← België

ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.033

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.033 Arrest- Rolnummer: 33/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-03-30 Raadplegingen: 461 - laatst gezien 2026-06-18 20:13 Versie(s): Versie FR Fiche Geen schending (artikelen 1627, 1628 en 1629 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 184bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, in die zin geïnterpreteerd dat de Belgische Staat ervan is vrijgesteld een aangifte van schuldvordering te doen in het kader van de procedure van de evenredige verdeling geregeld bij de artikelen 1627 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek voor de betaling van het veroordelingsrecht bedoeld in de artikelen 142 en volgende van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 1627, 1628 en 1629 van het Gerechtelijk Wetboek, gelezen in samenhang met artikel 184bis van het Wetboek der Registratie-, hypotheek- en griffierechten, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Gerechtelijk recht - Uitvoerend beslag - Procedure van de evenredige verdeling - Aangifte van een schuldvordering - Veroordelingsrecht - Vrijstelling - Belgische Staat Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 33/2026 van 19 maart 2026 Rolnummer : 8433 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 1627, 1628 en 1629 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 184bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache en Danny Pieters, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 7 februari 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 21 februari 2025, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 1627, 1628 en 1629 van het Gerechtelijk Wetboek, samen gelezen met de artikelen 184bis van het Wetboek Registratierechten, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wanneer zij aldus worden gelezen dat met de schuldvordering van de Belgische Staat tot betaling van de registratierechten op een (exequatur)vonnis, afgezien van het voorrecht dat daarop van toepassing is, rekening gehouden wordt in het ontwerp van verdeling ook al heeft de Belgische Staat geen (tijdige) aangifte van schuldvordering gedaan in handen van de instrumenterende gerechtsdeurwaarder terwijl geen rekening gehouden wordt met de schuldvordering van iedere andere (al dan niet bevoorrechte) schuldeiser van de beslagene, die geen (tijdige) aangifte van schuldvordering heeft gedaan in handen van de instrumenterende gerechtsdeurwaarder ? ». 2 Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de vennootschap naar Canadees recht « Seaquest-Infotel Inc. », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Alexander Hansebout, mr. Stijn Van Schel en mr. William Timmermans, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Kristl Van De Velde, advocate bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 28 januari 2026 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Yasmine Kherbache en Michel Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij een buitenlandse arbitrale uitspraak van 8 december 2014 werd de vennootschap naar Malinees recht « Société des Télécommunications du Mali » veroordeeld tot betaling van 5 391 016 120 CFA-frank, ofwel 8 218 551,08 euro na omzetting, aan de vennootschap naar Canadees recht « Seaquest-Infotel Inc. », de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege. Bij vonnis van 23 juli 2019 werd die arbitrale uitspraak in België uitvoerbaar verklaard en middels een deurwaardersexploot van 8 oktober 2019 werd, ten laste van de vennootschap « Société des Télécommunications du Mali », beslag gelegd in handen van verschillende derden. Slechts één beslag bleek succesvol ten bedrage van 246 990,68 euro dat aan de instrumenterende gerechtsdeurwaarder werd overgedragen. Ingevolge de uitvoerbaarverklaring van de arbitrale uitspraak is aan de Belgische Staat een veroordelingsrecht verschuldigd van 3 %. Dat recht wordt berekend op het samengevoegde bedrag in hoofdsom van de uitsproken veroordeling « ten laste van eenzelfde persoon, afgezien van de intresten waarvan het bedrag niet door de rechter is becijferd en kosten, en, in geval van rangregeling, op het totaal bedrag der aan de schuldeisers uitgedeelde sommen » (artikelen 142 en 148 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, hierna : het Wetboek der registratierechten). Op 18 maart 2021 heeft de gerechtsdeurwaarder het ontwerp van verdeling van de in beslag genomen gelden aan de vennootschap « Seaquest-Infotel Inc. » en aan de vennootschap « Société des Télécommunications du Mali » overgemaakt, en beide partijen hebben daartegen tegenspraak gevoerd. De vennootschap « Seaquest- Infotel Inc. » betwist het veroordelingsrecht dat aan de Belgische Staat moet worden betaald. In eerste aanleg beslist de beslagrechter dat de tegenspraak van de vennootschap « Seaquest-Infotel Inc. » niet gegrond is en wordt de tabel van verdeling der gelden afgesloten. In navolging van die beschikking zal de vennootschap « Seaquest-Infotel Inc. » 239 608,73 euro ontvangen, waarvan é 265,30 euro, met toepassing van artikel 150 van het Wetboek der registratierechten, aan de Belgische Staat moet worden overgemaakt, ter gedeeltelijke voldoening van het veroordelingsrecht. Daartegen gaat de vennootschap « Seaquest-Infotel Inc. » in beroep en verzoekt zij het Hof van Beroep te Brussel het veroordelingsrecht dat aan de Belgische Staat zou toekomen, niet te behouden in de akte van verdeling. 3 Het Hof van Beroep, verwijzend rechtscollege, stelt vast dat de Belgische Staat geen aangifte van schuldvordering heeft gedaan, terwijl die aangifte in beginsel diende te gebeuren overeenkomstig en binnen de termijn van artikel 1627 van het Gerechtelijk Wetboek. Voor de Belgische Staat wordt niet in een uitzondering voorzien. De termijn bepaald in artikel 1627 is weliswaar geen vervaltermijn, maar dat betekent niet dat later te allen tijde nog aangifte van schuldvordering kan worden gedaan. Eens de akte van verdeling is opgesteld en de termijn voor het voeren van tegenspraak is verstreken, moet het ontwerp van verdeling in principe als definitief worden beschouwd en kan geen rekening meer worden gehouden met een aangifte van schuldvordering die nooit eerder werd ingediend. Artikel 184bis van het Wetboek der registratierechten, dat bepaalt dat gerechtsdeurwaarders slechts mogen overgaan tot de uitbetaling na afgifte, door de ontvanger van de registratie, van een getuigschrift houdende verklaring dat geen enkele som eisbaar blijft als veroordelingsrecht, en dat ertoe leidt dat een gerechtsdeurwaarder voorzichtigheidshalve ertoe wordt aangezet te wijzen op de mogelijkheid dat registratierechten verschuldigd zouden kunnen zijn, legt geen wettelijke uitzondering op de verplichting tot tijdige aangifte ten voordele van de Belgische Staat vast, en het feit dat op die mogelijkheid wordt gewezen, maakt op zich evenmin een aangifte van een schuldvordering uit namens de Belgische Staat. In die context stelt het verwijzende rechtscollege aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag A.1.

  1. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag niet nuttig is voor de oplossing van het bodemgeschil. Uit de lezing van de in het geding zijnde bepalingen blijkt dat twee zaken met elkaar worden vergeleken die niet met elkaar te vergelijken zijn : artikel 184bis van het Wetboek der registratierechten handelt over een afgifteverbod in welbepaalde gevallen (wat geenszins een verdeling, noch enige vorm van betaling inhoudt), terwijl de artikelen 1627, 1628 en 1629 van het Gerechtelijk Wetboek betrekking hebben op de evenredige verdeling (hetgeen bij een batig saldo zal leiden tot een betaling). In tegenstelling tot de artikelen 1627, 1628 en 1629 van het Gerechtelijk Wetboek voorziet artikel 184bis van het Wetboek der registratierechten niet in een vereffening-verdeling en bepaalt het niet aan wie de beoogde sommen of waarden toekomen. In een strikte lezing van dat artikel 184bis kan niet worden geoordeeld dat dat artikel voor de Belgische Staat voorziet in een afwijking op het principe vastgelegd in de artikelen 1627, 1628 en 1629 van het Gerechtelijk Wetboek dat een aangifte van schuldvordering moet worden ingediend in het kader van een evenredige verdeling, zodat beide gevallen niet met elkaar kunnen worden vergeleken. A.1.
  2. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat de normen vermeld in de prejudiciële vraag wel van toepassing zijn op het bodemgeschil. De artikelen 1627, 1628 en 1629 van het Gerechtelijk Wetboek bepalen immers hoe een schuldeiser, na het ontstaan van een samenloop ingevolge een beslagprocedure, betaling kan ontvangen in het kader van een evenredige verdeling die de gerechtsdeurwaarder moet uitvoeren. Daarnaast voorziet artikel 184bis van het Wetboek der registratierechten in een afgifteverbod ten aanzien van de instrumenterende gerechtsdeurwaarder op basis van een door de beslagleggende schuldeiser verkregen uitvoerbare titel wanneer er nog sommen verschuldigd zijn aan de Belgische Staat. Ook de Belgische Staat is een concurrerende schuldeiser van de beslagen schuldenaar en dus a priori onderworpen aan de artikelen 1627, 1628 en 1629 van het Gerechtelijk Wetboek. A.2.
  3. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de prejudiciële vraag berust op een verkeerd uitgangspunt, omdat het verwijzende rechtscollege ervan uitgaat dat geen rekening moet worden gehouden met de toepassing van artikel 184bis van het Wetboek der registratierechten wanneer geen aangifte van schuldvordering gebeurt. Echter, het afgifteverbod wordt opgelegd in elke situatie waarbij de begunstigde van een veroordeling sommen zal ontvangen die voortkomen uit een veroordeling, uit een vereffening of uit een rangregeling, terwijl nog een som eisbaar blijft als registratierecht of als boete wegens die veroordeling, vereffening of rangregeling. Met het in artikel 184bis bedoelde afgifteverbod moet rekening worden gehouden ongeacht of de Belgische Staat tijdig, niet tijdig of geen aangifte van schuldvordering heeft gedaan in handen van de instrumenterende 4 gerechtsdeurwaarder en het afgifteverbod geldt ook in andere gevallen dan die beoogd in de artikelen 1627, 1628 en 1629 van het Gerechtelijk Wetboek. A.2.
  4. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege antwoordt dat de stelling van de Ministerraad, namelijk dat het afgifteverbod geldt ongeacht of de Belgische Staat tijdig, niet tijdig of geen afgifte van schuldvordering heeft gedaan, samenhangt met de grond van de zaak. Die reden volstaat om de exceptie te verwerpen. Ten gronde A.
  5. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat de prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord. Vooreerst is de situatie van de Belgische Staat als bevoorrechte schuldeiser van het registratierecht op een vonnis vergelijkbaar met die van andere schuldeisers, met inbegrip van publieke schuldeisers en bevoorrechte schuldeisers. Om te kunnen deelnemen aan de verdeling van de opbrengsten na een uitvoerend beslag, moeten de schuldeisers aangifte doen van hun schuldvordering in handen van de instrumenterende gerechtsdeurwaarder. De artikelen 1627, 1628 en 1629 van het Gerechtelijk Wetboek bevatten voor de Belgische Staat als schuldeiser geen andere regels. Volgens de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege is het verschil in behandeling niet redelijk verantwoord. Uit de parlementaire voorbereiding van de artikelen 150 en 184bis van het Wetboek der registratierechten blijkt dat de wetgever een waarborg wilde invoeren zodat het veroordelingsrecht effectief betaald zou worden zonder de begunstigde van de veroordeling te laten optreden als geldschieter van de Belgische Staat. Het expliciete doel bij de wijziging van artikel 35, derde lid, van het Wetboek der registratierechten was om situaties te vermijden die een onevenredig nadeel zouden berokkenen aan de begunstigde van de veroordeling. Maar de rechtspraak heeft vastgesteld dat de wetswijziging van artikel 35, derde lid, van het Wetboek der registratierechten de begunstigde schuldeiser niet definitief beschermt tegen het veroordelingsrecht, waardoor artikel 35, derde lid, leidt tot ongewenste effecten. A.4.
  6. De Ministerraad voert aan dat de Belgische Staat onderworpen is aan dezelfde regels als elke andere schuldeiser. Teneinde als chirografaire schuldeiser van het registratierecht te kunnen optreden bij een evenredige verdeling, moet de Belgische Staat tijdig aangifte van de schuldvordering doen. Gebeurt die aangifte niet of niet tijdig, dan komt de Belgische Staat niet tussen als chirografaire schuldeiser. Verkrijgt de begunstigde van de veroordeling als chirografaire schuldeiser iets uit de evenredige verdeling, dan zal het voorrecht van artikel 150 van het Wetboek der registratierechten en het afgifteverbod van artikel 184bis van het Wetboek der registratierechten werken. Dit veroorzaakt geen samenloop op het eerste niveau tussen de verschillende chirografaire schuldeisers onderling, maar louter een bijzonderheid die van rechtswege speelt indien de begunstigde van de veroordeling een batig saldo verkrijgt. Wat betreft de sommen die de begunstigde uit de veroordeling ontvangt, is er ten belope van maximum dat ontvangen bedrag een bijzonder voorrecht op dat bedrag ten gunste van de Belgische Staat, en dit ongeacht de vereffeningsprocedure (artikel 150). Artikel 184bis voorziet in een afgifteverbod en artikel 150 stelt een voorrecht in ten voordele van de Belgische Staat. A.4.2.
  7. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege antwoordt dat de schuldvordering van de Belgische Staat alleen kan worden tegengeworpen aan een neutrale bewindvoerder en aan andere schuldeisers in de samenloop indien daarvan tijdig aangifte werd gedaan. De Ministerraad lijkt te doen uitschijnen dat hij geen voorrecht heeft, maar louter in concurrentie treedt met de begunstigde van de veroordeling. Het is pas wanneer de insolvabiliteit van de schuldenaar vaststaat, dat het voorrecht van de Belgische Staat wordt tegengesteld aan de begunstigde van de veroordeling. Volgens de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege erkent de Ministerraad dat er alleen een samenloop tussen schuldeisers kan ontstaan indien de schuldvorderingen gekend zijn en de schuldvordering van de Belgische Staat is pas gekend wanneer er aangifte van wordt gedaan. A.4.2.
  8. Vervolgens antwoordt de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege dat de Ministerraad nergens verklaart waarom het verschil in behandeling dat wordt gecreëerd door artikel 184bis van het Wetboek der registratierechten redelijk verantwoord zou zijn. A.4.
  9. In zijn memorie van antwoord benadrukt de Ministerraad dat artikel 1627 van het Gerechtelijk Wetboek niets regelt aangaande de schuldeisers die geen beslag of verzet hebben gedaan. Het voorrecht van artikel 150 van het Wetboek der registratierechten vindt in werkelijkheid slechts toepassing buiten de verdeling beoogd in de artikelen 1627, 1628 en 1629 van het Gerechtelijk Wetboek. 5 Als laatste element benadrukt de Ministerraad dat de toepassing van artikel 184bis van het Wetboek der registratierechten niet kan leiden tot enige invordering in het voordeel van de Belgische Staat, omdat artikel 184bis enkel in een afgifteverbod voorziet. De maatregel vervat in artikel 184bis is bedoeld om het in artikel 150 beoogde voorrecht te concretiseren. -B- B.1.
  10. Met de prejudiciële vraag wenst het verwijzende rechtscollege van het Hof te vernemen of de artikelen 1627, 1628 en 1629 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 184bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (hierna : het Wetboek der registratierechten), bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, « wanneer zij aldus worden gelezen dat met de schuldvordering van de Belgische Staat tot betaling van de registratierechten op een (exequatur)vonnis, afgezien van het voorrecht dat daarop van toepassing is, rekening gehouden wordt in het ontwerp van verdeling ook al heeft de Belgische Staat geen (tijdige) aangifte van de schuldvordering gedaan in handen van de instrumenterende gerechtsdeurwaarder terwijl geen rekening gehouden wordt met de schuldvordering van iedere andere (al dan niet bevoorrechte) schuldeiser van de beslagene, die geen (tijdige) aangifte van schuldvordering heeft gedaan in handen van de instrumenterende gerechtsdeurwaarder ». B.1.
  11. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege heeft de uitvoerbaarheid van een arbitrale uitspraak in België verkregen, waarna uitvoerend beslag werd gelegd in handen van verschillende derden. Na die inbeslagname moest de gerechtsdeurwaarder voor de opbrengstverdeling ervan de procedure van evenredige verdeling toepassen (artikel 1390quinquies, in samenhang gelezen met artikel 1627 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek). B.1.
  12. Uit de motivering van het verwijzingsarrest blijkt dat de instrumenterende gerechtsdeurwaarder in de akte van verdeling de Belgische Staat niet heeft opgenomen onder de schuldeisers die een aangifte van schuldvordering hebben gedaan, maar erop heeft gewezen dat de schuldvordering van de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege « mogelijks » registratierechten omvat en dat « voor zover de registratierechten verschuldigd zijn » een bedrag van é 265,30 euro moet worden overgemaakt aan de Belgische Staat (Kantoor Rechtszekerheid Brussel 1). 6 B.2.
  13. De procedure van evenredige verdeling (artikelen 1627 tot en met 1637 van het Gerechtelijk Wetboek) heeft betrekking op de opbrengstverdeling na uitvoerend beslag op roerende goederen of uitvoerend beslag onder derden. Er ontstaat een vorm van beperkte samenloop, op een bepaald onderdeel van het vermogen van de schuldenaar. De regels van de samenloop komen aan bod eenmaal het beslag wordt uitgevoerd. B.2.
  14. In het kader van de procedure van de evenredige verdeling moet de gerechtsdeurwaarder een samenloop organiseren, waarbij bepaalde, maar niet alle, schuldeisers moeten worden betrokken. Overeenkomstig artikel 1627 van het Gerechtelijk Wetboek verzoekt de gerechtsdeurwaarder de schuldeisers die het beslag hebben gelegd of het verzet hebben gedaan, de aangifte en het bewijs van hun schuldvordering binnen vijftien dagen op zijn kantoor te doen toekomen, met vermelding, « indien daartoe grond bestaat, van het voorrecht waarop zij aanspraak maken ». De gerechtsdeurwaarder kan dat verzoek « onder dezelfde voorwaarden richten aan iedere derde die beweert schuldeiser te zijn ». B.2.
  15. De opbrengstverdeling van het beslag gebeurt in beginsel in der minne, waarbij de gerechtsdeurwaarder een ontwerp van verdeling opmaakt. Dat ontwerp van verdeling wordt verzonden naar de schuldeisers, die daarvan werden verwittigd of hun schuldvordering hebben ingediend en die vijftien dagen de tijd hebben om tegenspraak te voeren tegen dat ontwerp (artikel 1629 van het Gerechtelijk Wetboek). Indien binnen de termijn van vijftien dagen tegenspraak is gevoerd en het ontwerp van verdeling niet bij minnelijke schikking is geregeld, wordt de procedure voortgezet voor de beslagrechter in eerste aanleg en vervolgens, in voorkomend geval, voor het Hof van Beroep (artikel 1631 van het Gerechtelijk Wetboek). B.2.
  16. De artikelen 1627 tot en met 1629 van het Gerechtelijk Wetboek bepalen : « Art.
  17. Uiterlijk vijftien dagen na de verkoop of na de inbeslagneming van de gelden, verzoekt de gerechtsdeurwaarder de schuldeisers die beslag of verzet gedaan hebben, de aangifte en het bewijs van hun schuldvordering in hoofdsom, interest en kosten binnen vijftien dagen op zijn kantoor te doen toekomen, met vermelding, indien daartoe grond bestaat, van het voorrecht waarop zij aanspraak maken. Hij kan dit verzoek onder dezelfde voorwaarden richten aan iedere derde die beweert schuldeiser te zijn. 7 Het verzoek wordt aan de schuldeisers gericht hetzij bij ter post aangetekende brief aan hun woonplaats hetzij bij gewone brief aan de gekozen woonplaats, met ontvangstbewijs, gedagtekend en ondertekend door de partij of haar lasthebber. Art.
  18. Alleen de niet betwiste schuldvorderingen of die welke bij een titel, zelfs een onderhandse, zijn vastgesteld, komen voor gehele of gedeeltelijke verdeling in aanmerking ten belope van de aldus verantwoorde bedragen. In geval van bewarend beslag, worden de rechten van de partijen bepaald, met inbegrip van het bedrag der schuldvordering voor de zekerheid waarvan bedoeld beslag is toegestaan, welk bedrag in consignatie gegeven, later in dezelfde vormen wordt verdeeld, indien daartoe grond bestaat. Art.
  19. Bij het verstrijken van de termijn bepaald in artikel 1627, en uiterlijk binnen vijftien dagen na het verzoek dat de meest gerede partij hem daartoe heeft gedaan, maakt de gerechtsdeurwaarder een ontwerp van verdeling op, bevattende : 1° de naam, voornaam en woonplaats van de aangevers; 2° het bedrag van de schuldvorderingen welke zij verklaren te bezitten, de titels waarop zij zich beroepen en de voorrechten waarop zij aanspraak maken; 3° het bedrag van de te verdelen massa en de sommen aan de aangevers toegekend. De gerechtsdeurwaarder zendt dit ontwerp terstond in de vormen bepaald bij artikel 1627 aan de schuldeisers die daarvan verwittigd werden of hun schuldvordering hebben ingediend. Iedere tegenspraak moet binnen vijftien dagen worden gedaan hetzij bij deurwaardersexploot betekend aan de optredende gerechtsdeurwaarder, hetzij bij verklaring vóór deze laatste, zoniet wordt de verdeling ter hand genomen overeenkomstig de voorzieningen van het ontwerp. Het aan de schuldeisers en aan de schuldenaar gezonden bericht bevat opgave van de termijn van vijftien dagen waarbinnen de tegenspraak moet worden gevoerd. Na het verstrijken van die termijn wordt geen verzet meer aanvaard, noch in handen van de gerechtsdeurwaarder, noch voor de rechter ». B.
  20. Om de betaling van het veroordelingsrecht, zoals vastgesteld in artikel 142 van het Wetboek der registratierechten, te waarborgen, verbiedt artikel 184bis van hetzelfde Wetboek onder meer de gerechtsdeurwaarders en ambtenaren van de Deposito- en Consignatiekas om gelden voortkomend van een veroordeling, vereffening of rangregeling vrij te geven vóór de afgifte, door de ontvanger van de registratie, van een getuigschrift dat bevestigt dat alle registratierechten en boetes werden betaald, op straffe van persoonlijke aansprakelijkheid voor de betaling ervan. Artikel 184bis van het Wetboek der registratierechten bepaalt : 8 « De notarissen, gerechtsdeurwaarders en griffiers, de vereffenaars en curatoren alsook de ambtenaren van de Deposito- en Consignatiekas mogen slechts de betaling, overschrijving of teruggave van sommen of waarden die voortkomen van een veroordeling, van een vereffening of van een rangregeling, verrichten na de aflevering, door de ontvanger, van een getuigschrift houdende verklaring dat geen enkele som eisbaar blijft als registratierecht of als boete uit hoofde van die veroordeling, vereffening of rangregeling. Het eerste lid is slechts van toepassing op de vereffenaars en de curators in het geval dat de veroordeling, de vereffening of rangregeling die de betaling, overschrijving, of teruggave tot gevolg heeft, hen ter kennis wordt gebracht. Indien de personen bepaald in het eerste lid de voorschriften van dit artikel niet zijn nagekomen, zijn zij persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de sommen die opeisbaar blijven ». B.
  21. Uit de parlementaire voorbereiding van het amendement dat aan de basis ligt van de artikelen 150 en 184bis van het Wetboek der registratierechten blijkt dat « deze bepalingen […] de inning van de rechten en boeten [waarborgen]. Zoals in het verleden behoudt het veroordelingsrecht het karakter van een vergoeding voor de door het gerecht aan de begunstigden van veroordelingen, vereffeningen en rangregelingen geleverde dienst. Het voorrecht heeft tot doel de betaling van die vergoeding te verzekeren in de mate dat de door het gerecht geleverde dienst de begunstigden tot voordeel strekt » (Parl. St., Kamer, 1985-1986, nr. 135/2, p. 4). Artikel 184bis van het Wetboek der registratierechten, in die zin geïnterpreteerd dat het de Belgische Staat ervan vrijstelt een aangifte van schuldvordering te doen in het kader van de procedure van de evenredige verdeling geregeld bij de artikelen 1627 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek voor de betaling van het veroordelingsrecht bedoeld in de artikelen 142 en volgende van het Wetboek der registratierechten, in tegenstelling tot de andere schuldeisers, streeft een legitieme doelstelling van algemeen belang na, die erin bestaat de doeltreffendheid te versterken van de inning van het veroordelingsrecht, dat een belasting is die verband houdt met de openbare dienst van de rechtsbedeling en overigens door een voorrecht wordt gewaarborgd (artikel 150 van het Wetboek der registratierechten). Ten aanzien van die doelstelling bevindt de Belgische Staat zich in een situatie die objectief fundamenteel verschilt van die van de andere schuldeisers. Het in het geding zijnde verschil in behandeling is redelijk verantwoord. 9 Voor het overige doet de mogelijkheid, voor de Belgische Staat, om aan de optredende gerechtsdeurwaarder het bestaan te melden van een som die eisbaar is als registratierecht in het kader van de procedure voor de afgifte van het in artikel 184bis van het Wetboek der registratierechten bedoelde getuigschrift op zich geen afbreuk aan de rechten van de andere schuldeisers. B.
  22. De artikelen 1627, 1628 en 1629 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 184bis van het Wetboek der registratierechten, zijn bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de interpretatie volgens welke de Belgische Staat ervan is vrijgesteld een aangifte van schuldvordering te doen in het kader van de procedure van de evenredige verdeling geregeld bij de artikelen 1627 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek voor de betaling van het veroordelingsrecht bedoeld in de artikelen 142 en volgende van het Wetboek der registratierechten. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 1627, 1628 en 1629 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 184bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, in die zin geïnterpreteerd dat de Belgische Staat ervan is vrijgesteld een aangifte van schuldvordering te doen in het kader van de procedure van de evenredige verdeling geregeld bij de artikelen 1627 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek voor de betaling van het veroordelingsrecht bedoeld in de artikelen 142 en volgende van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 19 maart
  23. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.033 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.