraagrecht in de gemeenschappelijke gegevensbank beschikt, direct contact opnemen met een van de basisdiensten teneinde de beschikbare informatie over de dreigingsevaluatie van een gevalideerde entiteit te kunnen contextualiseren (artikel 22, tweede lid). Ten vijfde is de verwerkingsverantwoordelijke van de partnerdienst verantwoordelijk voor de kwaliteit van de persoonsgegevens en informatie die die dienst heeft doorgezonden en voor de wettelijkheid van die doorzendingen (artikel 30, § 1, 1°, en § 2). Ten zesde worden de in de gemeenschappelijke gegevensbank uitgevoerde verwerkingen onderworpen aan het toezicht van het Controleorgaan op de politionele informatie en het Vast Comité I (artikel 29 juncto artikel 2, 22°; artikel 161, tweede lid, van de wet gegevensbescherming, zoals ingevoegd bij artikel 46 van de bestreden wet). Die toezichthoudende overheden beschikken over een leesrecht in de gemeenschappelijke gegevensbank in het kader van de uitoefening van hun opdrachten (artikel 15). B.19.3. De wetgever heeft aldus de Koning in voldoende nauwkeurige bewoordingen gemachtigd en hij heeft de essentiële elementen van de rechten, van de partnerdiensten, op toegang tot de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. vastgesteld. 37 Gelet op de verscheidenheid aan bevoegdheden, opdrachten en behoeften van de in artikel 2, 3°, van de bestreden wet bedoelde partnerdiensten en op het technische en evolutieve karakter daarvan, is het niet zonder redelijke verantwoording dat de Koning gemachtigd is om de aard van het recht op toegang tot de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. dat elke partnerdienst geniet, te bepalen, met inachtneming van de essentiële elementen die zijn vervat in de in B.19.2 vermelde bepalingen van de bestreden wet. In voorkomend geval staat het aan de bevoegde rechter om te onderzoeken of het gebruik, door de Koning, van de in artikel 16 van de bestreden wet bedoelde machtigingen in overeenstemming is met die laatste bepaling en met de in het eerste middel ingeroepen grondwets- en verdragsbepalingen. B.20. De grief is niet gegrond. 4. Wat betreft de diensten die door de Lokale task force kunnen worden uitgenodigd (artikel 32, § 1, vierde lid, van de bestreden wet) B.21. De verzoekende partijen voeren aan dat de diensten die door de voorzitter van de Lokale task force kunnen worden uitgenodigd krachtens artikel 32, § 1, vierde lid, van de bestreden wet, niet bepaalbaar zijn. B.22.1. Artikel 31 van de bestreden wet bepaalt : « Met het oog op de verrijking van persoonsgegevens en informatie over de gevalideerde entiteiten en de entiteiten in vooronderzoek die zijn opgenomen in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. alsook de opvolging en het nemen van maatregelen ten aanzien van de in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. gevalideerde entiteiten, worden er in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. opgenomen persoonsgegevens en informatie, alsook andere relevante persoonsgegevens en informatie, waaronder geclassificeerde informatie in de zin van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst, uitgewisseld binnen een of meer overlegplatformen die bij elk gerechtelijk arrondissement zijn opgericht, onder de naam ‘ Lokale task force ’ (hierna ‘ LTF ’), tenzij die uitwisseling een onderzoek, de uitoefening van de strafvordering of de veiligheid van personen in het gedrang kan brengen. De LTF is een overlegstructuur in de zin van artikel 458ter van het Strafwetboek ». 38 Artikel 32 bepaalt : « § 1. De LTF wordt voorgezeten door de bestuurlijke directeur-coördinator van de federale politie of zijn vertegenwoordiger. Naast de voorzitter, is de LTF samengesteld uit vertegenwoordigers van : 1° de inlichtingen- en veiligheidsdiensten; 2° het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse; 3° de federale politie en de lokale politie; 4° de Algemene Directie Dienst Vreemdelingenzaken van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken; 5° het openbaar ministerie. De voorzitter en de in het tweede lid, 1° tot 4°, bedoelde deelnemers van de LTF zijn houder van een veiligheidsmachtiging ten minste van het niveau ‘ geheim ’ krachtens de artikelen 4, derde lid, en 8 van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst. In overleg met de in het tweede lid, 1° tot 5°, bedoelde deelnemers van de LTF kan de voorzitter andere diensten, organen of instanties uitnodigen wegens de bijdrage die ze door hun functie of bevoegdheden kunnen leveren aan een gerichte en geïndividualiseerde opvolging van de entiteit. De in artikel 2, 3°, l), bedoelde partnerdiensten worden vertegenwoordigd door een lid van de centrale administratie met een veiligheidsmachtiging. De administratieve coördinatie, het secretariaat en de opvolging van de LTF worden gewaarborgd door de directeur-coördinator of de personen die hij aanwijst. § 2. Onverminderd de bevoegdheden van de basisdiensten en de partnerdiensten verzekert de LTF minstens de volgende opdrachten : 1° de uitwisseling van persoonsgegevens en informatie bedoeld in artikel 31 in het kader van de opdrachten bedoeld in artikel 3; 2° de opvolging van de entiteiten van de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. die op het grondgebied van de LTF aanwezig zijn; 3° de bepaling van passende maatregelen voor elk van de gevalideerde entiteiten ». 39 B.22.2. Artikel 31, eerste lid, van de bestreden wet bepaalt dat een of meer Lokale task forces zijn opgericht bij elk gerechtelijk arrondissement. Het bepaalt de doeleinden van de uitwisseling van gegevens en informatie binnen de Lokale task forces (« de verrijking van persoonsgegevens en informatie over de gevalideerde entiteiten en de entiteiten in vooronderzoek die zijn opgenomen in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. alsook de opvolging en het nemen van maatregelen ten aanzien van de in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. gevalideerde entiteiten ») alsook de categorieën van gegevens die worden beoogd door die uitwisseling (de « in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R. opgenomen persoonsgegevens en informatie, alsook [de] andere relevante persoonsgegevens en informatie, waaronder geclassificeerde informatie »). Artikel 31, tweede lid, bepaalt dat de Lokale task force een overlegstructuur is in de zin van artikel 458ter van het Strafwetboek. Artikel 32, § 1, van de bestreden wet bepaalt dat de Lokale task force is samengesteld uit de bestuurlijke directeur-coördinator van de federale politie of zijn vertegenwoordiger – die de voorzitter ervan is – en uit vertegenwoordigers van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse, de federale politie en de lokale politie, de

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.