← België

ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.034

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.034 Arrest- Rolnummer: 34/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-03-30 Raadplegingen: 410 - laatst gezien 2026-06-18 13:25 Versie(s): Versie FR Fiche Geen schending (artikel 35septies, § 2, tweede lid, 2°, b), van de wet van 26 maart 1971 en artikel 28quater, § 2, eerste lid, 2°, 2), van het decreet van het Vlaamse Gewest van 24 januari 1984) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel 35septies, § 2, tweede lid, 3°, c), van de wet van 26 maart 1971 « op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging » en artikel 28quater, § 2, eerste lid, 2°, 2), van het decreet van het Vlaamse Gewest van 24 januari 1984 « houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer », gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Fiscaal recht - Vlaams Gewest - Bescherming van de grondwater tegen verontreiniging - Heffing op de waterverontreiniging - Berekening van het bedrag in functie van de vuilvracht - Hoeveelheid opgenomen grondwater - Forfaitaire berekeningsformules Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 34/2026 van 19 maart 2026 Rolnummer : 8581 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 35septies, § 2, tweede lid, 3°, c), van de wet van 26 maart 1971 « op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging » en artikel 28quater, § 2, eerste lid, 2°, 2), van het decreet van het Vlaamse Gewest van 24 januari 1984 « houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer », gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 27 oktober 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 november 2025, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schenden artikel 35septies, § 2 lid 2, 3°

  1. c)van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging en art. 28quater, § 2, eerste lid 2°, 2) van het Decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen in zake het grondwaterbeheer het gelijkheidsbeginsel in artikel 10, 11 en 172 (dat in fiscale aangelegenheden een bijzondere toepassing van artikel 10 en 11 van de Grondwet vervatte beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie bevat) in zoverre het volgens deze bepalingen forfaitair (en onweerlegbaar) berekende waterdebiet gebeurt op basis van de nominale capaciteit van de pompen ongeacht de maximaal beschikbare hoeveelheid op te nemen grondwater zodat aan heffingsplichtigen wiens nominale pompcapaciteit hoger is dan de beschikbare hoeveelheid op te nemen grondwater een heffing wordt opgelegd die niet in evenredigheid staat met de werkelijke hinder of vervuiling die de heffingsplichtige zou kunnen veroorzaken ? en 2 Schenden artikel 35septies, § 2 lid 2, 3°
  2. c)van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging en art. 28quater, § 2, eerste lid 2°, 2) van het Decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen in zake het grondwaterbeheer het gelijkheidsbeginsel in artikel 10, 11 en 172 (dat in fiscale aangelegenheden een bijzondere toepassing van artikel 10 en 11 van de Grondwet vervatte beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie bevat) samen gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens inzoverre deze artikelen zo zouden worden toegepast dat het volgens deze artikelen forfaitair berekende waterdebiet aanleiding geeft tot een heffing die berekend wordt op een hoeveelheid op te nemen grondwater boven de maximaal op te nemen hoeveel grondwater een straf is in de zin zoals bedoeld in art. 6 EVRM zonder dat deze mag getoetst worden door een rechter met volle rechtsmacht die daarbij de berekening mag beoordelen op haar kennelijke onevenredigheid of kennelijke onredelijkheid ». Op 3 december 2025 hebben de rechters-verslaggevers Sabine de Bethune en Thierry Giet, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. Mr. Marie Dedeurwaerdere, handelend in de hoedanigheid van curator van het faillissement van de nv « Crisper », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jo Goethals, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen, heeft een memorie met verantwoording ingediend. De bepalingen van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De nv « Crisper » was actief in de sector van de aardappelverwerking. Op haar terreinen werden aardappelen aangeleverd om ze te wassen in een wasserij. Op 25 mei 2014 heeft de nv « Crisper » een aangifte voor het heffingsjaar 2014 ingediend voor de heffing op de waterverontreiniging en de heffing op de winning van grondwater. In die aangifte vermeldt de nv « Crisper » dat de bvba « Fritco » haar exploitatie heeft overgenomen sinds 1 januari 2013, verklaart zij onder het « nullozerstatuut » te vallen en geeft zij aan leidingwater en grondwater uit een vergunde boorput en uit een vijver te hebben gebruikt. Er werden geen tellerstanden doorgegeven. Op 14 oktober 2015 heeft de Vlaamse Milieumaatschappij een bericht van rechtzetting verzonden aan de nv « Crisper ». In dat bericht wijst de Vlaamse Milieumaatschappij erop dat de nv « Crisper » naast de vergunde boorput en de vijver nog over twee niet-vergunde boorputten beschikt, en bepaalt zij het in aanmerking te nemen volume voor de vergunde boorput op grond van de vergunning, voor de eerste niet-vergunde boorput op grond van de pompcapaciteit en een waterteller en voor de tweede niet-vergunde boorput en de vijver op grond van de pompcapaciteit. Niettegenstaande het niet-akkoord van de nv « Crisper » met het bericht van rechtzetting van de Vlaamse Milieumaatschappij, heeft de Vlaamse Milieumaatschappij het heffingsbiljet opgesteld op grond van de gegevens uit het bericht van rechtzetting. Dat heffingsbiljet werd verzonden op 22 december 2015 en bij beslissing van 3 januari 2017 werd het bezwaar dat op 22 maart 2016 door de nv « Crisper » was ingediend tegen het heffingsbiljet, afgewezen. 3 De nv « Crisper » heeft vervolgens op 2 maart 2017 tegen de aanslag een verzoekschrift neergelegd bij de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Nadat zij op 15 september 2025 failliet is verklaard, heeft de curator het geding hervat. Vooraleer ten gronde uitspraak te doen, acht de Rechtbank het noodzakelijk om de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen te stellen aan het Hof. III. In rechte -A- A.1. In hun conclusies genomen met toepassing van artikel 72 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof geven de rechters-verslaggevers aan dat zij, op grond van dezelfde motieven als die van het arrest nr. 48/2019 van 19 maart 2019 (ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.048), ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof voor te stellen de prejudiciële vragen in die zin te beantwoorden dat artikel 35septies, § 2, tweede lid, 2°, b), van de wet van 26 maart 1971 « op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging » (hierna : de wet van 26 maart 1971) en artikel 28quater, § 2, eerste lid, 2°, 2), van het decreet van het Vlaamse Gewest van 24 januari 1984 « houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer » bestaanbaar zijn met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.2.1. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege merkt allereerst op dat de rechters-verslaggevers terecht hebben vastgesteld dat artikel 35septies, § 2, tweede lid, 2°, b), van de wet van 26 maart 1971 in het geding is en niet artikel 35septies, § 2, tweede lid, 3°, c), van dezelfde wet. A.2.2. Vervolgens voert de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege aan dat de zienswijze van de rechters-verslaggevers, wat het antwoord op de prejudiciële vragen betreft, niet kan worden gevolgd. Volgens haar heeft het Hof nog geen uitspraak gedaan over de situatie die zich voordoet in het bodemgeding, namelijk de situatie waarin de heffingsplichtige over een pompcapaciteit beschikt die groter is dan het volume dat werkelijk maximaal kan worden opgepompt. De arresten nrs. 48/2019 en 54/2021 (ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.054) kunnen niet anders worden gelezen dan dat het Hof is uitgegaan van de hypothese dat de maximale pompcapaciteit overeenstemt met het volume grondwater dat maximaal kan worden opgepompt. Uit de voormelde arresten volgt volgens haar wel dat een forfaitaire berekeningsmethode maar grondwettig is indien die in functie staat van de betrouwbaarheid van de gegevens en rekening houdt met de mate waarin de heffingsplichtige bijdraagt aan de vervuiling. Aan die voorwaarden is niet voldaan. Door geen rekening te houden met het maximale volume op te nemen grondwater, geeft de gebruikte berekeningsmethode namelijk aanleiding tot grote overschattingen waardoor de heffing geen verband meer houdt met de werkelijke vervuiling. Zij leidt daaruit af dat de pompcapaciteit geen pertinent criterium is en dat een forfaitair tarief dat daarop wordt berekend, bijgevolg evenmin pertinent is. Bovendien heeft een dergelijk forfaitair tarief volgens haar onevenredige gevolgen voor de heffingsplichtige van wie de vervuilingscapaciteit zwaar wordt overschat. Minstens betreft het een straf die moet kunnen worden gemilderd door de rechter. -B- B.1.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 35septies, § 2, tweede lid, van de wet van 26 maart 1971 « op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging » (hierna : de wet van 26 maart 1971) en artikel 28quater, § 2, eerste lid, 2°, 2), van het decreet van het Vlaamse Gewest van 24 januari 1984 « houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer » (hierna : het decreet van 24 januari 1984), zoals zij in het Vlaamse 4 Gewest van toepassing waren voor het heffingsjaar 2014. Die bepalingen betroffen de wijze waarop het bedrag van de heffing op de waterverontreiniging en de heffing op de winning van grondwater werd bepaald. B.1.2. De milieuheffingen op de waterverontreiniging werden, wat het Vlaamse Gewest betreft, geregeld in hoofdstuk IIIbis van de wet van 26 maart 1971, getiteld « Bijzondere bepalingen voor het Vlaamse Gewest inzake heffingen op de waterverontreiniging ». Artikel 35bis, § 1, van die wet bepaalde dat de Vlaamse Milieumaatschappij belast was met de vestiging, de inning en de invordering van de heffing op de waterverontreiniging en met de controle op de naleving van de verplichtingen inzake de heffing. Krachtens artikel 35bis, § 3, eerste lid, van dezelfde wet was iedereen die in Vlaanderen water afnam van een openbare watervoorzieningsmaatschappij en/of beschikte over een eigen waterwinning en/of afvalwater loosde, ongeacht de herkomst van het water, heffingsplichtig. Artikel 35ter, § 1, bepaalde dat het bedrag van de heffing werd vastgesteld als volgt : H = N x T, waarin H stond voor het bedrag van de verschuldigde heffing voor de waterverontreiniging, N voor de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden, berekend volgens een van de in de afdelingen 3, 4, 5 en 6 van de wet bepaalde berekeningsmethoden, veroorzaakt in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, en T voor het in paragraaf 2 vermelde bedrag van het eenheidstarief van de heffing. Naargelang van de situatie van de heffingsplichtige voorzag de wet in verschillende formules om het aantal vervuilingseenheden te berekenen. Voor de zogenaamde kleine verbruikers werd de vuilvracht in beginsel berekend op grond van het waterverbruik (artikel 35quater). Voor de grootverbruikers gebeurde dit op basis van meet- en bemonsteringsresultaten van het door hen geloosde afvalwater, dit wil zeggen op de werkelijke vuilvracht van het water (artikel 35quinquies). Indien de gegevens met betrekking tot het geloosde afvalwater die nodig waren voor de toepassing van die methode, niet of onvolledig voorhanden waren, werd de vuilvracht berekend op basis van omzettingscoëfficiënten (artikel 35septies). 5 De forfaitaire berekeningsmethode die was neergelegd in artikel 35septies hield, voor het berekenen van de vuilvracht, rekening met het gefactureerde waterverbruik alsook met het op andere wijze ontvangen water, waaronder het opgenomen grondwater en het opgenomen oppervlaktewater. Krachtens artikel 35septies, § 2, tweede lid, 2°, was de opgenomen hoeveelheid grondwater in beginsel gelijk aan het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie (a)). Indien de heffingsplichtige het opgenomen grondwater niet kon aantonen met behulp van een dergelijke debietmeting voor het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, werd onweerlegbaar vermoed dat die hoeveelheid gelijk was aan het grondwatervolume bepaald overeenkomstig artikel 28quater, § 2, van het decreet van 24 januari 1984 (b)). Krachtens artikel 35septies, § 2, tweede lid, 3°, was de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater in beginsel gelijk aan het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie (a)). Wanneer het opgenomen volume oppervlaktewater niet was vastgesteld door middel van een verzegelde debietmeting met registratie werd die hoeveelheid onweerlegbaar vermoed gelijk te zijn aan het gecapteerde volume water dat de beheerder van de betrokken waterweg het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar in aanmerking had genomen voor het bepalen van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang (b)). Bij ontstentenis van debietmeting bedoeld in
  3. a)en van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang bedoeld in
  4. b)werd tot slot onweerlegbaar vermoed dat de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater gelijk was aan de som van de nominale capaciteit van de pompen vermenigvuldigd met T, T zijnde een getal dat in de bepaling was vastgesteld en waarbij een onderscheid werd gemaakt tussen drie categorieën van activiteiten (c)). B.1.3. De heffingen op de winning van grondwater werden geregeld in hoofdstuk IVbis van het decreet van 24 januari 1984, getiteld « Heffingen op de winning van grondwater ». Artikel 28ter, § 5, van dat decreet bepaalde dat de Vlaamse Milieumaatschappij belast was met de vestiging, de inning en de invordering en met de controle op de naleving van de verplichtingen inzake de heffing. Krachtens artikel 28ter, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet was iedereen die in Vlaanderen grondwaterwinningen bestemd voor de openbare 6 drinkwatervoorziening, grondwaterwinningen van ten minste 30.000 m³ per jaar of grondwaterwinningen van 500 tot minder dan 30.000 m³ per jaar heeft geëxploiteerd, heffingsplichtig. Artikel 28quater, § 1, bepaalde dat het bedrag van de heffing werd vastgesteld als volgt : H = Z x Q, waarin H stond voor het bedrag van de verschuldigde heffing op de winning van grondwater, Z voor het eenheidstarief van de heffing, dat naargelang het geval uitgedrukt was in een vast bedrag of een lineaire tarieffunctie, en Q voor het gewonnen volume grondwater dat in aanmerking werd genomen. Krachtens artikel 28quater, § 2, waarnaar het hiervoor vermelde artikel 35septies, § 2, tweede lid, 2°, van de wet van 26 maart 1971 verwees, werd de hoeveelheid grondwater die in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd opgepompt in beginsel bepaald op basis van een continue debietmeting met registratie (1°). Indien dat niet was gebeurd, werd onweerlegbaar vermoed dat de opgenomen hoeveelheid grondwater gelijk was aan de in de vergunning vermelde hoeveelheid (2°, 1)), dan wel – indien de grondwaterwinning niet vergund was voor het betrokken jaar of indien er in de vergunning geen toegelaten hoeveelheid was vermeld – aan de som van de nominale capaciteit van de pompen vermenigvuldigd met T, T zijnde een getal dat in de bepaling was vastgesteld en waarbij een onderscheid werd gemaakt tussen drie categorieën van activiteiten (2°, 2)). B.1.4. De voormelde bepalingen van de wet van 26 maart 1971 en van het decreet van 24 januari 1984 zijn, met ingang van 1 januari 2019, opgeheven bij de artikelen 4 en 6 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 30 november 2018 « tot bekrachtiging van de coördinatie van de waterregelgeving in het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid en tot opheffing van de gecoördineerde regelgeving ». Die opheffing heeft geen weerslag op het onderwerp van de prejudiciële vragen. B.2.1. Met de eerste prejudiciële vraag wordt het Hof gevraagd of artikel 35septies, § 2, tweede lid, 3°, c), van de wet van 26 maart 1971 en artikel 28quater, § 2, eerste lid, 2°, 2), van het decreet van 24 januari 1984 bestaanbaar zijn met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in zoverre « het volgens deze bepalingen forfaitair (en onweerlegbaar) berekende waterdebiet gebeurt op basis van de nominale capaciteit van de pompen ongeacht de maximaal 7 beschikbare hoeveelheid op te nemen grondwater zodat aan heffingsplichtigen wiens nominale pompcapaciteit hoger is dan de beschikbare hoeveelheid op te nemen grondwater een heffing wordt opgelegd die niet in evenredigheid staat met de werkelijke hinder of vervuiling die de heffingsplichtige zou kunnen veroorzaken ». Met de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof gevraagd of artikel 35septies, § 2, tweede lid, 3°, c), van de wet van 26 maart 1971 en artikel 28quater, § 2, eerste lid, 2°, 2), van het decreet van 24 januari 1984 bestaanbaar zijn met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre « deze artikelen zo zouden worden toegepast dat het volgens deze artikelen forfaitair berekende waterdebiet aanleiding geeft tot een heffing die berekend wordt op een hoeveelheid op te nemen grondwater boven de maximaal op te nemen [hoeveelheid] grondwater een straf is in de zin zoals bedoeld in art. 6 EVRM zonder dat deze mag getoetst worden door een rechter met volle rechtsmacht die daarbij de berekening mag beoordelen op haar kennelijke onevenredigheid of kennelijke onredelijkheid ». B.2.2. Uit de formulering van beide prejudiciële vragen en de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de forfaitaire berekening van de hoeveelheid opgenomen grondwater op basis van de nominale capaciteit van de pompen in het geding is. Bijgevolg dient te worden aangenomen, zoals de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege in haar memorie van verantwoording bevestigt, dat de prejudiciële vragen artikel 35septies, § 2, tweede lid, 2°, b), van de wet van 26 maart 1971 beogen in plaats van artikel 35septies, § 2, tweede lid, 3°, c), van dezelfde wet. Die laatste bepaling betrof namelijk niet de vaststelling van de hoeveelheid opgenomen grondwater maar wel de vaststelling van de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater. B.3. Bij zijn arrest nr. 48/2019 van 19 maart 2019 (ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.048) heeft het Hof zich uitgesproken over een soortgelijke prejudiciële vraag inzake artikel 35septies, § 2, van de wet van 26 maart 1971 en artikel 28quater, § 2, eerste lid, 2°, van het decreet van 24 januari 1984, die evenwel uitsluitend betrekking had op de heffing op de waterverontreiniging. Het Hof oordeelde in dat arrest : 8 « B.6.1. De betrokken heffing, die niet de tegenprestatie vormt voor een dienst die aan de individueel beschouwde heffingsplichtige wordt verleend, betreft een belasting. Een dergelijke belasting is slechts onderworpen aan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens in zoverre zij het karakter heeft van een strafsanctie in de zin van die verdragsbepaling. B.6.2. Krachtens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is een maatregel een strafsanctie in de zin van artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, indien hij volgens de internrechtelijke kwalificatie een strafrechtelijk karakter heeft, of indien uit de aard van het strafbaar feit, namelijk de algemene draagwijdte en het preventieve en repressieve doel van de bestraffing, blijkt dat het om een strafsanctie gaat, of nog indien uit de aard en de ernst van de sanctie die de betrokkene ondergaat, blijkt dat hij een bestraffend en daardoor ontradend karakter heeft (EHRM, grote kamer, 23 november 2006, Jussila t. Finland). Het Hof onderzoekt of de overeenkomstig de in het geding zijnde bepalingen forfaitair vastgestelde heffing op de waterverontreiniging aan de voormelde criteria beantwoordt en als strafrechtelijk in de zin van het Verdrag dient te worden aangemerkt. B.7.1. De milieuheffingen op de waterverontreiniging beogen, enerzijds, een beperking van de vervuiling van het water en, anderzijds, de financiering en verdeling van de geldelijke lasten ten gevolge van de milieuvervuiling, overeenkomstig het beginsel ‘ de vervuiler betaalt ’. In de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet dat heeft geleid tot het decreet van 21 december 1990 ‘ houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991 ’, waarbij het in het geding zijnde artikel 35septies in de wet van 26 maart 1971 werd ingevoegd, werd ter zake gesteld : ‘ Milieuheffingen zijn derhalve niet alleen een middel om de collectieve maatregelen ter bestrijding van de milieuverontreiniging geheel of gedeeltelijk te bekostigen, maar ook en vooral een beleidsinstrument om de vervuilers ertoe aan te zetten de door hen veroorzaakte verontreiniging aan de bron te beperken ’ (Parl. St., Vlaamse Raad, 1990-1991, nr. 424/1, p. 10). Wat in het bijzonder de forfaitaire berekeningsmethode betreft, zoals neergelegd in het in het geding zijnde artikel 35septies van de wet van 26 maart 1971, wordt in de parlementaire voorbereiding van het decreet van 19 december 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004, dat die bepaling heeft gewijzigd, aangegeven : ‘ Teneinde een gelijke behandeling van alle heffingsplichtigen te bekomen en de heffingsadministratie meer zekerheid te geven met betrekking tot het aangegeven debiet, worden de grootverbruikers ertoe aangezet het geloosde debiet te bewijzen aan de hand van een continue debietregistratie. Indien de heffingsplichtige dit systeem niet toepast, is het noodzakelijk een aantal vermoedens in te bouwen. Deze hebben de bedoeling enerzijds ontradend te werken en de heffingsplichtigen aan te zetten tot een continue debietsregistratie, en anderzijds de administratie waarborgen te geven inzake de betrouwbaarheid van de te hanteren elementen voor de heffingsberekening. 9 Daarnaast wordt een betere afstemming tussen de afvalwater- en de captatieheffingen bekomen door te bepalen dat, bij gebrek aan tellerstanden, het opgepompte grond- of oppervlaktewater geacht wordt gelijk te zijn aan het volume dat in aanmerking wordt genomen voor de bepaling van de grondwater- en captatieheffing ’ (Parl. St., Vlaams Parlement, 2003-2004, nr. 1948/13, p. 7). B.7.2. De maatregel is noch door de plaats van de in het geding zijnde bepalingen in de wetgeving, noch in de parlementaire voorbereiding als strafsanctie aangemerkt. Zoals blijkt uit de voormelde parlementaire voorbereiding, beogen de milieuheffingen op de waterverontreiniging een beperking van de vervuiling van het water (aanmoedigingsfunctie) en de financiering van de verdeling van de geldelijke lasten ten gevolge van de milieuvervuiling (herverdelende functie), overeenkomstig het beginsel ‘ de vervuiler betaalt ’. In het algemeen blijkt het inzake milieuheffingen onlosmakelijk te zijn verbonden met het door hem nagestreefde doel dat de decreetgever het gedrag van de belastingplichtigen tracht te beïnvloeden, teneinde milieuverontreiniging te ontmoedigen. De forfaitaire berekeningsmethode strekt in het bijzonder ertoe de heffingsplichtigen aan te moedigen een debietmeter te installeren, terwijl de administratie de mogelijkheid wordt geboden om de belastbare grondslag forfaitair vast te stellen wanneer de vereiste meetgegevens ontbreken. De in het geding zijnde bepalingen streven dus een in wezen aanmoedigend en geen repressief doel na. De forfaitaire berekeningsmethode kan weliswaar tot gevolg hebben dat bij het vaststellen van het bedrag van de heffing een grotere hoeveelheid opgenomen grondwater in aanmerking wordt genomen dan die welke werkelijk werd opgenomen. Door bij ontstentenis van de vereiste meetgegevens rekening te houden met het objectieve en individualiseerbare element van de maximale capaciteit van de waterpomp, heeft de in het geding zijnde maatregel evenwel geen dermate ernstige gevolgen dat hij als strafrechtelijke sanctie zou moeten worden aangemerkt. B.7.3. De in het geding zijnde maatregel kan bijgevolg niet als strafrechtelijk in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens worden aangemerkt, zodat hij niet onder het toepassingsgebied van die bepaling valt. B.8. Het Hof dient nog te beoordelen of de in het geding zijnde bepalingen het beginsel van gelijkheid- en niet-discriminatie schenden, in de interpretatie van het verwijzende rechtscollege. B.9. Een heffing ingegeven door het principe ‘ de vervuiler betaalt ’ neemt het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie alleen dan in acht wanneer zij diegenen belast die vervuilen en wanneer zij rekening houdt met de mate waarin elke heffingsplichtige aan de hinder bijdraagt waartegen de belasting tracht op te komen. B.10.1. Wanneer, bij de berekening van de heffing, geen rekening zou worden gehouden met de mate waarin de heffingsplichtige aan de hinder bijdraagt, zou de maatregel bijgevolg onevenredig zijn met de met die heffing nagestreefde doelstelling van bescherming van een gezond leefmilieu. B.10.2. Te dezen kan voor de grootverbruikers toepassing worden gemaakt van verschillende formules voor de berekening van de vervuilingseenheden. In principe gebeurt die berekening op basis van meet- en bemonsteringsresultaten van het door hen geloosde 10 afvalwater, dit wil zeggen op basis van de werkelijke vuilvracht van het water (artikel 35quinquies). Heffingsplichtigen die de toepassing wensen van die berekeningsmethode, moeten zelf zorgen voor meet- en bemonsteringsresultaten afkomstig van een op eigen initiatief uitgevoerde meetcampagne door een door de Regering erkend laboratorium. Het is slechts indien die benodigde gegevens met betrekking tot het geloosde afvalwater niet of onvolledig voorhanden zijn, dat de vuilvracht wordt berekend op basis van de omzettingscoëfficiënten (artikel 35septies), waarbij gebruik wordt gemaakt van de forfaitaire formules die uitgaan van het gefactureerde waterverbruik en het op andere wijze gewonnen water. Die subsidiaire berekeningsmethode neemt in beginsel de werkelijk opgenomen hoeveelheid grondwater in aanmerking, waarbij de heffingsplichtige die hoeveelheid dient aan te tonen met behulp van een continue debietmeting. Indien de heffingsplichtige dit niet kan aantonen, wordt rekening gehouden met de opgenomen hoeveelheid grondwater op jaarbasis zoals vermeld in de vergunning. Het is slechts in uiterst ondergeschikte orde, bij ontstentenis van een vergunning of van de vermelding van de opgenomen hoeveelheid grondwater in de vergunning, dat de maximale nominale capaciteit van de pompen in aanmerking wordt genomen. B.11. Derhalve wordt bij de berekening van de heffing in principe rekening gehouden met de mate waarin de heffingsplichtige aan de hinder bijdraagt. De omstandigheid dat bij het niet of niet volledig voorhanden zijn van de meet- en bemonsteringsresultaten, gebruik wordt gemaakt van forfaitaire berekeningsformules, zonder dat de administratie of de rechter het aldus vastgestelde bedrag kan verminderen wanneer de heffingsplichtige de werkelijke hoeveelheid opgenomen grondwater alsnog op een andere wijze kan aantonen, is niet van die aard dat aan de in het geding zijnde bepalingen hun redelijke verantwoording wordt ontnomen. B.12. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord ». B.4.1. Te dezen dient om dezelfde redenen te worden geoordeeld dat artikel 35septies, § 2, tweede lid, 2°, b), van de wet van 26 maart 1971 en artikel 28quater, § 2, eerste lid, 2°, 2), van het decreet van 24 januari 1984 bestaanbaar zijn met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In het bijzonder geeft de forfaitaire berekeningsmethode op grond van de nominale capaciteit van de pompen waarbij geen rekening wordt gehouden met de beschikbare op te nemen hoeveelheid grondwater om de in B.7.2 van het voormelde arrest nr. 48/2019 vermelde redenen geen aanleiding tot een strafrechtelijke sanctie, en is het om de in B.10 en B.11 van dat arrest vermelde redenen niet zonder redelijke verantwoording dat de beschikbare hoeveelheid grondwater niet alsnog in rekening kan worden gebracht wanneer de heffing wordt berekend op grond van de nominale capaciteit van de pompen. 11 B.4.2. De omstandigheid dat de prejudiciële vragen te dezen ook betrekking hebben op de heffing op de winning van grondwater doet niet anders besluiten. Voor beide heffingen wordt de opgenomen hoeveelheid grondwater namelijk op dezelfde wijze bepaald. Hetgeen het Hof bij zijn arrest nr. 48/2019 geoordeeld heeft, geldt bijgevolg mutatis mutandis voor de heffing op de winning van grondwater die soortgelijk is aan de heffing op de waterverontreiniging. Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 20 december 1996 « houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1997 », waarbij de heffing op de winning van grondwater werd ingevoerd, blijkt immers dat die heffing, net zoals de heffing op de waterverontreiniging, een aanmoedigingsfunctie en een herverdelende functie heeft. Zij beoogt « zowel meer spaarzaam waterverbruik te stimuleren als meer duurzame alternatieve oplossingen tot stand te brengen » (Parl. St., Vlaams Parlement, 1996-1997, nr. 428/1, p. 19). 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 35septies, § 2, tweede lid, 2°, b), van de wet van 26 maart 1971 « op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging » en artikel 28quater, § 2, eerste lid, 2°, 2), van het decreet van het Vlaamse Gewest van 24 januari 1984 « houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer » schenden niet de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 19 maart 2026. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.034 Gerelateerde publicatie(
  5. s)citeert: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.048 ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.054 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.