id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.035 Arrest- Rolnummer: 35/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-03-30 Raadplegingen: 370 - laatst gezien 2026-06-18 06:34 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Schending (het ontbreken, in het vijfde deel van het Gerechtelijk Wetboek, titel III, hoofdstuk IV, betreffende het uitvoerend beslag onder derden, van een bepaling die gelijkwaardig is aan artikel 1502 van hetzelfde Wetboek) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over het vijfde deel van het Gerechtelijk Wetboek, titel III, hoofdstuk IV betreffende het uitvoerend beslag onder derden, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Eupen. Gerechtelijk recht - Uitvoerend beslag onder derden - Goederen die niet in beslag kunnen worden genomen - Recht om de onbeslagbaarheid te laten gelden - Deurwaardersexploot - Ontstentenis van de vermelding van de rechtsmiddelen en de termijnen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 35/2026 van 19 maart 2026 Rolnummer : 8599 In zake : de prejudiciële vraag over het vijfde deel van het Gerechtelijk Wetboek, titel III, hoofdstuk IV, betreffende het uitvoerend beslag onder derden, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Eupen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Willem Verrijdt en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 18 november 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 5 december 2025, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Eupen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt de ontstentenis van een wetsbepaling zoals artikel 1502 van het Gerechtelijk Wetboek in het vijfde deel van het Gerechtelijk Wetboek, titel III, hoofdstuk IV, met betrekking tot het uitvoerend beslag onder derden artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens ? ». Op 16 december 2025 hebben de rechters-verslaggevers Michel Pâques en Yasmine Kherbache, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. Geen enkele memorie werd ingediend. De bepalingen van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 2 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 13 september 2024 wordt een uitvoerend beslag onder derden uitgevoerd tegen Ewald Kohnenmergen, de beslagen schuldenaar, in handen van Harald Schneider. Het beslag wordt diezelfde dag aan Ewald Kohnenmergen aangezegd. Op 7 januari 2025 laat Ewald Kohnenmergen zijn verzet betekenen aan de beslagleggende schuldeisers en dagvaardt hij hen om voor de beslagrechter te verschijnen. Voor die laatste betwist Ewald Kohnenmergen het bedrag van de schuldvordering en doet hij gelden dat zijn huurinkomsten niet vatbaar zijn voor beslag, krachtens de artikelen 1409 en 1409bis van het Gerechtelijk Wetboek. De verwerende partijen doen op hun beurt gelden dat het verzet van Ewald Kohnenmergen onontvankelijk is. De beslagrechter van de Rechtbank van eerste aanleg te Eupen, het verwijzende rechtscollege, merkt op dat krachtens artikel 1409bis van het Gerechtelijk Wetboek, indien de beslagen schuldenaar van mening is dat huurinkomsten niet vatbaar zijn voor beslag of dat slechts gedeeltelijk zijn, hij de gerechtsdeurwaarder daarvan op de hoogte moet brengen overeenkomstig artikel 1408, § 3, van hetzelfde Wetboek. Die mededeling moet, op straffe van verval, plaatsvinden hetzij op het tijdstip van het beslag, hetzij binnen vijftien dagen na de betekening van de eerste akte van beslag, dat wil zeggen, wat een uitvoerend beslag onder derden betreft, te rekenen vanaf de kennisgeving van het beslag aan de beslagen schuldenaar. Het verwijzende rechtscollege stelt vast dat Ewald Kohnenmergen geen opmerkingen aan de gerechtsdeurwaarder heeft meegedeeld binnen de voormelde wettelijke termijn, zodat hij zou moeten worden vervallen verklaard van het recht om de onbeslagbaarheid van de betrokken inkomsten te laten gelden. Ewald Kohnenmergen doet evenwel gelden dat in de akte van uitvoerend beslag onder derden en in de kennisgeving van die akte geen melding werd gemaakt van de artikelen 1408, § 3, en 1409bis van het Gerechtelijk Wetboek, noch van de ter zake voorgeschreven termijn. Het verwijzende rechtscollege merkt op dat het Hof, bij zijn arrest nr. 151/2015 van 29 oktober 2015 (ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.151), heeft geoordeeld dat het ontbreken van de vermelding, in het deurwaardersexploot waarin een bewarend beslag onder derden wordt aangezegd, van de informatie volgens welke de beslagen schuldenaar, wanneer hij niet beschikt over de inkomsten bedoeld in artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn aanspraken op straffe van verval binnen een termijn van vijf dagen aan de gerechtsdeurwaarder kenbaar moet maken, artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schendt. Het Hof heeft geoordeeld dat de ongrondwettigheid haar oorsprong niet vindt in artikel 1408, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, maar in het ontbreken, in het vijfde deel van hetzelfde Wetboek, titel II, hoofdstuk IV, betreffende het bewarend beslag onder derden, van een bepaling die gelijkwaardig is aan artikel 1502 van hetzelfde Wetboek, en het heeft gepreciseerd dat het aan de rechter staat de aldus vastgestelde ongrondwettigheid te verhelpen. Aangezien dat arrest geen uitvoerend beslag onder derden betrof, zoals te dezen het geval is, stelt het verwijzende rechtscollege, op verzoek van Ewald Kohnenmergen, de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.
- In hun conclusies opgesteld met toepassing van artikel 72 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, hebben de rechters-verslaggevers geoordeeld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof voor te stellen de rechtspleging af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging, waarbij wordt geoordeeld dat het ontbreken, in het vijfde deel van het Gerechtelijk Wetboek, titel III, hoofdstuk IV, betreffende het uitvoerend beslag onder derden, van een bepaling die gelijkwaardig is aan artikel 1502 van hetzelfde Wetboek, artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schendt, en dat, aangezien de vaststelling van die lacune is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen waardoor artikel 1408, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek kan worden toegepast met inachtneming van de referentienormen op grond waarvan het Hof zijn toetsingsbevoegdheid uitoefent, het aan de rechter staat een einde te maken aan de schending van die normen. 3 A.
- Er werd geen memorie met verantwoording ingediend. -B- B.
- Artikel 1409bis van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « De schuldenaar die niet beschikt over inkomsten als bedoeld in artikel 1409, kan voor hem en zijn gezin de noodzakelijke inkomsten behouden welke berekend worden overeenkomstig de artikelen 1409, § 1, en
- Iedere aanspraak van de schuldenaar, steunend op het eerste lid, wordt aan de beslagrechter voorgelegd overeenkomstig artikel 1408, §
- Deze kan de duur beperken tijdens welke deze inkomsten van de schuldenaar niet voor beslag vatbaar zijn ». Artikel 1408, § 3, van hetzelfde Wetboek bepaalt : « De moeilijkheden inzake de toepassing van dit artikel worden beslecht door de beslagrechter op grond van het proces-verbaal van beslaglegging, waarin de opmerkingen van de beslagene, op straffe van verval aan de gerechtsdeurwaarder mee te delen, hetzij op het tijdstip van het beslag, hetzij binnen vijftien dagen na de betekening van de eerste akte van beslag, worden aangetekend. Bij de neerlegging ter griffie van een afschrift van het proces-verbaal van beslaglegging door de gerechtsdeurwaarder of door de meest gerede partij, binnen vijfentwintig dagen na de overhandiging van het afschrift van dat proces-verbaal of, indien daartoe grond bestaat, van de betekening van het beslag aan de schuldenaar, bepaalt de beslagrechter dag en uur van het onderzoek en de regeling van de moeilijkheden, de schuldeiser en de schuldenaar vooraf gehoord of opgeroepen. De griffier roept de partijen op en verwittigt de instrumenterende gerechtsdeurwaarder. De procedure kan niet worden voortgezet indien de in het vorige lid bedoelde neerlegging van het afschrift van het proces-verbaal niet heeft plaatsgehad. De vordering schorst de verdere procedure over de betwiste goederen, doch de goederen blijven onder beslag totdat uitspraak is gedaan. De beslagrechter doet uitspraak bij voorrang boven alle andere zaken, zowel in aanwezigheid als bij ontstentenis van de partijen; zijn beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep; de rechtspleging kan onmiddellijk worden hervat ». Artikel 1502 van hetzelfde Wetboek bepaalt : 4 « In het exploot van uitvoerend beslag op roerend goed wordt op straffe van nietigheid de tekst van de artikelen 1408 en 1526bis, alsook die van de artikelen 490bis en 507 van het Strafwetboek opgenomen. De akte dient in zeer duidelijke lettertekens de vermelding te bevatten van de termijnen die op straffe van verval zijn voorgeschreven bij artikel 1408, § 3, lid 1, en bij artikel 1526bis, tweede lid ». B.
- Het verwijzende rechtscollege vraagt aan het Hof of het ontbreken van een bepaling die de vermelding voorschrijft, in het deurwaardersexploot waarin een uitvoerend beslag onder derden wordt aangezegd, van de informatie volgens welke de beslagen schuldenaar, wanneer hij niet beschikt over de inkomsten bedoeld in artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn aanspraken op straffe van verval aan de gerechtsdeurwaarder kenbaar moet maken binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van het beslag, artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schendt. B.
- Bij zijn arrest nr. 151/2015 van 29 oktober 2015 (ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.151) heeft het Hof geoordeeld : « B.
- Het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid, met artikel 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat het recht op toegang tot de rechter waarborgt, van artikel 1408, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, in zoverre die bepaling het recht van een eiser om te zijnen gunste het voordeel van artikel 1409bis van het Gerechtelijk Wetboek te vorderen, met verval bestraft wanneer hij aan de instrumenterende deurwaarder niet binnen vijf dagen na de betekening van de eerste akte tot aanzegging van het bewarend beslag heeft laten weten dat hij zich wilde beroepen op artikel 1409bis van het Gerechtelijk Wetboek, zulks zonder voorafgaandelijk van die termijn op de hoogte te zijn gebracht, in tegenstelling tot het exploot van uitvoerend beslag op roerend goed, dat luidens artikel 1502 van hetzelfde Wetboek dat artikel moet vermelden, op straffe van nietigheid. B.3.
- Het recht op toegang tot de rechter, dat een onderdeel is van het recht op een eerlijk proces, kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden, met name wat betreft het instellen van een rechtsmiddel. Die voorwaarden mogen echter niet ertoe leiden dat het recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast. Dit zou het geval zijn wanneer de beperkingen geen wettig doel nastreven of indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. De verenigbaarheid van die beperkingen met het recht op toegang tot een rechterlijke instantie hangt af van de bijzonderheden van de in het geding zijnde procedure en wordt beoordeeld in het licht van het proces in zijn geheel (EHRM, 24 februari 2009, L’Erablière t. België, § 36; 29 maart 2011, R.T.B.F. t. België, § 69). 5 B.3.
- Meer in het bijzonder zijn de regels betreffende de vormvoorschriften en termijnen om beroep in te stellen gericht op een goede rechtsbedeling en het weren van de risico’s van rechtsonzekerheid. Die regels mogen de rechtzoekenden echter niet verhinderen de beschikbare rechtsmiddelen te doen gelden. Bovendien ‘ dienen de rechtbanken, door de procedureregels toe te passen, zowel een overdreven formalisme dat afbreuk zou doen aan het eerlijke karakter van de procedure, als een buitensporige soepelheid die zou leiden tot het afschaffen van de bij de wet vastgestelde procedurele vereisten, te vermijden ’ (EHRM, 26 juli 2007, Walchli t. Frankrijk, § 29; 25 mei 2004, Kadlec en anderen t. Tsjechische Republiek, § 26). ‘ Het recht op toegang tot een rechter wordt immers aangetast wanneer de reglementering ervan niet langer de doelstellingen van de rechtszekerheid en de behoorlijke rechtsbedeling dient en een soort van hinderpaal vormt die de rechtzoekende verhindert zijn geschil ten gronde door het bevoegde rechtscollege beslecht te zien ’ (EHRM, 24 mei 2011, Sabri Gunes t. Turkije, § 58; 13 januari 2011, Evaggelou t. Griekenland, § 19). B.
- In het wetsontwerp dat heeft geleid tot de wet van 14 januari 1993 ‘ tot wijziging van titel I, voorafgaande regels, en titel III, gedwongen tenuitvoerlegging, van deel V van het Gerechtelijk Wetboek inzake het bewarend beslag en de middelen tot tenuitvoerlegging en tot wijziging van artikel 476 van de wet van 18 april 1851 betreffende het faillissement, de bankbreuk en het uitstel van betaling ’, waarbij artikel 1409bis werd ingevoegd in het Gerechtelijk Wetboek, bepaalde dat artikel dat de schuldenaar die niet beschikt over de in artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde inkomsten, de noodzakelijke inkomsten kan behouden ‘ die door de beslagrechter worden vastgesteld ’. Die bepaling werd in de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord : ‘ Artikel 1409 voorziet alleen in de bescherming van de bedragen uitgekeerd aan personen die tegen loon onder het gezag van een ander persoon arbeid verrichten. Ook degenen die enkel over andere inkomsten, zonder bepaling van hun oorsprong, beschikken, moeten, naar het voorbeeld van de inkomsten bedoeld in artikel 1409, gevrijwaard worden tegen beslag ’ (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 1114/1, p. 5). B.
- Uit wat voorafgaat, vloeit voort dat de wetgever van oordeel was dat de schuldenaar die niet beschikt over de in artikel 1409 van dat Wetboek bedoelde inkomsten, de noodzakelijke inkomsten berekend overeenkomstig die bepaling vermag te behouden, maar dat een rechterlijke tussenkomst noodzakelijk is, onder meer om na te gaan of de schuldenaar in kwestie wel degelijk niet over andere inkomsten beschikt. Die afweging past in de algemene doelstelling van de wetgever die beoogt ‘ een billijk evenwicht te bereiken tussen de kordaatheid waarvan de schuldeiser, die te maken heeft met de nalatigheid en soms met de oneerlijkheid van de schuldenaar, blijk mag geven en de rechtvaardige redelijkheid die men uit humanitair oogpunt moet betrachten ’ (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 1114/1, p. 1). B.
- Zo dient te worden vastgesteld dat de schuldenaar die niet beschikt over inkomsten als bedoeld in artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek, de beslagrechter kan vragen voor hem en zijn gezin de noodzakelijke inkomsten te behouden, overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 1408, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, luidens welke bepaling de schuldenaar-beslagene zijn opmerkingen op straffe van verval aan de gerechtsdeurwaarder dient mee te delen, hetzij op het tijdstip van het beslag, hetzij binnen vijf dagen na de betekening van de eerste akte van beslag. Die opmerkingen worden aangetekend in het proces-verbaal van beslaglegging waarvan de gerechtsdeurwaarder of de meest gerede partij een afschrift neerlegt 6 ter griffie, waarop de beslagrechter de dag en het uur bepaalt van het onderzoek en de regeling van de moeilijkheden, de schuldeiser en de schuldenaar vooraf gehoord of opgeroepen. B.7.
- Het Hof moet niettemin erover waken dat de in het geding zijnde maatregel niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan het recht op toegang tot de rechter, met name rekening houdend met, enerzijds, de termijn waarbinnen, op straffe van verval, de schuldenaar zijn opmerkingen moet meedelen aan de deurwaarder en, anderzijds, de ontstentenis van de vermelding van die vaste termijn in de akte tot betekening van het beslag. B.7.
- De betrokkene dient zijn opmerkingen op straffe van verval aan de gerechtsdeurwaarder mee te delen, hetzij op het tijdstip van het beslag, hetzij binnen vijf dagen na de betekening van de eerste akte van beslag. Die vereiste sluit aan bij de zorg van de wetgever om de geschillen inzake het beslag met de nodige spoed af te handelen en elk uitstel dienaangaande te vermijden. Het amendement dat tot artikel 1408, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek heeft geleid, werd als volgt verantwoord : ‘ Op grond van het amendement worden de geschillen inzake de niet-vatbaarheid voor beslag voor de beslagrechter gebracht volgens de gebruikelijke vorm – zijnde de artikelen 1219, § 2, tweede lid, 1582, vijfde lid, 1632 en 1646 van het Gerechtelijk Wetboek, waardoor iedere vertraging in de rechtspleging wordt voorkomen ’ (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 1114/4, p. 6). Tijdens de bespreking van die bepaling in de Kamer van volksvertegenwoordigers hebben meerdere leden de vrees geuit ‘ dat de procedure meestal een dilatoir karakter zal hebben ’ (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 1114/6, p. 28). In de Senaat werd daar nog het volgende aan toegevoegd : ‘ Het zal vrij eenvoudig zijn om betwistingen te doen ontstaan waarover de beslagrechter zich zal moeten uitspreken al was het maar om een uitstel af te dwingen en de procedures aldus af te remmen, om de kosten op te drijven en de schuldeisers te ontmoedigen ’ (Parl. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 353/2, p. 8). B.7.
- Het voormelde artikel 1502 van het Gerechtelijk Wetboek, opgenomen onder hoofdstuk II ‘ Uitvoerend beslag op roerend goed ’ van titel III ‘ Gedwongen tenuitvoerlegging ’, is evenwel niet van toepassing op het bewarend beslag. Hieruit vloeit voort dat het exploot dat de aanzegging van het bewarend beslag bevat, de schuldenaar niet erover moet inlichten dat hij, op straffe van verval van het recht om in rechte op te treden bij de beslagrechter, uiterlijk binnen vijf dagen na de betekening van de akte van beslag zijn opmerkingen aan de deurwaarder moet meedelen. B.7.
- Aldus kan de derde wiens goederen het voorwerp uitmaken van een bewarend beslag [lees : de beslagen schuldenaar], wanneer hij, in het deurwaardersexploot waarin het beslag wordt aangezegd, niet is ingelicht over het bestaan van de termijn van vijf dagen bepaald op straffe van verval, het recht worden ontzegd zijn aanspraken aan te voeren voor de beslagrechter wanneer hij niet beschikt over de inkomsten bedoeld in artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek. Niet alleen kan het ontbreken van die vermelding de rechten aantasten van de derde die het voorwerp uitmaakt van een beslag [lees : de beslagen schuldenaar] op de goederen beschermd bij artikel 1409bis van het Gerechtelijk Wetboek, maar bovendien doet het op onevenredige 7 wijze afbreuk aan zijn recht op toegang tot een rechter, zodat het niet bestaanbaar is met artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De vastgestelde ongrondwettigheid vindt haar oorsprong evenwel niet in artikel 1408, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, maar in het ontbreken, in het vijfde deel van hetzelfde Wetboek, titel II, hoofdstuk IV betreffende het bewarend beslag onder derden, van een bepaling die gelijkwaardig is aan artikel 1502 van hetzelfde Wetboek. Aangezien de vaststelling van die lacune is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen waardoor de in het geding zijnde bepaling kan worden toegepast met inachtneming van de referentienormen op grond waarvan het Hof zijn toetsingsbevoegdheid uitoefent, staat het aan de rechter een einde te maken aan de schending van die normen ». B.
- Die overwegingen, die door het Hof werden gemaakt met betrekking tot een bewarend beslag onder derden, gelden ook mutatis mutandis voor het uitvoerend beslag onder derden. De omstandigheid dat de in artikel 1408, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde termijn bij de wet van 7 april 2023 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de niet voor beslag vatbare goederen » van vijf naar vijftien dagen is gebracht, leidt niet tot een andere conclusie. B.
- Het ontbreken, in het vijfde deel van het Gerechtelijk Wetboek, titel III, hoofdstuk IV, betreffende het uitvoerend beslag onder derden, van een bepaling die gelijkwaardig is aan artikel 1502 van hetzelfde Wetboek, is niet bestaanbaar met artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aangezien de vaststelling van die lacune is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen waardoor artikel 1408, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek kan worden toegepast met inachtneming van de referentienormen op grond waarvan het Hof zijn toetsingsbevoegdheid uitoefent, staat het aan het verwijzende rechtscollege een einde te maken aan de schending van die normen. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Het ontbreken, in het vijfde deel van het Gerechtelijk Wetboek, titel III, hoofdstuk IV, betreffende het uitvoerend beslag onder derden, van een bepaling die gelijkwaardig is aan artikel 1502 van hetzelfde Wetboek, schendt artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 19 maart
- De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.035 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.151 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div