id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.036 Arrest- Rolnummer: 36/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-04-06 Raadplegingen: 586 - laatst gezien 2026-06-18 06:35 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de artikelen 1 (3°, 5° en 10°), 60 en 87 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 7 december 2023 « tot wijziging van het decreet van 4 februari 2021 betreffende audiovisuele mediadiensten en videoplatformdiensten », ingesteld door de vennootschap naar Nederlands recht « Netflix International bv ». Publiek recht - Media - Franse Gemeenschap - Verplichting om een bijdrage te leveren aan de audiovisuele productie - Uitgevers van niet-lineaire televisiediensten - Vennootschap naar Nederlands recht "Netflix International bv" - Mediadiensten die op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie zijn gevestigd Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 36/2026 van 26 maart 2026 Rolnummer : 8295 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 1 (3°, 5° en 10°), 60 en 87 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 7 december 2023 « tot wijziging van het decreet van 4 februari 2021 betreffende audiovisuele mediadiensten en videoplatformdiensten », ingesteld door de vennootschap naar Nederlands recht « Netflix International bv ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 augustus 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 augustus 2024, heeft de vennootschap naar Nederlands recht « Netflix International bv », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Agnès Maqua en mr. Hannah Tacheny, advocates bij de balie te Brussel, en door mr. Conrad Albrecht en mr. Frank Malte, advocaten bij de balie te Berlijn, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 1 (3°, 5° en 10°), 60 en 87 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 7 december 2023 « tot wijziging van het decreet van 4 februari 2021 betreffende audiovisuele mediadiensten en videoplatformdiensten » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 7 februari 2024, tweede editie). Memories zijn ingediend door : - de vennootschap naar Nederlands recht « The Walt Disney Company (Benelux) B.V. », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Dominique Lagasse, mr. Günther L’heureux, mr. Carl Dotremont en mr. Johan Ysewyn, advocaten bij de balie te Brussel (tussenkomende partij); 2 - de vzw « Vlaamse Onafhankelijke Film & Televisie Producenten », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Frank Judo, mr. Sarah van den Brande, mr. Bernard Vanbrabant, mr. Cedric Jenart en mr. Louise Janssens, advocaten bij de balie te Brussel (tussenkomende partij); - de vennootschap naar Frans recht « Coordination Européenne des Producteurs Indépendants », vertegenwoordigd door haar voorzitster Susana Gato (tussenkomende partij); - de ivzw « European Film Agency Directors », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Olivier Sasserath, advocaat bij de balie te Brussel (tussenkomende partij); - de vzw « Les Professionnels de la Production et de la Création Audiovisuelles », de vzw « Union des Producteur·ice·s Francophones de Films & Séries », de ivzw « Society of Audiovisual Authors » en de vzw « Association des Auteur.rice.s / Réalisateur.rice.s - Producteur.rice.s Indépendant.e.s », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Evrard de Lophem en mr. Juliette Van Vyve, advocaten bij de balie te Brussel (tussenkomende partijen); - de vennootschap naar Frans recht « Club des Producteurs Européens », vertegenwoordigd door haar voorzitter Dariusz Jablonski (tussenkomende partij); - de Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jean-François De Bock, mr. Peter Wytinck, mr. Quentin Declève en mr. Elisabeth Gabizon, advocaten bij de balie te Brussel; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Bart Martel, mr. Jan Bocken en mr. Kristof Caluwaert, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de vzw « Vlaamse Onafhankelijke Film & Televisie Producenten »; - de ivzw « European Film Agency Directors »; - de vzw « Les Professionnels de la Production et de la Création Audiovisuelles » en anderen, bijgestaan en vertegenwoordigd door hun voormelde raadslieden en door mr. Sébastien Depré, mr. Germain Haumont en mr. Rebecca Mirzabekiantz, advocaten bij de balie te Brussel; - de Franse Gemeenschapsregering; - de Vlaamse Regering. Bij beschikking van 17 december 2025 heeft het Hof, na rechter-verslaggeefster Kattrin Jadin en rechter Willem Verrijdt, verslaggever ter vervanging van rechter-verslaggever Danny Pieters, wettig verhinderd, te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na 3 ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Ingevolge de verzoeken van verschillende partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 14 januari 2026 de dag van de terechtzitting bepaald op 11 februari
- Op de openbare terechtzitting van 11 februari 2026 : - zijn verschenen : . mr. Agnès Maqua, mr. Hannah Tacheny, mr. Conrad Albrecht en mr. Frank Malte, voor de verzoekende partij; . mr. Johan Ysewyn en mr. Carole Maczkovics, advocate bij de balie te Brussel, voor de vennootschap naar Nederlands recht « The Walt Disney Company (Benelux) B.V. »; . mr. Frank Judo en mr. Louise Janssens, tevens loco mr. Sarah van den Brande, mr. Bernard Vanbrabant en mr. Cedric Jenart, voor de vzw « Vlaamse Onafhankelijke Film & Televisie Producenten »; . mr. Olivier Sasserath, voor de ivzw « European Film Agency Directors »; . mr. Evrard de Lophem, tevens loco mr. Juliette Van Vyve en mr. Sébastien Depré, voor de vzw « Les Professionnels de la Production et de la Création Audiovisuelles » en anderen; . mr. Jean-François De Bock, mr. Quentin Declève en mr. Elisabeth Gabizon, voor de Franse Gemeenschapsregering; . mr. Bart Martel en mr. Kato Verbouwe, advocate bij de balie te Brussel, tevens loco mr. Jan Bocken en mr. Kristof Caluwaert, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers Kattrin Jadin en Danny Pieters verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 4 II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat betreft de ontvankelijkheid ratione temporis van het beroep A.
- De internationale vereniging zonder winstoogmerk « European Film Agency Directors » (hierna : EFAD) voert aan dat het beroep tot vernietiging laattijdig is, in zoverre het gericht is tegen regels die in artikel 6.1.1-1, § 3, eerste lid, 7°, en tweede lid, 1°, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 februari 2021 « betreffende audiovisuele mediadiensten en videoplatformdiensten » (hierna : het decreet van 4 februari 2021) zijn opgenomen, na de vervanging van dat artikel 6.1.1-1 bij artikel 60 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 7 december 2023 « tot wijziging van het decreet van 4 februari 2021 betreffende audiovisuele mediadiensten en videoplatformdiensten » (hierna : het decreet van 7 december 2023). Volgens EFAD waren die regels al in de vorige versie van artikel 6.1.1-1 van het decreet van 4 februari 2021 opgenomen en werd enkel hun plaats in de tekst of hun formulering aangepast. A.
- De vereniging zonder winstoogmerk « Vlaamse Onafhankelijke Film & Televisie Producenten » (hierna : V.O.F.T.P.) voert aan dat het beroep tot vernietiging laattijdig is, in zoverre het gericht is tegen artikel 6.1.1-1, § 2, eerste lid, van het decreet van 4 februari 2021, dat bepaalt dat het bedrag van de jaarlijks verschuldigde bijdrage varieert op basis van de waarde van de omzet van de bijdrageplichtige. Volgens V.O.F.T.P. was die regel al opgenomen in de eerste versie van artikel 6.1.1-1 van het decreet van 4 februari
- A.
- De vennootschap naar Nederlands recht « Netflix International bv » (hierna : Netflix) antwoordt dat artikel 60 van het decreet van 7 december 2023 een uiting is van een duidelijke intentie van de wetgever om de regeling van de bijdrage aan de audiovisuele productie, zoals beschreven in artikel 6.1.1-1 van het decreet van 4 februari 2021, ingrijpend te wijzigen. Wat betreft de bevoegdheid van het Hof A.4.
- De Franse Gemeenschapsregering betwist de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging, in zoverre het Hof wordt verzocht de bestreden bepalingen te toetsen aan een aantal normen waarvoor het niet bevoegd is. A.4.
- Wat de eerste twee middelen betreft, beklemtoont de Regering dat het Hof enkel uitspraak kan doen over de eerbiediging van de vrijheid van ondernemen zoals gewaarborgd bij artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht wanneer die bepaling wordt gelezen in samenhang met artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980). Zij merkt ook op dat het Hof niet bevoegd is om te toetsen aan artikel 3, leden 1 en 2, van de richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 « betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (‘ Richtlijn inzake elektronische handel ’) » (hierna : de richtlijn 2000/31/EG), aan de artikelen 2, lid 1, 3, lid 1, en 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 « betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) » (hierna : de richtlijn 2010/13/EU), en aan de « beginselen van behoorlijke regelgeving ». De Regering voegt eraan toe dat de gecombineerde lezing van die bepalingen en beginselen het Hof niet bevoegd maakt om uitspraak te doen over de naleving van die laatste bepalingen, dat Netflix nalaat de draagwijdte van die beginselen te preciseren en de bovenwettelijke waarde ervan aan te tonen, en dat het Hof in elk geval niet bevoegd is om zich uit te spreken over de procedure voor het tot stand brengen van wetgeving. A.4.
- Wat het derde, het vierde en het vijfde middel betreft, herinnert de Regering aan de onbevoegdheid van het Hof om rechtstreeks uitspraak te doen over de naleving van artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht. Zij voegt eraan toe dat artikel 23 van de Grondwet de vrijheid van ondernemen niet waarborgt. 5 A.4.
- De Regering merkt ten slotte op dat het noch aan het Hof, noch aan de institutionele partijen toekomt om een selectie te maken uit de talrijke normen waarvoor de schending in een verzoekschrift wordt aangevoerd en om, in de plaats van de indiener van die beroepen, te bepalen welke normen op nuttige wijze in samenhang kunnen worden gelezen. A.
- V.O.F.T.P. betwist ook de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging in zoverre in de vijf middelen het Hof wordt verzocht de rechtstreekse bestaanbaarheid van de bestreden bepalingen met tal van bepalingen van het Unierecht te onderzoeken. De tussenkomende vereniging merkt op dat het tweede en derde middel uitdrukkelijk zijn afgeleid uit de rechtstreekse schending van dergelijke bepalingen, en dat de uiteenzetting van de andere middelen niet aangeeft op welke manier die bepalingen dienen te worden gelezen in samenhang met normen die het Hof moet doen naleven. Zij beklemtoont dat een loutere vermelding van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet volstaat om aan het Hof de bevoegdheid te verlenen de bestaanbaarheid van wetskrachtige normen met het Unierecht te toetsen, en dat een vernietigingsberoep op zijn minst moet uitleggen in welk opzicht die bepalingen een discriminatie zouden creëren. A.6.
- Netflix antwoordt ten eerste dat elk middel is afgeleid uit de schending van normen die het Hof moet doen naleven. A.6.
- De verzoekende partij leidt uit de rechtspraak van het Hof ook af dat elke schending van een grondrecht ook een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vormt, en dat het Hof bevoegd is om een wetskrachtige norm die in strijd is met internationale bepalingen en algemene rechtsbeginselen te vernietigen wanneer een dergelijke tegenstrijdigheid wordt aangevoerd in samenhang met normen die het Hof moet doen naleven. Netflix preciseert dat zij niet de schending van de beginselen van behoorlijke regelgeving aanvoert, maar enkel beklemtoont dat de niet-naleving ervan de door haar aangeklaagde discriminaties verergert. De verzoekende partij voegt eraan toe dat de vrijheid van ondernemen moet worden gelezen in samenhang met het Unierecht en dat het Hof bevoegd is om zich uit te spreken over de naleving van artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus
- Wat betreft het belang van de verzoekende partij A.
- Netflix, waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden, verantwoordt haar belang om de vernietiging te vorderen van artikel 1, 3°, 5° en 10°, alsook van de artikelen 60 en 87 van het decreet van 7 december 2023 door haar hoedanigheid van uitgever van niet-lineaire televisiediensten die onder de bevoegdheid van een andere lidstaat van de Europese Unie dan België valt en die het publiek van de Franse Gemeenschap als doelgroep heeft, met toepassing van artikel 1.3-1, eerste lid, 14°, van het decreet van 4 februari 2021, is onderworpen aan de verplichtingen bepaald in artikel 6.1.1-1 van dat decreet, dat werd vervangen bij artikel 60 van het decreet van 7 december
- De verzoekende partij voert aan dat de bestreden decreetsbepalingen een onlosmakelijk geheel vormen, en dat de regeling van de bijdrage aan de audiovisuele productie die eruit voortvloeit haar situatie ongunstiger raakt dan de vorige regeling, door zwaardere en meer discriminerende verplichtingen. Zij voegt eraan toe dat indien het Hof haar belang bij het beroep tot vernietiging slechts voor sommige bestreden bepalingen zou erkennen, haar de kans zou worden ontzegd om haar situatie op een gunstigere wijze te regelen na de vernietiging van de andere bepalingen en het Hof haar recht op toegang tot de rechter zou schenden. A.8.
- De Franse Gemeenschapsregering betwist het belang van Netflix om de vernietiging te vorderen van artikel 1, 3°, 5° en 10°, van het decreet van 7 december 2023, dat de definities wijzigt van « bestelling van een programma », « coproductie van een audiovisueel werk » en « vooraankoop van een audiovisueel werk », vermeld in artikel 1.3-1, 6°, 8° en 34°, van het decreet van 4 februari
- De Regering beklemtoont dat die wijzigingen de draagwijdte van die definities uitbreiden om de uitgever die aan de audiovisuele productie moet bijdragen met toepassing van artikel 6.1.1-1 van dat laatste decreet een grotere keuze te bieden wanneer hij beslist om via investeringen aan die verplichting te voldoen. Zij merkt met name op 6 dat de onafhankelijke producent die betrokken moet zijn bij de gedefinieerde processen voortaan buiten de Franse Gemeenschap gevestigd mag zijn. Zij leidt daaruit af dat die wijzigingen de situatie van de verzoekende partij gunstig beïnvloeden. A.8.
- De Regering betwist ook het belang van Netflix om de vernietiging te vorderen van artikel 60 van het decreet van 7 december 2023, in zoverre dat het artikel 6.1.1-1, § 1, § 2, derde tot zesde lid, § 3 en § 4, invoert in het decreet van 4 februari
- Zij zet uiteen dat meerdere van die bepalingen regels bevatten die reeds bestonden vóór de aanneming van het decreet van 7 december 2023 en waarvan de verzoekende partij niet de vernietiging heeft gevorderd. Zij voegt eraan toe dat de verzoekende partij niet uitlegt in welk opzicht de lijst van uitgevers die zijn vrijgesteld van de verplichting om aan de audiovisuele productie bij te dragen haar situatie ongunstig raakt. De Regering voert aan dat de regels waarin de voorwaarden worden gepreciseerd onder welke de diverse categorieën van investeringen toelaten aan de voormelde verplichting te voldoen, de situatie van de verzoekende partij evenmin ongunstig raken, aangezien de in de nieuwe versie van artikel 6.1.1-1 van het decreet van 4 februari 2021 vermelde voorwaarden, in hun geheel beschouwd, minder strikt zijn dan vroeger en bijgevolg de bijdrageplichtige uitgever een ruimere keuze en een grotere speelruimte bieden. De Regering stelt dat de beperkingen die uit die regels voortvloeien inherent zijn aan het systeem en dat zij geen ander doel hebben dan het evenwicht ervan te waarborgen. A.8.
- De Regering betwist ten slotte het belang van Netflix om de vernietiging te vorderen van artikel 87 van het decreet van 7 december 2023, dat een overgangsregeling bevat om de verhoging van het bedrag van de door de uitgevers verschuldigde bijdrage in de tijd te spreiden. Zij merkt op dat in geval van vernietiging van die bepaling, het nieuwe artikel 6.1.1-1 van het decreet van 4 februari 2021 dat bij artikel 60 van het decreet van 7 december 2023 werd ingevoerd, zal worden beschouwd als zijnde in werking getreden vanaf 1 januari 2024, zodat de verzoekende partij de voormelde verhoging sneller het hoofd zal moeten bieden. Wat betreft het belang van de tussenkomende partijen A.
- De vennootschap naar Nederlands recht « Walt Disney Company Benelux » (hierna : Disney), waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden, voert aan dat de bepalingen van het decreet van 7 december 2023 die het voorwerp uitmaken van het door Netflix ingestelde beroep tot vernietiging haar situatie van uitgever van niet-lineaire televisiediensten die abonnees heeft binnen het Franstalige publiek van de Franse Gemeenschap rechtstreeks en ongunstig raken, aangezien die bepalingen haar verplichten om bij te dragen aan de audiovisuele productie. Zij preciseert dat de toepassing van de tweede paragraaf van het nieuwe artikel 6.1.1-1 van het decreet van 4 februari 2021 en van artikel 87, tweede en derde lid, van het decreet van 7 december 2023 tot gevolg zal hebben dat de waarde van de bijdrage aan de audiovisuele productie die van haar zal worden gevraagd bijna zal verdubbelen. Disney voegt eraan toe dat de in artikel 6.1.1-1, § 3, eerste lid, 1°, van het decreet van 4 februari 2021 opgenomen verplichting om in de productie van audiovisuele werken van Belgisch Franstalig initiatief te investeren van dien aard is dat zij de uitgevers van televisiediensten die buiten de Franse Gemeenschap zijn gevestigd discrimineert in vergelijking met hun concurrenten die op het grondgebied van de Franse Gemeenschap zijn gevestigd. Zij voert ook aan dat de bestreden decreetsbepalingen geen rekening houden met haar grote bijdrage aan de productie van Europese audiovisuele werken, terwijl die bepalingen invloed zullen hebben op de manier waarop zij die investeringen in tal van andere Europese lidstaten zal kunnen uitvoeren. A.10.
- De verenigingen zonder winstoogmerk « Les Professionnels de la Production et de la Création Audiovisuelles » (hierna : PRO SPERE), « Union des Producteur·ice·s Francophones de Films & Séries » (hierna : UPFF+), en « Association des Auteur.rice.s / Réalisateurs.rice.s – Producteur.rice.s Indépendant.e.s » (hierna : ARPi), alsook de internationale vereniging zonder winstoogmerk « SAA – Society of Audiovisual Authors » (hierna : SAA) (hierna : PRO SPERE e.a.) zetten uiteen dat, rekening houdend met hun opdrachten, de beslissing die het Hof zal nemen omtrent het beroep van Netflix hun situatie rechtstreeks zal raken. A.10.
- PRO SPERE stelt zich voor als een federatie van verenigingen en vennootschappen voor het beheer van auteursrechten die scheppende kunstenaars, vertolkers en musici uit de audiovisuele en de filmsector in de 7 Franse Gemeenschap vertegenwoordigt, die tot doel heeft die beroepsbeoefenaars te vertegenwoordigen en hun creatieve, morele en materiële belangen te verdedigen. Zij merkt op dat het beroep van Netflix de belangen van die beroepsbeoefenaars, alsook de ontwikkeling en in het bijzonder de diversiteit van de audiovisuele productie in de Franse Gemeenschap bedreigt. A.10.
- UPFF+ stelt zichzelf voor als de grootste vereniging van producenten van audiovisuele werken van de Franse Gemeenschap, die tot doel heeft de professionele belangen van haar leden te verdedigen, met name door de culturele verscheidenheid te beschermen. Zij preciseert actief te hebben deelgenomen aan de discussies onder beroepsbeoefenaars van de audiovisuele sector die zijn voorafgegaan aan de indiening van het ontwerp van decreet dat aan de basis ligt van het decreet van 7 december
- Zij voert aan dat het beroep van Netflix de financiële draagkracht van haar leden in gevaar brengt om werken die uitgaan van Belgisch Franstalig initiatief te produceren, te verspreiden en te promoten, en dat in samenwerking met lokale talenten. A.10.
- ARPi stelt zich voor als een beroepsvereniging van Franstalige Belgische regisseurs die hun eigen films produceren of coproduceren. Zij voert aan dat de volledige of gedeeltelijke vernietiging van de door Netflix bestreden regels met betrekking tot de verplichting om aan de audiovisuele productie bij te dragen, de onafhankelijke regisseurs en producenten een belangrijke bron van financiering voor hun activiteiten zou ontzeggen, die noodzakelijk is voor het behoud van een gediversifieerde en kwaliteitsvolle lokale audiovisuele productie. A.10.
- SAA stelt zich voor als de Europese vereniging van vennootschappen voor het collectieve beheer van auteursrechten van de audiovisuele sector, die tot doel heeft de toegang tot de audiovisuele werken van de auteurs die zij vertegenwoordigen te faciliteren, en te waken over een billijke vergoeding van die laatsten om de creativiteit ten bate van het publiek aan te moedigen. Zij voegt eraan toe dat zij elk beleid van de Europese Unie of van haar lidstaten ondersteunt dat beoogt de diversiteit van de audiovisuele producties in elke lidstaat te waarborgen door middel van gevarieerde financieringsbronnen. Volgens haar tast het beroep van Netflix de ontwikkeling van de audiovisuele productie in de Europese Unie en, bijgevolg, de belangen van de auteurs, scenaristen en regisseurs waarvan zij de belangen verdedigt, aan. A.
- EFAD voert aan dat haar situatie rechtstreeks zou kunnen worden geraakt door het arrest dat het Hof met betrekking tot het thans voorliggende beroep zal wijzen. De tussenkomende partij stelt zich voor als de vereniging die bijna veertig openbare centra voor de film en de audiovisuele sector van lidstaten van de Europese Unie of van de Raad van Europa verenigt, waaronder het « Centrum voor de Film en de Audiovisuele Sector van de Franse Gemeenschap » (hierna : CCA). Zij preciseert dat zij tot doel van internationaal nut heeft om « het bestaan te waarborgen van een gunstige context voor de ontwikkeling van een Europees beleid dat de audiovisuele creatie ondersteunt » in Europa. Zij merkt op dat de bestreden bepalingen bijdragen aan de creatie van de voormelde « context » door een financieringsmechanisme voor de Europese audiovisuele productie te creëren. EFAD besluit dat de vernietiging van die bepalingen door het Hof haar statutair doel kan raken. A.
- V.O.F.T.P. zet uiteen dat een vernietiging van de bestreden bepalingen afbreuk zou doen aan de zeer lokale Belgische filmindustrie en dus aan de professionele belangen van haar leden, die zij ook buiten de Vlaamse Gemeenschap beschermt en verdedigt. Zij preciseert dat haar leden in Vlaanderen gevestigd zijn maar dat zij ook audiovisuele werken produceren in Brussel, in Wallonië en elders in Europa. Zij voegt eraan toe dat de samenwerkingen tussen Nederlandstalige producenten en Franstalige producenten van televisie- en cinematografische werken een Belgische audiovisuele cultuur vormen en in stand houden. A.
- De internationale vereniging naar Frans recht « Coordination Européenne des Producteurs Indépendants » (CEPI) is van mening dat het eerste van haar statutaire doelen haar een belang verschaft om tussen te komen in de procedure teneinde het standpunt van de Franse Gemeenschap te ondersteunen. Zij preciseert dat dat doel erin bestaat de audiovisuele productie op het Europese toneel te vertegenwoordigen, haar belangen te verdedigen en haar ontwikkeling te ondersteunen. 8 A.
- De vereniging naar Frans recht « The European Producers Club » voert aan dat haar statutaire doel haar ook een belang verschaft om tussen te komen in de procedure teneinde het standpunt van de Franse Gemeenschap te ondersteunen. Zij merkt op dat zij als opdracht heeft de promotie van de Europese televisie- en filmproductie te ondersteunen teneinde het vak van producent van cinematografische en televisiewerken op het Europese toneel in het licht te stellen. A.
- De Franse Gemeenschapsregering betwist het belang van Disney om dezelfde redenen als die welke zij aanvoert met betrekking tot Netflix (A.8). Wat betreft de ontvankelijkheid van de middelen A.16.
- De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat de vijf door Netflix aangevoerde middelen niet voldoen aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden die het Hof afleidt uit artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. A.16.
- Zij merkt op dat Netflix in de eerste twee middelen niet uiteenzet in welk opzicht de bestreden bepalingen de « beginselen van behoorlijke regelgeving » zouden schenden. Bovendien wordt in het tweede middel niet uiteengezet in welk opzicht die bepalingen onbestaanbaar zouden zijn met de vrijheden die worden gewaarborgd bij artikel 19 van de Grondwet, en wordt in het derde en vierde middel niet uitgelegd waarom artikel 23 van de Grondwet zou zijn geschonden. A.16.
- De Regering voegt eraan toe dat het eerste, derde, vierde en vijfde middel niet de categorieën van personen identificeren die in aanmerking moeten worden genomen om de bestaanbaarheid na te gaan van de bestreden decreetsbepalingen met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie dat is gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.17.
- Netflix antwoordt dat uit de eerste twee middelen blijkt dat de « beginselen van behoorlijke regelgeving » worden geschonden omdat de bestreden bepalingen onbestaanbaar zijn met de richtlijn 2000/31/EG en met de richtlijn 2010/13/EU, en dat zij, in het tweede middel, voldoende heeft uiteengezet in welk opzicht artikel 19 van de Grondwet werd geschonden. A.17.
- Netflix voegt eraan toe dat de kwestie van de identificatie van de categorieën van personen die in aanmerking moeten worden genomen om uitspraak te doen over een middel dat is afgeleid uit de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie geen kwestie van ontvankelijkheid is en dat die identificatie voldoende blijkt uit de uiteenzetting van het eerste middel. A.17.
- Met betrekking tot het derde middel voert Netflix aan dat de schending van de bepalingen van het Unierecht een grond van discriminatie is. A.17.
- Met betrekking tot het vierde middel antwoordt Netflix dat het argument dat zij afleidt uit artikel 23 van de Grondwet betrekking heeft op het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid, en dat zij twee categorieën van werknemers en aanbieders van diensten heeft geïdentificeerd die op verschillende wijze worden behandeld. Ten gronde Wat betreft het eerste middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en van de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht, van artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU), van artikel 3, leden 1 en 2, van de richtlijn 2000/31/EG, al dan niet in samenhang gelezen met de « beginselen van behoorlijke regelgeving », of van al die normen in samenhang gelezen A.18.
- In hoofdorde voert Netflix aan dat de artikelen 1, 3°, 60 en 87 van het decreet van 7 december 2023 onbestaanbaar zijn met artikel 3, lid 2, van de richtlijn 2000/31/EG, in zoverre de in artikel 6.1.1-1, eerste lid, van het decreet van 4 februari 2021, zoals het is vervangen bij artikel 60 van het decreet van 7 december 2023, vermelde verplichting om een bijdrage te leveren aan de audiovisuele productie ook geldt voor de uitgevers van 9 niet-lineaire televisiediensten die zijn gevestigd op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie dan België. A.18.2.
- Netflix zet in de eerste plaats uiteen dat, aangezien die verplichting om een bijdrage te leveren hoofdzakelijk doelstellingen van economische aard nastreeft, zij niet kan worden beschouwd als een maatregel ter bevordering van de cultuur- en taalverscheidenheid in de zin van artikel 1, lid 6, van de richtlijn 2000/31/EG, zodat de door haar gevormde beperking van het vrije verkeer van diensten niet kan worden beoordeeld in het licht van de richtlijn 2010/13/EU. De verzoekende partij leidt uit de motieven van meerdere arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna : het Hof van Justitie) (25 juli 1991, C-288/89, Stichting Collectieve Antennevoorziening Gouda e.a., ECLI:EU:C:1991:323; 16 december 1992, C-211/91, Commissie van de Europese Gemeenschappen t. Koninkrijk België, ECLI:EU:C:1992:526; 4 mei 1993, C-17/92, Federación de Distribuidores Cinematográficos, ECLI:EU:C:1993:172; 13 december 2007, C-250/06, United Pan-Europe Communications Belgium NV e.a., ECLI:EU:C:2007:783; 5 maart 2009, C-222/07, Unión de Televisiones Comerciales Asociadas (UTECA), ECLI:EU:C:2009:124) af dat enkel maatregelen die hoofdzakelijk beogen de culturele en linguïstische verscheidenheid te bevorderen de vrije dienstverlening zouden kunnen beperken. Netflix voegt in de eerste plaats eraan toe dat artikel 1, lid 6, van de richtlijn 2000/31/EG niet in die zin kan worden begrepen dat het betekent dat de maatregelen ter bevordering van de cultuur- en taalverscheidenheid niet de regels van die richtlijn moeten naleven die ertoe strekken de vrije dienstverlening van de informatiemaatschappij te waarborgen en, vervolgens, dat artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU bevestigt dat die bevorderingsmaatregelen in overeenstemming moeten zijn met de beginselen die voortvloeien uit artikel 56 van het VWEU en, ten slotte, dat de richtlijn 2010/13/EU geen voorrang kan hebben op de richtlijn 2000/31/EG. A.18.2.
- Volgens Netflix blijkt de economische aard van de doelstelling die met de voormelde verplichting om bij te dragen wordt nagestreefd, ten eerste, uit de vormen die de bijdrage aan de audiovisuele productie kan aannemen, welke zijn beschreven in de bepalingen van het decreet van 4 februari 2021, zoals gewijzigd bij de bestreden bepalingen van het decreet van 7 december
- De verzoekende partij merkt op dat het nieuwe type van investering die een uitgever van televisiediensten kan laten gelden om aan te tonen dat hij aan de bijdrageverplichting heeft voldaan enkel spelprogramma’s, nieuwsprogramma’s of reality-tv-programma’s betreft, dat wil zeggen vluchtige programma’s die minder waarde hebben dan « audiovisuele werken », aangezien die waarde bijna volledig verdwijnt na de eerste uitzending ervan. Zij merkt op dat de bestelling van dat soort programma’s de bijdrageverplichting enkel kan vervullen indien die programma’s hoofdzakelijk tot doel hebben artiesten of het cultureel erfgoed van het Franse taalgebied of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad te promoten. Zij beklemtoont evenwel dat die artiesten in die gebieden moeten wonen en dat al die programma’s in principe een economische return moeten hebben in die gebieden. De verzoekende partij leidt daaruit af dat die programma’s, in de praktijk, niet kunnen steunen op de samenwerking met artiesten uit de Franstalige Belgische cultuur die zich buiten die gebieden hebben gevestigd, maar wel een andere cultuur zouden mogen promoten voor zover de betrokken artiest zijn woonplaats heeft in een van die gebieden. De verzoekende partij merkt ook op dat, krachtens artikel 6.1.1-1 van het decreet van 4 februari 2021, een uitgever van televisiediensten die ervoor kiest te investeren om bij te dragen aan de audiovisuele productie van de Franse Gemeenschap de verwerving van de uitzendrechten van bestaande audiovisuele werken die tot het erfgoed van die Gemeenschap behoren niet kan laten gelden, terwijl dat soort licentie een belangrijk middel vormt om de culturele productie te ondersteunen. A.18.2.
- Volgens Netflix blijkt de niet-culturele aard van de doelstelling die wordt nagestreefd met de verplichting om bij te dragen aan de audiovisuele productie vervolgens uit bepaalde regels voor het boeken van door de uitgever van diensten geïnvesteerde sommen, die het in aanmerking nemen van investeringen voor het bevorderen van de culturele verscheidenheid uitsluiten. De verzoekende partij merkt op dat een uitgever met toepassing van artikel 6.1.1-1, § 3, 7°, van het decreet van 4 februari 2021 investeringen in de coproductie of de vooraankoop van audiovisuele werken die de culturele en linguïstische verscheidenheid in de Franse Gemeenschap bevorderen niet kan laten gelden indien zij worden gedaan om te voldoen aan een verplichting die wordt opgelegd door een andere lidstaat van de Europese Unie, zoals Frankrijk. 10 De verzoekende partij stipt ook artikel 6.1.1-1, § 3, 1° en 3°, van het decreet van 4 februari 2021 aan, waaruit blijkt dat sommige investeringen in audiovisuele productie niet als bijdrage aan de audiovisuele productie in de zin van dat decreet zullen kunnen worden aangemerkt indien zij dienstverleningen betreffen die worden geregeld door contracten die niet aan de Belgische wet zijn onderworpen. A.18.2.
- Netflix merkt ook op dat artikel 6.1.1-1, § 3, tweede lid, van het decreet van 4 februari 2021 vereist dat de investeringen die bijdragen aan de audiovisuele productie een economische return hebben op het grondgebied van de Franse Gemeenschap. Zij leidt daaruit af dat de uitgever van audiovisuele diensten die aan zijn bijdrageverplichting wil voldoen door te investeren in de lokale audiovisuele productie daarvoor enkel goederen en diensten kan kopen bij verkopers of aanbieders van diensten die op het voormelde grondgebied zijn gevestigd, zonder rekening te houden met de kwaliteit van het product of de inhoud ervan. A.18.2.
- Netflix voert ten slotte aan dat de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepalingen van 7 december 2023 de uitsluitend economische aard van de door de wetgevende macht van de Franse Gemeenschap nagestreefde doelstelling bevestigt. Zij steunt daarvoor onder andere op opmerkingen van de « Conseil supérieur de l’audiovisuel » (hierna : de CSA) en van de Europese Commissie over het voorontwerp van decreet waaruit zij afleidt dat het de bedoeling is de audiovisuele sector te doen heropleven en een uittocht van de werknemers naar de Franse markt te voorkomen. A.18.
- Netflix zet in de tweede plaats uiteen dat de bijdrage aan de audiovisuele productie opgelegd bij artikel 6.1.1-1 van het decreet van 4 februari 2021 wel degelijk onder het toepassingsgebied van de richtlijn 2000/31/EG valt, in zoverre de uitgevers van niet-lineaire televisiediensten « diensten van de informatiemaatschappij » in de zin van artikel 2, a), van die richtlijn leveren en de voormelde bijdrage onder het « gecoördineerd gebied » in de zin van artikel 2, h), van dezelfde richtlijn valt. Zij voert in dat verband aan dat de naleving van die bijdrageverplichting de uitoefening van de activiteiten van de uitgevers in kwestie betreft. A.18.
- Netflix zet in de derde plaats uiteen dat de verplichting om een bijdrage te leveren aan de audiovisuele productie opgelegd bij artikel 6.1.1-1 van het decreet van 4 februari 2021 niet onder een van de domeinen valt bedoeld in artikel 3, lid 3, van de richtlijn 2010/13/EU, waarop de regel van het verbod op beperkingen van het vrije verkeer van diensten vermeld in artikel 3, lid 2, niet van toepassing is en dat die verplichting, als algemene maatregel die van toepassing is op een bepaalde categorie van aanbieders van audiovisuele diensten, niet zou kunnen worden beschouwd als een beperking die met toepassing van artikel 3, lid 4, van dezelfde richtlijn is toegelaten. Zij voegt eraan toe dat de bijdrageverplichting in ieder geval niet de in artikel 3, lid 4, van dezelfde richtlijn vermelde voorwaarden naleeft, enerzijds, omdat een culturele of linguïstische doelstelling niet als reden van openbare orde kan worden aangemerkt en, anderzijds, omdat van die verplichting noch aan de Europese Commissie noch aan de betrokken lidstaten kennis werd gegeven. A.18.
- Netflix is ten slotte van mening dat de niet-bestaanbaarheid van de bestreden bepalingen met het vrije verkeer van diensten van de informatiemaatschappij, dat artikel 3, lid 2, van de richtlijn 2000/31/EG beoogt te beschermen, ipso facto tot de schending van de vrijheid van ondernemen en die van het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie leidt. A.18.
- In ondergeschikte orde acht Netflix het wenselijk een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen over de interpretatie van artikel 3, lid 1, van de richtlijn 2000/31/EG, in samenhang gelezen met artikel 1, lid 6, ervan en met artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU. A.19.
- Disney ondersteunt het eerste middel van Netflix. Zij zet uiteen dat de in artikel 6.1.1-1, § 1, eerste lid, tweede zin, § 3, eerste lid, 1°, en tweede lid, 1°, van het decreet van 4 februari 2021 vermelde regels beperkingen vormen van het recht van uitgevers van televisiediensten die buiten de Franse Gemeenschap gevestigd zijn om vrij hun diensten aan te bieden, alsook van hun vrijheid van ondernemen. Zij is ook van mening dat die beperkingen niet kunnen worden verantwoord omdat zij een puur economisch doel en niet de bevordering van de culturele verscheidenheid nastreven. A.19.
- In ondergeschikte orde stelt Disney voor om een vraag aan het Hof van Justitie te stellen teneinde te bepalen of artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU een lidstaat van de Europese Unie toelaat van een aanbieder van mediadiensten die in een andere lidstaat is gevestigd een financiële bijdrage te eisen met als economisch doel zijn audiovisuele productie te ontwikkelen en te « diversifiëren ». 11 A.20.
- De Franse Gemeenschapsregering antwoordt dat de omstandigheid dat de bij artikel 6.1.1-1 van het decreet van 4 februari 2021 opgelegde bijdrage bijkomstige economische gevolgen heeft niet volstaat opdat die als een nationale maatregel wordt beschouwd die onder het toepassingsgebied van de richtlijn 2000/31/EG valt. Zij zet uiteen dat de door de verzoekende partij bestreden bepalingen wel degelijk tot hoofddoel hebben de cultuur- en taalverscheidenheid bedoeld in artikel 1, lid 6, van de richtlijn 2000/31/EG te bevorderen, en de artistieke en culturele creatie in de Franse Gemeenschap te stimuleren. Zij beklemtoont dat de Europese Unie erkent dat de creatie van een aanbod aan audiovisuele producten dat bestemd is om de cultuur van haar lidstaten te bevorderen financiële middelen vereist, en ook middelen van die lidstaten. Zij is dus van mening dat de bij artikel 6.1.1-1 van het decreet van 4 februari 2021 opgelegde financiële bijdrage een verantwoorde beperking vormt op het vrije verkeer van diensten, die uitdrukkelijk is toegelaten bij artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU. De Regering voegt eraan toe dat de opmerkingen die de Hoge Raad voor de Audiovisuele sector en de Europese Commissie hebben geformuleerd tijdens de parlementaire voorbereiding van het decreet van 7 december 2023 evenmin toelaten te oordelen dat de bestreden bepalingen een louter economisch doel hebben. A.20.
- De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat de twee door Netflix voorgestelde prejudiciële vragen niet aan het Hof van Justitie dienen te worden gesteld. Zij voert aan dat het Hof van Justitie, met het arrest Unión de Televisiones Comerciales Asociadas (UTECA), reeds heeft erkend dat een verplichting om een financiële bijdrage te leveren om de cultuur- en taalverscheidenheid binnen de Europese Unie te beschermen een economische impact heeft. Zij voegt eraan toe dat de richtlijn 2000/31/EG te dezen niet van toepassing is en dat de voorgestelde vragen dermate slecht zijn geformuleerd dat zij zouden moeten worden geherformuleerd indien het Hof zou beslissen om ze te stellen. A.
- De Vlaamse Regering is ook van mening dat gelet op artikel 1, lid 6, ervan, die richtlijn te dezen niet van toepassing is. Zij verwijst naar haar opmerkingen met betrekking tot het tweede middel, waaruit blijkt dat de bestreden bepalingen bestaanbaar zijn met artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU. In uiterst ondergeschikte orde zet zij uiteen dat de bestreden bepalingen, waarvan het enige of op zijn minst het belangrijkste doel duidelijk van culturele aard is, een beperking vormen op het vrije verkeer van diensten die bestaanbaar is met artikel 56 van het VWEU, en preciseert daarbij dat enkel zou moeten worden onderzocht of die laatste Europese regel werd nageleefd, indien zou zijn aangetoond dat artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU niet van toepassing is op de bestreden bepalingen. A.22.
- PRO SPERE e.a. zetten uiteen dat de bestreden bepalingen een Europees en nationaal beleid ter bescherming van de Europese audiovisuele media nastreven dat bijna een eeuw geleden is gestart, en dat zij ontegensprekelijk een doel van culturele aard nastreven, ondanks hun economische gevolgen, die inherent zijn aan maatregelen ter bevordering van de culturele verscheidenheid die zijn toegelaten bij artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU. Zij beklemtonen ook dat de bestreden maatregelen de geest en de letter naleven van het Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen dat werd ondertekend op 20 oktober 2005 in het kader van de Organisatie voor onderwijs, wetenschap en cultuur van de Verenigde Naties. PROSPERE e.a. leiden daaruit af dat de bestreden bepalingen noch die richtlijn, noch de richtlijn 2000/31/EG, noch artikel 56 van het VWEU schenden. A.22.
- PRO SPERE e.a. voeren aan dat de prejudiciële vragen die Netflix voorstelt aan het Hof van Justitie te stellen niet pertinent zijn, aangezien zij enkel betrekking hebben op de interpretatie van de bestreden bepalingen en van hun doel, hetgeen de bevoegdheid van dat rechtscollege te buiten gaat. A.
- EFAD beklemtoont in de eerste plaats dat het eerste middel betrekking heeft op de uitbreiding van het toepassingsgebied van de verplichting om een bijdrage te leveren aan de audiovisuele productie naar de « externe uitgevers van televisiediensten », en dat die uitbreiding helemaal niet uit de bestreden bepalingen voortvloeit, maar reeds uit artikel 1.3-1, eerste lid, 14°, van het decreet van 4 februari 2021 voortvloeide. Zij zet in de tweede plaats uiteen dat artikel 6.1.1-1, § 2, vijfde lid, en § 3, eerste lid, 1° en 7°, van het decreet van 4 februari 2021 binnen het toepassingsgebied van artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU valt en dat het 12 dus in overeenstemming is met artikel 13, lid 3, van die richtlijn. Zij voegt eraan toe dat artikel 4, lid 7, van die richtlijn de toepassing van de richtlijn 2000/31/EG uitsluit. Zij beklemtoont dat die decretale bepalingen economische maatregelen bevatten die duidelijk een doelstelling ter bevordering van de culturele verscheidenheid dienen. A.24.
- V.O.F.T.P. zet uiteen dat het eerste middel, in elk geval, niet gegrond is omdat het op een verkeerd uitgangspunt steunt. Zij preciseert dat de bestreden bepalingen maatregelen bevatten die werden genomen ter bevordering van de cultuur- en taalverscheidenheid die, krachtens artikel 1, lid 6, van de richtlijn 2000/31/EG, niet kunnen worden beoordeeld als zijnde in strijd met artikel 3, lid 2, van die richtlijn. Zij voegt eraan toe dat die maatregelen werden aangenomen binnen het kader waarin is voorzien bij artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU, dat een afwijking toelaat van het beginsel vermeld in artikel 3, lid 2, van de richtlijn 2000/31/EG, en dus toelaat dat het toepassingsgebied van de bijdrageverplichting opgelegd bij artikel 6.1.1-1 van het decreet van 4 februari 2021 wordt uitgebreid naar de uitgevers van audiovisuele mediadiensten die aanbieders zijn van « diensten van de informatiemaatschappij » in de zin van die laatste richtlijn. Zij merkt ook op dat de bekritiseerde regels voor de investeringen in de audiovisuele productie zijn ontworpen om de bevordering van de cultuur en de taal van de Franse Gemeenschap te waarborgen. A.24.
- V.O.F.T.P. is van mening dat geen vragen aan het Hof van Justitie dienen te worden gesteld, aangezien de voorgestelde prejudiciële vragen op het verkeerde uitgangspunt steunen volgens welke de bestreden bepalingen een hoofdzakelijk economisch doel nastreven. Wat betreft het tweede middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 19 van de Grondwet, van artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 en van de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht, van artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, van de artikelen 56 en 216, lid 2, van het VWEU, van de artikelen 2, lid 1, 3, lid 1, en 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU, en van de « beginselen van behoorlijke regelgeving », of van al die normen in samenhang gelezen. A.
- Netflix zet in hoofdzaak uiteen dat de bestreden bepalingen van het decreet van 7 december 2023 niet bestaanbaar zijn met artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU. Het « eerste onderdeel » A.26.
- Volgens Netflix zijn de artikelen 60 en 87 van het decreet van 7 december 2023 niet bestaanbaar met artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU, in zoverre de werken aan de productie waarvan de uitgevers van diensten die buiten het grondgebied van het Koninkrijk België zijn gevestigd krachtens die decreetsbepalingen financieel moeten bijdragen, uitsluitend uit de Franse Gemeenschap afkomstige werken zijn, en geen « Europese producties » in de zin van artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU. Zij voert aan dat die Unierechtelijke bepaling een lidstaat niet toelaat producties afkomstig uit een van haar regio’s te bevorderen. Zij verwijst daarbij naar het doel van die richtlijn, de definitie van « Europese productie » in artikel 1, lid 1, n), i), van die richtlijn, alsook naar opmerkingen van de Europese Commissie over meerdere nationale wetsontwerpen ter zake. Netflix is van mening dat de in artikel 1.3-1, eerste lid, 6°, en in artikel 6.1.1-1, § 3, eerste lid, 1°, en tweede lid, 1°, van het decreet van 4 februari 2021 vermelde regels een regionale markt voor audiovisuele productie beogen te creëren om de cultuur van de Franse Gemeenschap te bevorderen, en dat zij daardoor de creatie van een gemeenschappelijke markt voor audiovisuele productie ter bevordering van de Europese cultuur ondergraven. A.26.
- In ondergeschikte orde verzoekt Netflix het Hof om aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag te stellen om te bepalen of artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU in die zin kan worden geïnterpreteerd dat het een lidstaat van de Europese Unie of een deelentiteit van die lidstaat toelaat een verplichting uit te vaardigen om financieel bij te dragen aan de productie van Europese producties die uitsluitend een regionale of nationale cultuur bevorderen. 13 A.
- De Franse Gemeenschapsregering antwoordt dat de werken aan de productie waarvan de uitgevers met toepassing van de bestreden decreetsbepalingen moeten bijdragen wel degelijk Europese producties in de zin van de richtlijn 2010/13/EU zijn. Zij beklemtoont dat de Europese Commissie, in haar opmerkingen over de bestreden bepalingen, de interpretatie die de Franse Gemeenschap aan het begrip « Europese productie » geeft, niet heeft betwist. Zij baseert zich ook op de manier waarop de Europese Commissie de verplichting interpreteert om de in artikel 13, lid 1, van de richtlijn 2010/13/EU vermelde Europese producties te bevorderen, en waarvan zij de geldigheid van staatssteun in de audiovisuele sector beoordeelt. De Franse Gemeenschapsregering beklemtoont ook dat het doel van artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU erin bestaat om elke lidstaat van de Europese Unie toe te laten zijn eigen cultuur te bevorderen, om ondersteuning van alle Europese culturen toe te laten, overeenkomstig de engagementen geformuleerd in artikel 3, lid 3, vierde alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 167 van het VWEU. De Regering voert aan dat de manier waarop Netflix en Disney de « Europese producties » opvatten de internationale uitgevers van audiovisuele diensten van hun categorie zou toelaten enkel bij te dragen aan de « Europese producties » die het meest rendabel zijn wegens hun taal of populariteit. A.28.
- De Vlaamse Regering merkt ten eerste op dat de « Franstalige Belgische audiovisuele werken » waarvan sprake in artikel 6.1.1-1, § 3, eerste lid, van het decreet van 4 februari 2021 « Europese producties » zijn in de zin van artikel 1 van de richtlijn 2010/13/EU. Zij is van mening dat een nationale verplichting om bij te dragen aan de productie van een audiovisueel werk dat in een nationale taal wordt gemaakt en door Europese burgers wordt geproduceerd die werken ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst opgesteld volgens de regels van een bepaalde lidstaat, dus bestaanbaar is met artikel 13, lid 2, van die richtlijn. De Vlaamse Regering beklemtoont ook dat de Europese Commissie, in meer dan één studie over de omzetting van die richtlijn, heeft bevestigd dat het audiovisuele werk dat afkomstig is uit een lidstaat van de Europese Unie of waarvan de productie een nauwe band heeft met een bepaalde lidstaat of met een regio van die lidstaat kan worden gekwalificeerd als een « Europese productie » in de zin van artikel 1 van die richtlijn. A.28.
- In ondergeschikte orde stelt de Vlaamse Regering voor om aan het Hof van Justitie de prejudiciële vraag te stellen of artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU een lidstaat van de Europese Unie of een deelgebied van die lidstaat toelaat een verplichting uit te vaardigen om te investeren in Europese producties die een nauwe band hebben met die lidstaat of met dat deelgebied. A.
- PRO SPERE e.a. zijn van mening dat de draagwijdte van artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU, voor wat de hiervoor vermelde kwestie betreft, voldoende duidelijk is, zodat het niet nodig is om daarover een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen. A.
- EFAD merkt op dat de bepalingen van artikel 6.1.1-1 van het decreet van 4 februari 2021 diegenen die de bestreden bijdrage verschuldigd zijn niet beletten in Europese producties in de zin van de richtlijn 2010/13/EU te investeren. Zij beklemtoont ook dat een lidstaat het door artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU nagestreefde doel niet zou eerbiedigen indien hij de aanbieders van mediadiensten die in andere lidstaten gevestigd zijn, zou onderwerpen aan investeringsregels die verschillen van de regels voor de financiële bijdrage die verschuldigd is door aanbieders die onder zijn bevoegdheid vallen. A.
- V.O.F.T.P. voert aan dat een audiovisuele productie afkomstig uit de Franse Gemeenschap klaarblijkelijk een « Europese productie » in de zin van artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU is en dat dat begrip in die zin moet worden begrepen dat het de producties afkomstig uit staten van buiten de Europese Unie uitsluit. Zij zet uiteen dat de door Netflix voorgestane interpretatie van het concept « Europese productie » erop neerkomt dat een dergelijke productie noodzakelijkerwijs het resultaat zou moeten zijn van een coproductie van meer dan een lidstaat van de Europese Unie. Zij is van mening dat een dergelijke interpretatie niet alleen niet bestaanbaar zou zijn met het door de richtlijn 2010/13/EU nagestreefde doel om de culturele verscheidenheid te bevorderen, maar ook met de vrijheid en het pluralisme van de media, beschermd door artikel 11, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest) en met het arrest Unión de Televisiones Comerciales Asociadas (UTECA) van het Hof van Justitie. 14 Het «tweede onderdeel » A.
- Volgens Netflix is de financiële bijdrage opgelegd bij artikel 6.1.1-1 van het decreet van 4 februari 2021 niet bestaanbaar met de evenredigheidsvereiste bepaald in artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU. Over de waarde van de bijdrage A.33.
- Netflix zet ten eerste uiteen dat het percentage van 9,5 % dat is vastgesteld bij artikel 6.1.1-1, § 2, eerste lid, van het decreet van 4 februari 2021 onevenredig is ten aanzien van het doel om de cultuur- en taalverscheidenheid te bevorderen. Zij herinnert ten eerste eraan dat een groot deel van de omzet waarop dat percentage van toepassing is, dient om vaste kosten van de bijdrageplichtige te financieren. Zij beklemtoont vervolgens dat dat percentage in de Franse Gemeenschap tot een niveau van financiële bijdrage aan de audiovisuele productie leidt dat excessief is ten opzichte van de relatief bescheiden omvang van de audiovisuele markt van die Gemeenschap. Zij merkt ook op dat het bestreden percentage, ondanks die economische realiteit, aanzienlijk hoger is dan in andere lidstaten van de Europese Unie die demografisch vergelijkbaar zijn. De verzoekende partij voert aan dat het onvermijdelijke overschot aan financiële middelen dat dit onevenredige percentage op de voormelde markt zal creëren, zal leiden tot een toename van de productiekosten op die markt en tot een afname van de kwaliteit van de geproduceerde werken, ten koste van de creativiteit en de cultuur van de Franse Gemeenschap. Netflix merkt op dat de verhoging van de percentages die het decreet van 7 december 2023 doorvoert ertoe strekt de markt van de Franse Gemeenschap te beschermen tegen een « exodus van creatieve talenten » naar de Franse markt, die zou kunnen worden veroorzaakt door de recente verhoging van de bijdragepercentages waartoe die andere lidstaat van de Europese Unie heeft besloten. De verzoekende partij is dus van mening dat de bekritiseerde maatregel in een protectionistische dynamiek past die niet bestaanbaar is met de logica van de interne markt en met de geest van de richtlijn 2010/13/EU. Zij voegt eraan toe dat die maatregel evenmin de cultuur- en taalverscheidenheid van de audiovisuele markt in het algemeen bevordert. In ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie over de interpretatie van het woord « proportioneel » in artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU, om te kunnen bepalen of een bijdrage met een waarde van 9,5 % van de netto-inkomsten van de aanbieders van diensten bestaanbaar is met de vereiste dat de bij die bepaling toegelaten financiële bijdrage proportioneel is, en of de evenredigheid van die bijdrage kan worden beoordeeld ten aanzien van de kenmerken van de audiovisuele productiemarkt waarvoor die bijdrage is vereist, van het bestaan van gelijkaardige bijdragen op andere nationale markten en van de omvang van de investeringen die reeds door de bijdrageplichtigen zijn gedaan. A.33.
- Netflix zet vervolgens uiteen dat het bijdragepercentage vastgesteld in artikel 6.1.1-1, § 2, eerste lid, van het decreet van 4 februari 2021 onevenredig is omdat het niet is bepaald na de uitvoering van een studie die op voldoende precieze wijze kan aantonen dat de algemene verhoging van de waarde van die bijdrage met toepassing van dat percentage noodzakelijk is om het door de Franse Gemeenschap nagestreefde doel inzake het bevorderen van de lokale cultuur te bereiken, noch rekening houdend met eerdere studies daaromtrent. Volgens haar heeft de Franse Gemeenschap die wijziging van het percentage enkel verantwoord vanuit de bekommernis de migratie van acteurs van de lokale audiovisuele markt naar Frankrijk en de afname van investeringen op haar eigen markt te voorkomen. Netflix is van mening dat die verantwoording wordt weerlegd door de feiten en de werkelijkheid van de markt in kwestie. Zij beklemtoont dat het investeringsniveau van de uitgevers van niet-lineaire diensten in België vergelijkbaar is met dat van Frankrijk. In ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij het Hof om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie over de interpretatie van het woord « proportioneel » in artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU, teneinde te vernemen of de lidstaat van de Europese Unie die een bij die bepaling toegelaten bijdrage invoert, bij de beoordeling van de evenredigheid van die maatregel rekening moet houden met alle feiten en omstandigheden waarvan hij kennis kan hebben. A.34.
- Disney ondersteunt de stelling van Netflix. 15 A.34.
- Zij is van mening dat de verhoging van de waarde van de bijdrage opgelegd bij het decreet van 4 februari 2021 geen maatregel is die geschikt is om het doel van ontwikkeling en diversificatie van de audiovisuele productie te bereiken en dat die zelfs de verwezenlijking ervan dreigt te beletten. Zij merkt op dat het nieuwe percentage de uitgevers van diensten die de bijdrage verschuldigd zijn, zal verplichten de prijs van de dienst die aan de consument wordt gevraagd te verhogen. Zij is van mening dat dat percentage ook een toename van de productiekosten zal veroorzaken, doordat de productievraag naar audiovisuele werken in de Franse Gemeenschap zal toenemen. Disney is van mening dat het percentage van de bestreden bijdrage past in de lijn van een beweging die is ingezet door meerdere andere lidstaten van de Europese Unie die een fragmentatie van de eengemaakte markt zou kunnen veroorzaken en tot een kleinere keuze en diversiteit van de Europese audiovisuele productie zou kunnen leiden. Volgens Disney zouden de vermenigvuldiging van de financiële bijdragen in de Europese Unie en de verhoging van de percentages de uitgevers van diensten die die bijdragen verschuldigd zijn economisch ertoe kunnen dwingen hun activiteiten op bepaalde nationale markten terug te dringen of te schrappen, om zich te concentreren op de grootste nationale markten, die ook de meest rendabele zijn. A.34.
- Disney is bovendien van mening dat de verhoging van de algemene waarde van de bijdrage opgelegd bij het decreet van 4 februari 2021 niet nodig is om het nagestreefde doel te bereiken. De tussenkomende vennootschap merkt op dat de Franse Gemeenschap niet aantoont dat die verhoging noodzakelijk was, aangezien zij niet heeft bepaald wat het passende investeringsniveau ten gunste van Europese producties is dat volgens overweging 36 van de richtlijn (EU) 2018/1808 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 « tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) in het licht van een veranderende marktsituatie » (hierna : de richtlijn (EU) 2018/1808) de invoering van dat type bijdrage verantwoordt, en dat zij evenmin rekening heeft gehouden met de vrijwillige of verplichte investeringen die reeds in de productie van audiovisuele werken zijn gedaan door de meerderheid van diegenen die de bestreden bijdrage verschuldigd zijn en die buiten de Franse Gemeenschap zijn gevestigd. Disney is van mening dat de Franse Gemeenschap, alvorens de waarde te verhogen van de bijdragen aan de audiovisuele productie die verschuldigd zijn door onder andere de uitgevers van niet-lineaire televisiediensten die buiten België gevestigd zijn, de invloed op de bevordering van Europese producties had moeten evalueren van artikel 4.2.2-1, § 1 en § 2, van het decreet van 4 februari 2021, dat met toepassing van artikel 13, lid 1, van de richtlijn 2010/13/EU de uitgevers van niet-lineaire diensten verplicht bijna een derde van hun catalogus aan dergelijke werken voor te behouden. Zij voert aan dat de Franse Gemeenschap pas tot de bekritiseerde verhoging had mogen overgaan op voorwaarde dat ze kon aantonen dat die maatregel ter bevordering van de Europese producties onvoldoende was om een gepast investeringsniveau in dat type werken te bereiken. Disney merkt op dat de Franse Gemeenschap niet aantoont dat zij heeft overwogen andere maatregelen te nemen die haar in staat zouden hebben gesteld haar doel van ontwikkeling en diversificatie van de Franstalige Belgische productie te bereiken, die minder afbreuk zou hebben gedaan aan het vrij verrichten van diensten binnen de Europese Unie. Disney zet vervolgens uiteen dat de verantwoordingen voor de verhoging van het bijdragepercentage beschreven in artikel 6.1.1-1, § 2, van het decreet van 4 februari 2021, die tijdens de parlementaire voorbereiding van het decreet van 7 december 2023 werden gegeven, niet overtuigend zijn. De tussenkomende vennootschap merkt op dat geen enkele studie een verband aantoont tussen de in aanmerking genomen percentages en de specifieke situatie van de uitgevers van televisiediensten die actief zijn op de markt van de Franse Gemeenschap of de noden en kenmerken van die markt en van de Franstalige audiovisuele productie. Zij merkt ook het vage karakter van het aangehaalde doel op (« de toegevoegde waarde van de Franstalige Belgische producties ontwikkelen, diversifiëren en vergroten »). Zij herinnert ook eraan dat de Europese Commissie met betrekking tot een Italiaans hervormingsproject, heeft geoordeeld dat de verwijzing naar het niveau van de in Frankrijk gevraagde financiële bijdrage niet volstaat om de evenredigheid van de bijdrage van een andere lidstaat te verantwoorden. Disney zet ten slotte uiteen dat de algemene verhoging van het bijdragepercentage niet nodig is, aangezien de Franse Gemeenschap niet heeft aangetoond dat de betrokken audiovisuele productiemarkt de door die verhoging gecreëerde nieuwe financiële middelen kon absorberen. Zij trekt de pertinentie in twijfel van de ramingen die de CSA hierover heeft becijferd wanneer die zijn advies heeft gegeven over de voorstellen die aan de basis liggen 16 van de bestreden decreetsbepalingen. Zij is van mening dat de gebruikte gegevens niet precies genoeg zijn en dat zij onvoldoende gedocumenteerd zijn. Zij is van mening dat de Franse Gemeenschap de productiecapaciteit van die markt dus heeft overgewaardeerd, zodat tal van uitgevers die de bijdrage verschuldigd zijn, in de praktijk niet in staat zullen zijn investeringen te doen in overeenstemming met hun redactionele beleid en met de in artikel 6.1.1-1, § 3, van het decreet van 4 februari 2021 vermelde vereisten, en zij dus geen andere keuze zullen hebben dan een storting aan het CCA te doen. A.34.
- Disney merkt ook op dat de betekenis die moet worden gegeven aan de vereisten van evenredigheid en niet-discriminatie, vermeld in artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU, voer voor discussie is, terwijl die dezelfde moet zijn voor de volledige audiovisuele markt van de Europese Unie. Disney suggereert het Hof aan het Hof van Justitie te vragen of de evenredigheidsvereiste die voortvloeit uit artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU de lidstaat die een bijdrage aan de audiovisuele productie invoert of verhoogt, ertoe verplicht om de doeltreffendheid van de maatregel te beoordelen ten aanzien van het doel de culturele verscheidenheid te bevorderen, om het nodige investeringsniveau op de markt te bepalen, om het bestaan van een marktfalen aan te tonen waardoor wordt belet dat investeringsniveau te bereiken, om de andere lidstaten van de Europese Unie te raadplegen teneinde het gepaste investeringsniveau in Europese audiovisuele producties vast te stellen, om de doeltreffendheid van de met toepassing van artikel 13, lid 1, van de richtlijn 2010/13/EU genomen maatregelen te beoordelen, om alternatieve maatregelen te overwegen die geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken, om contraproductieve maatregelen te vermijden, om het effect van de gekozen maatregel op de situatie van de aanbieders van diensten die onder de bevoegdheid van een andere lidstaat vallen te beoordelen en om enkel de maatregel in aanmerking te nemen die het minst afbreuk doet aan de fundamentele rechten en vrijheden van de aanbieders van diensten. A.35.
- De Franse Gemeenschapsregering merkt ten eerste op dat het percentage van 9,5 %, dat is bepaald in artikel 6.1.1-1, § 2, eerste lid, van het decreet van 4 februari 2021, momenteel niet van toepassing is op Netflix en dat het bijdragebedrag dat zij op basis van haar huidige omzet verschuldigd is ruimschoots lager is dan het bedrag dat zij met toepassing van dat percentage verschuldigd zou zijn. De Regering voegt eraan toe dat dat percentage, in het licht van de omzet van de betrokken uitgevers van televisiediensten, niet op korte termijn op een van hen van toepassing zal zijn, dat het gemiddelde bijdragepercentage dat effectief op de uitgevers wordt toegepast in de buurt van vijf procent blijft, dat dat percentage ruimschoots lager blijft dan de percentages die in bepaalde lidstaten van de Europese Unie van toepassing zijn en dat het systeem van de progressieve percentages van de Franse Gemeenschap evenrediger is dan de identieke percentages gekozen door andere lidstaten. De Regering betwist vervolgens de analyse van de cijfergegevens op basis waarvan Netflix aanvoert dat het bedrag van de krachtens artikel 6.1.1-1, § 2, eerste lid, van het decreet van 4 februari 2021 gevraagde bijdragen te hoog zou zijn voor de audiovisuele productiemarkt in de Franse Gemeenschap en onevenredig zou zijn ten aanzien van de investeringen die worden gedaan in andere lidstaten van de Europese Unie. Zij herinnert eraan dat de bijdrager die geen investeringen vindt die hem schikken altijd kan beslissen om over te gaan tot een storting aan het CCA, en dat de Europese Commissie, in het advies dat zij heeft gegeven over het voorontwerp van decreet dat aan de basis ligt van de bestreden maatregelen, niet heeft geoordeeld dat het bestreden percentage van de bijdrage onevenredig was. De Regering beklemtoont ook dat dat tarief bestaanbaar is met de lering van het arrest van het Hof van Justitie inzake Unión de Televisiones Comerciales Asociadas (UTECA) met betrekking tot de naleving van de fundamentele regels van de eengemaakte markt, alsook met de geest van de richtlijn 2010/13/EU, die slechts een minimale harmonisering van de materie realiseert. A.35.
- De Franse Gemeenschapsregering beklemtoont vervolgens dat het tarief van de bijdrage beschreven in artikel 6.1.1-1, § 2, eerste lid, van het decreet van 4 februari 2021 werd vastgesteld na een beoordeling van de economische gevolgen ervan. Zij herinnert eraan dat de Hoge Raad voor de Audiovisuele Sector tot twee keer toe werd geraadpleegd, die, na twee opeenvolgende ontwerpen van regelgeving te hebben onderzocht in het licht van de reacties van experts en beroepsbeoefenaars uit de sector van de audiovisuele productie, twee uitvoerige adviezen heeft gegeven waarmee zijzelf rekening heeft gehouden alvorens een ontwerpdecreet aan het Parlement voor te leggen. De Franse Gemeenschapsregering herinnert ook eraan dat zij tevens de Europese Commissie heeft geraadpleegd, met toepassing van de richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 « betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) » (hierna : de richtlijn (EU) 2015/1535). 17 Zij voegt eraan toe dat artikel 87, derde lid, van het decreet van 7 december 2023 bepaalt dat in de volgende jaren een « impactstudie » met betrekking tot « de toepassing van de bijdragepercentages » en de « absorptiecapaciteit van de lokale markt voor deze investeringen » wordt uitgevoerd. A.35.
- De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat het niet nodig is vragen aan het Hof van Justitie te stellen. Zij voegt niettemin eraan toe dat indien het Grondwettelijk Hof anders zou beslissen, de met betrekking tot het eerste middel gesuggereerde prejudiciële vragen zouden volstaan. A.36.
- De Vlaamse Regering voert aan dat de decreetgever over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt wanneer zij het tarief van een bijdrage bepaalt en dat de door de Franse Gemeenschap in aanmerking genomen cijfers niet kennelijk onredelijk zijn, noch het resultaat zijn van een manifeste vergissing. De Vlaamse Regering beklemtoont ook dat de decreetgever geenszins ertoe gehouden is zijn keuze formeel te motiveren en dat geen enkel beginsel hem verplicht een studie uit te voeren over de uitwerking ervan. Zij voegt eraan toe dat, zelfs als een dergelijke studie verplicht was, het Hof, in principe, niet bevoegd is om zich uit te spreken over de procedure van totstandkoming van wetskrachtige normen. De Vlaamse Regering voegt eraan toe dat de bestreden maatregelen, zelfs als zij economische gevolgen of zelfs een economisch doel hebben, geschikt zijn om de doelstelling inzake het bevorderen van de cultuur- en taalverscheidenheid te realiseren en daarvoor noodzakelijk zijn. A.36.
- Volgens de Vlaamse Regering hoeven geen vragen aan het Hof van Justitie te worden gesteld. Volgens haar bestaat er geen enkele twijfel, noch over de interpretatie van artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU, noch over het feit dat dat artikel niet door de bestreden decreetsbepalingen wordt geschonden. A.37.
- PRO SPERE e.a. verdedigen ook het evenredige karakter van de bestreden maatregelen. Zij delen in het algemeen het standpunt van de Franse Gemeenschapsregering. A.37.
- Zij zetten ten eerste uiteen dat het bijdragepercentage van 9,5 % dat door Netflix wordt bestreden slechts de laatste stap is van een verfijnd en progressief tarief en dat het slechts van toepassing zal zijn op uitgevers die een omzet maken die praktisch geen enkele uitgever in de komende jaren zal kunnen behalen op de markt van de Franse Gemeenschap. Zij herinneren eraan dat artikel 60 van het decreet van 7 december 2023 tot doel heeft het vroegere bij artikel 6.1.1-1 van het decreet van 4 februari 2021 bepaalde percentage te verfijnen en het aan te passen aan de omvang van de betrokken uitgevers van diensten die actief zijn op de markt. Zij beklemtonen dat de uitgevers werden geraadpleegd in verband met de opeenvolgende ontwerpen van die hervorming in het raam van de werkzaamheden van de CSA en dat hun opmerkingen in aanmerking werden genomen. PRO SPERE e.a. beklemtonen ook dat artikel 87 van het decreet van 7 december 2023 niet alleen een overgangsperiode invoert die de bijdrageplichtigen een aanpassingsfase biedt, maar ook een mechanisme ter beoordeling van de hervorming dat de weg opent naar een aanpassing ervan op grond van de werkelijke toekomstige gevolgen ervan. A.37.
- PRO SPERE e.a. zijn van mening dat de bijdrageverplichting evenredig is met de omvang van de markt van de Franse Gemeenschap en met de grote perspectieven van audiovisuele creatie welke die markt biedt, aangezien het bijdragetarief enkel nog van toepassing is op de netto-omzet die de bijdrageplichtigen op die markt maken. Die verenigingen merken ook op dat de waarde van de grondslagen van de verschillende percentages van het tarief jaarlijks wordt aangepast aan de evolutie van de consumptieprijzen. Zij merken bovendien op dat de bij de bestreden bepalingen voorziene tarieven overeenstemmen met de trend die duidelijk blijkt uit de voorbije hervormingen en die in andere lidstaten van de Europese Unie aan de gang is. A.37.
- PRO SPERE e.a. vestigen vervolgens de aandacht op aspecten van de hervorming van 2023, bedoeld om de bijdrageverplichtingen van de uitgevers van televisiediensten te versoepelen door rekening te houden met 18 de kenmerken van de audiovisuele productiemarkt. Die uitgevers beschikken voortaan over drie jaar om aan hun bijdrageverplichtingen te voldoen en moeten hun investeringen niet langer door de overheid laten goedkeuren alvorens ze uit te voeren. A.37.
- PRO SPERE e.a. leiden uit het advies (2/2022) van de CSA en uit de jaarbalansen van het CCA af dat de audiovisuele productiemarkt van de Franse Gemeenschap voldoende kwaliteitsvolle beroepsbeoefenaars heeft om de verhoging van de investeringen die uit de bestreden hervorming van het bijdragepercentage zou moeten voortvloeien normaal te absorberen. Zij beklemtonen dat de door de Franse Gemeenschap verstrekte beroepsopleiding in die sector wereldfaam geniet, dat tal van jonge talenten recent internationaal erkende audiovisuele werken van grote kwaliteit hebben geproduceerd en dat de Franstalige Belgische cinema zich geregeld heeft onderscheiden in internationale competities. Zij herinneren ook eraan dat de percentages van de bestreden bijdrage progressief zijn, dat de bijdrageplichtigen hun verplichtingen kunnen nakomen binnen een periode van drie jaar en dat artikel 87 van het decreet van 7 december 2023 tijdens de volgende jaren voorziet in regelmatige evaluaties van de hervorming die, in voorkomend geval, zullen toelaten om de regels aan te passen aan de evolutie van de lokale markt. Zij merken ten slotte op dat de vergelijking met de situatie van enkele naburige markten aantoont dat de invoering van dat type financiële verplichtingen bijdraagt aan de culturele verscheidenheid. A.37.
- PRO SPERE e.a. zetten uiteen dat een systeem van de bijdrage aan de audiovisuele productie zoals hetgeen bij artikel 6.1.1-1 van het decreet van 4 februari 2021 wordt ingevoerd noodzakelijk is voor het behoud van de culturele verscheidenheid op de kleine of middelgrote nationale markten van de Europese Unie. Dat type van financiering diversifieert de financieringsbronnen en laat toe een te grote afhankelijkheid van overheidssubsidies te voorkomen. Zij beklemtonen dat die verplichte private investeringen noodzakelijk zijn in de Franse Gemeenschap om de talenten op de markt te behouden die door de omvang van de Franse investeringen zouden kunnen worden aangetrokken, teneinde onder andere te vermijden dat een professionele migratie naar de grote naburige markt in België een schaarste creëert die een lokale toename van de kostprijs dreigt te veroorzaken, wat ook de culturele verscheidenheid zou schaden. Zij betwisten ook het argument van Disney dat de bestreden hervorming van de bijdrage aan de audiovisuele productie de buitenlandse uitgevers ertoe zou kunnen dwingen de markt van de Franse Gemeenschap te verlaten. A.37.
- PRO SPERE e.a. zetten uiteen dat sommige van de door Netflix en Disney voorgestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie niet noodzakelijk zijn, ofwel omdat het antwoord op die vragen zich reeds in het arrest Unión de Televisiones Comerciales Asociadas (UTECA) bevindt, ofwel omdat zij de modaliteiten voor de totstandkoming van de bestreden decretale normen betreffen, die het Hof niet vermag te onderzoeken. Zij zijn bovendien van mening dat de door Netflix gesuggereerde prejudiciële vraag over de elementen die in aanmerking moeten worden genomen om de evenredigheid van een bij artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU toegelaten financiële bijdrage te beoordelen, moet worden geherformuleerd opdat daarin wordt verwezen naar het doel van culturele verscheidenheid dat door de bestreden bepalingen wordt nagestreefd, alsook naar het Verdrag van de Verenigde Naties van 20 oktober 2005, dat het Hof van Justitie moet betrekken bij de interpretatie van het voormelde artikel 13, lid 2, en van de culturele doelstelling welke die bepaling nastreeft. A.38.
- EFAD verdedigt ook het evenredige karakter van de bestreden maatregelen. Zij leidt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie af dat Netflix, om aan te tonen dat de bestreden wetskrachtige maatregelen onevenredig zijn, concreet moet aantonen dat de Franse Gemeenschap andere maatregelen had kunnen nemen om de culturele doelstelling op even efficiënte wijze te bereiken. A.38.
- EFAD zet uiteen dat de verzoekende partij niet aantoont dat het percentage van 9,5 % onevenredig is, in zoverre een minder hoog percentage de Franse Gemeenschap zou toelaten het doel te bereiken dat zij binnen het in artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU gedefinieerde kader nastreeft. Zij merkt ten eerste op dat de evenredigheid van dat percentage moet worden beoordeeld ten aanzien van de bijdragecapaciteit van diegenen die de bestreden bijdrage verschuldigd zijn, van het gedrag van de uitgevers van diensten in verhouding tot de betrokken audiovisuele markt, en van het culturele diversiteitsbeleid dat aan de basis van de bijdrage ligt. Zij is in dat opzicht van mening dat het pertinent en in overeenstemming met het bij artikel 13 van de richtlijn 2010/13/EU uitgewerkte kader is om het bestreden bijdragepercentage toe te passen op de omzet van de uitgevers van diensten op wie dat percentage betrekking heeft. 19 EFAD is daarentegen van mening dat de omvang van de audiovisuele productiemarkt van de Franse Gemeenschap, het aandeel van het budget van de bijdrageplichtigen dat die laatsten besteden aan hun investeringen of het niveau van de vergelijkbare bijdragen die worden geïnd door andere lidstaten van de Europese Unie geen nuttige parameters vormen om de evenredigheid van het bestreden percentage te beoordelen. Zij twijfelt aan het reële karakter van de schadelijke economische of commerciële gevolgen die door de verzoekende partij worden aangevoerd en relativeert, op basis van cijfers, de weerslag van het bestreden percentage op de situatie van de verzoekende partij, en beklemtoont daarbij met name dat de bijdrage de vorm van een investering kan aannemen die inkomsten op andere markten kan genereren en dat elke bijdrageplichtige volledig vrij is om, op basis van zijn redactionele beleid het genre en het onderwerp van de audiovisuele werken te kiezen waarin hij in dat kader wil investeren. Zij merkt ook op dat de toetsing van de evenredigheid waartoe het Hof wordt verzocht over te gaan geen rekening moet houden met de eventuele gevolgen die de bestreden decreetsbepaling zou veroorzaken op de markt van andere lidstaten van de Europese Unie. Zij voegt eraan toe dat, zelfs als het percentage van 9,5 % onevenredig zou worden bevonden, die vaststelling niet zou toelaten de andere schijven van het bij artikel 6.1.1-1, § 2, van het decreet van 4 februari 2021 bepaalde tarief te vernietigen. A.39.
- V.O.F.T.P. voert aan dat de verplichting om een bijdrage te leveren aan de audiovisuele productie beschreven in artikel 6.1.1-1 van het decreet van 4 februari 2021 bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. A.39.
- Zij zet ten eerste uiteen dat de bestreden bijdrage een legitiem doel nastreeft, namelijk de ondersteuning en de stimulering van de culturele en taalontwikkeling in de lokale audiovisuele producties en dat dat doel fundamenteel is voor het behoud van de culturele identiteit van de Belgische audiovisuele sector in elk van de drie Gemeenschappen, maar ook voor de democratische structuur van de samenleving. Volgens V.O.F.T.P. laat de bestreden bijdrage ook toe te vermijden dat een onevenredige concentratie van de buitenlandse bedrijven uit de technologische en mediasector de lokale audiovisuele industrie sterk aantast. Zij zet vervolgens uiteen dat de in het geding zijnde bijdrageverplichting een evenredige maatregel is. Zij merkt op dat het Parlement van de Franse Gemeenschap rekening heeft gehouden met de waarde van gelijkaardige bijdragen die in andere lidstaten van de Europese Unie worden gevraagd, teneinde een tarief vast te stellen dat is aangepast aan de specifieke situatie van de aanbieders van televisiediensten op de markt van de Franse Gemeenschap, alsook aan de noden en kenmerken van de audiovisuele productiemarkt. V.O.F.T.P. merkt ook op dat de regels die van toepassing zijn op de ondernemingen die de bijdrage verschuldigd zijn die laatste toelaten zich aan de verplichting aan te passen. De vereniging wijst in het bijzonder naar de rol van de begeleidingscomités en de mogelijkheid om de uitvoering van de bijdrageverplichting in zekere mate uit te stellen. Zij herinnert ook eraan dat de omvang van de bijdrage die verschuldigd is door een uitgever die, zoals de verzoekende partij, buiten de Franse Gemeenschap is gevestigd, afhangt van de waarde van de omzet die hij enkel op die markt heeft gemaakt. Zij voegt eraan toe dat de omstandigheid dat de bijdrage van een bepaalde uitgever aanzienlijk toeneemt door het feit dat zijn omzet aanzienlijk is gestegen, of de omstandigheid dat de Franse Gemeenschap een progressiever tarief had kunnen bedenken, niet volstaat om aan te tonen dat de omvang van die bijdrage onevenredig is. A.39.
- V.O.F.T.P. is bovendien van mening dat de ontstentenis van een voorafgaande impactstudie niet volstaat om aan te tonen dat de omvang van de met toepassing van artikel 6.1.1-1 van het decreet van 4 februari 2021 gevraagde bijdrage onevenredig is. Zij herinnert ook eraan dat op verzoek van de actoren op de audiovisuele productiemarkt, artikel 87, derde lid, van het decreet van 7 december 2023 voorziet in de uitvoering van studies naar de gevolgen van de bestreden decreetsbepalingen. A.39.
- V.O.F.T.P. voert ten slotte aan dat er geen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie moeten worden gesteld, aangezien de prejudiciële vragen die de verzoekende partij voorstelt, betrekking hebben op de bestaanbaarheid van nationale maatregelen met het Unierecht, en dus uitsluitend onder de bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof vallen. 20 Wat betreft de modaliteiten van de bijdrage in de vorm van een investering A.40.
- Netflix zet uiteen dat meerdere bepalingen van artikel 6.1.1-1 van het decreet van 4 februari 2021 met betrekking tot de « investeringen » die de uitgever die de bijdrage aan de audiovisuele productie verschuldigd is, kan laten gelden, onevenredig zijn. A.40.
- Zij merkt in de eerste plaats op dat artikel 6.1.1-1, § 1, eerste lid, tweede zin, van het decreet van 4 februari 2021 de bijdrageplichtige niet toelaat een investering te laten gelden in de verwerving van uitzendrechten van een reeds geproduceerd audiovisueel werk. Zij merkt evenwel op dat dat type van investering, in de vorm van licenties, door de vergoeding van de auteurs van een werk, toelaat hen ertoe aan te zetten hun werk ten dienste van de bevordering van de cultuur- en taalverscheidenheid verder te zetten. Zij voegt eraan toe dat dat ook een erkend – en wettelijk geregeld – financieringsmiddel van de filmproductie betreft. In ondergeschikte orde vraagt zij het Hof om een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen over de interpretatie van het woord « proportioneel » in artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU, teneinde te vernemen of een lidstaat van de Europese Unie die een bij die bepaling toegelaten bijdrage invoert de bijdrageplichtige kan beletten de investering in de verwerving van uitzendrechten van een reeds geproduceerd audiovisueel werk te laten gelden, zonder de in die bepaling vermelde evenredigheidsvereiste te schenden. A.40.
- Netflix merkt in de tweede plaats op dat de definitie van de « bestelling van een programma » die is vermeld in artikel 1.3-1, § 1, 6°, eerste lid, van het decreet van 4 februari 2021 en is vervangen bij artikel 1, 3°, van het decreet van 7 december 2023, diegene die de bij artikel 6.1.1-1, § 1, van hetzelfde decreet opgelegde bijdrage verschuldigd is, belet een investering in de bestelling van een « audiovisueel werk » te laten gelden, terwijl hij een investering in de coproductie of vooraankoop van datzelfde werk wel had kunnen laten gelden. Zij merkt ook op dat een dergelijke bestelling toelaat meer tot de culturele verscheidenheid bij te dragen dan de bestelling van bepaalde spelprogramma’s, nieuwsprogramma’s en reality-tv-programma’s die de voormelde bijdrageplichtigen met toepassing van artikel 1.3-1, § 1, 6°, tweede lid, van het decreet van 4 februari 2021 kunnen laten gelden. A.40.
- Netflix betwist in de derde plaats de evenredigheid van het beginsel vermeld in artikel 6.1.1-1, § 3, tweede lid, 1°, van het decreet van 4 februari 2021, volgens hetwelk een investering slechts kan worden beschouwd als een bijdrage aan de audiovisuele productie overeenkomstig artikel 6.1.1-1, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet indien de waarde ervan identiek is aan die van de positieve economische gevolgen die zij heeft op het grondgebied van de Franse Gemeenschap. Zij beklemtoont dat die voorwaarde erop neerkomt te eisen dat alle goederen en diensten die noodzakelijk zijn voor de productie van het betreffende audiovisuele werk in de Franse Gemeenschap worden verworven. Zij wijst op het feit dat die voorwaarde uitsluit dat elke investering in een werk dat de lokale cultuur bevordert en dat met personeel of goederen wordt geproduceerd die afkomstig zijn uit een ander grondgebied dan dat van de Franse Gemeenschap, in aanmerking wordt genomen, terwijl zij de investering aanmoedigt in lokaal geproduceerde werken die echter geenszins bijdragen tot de luister van de cultuur eigen aan die regio. A.40.
- Netflix is van mening dat de verplichtingen die uit de voormelde regels voortvloeien niet kunnen worden verantwoord door het recht van de bijdrageplichtige om die bijdrage te vervullen via een storting aan het CCA, met toepassing van artikel 6.1.1-1, § 1, eerste lid, tweede zin, en § 4, derde lid, van het decreet van 4 februari
- Zij is van mening dat dat recht meer op een sanctie dan op de toekenning van een echte keuze lijkt. Zij merkt ook op dat de voormelde verplichtingen een incoherentie creëren, in zoverre zij niet van toepassing zijn op het CCA wanneer het de gelden die eraan worden gestort als bijdrage gebruikt. A.41.
- De Franse Gemeenschapsregering antwoordt ten eerste dat de verwerving van de uitzendrechten van reeds geproduceerde audiovisuele werken de audiovisuele productie niet stimuleert en dat het in aanmerking nemen van dat type investering zou ingaan tegen het nagestreefde doel, namelijk het aanmoedigen van de creatie van nieuwe culturele werken van de Franse Gemeenschap, door hergebruik aan te sporen. A.41.
- De Regering merkt vervolgens op dat een uitgever die de bijdrage verschuldigd is de bestelling van een audiovisueel werk in de zin van artikel 1.3-1, § 1, 6°, eerste lid, a), van het decreet van 4 februari 2021 kan laten gelden als een investering in de coproductie of vooraankoop van audiovisuele werken. 21 Zij is van mening dat de programma’s die onder het begrip de « bestelling van een programma » vallen, die als investering is toegelaten, effectief de bevordering van de cultuur- en taalverscheidenheid van de Franse Gemeenschap kunnen aanmoedigen. A.41.
- De Regering preciseert dat de voorwaarde met betrekking tot de economische gevolgen van de investering niet belet dat een investering in een door een buitenlandse regisseur geproduceerd televisiewerk in aanmerking wordt genomen wanneer het in de Franse Gemeenschap wordt gedraaid. Zij voegt eraan toe dat een dergelijke voorwaarde in overeenstemming is met de lering uit het arrest Unión de Televisiones Comerciales Asociadas (UTECA) van het Hof van Justitie, alsook met de bakens die door de Europese Commissie zijn uitgezet in haar mededeling van 2013 betreffende staatssteun voor films en andere audiovisuele werken (hierna : de mededeling van de Europese Commissie van 2013). A.41.
- De Franse Gemeenschapsregering merkt op dat de twee grote vormen van bijdrage aan de audiovisuele productie die door artikel 6.1.1-1, § 1, eerste lid, tweede zin, van het decreet van 4 februari 2021 worden voorgesteld tot doel hebben de audiovisuele productie te ondersteunen en dat de verschillen tussen die twee bijdragevormen ze niet incoherent maken. Zij herinnert ook eraan dat elke uitgever die de bijdrage verschuldigd is de vrijheid behoudt om voor de ene of de andere vorm te kiezen, met name op basis van zijn redactionele beleid. A.41.
- De Regering is ten slotte van mening dat het niet nodig is om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. Zij voegt niettemin eraan toe dat indien het Grondwettelijk Hof anders zou beslissen, de met betrekking tot het eerste middel gesuggereerde prejudiciële vragen zouden volstaan. A.42.
- De Vlaamse Regering is van mening dat het niet in aanmerking nemen van de verwerving van de uitzendrechten van reeds geproduceerde audiovisuele werken in overeenstemming is met het doel de cultuur- en taalverscheidenheid te bevorderen, aangezien dat type van investeringen de uitgevers ertoe zou kunnen brengen altijd dezelfde succesvolle populaire producties aan het publiek aan te bieden, ten koste van hun engagement om productiegenres te ondersteunen die soms moeilijker te financieren zijn maar die onmisbaar zijn voor het behoud van de culturele verscheidenheid. A.42.
- Wat de definitie betreft van de « bestelling van een programma » die wordt gegeven in artikel 1.3-1, § 1, 6°, eerste lid, van het decreet van 4 februari 2021, leidt de Vlaamse Regering uit het arrest van het Hof van Justitie United Pan-Europe Communications Belgium N.V. e.a. af dat de bestreden regel, rekening houdend met de ruime beoordelingsvrijheid waarover de lidstaten beschikken wanneer zij de noodzaak beoordelen van een maatregel die erop is gericht de cultuur- en taalverscheidenheid van audiovisuele producties te bevorderen, als gepast en noodzakelijk kan worden beschouwd voor de verwezenlijking van die doelstelling indien hij transparant is en steunt op objectieve criteria die de voormelde verscheidenheid bevorderen en indien hij niet op basis van nationaliteit discrimineert. A.42.
- Wat de voorwaarde betreft met betrekking tot de economische gevolgen van de investeringen, merkt de Vlaamse Regering op dat het in artikel 6.1.1-1, § 3, tweede lid, 1°, van het decreet van 4 februari 2021 vermelde beginsel geenszins belet dat een investering in een televisiewerk dat wordt geproduceerd met de medewerking van personen die buiten de Franse Gemeenschap zijn gevestigd in aanmerking wordt genomen. Zij herinnert evenwel eraan dat de richtlijn 2010/13/EU ook een economisch doel nastreeft dat inherent is aan het doel ervan op cultureel en taalkundig vlak en dat de bestreden bepalingen niet alleen ertoe strekken een grotere verscheidenheid van audiovisuele werken aan het publiek aan te bieden maar ook om de audiovisuele sector van de Franse Gemeenschap te versterken. De Vlaamse Regering voert aan dat de bestreden voorwaarde waarborgt dat de geïnvesteerde gelden die sector ten goede komen. Zij leidt uit het arrest van het Hof van Justitie Unión de Televisiones Comerciales Asociadas (UTECA) ook af dat die voorwaarde niet onevenredig is. A.42.
- Wat de aangevoerde incoherentie van de bestreden regels betreft, is de Vlaamse Regering van mening dat de kritiek betrekking heeft op de manier waarop het CCA de opdrachten moet uitvoeren die bij het decreet van de Franse Gemeenschap van 10 november 2011 « betreffende de ondersteuning van de filmsector en de audiovisuele creatie » (hierna : het decreet van 10 november 2011) eraan zijn toegekend, een decreet waarvan 22 het Hof de geldigheid niet kan toetsen in het kader van het thans onderzochte beroep. Zij is van mening dat het logisch is die administratieve dienst, die onder het gezag van een minister van de Franse Gemeenschap handelt, niet aan de bestreden regels te onderwerpen, aangezien die tot doel hebben privé-investeringen in een richting te sturen die in overeenstemming is met de beleidsprioriteiten van de Franse Gemeenschap. De Vlaamse Regering voegt eraan toe dat elke uitgever die de bijdrage verschuldigd is de vrijheid behoudt om een storting aan het CCA te doen indien hij oordeelt dat de regels die een raamwerk bieden voor de verschillende types van investeringen bedoeld in artikel 6.1.1-1, § 1, eerste lid, van het decreet van 4 februari 2021 te strikt zijn en onverenigbaar met zijn commerciële belangen. A.42.
- Volgens de Vlaamse Regering hoeven er geen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te worden gesteld. Volgens haar bestaat er geen enkele twijfel over de interpretatie van artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU of over het feit dat dat artikel niet door de bestreden bepalingen wordt geschonden. A.43.
- PRO SPERE e.a. merken op dat elke analyse van de evenredigheid van de regels met betrekking tot de investeringen die een bijdrage aan de audiovisuele productie vormen, rekening moet houden met het feit dat zij deel uitmaken van een geheel van regels met een gemeenschappelijk doel en die de bijdrageplichtige een keuze bieden uit diverse manieren om zijn verplichting te vervullen, door middel van verschillende types investeringen of aan de hand van een storting van gelden aan het CCA. A.43.
- Zij beklemtonen dat het niet in aanmerking nemen van de aankopen van de uitzendrechten van reeds geproduceerde audiovisuele werken verantwoord wordt door de noodzaak cultureel en artistiek innoverende projecten te ondersteunen om de culturele verscheidenheid te waarborgen. Zij merken op dat dat doel ook wordt nagestreefd door de in artikel 6.1.1-1, § 3, eerste lid, 3°, van het decreet van 4 februari 2021 vermelde regel, die ertoe aanmoedigt te investeren in het schrijven van scenario’s en het ontwikkelen van audiovisuele werken. Zij beklemtonen ook dat in tegenstelling tot de verwerving van een recht om een audiovisueel werk uit te zenden dat het voorwerp is van een « vooraankoop » in de zin van artikel 1.3-1, § 1, eerste lid, 34°, van het decreet van 4 februari 2021, de verwerving van het recht om een reeds geproduceerd audiovisueel werk uit te zenden een investering is die bijdraagt aan de exploitatie van dat werk en niet aan de creatie ervan. Zij voegen eraan toe dat dat laatste type van verwerving niet kan worden beschouwd als een erkend en zeker middel om de audiovisuele productie te financieren, waarbij de culturele verscheidenheid wordt bevorderd, die even efficiënt is als de verwerving van rechten die past in het kader van een « vooraankoop ». Zij merken op dat niets waarborgt dat de begunstigden van de inkomsten uit de verkoop van uitzendrechten van reeds geproduceerde audiovisuele werken die inkomsten zullen gebruiken om andere werken te produceren. Zij voegen eraan toe dat artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU toelaat, maar niet vereist, dat de financiële bijdrage die de lidstaten mogen opleggen de vorm aanneemt van een investering in de verwerving van uitzendrechten van een reeds bestaand audiovisueel werk. PRO SPERE e.a. zijn van mening dat de prejudiciële vraag die volgens Netflix aan het Hof van Justitie moet worden gesteld, moet worden geherformuleerd om de in A.37.7 uiteengezette reden. A.43.
- PRO SPERE e.a. zijn van mening dat de nieuwe definitie van de « bestelling van een programma », door de precisie ervan, ook bijdraagt aan de culturele verscheidenheid, door lokale talenten en het cultureel erfgoed van de Franse Gemeenschap tot hun recht te laten komen. A.43.
- Wat betreft het in artikel 6.1.1-1, § 3, tweede lid, 1°, van het decreet van 4 februari 2021 vermelde beginsel met betrekking tot de noodzakelijke economische voordelen van de investering, beklemtonen PRO SPERE e.a. dat dat beginsel toelaat te waarborgen dat de investeringen van de uitgevers die de bijdrage verschuldigd zijn effectief zullen bijdragen aan de audiovisuele industrie van de Franse Gemeenschap, en niet aan de actoren van de Franse markt ten koste van de werken die de Franstalige cultuur van België vertegenwoordigen en bevorderen. Zij merken ook op dat de door die decreetsbepaling beoogde economische gevolgen zich niet noodzakelijk moeten voordoen in de culturele sector. Zij voegen eraan toe dat dat beginsel geen buitensporige verplichting vormt voor de investeerder die in het buitenland is gevestigd, aangezien het bedrag van zijn bijdrage afhangt van de inkomsten die hij haalt uit de diensten die hij in de Franse Gemeenschap levert. 23 A.44.
- EFAD merkt op dat het feit dat het voor een uitgever onmogelijk is om de verwerving van een uitzendrecht van een reeds geproduceerd werk te laten gelden in het kader van zijn bijdrage aan de audiovisuele productie reeds voortvloeide uit de vorige versie van artikel 6.1.1-1 van het decreet van 4 februari 2021, zodat zelfs indien het Hof de kritiek van de verzoekende partij gegrond zou verklaren, de situatie van die uitgever vanuit dat oogpunt identiek zou blijven. EFAD merkt op dat die onmogelijkheid te verantwoorden valt doordat de decreetgever ernaar streeft om steun mogelijk te maken aan de creatie van nieuwe werken teneinde de culturele verscheidenheid te beschermen, alsook door de vaststelling dat de verwerving van een uitzendrecht van een reeds geproduceerd werk veel minder grote gevolgen heeft voor de actoren van de audiovisuele productiemarkt. A.44.
- EFAD merkt op dat het in artikel 6.1.1-1, § 3, tweede lid, 1°, van het decreet van 4 februari 2021 vermelde beginsel, dat betrekking heeft op de noodzakelijke economische voordelen van de investering, reeds geformuleerd was in de vorige versie van artikel 6.1.1-1 van het decreet van 4 februari
- Zij voert aan dat de verplichting om economische voordelen te waarborgen voor de aanbieders van diensten die in de Franse Gemeenschap gevestigd zijn een gepast middel is om de ontwikkeling van de audiovisuele sector te waarborgen, dat nuttig werd geacht voor de bescherming van de culturele verscheidenheid. Zij merkt ook op dat die verplichting niet inhoudt dat wordt geëist dat alle uitgaven voor de productie van een audiovisueel werk, die vaak een internationale coproductie is, in de Franse Gemeenschap worden gedaan. Het « derde onderdeel » A.
- Volgens Netflix zijn sommige regels die bepalen welke investeringen de uitgever die de bij artikel 6.1.1-1 van het decreet van 4 februari 2021 opgelegde bijdrage verschuldigd is, kan laten gelden om te voldoen aan zijn verplichting niet bestaanbaar met de evenredigheidsvereiste vermeld in artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU. Wat betreft artikel 6.1.1-1, § 3, eerste lid, 7°, van het decreet van 4 februari 2021 A.46.
- Netflix is van mening dat het noch gepast, noch noodzakelijk is om een uitgever die de bijdrage aan de audiovisuele productie verschuldigd is te verbieden zijn deelname in de coproductie of de vooraankoop van audiovisuele werken waartoe werd besloten ter uitvoering van een verplichting opgelegd door een andere financiële bijdrageregeling bedoeld in artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU te laten gelden als investering. Zij is van mening dat dat verbod niet bestaanbaar is met artikel 13, lid 3, van die richtlijn, dat een lidstaat van de Europese Unie die een financiële bijdrage invoert ten laste van de aanbieders van mediadiensten die onder zijn bevoegdheid vallen, verplicht om rekening te houden met alle financiële bijdragen die zijn opgelegd door de lidstaten waarvan het publiek de doelgroep van de voormelde aanbieders is. Zij is van mening dat dat verbod neerkomt op een beperking van het recht op het vrij verrichten van diensten teneinde een doel te bereiken dat de wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Unie reeds toelaat te bereiken. A.46.
- In ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij het Hof om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie over de interpretatie van het woord « proportioneel » in artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU, teneinde te vernemen of de lidstaat van de Europese Unie die een bij die bepaling toegelaten bijdrage invoert diegene welke die bijdrage verschuldigd is, kan beletten een investering in de coproductie of de vooraankoop gedaan ter uitvoering van een door een andere lidstaat van de Europese Unie uitgevaardigde verplichting te laten gelden. A.47.
- De Franse Gemeenschapsregering antwoordt dat het bekritiseerde verbod verantwoord is door het streven ervoor te zorgen dat de bij artikel 6.1.1-1 van het decreet van 4 februari 2021 opgelegde bijdrage effectief dient ter bevordering van de cultuur van de Franse Gemeenschap, en niet van de cultuur eigen aan andere lidstaten van de Europese Unie die een veel groter publiek hebben. A.47.
- De Regering is van mening dat het niet nodig is om de door Netflix gesuggereerde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen en dat, indien het Hof anders zou beslissen, de met betrekking tot het eerste middel gesuggereerde prejudiciële vragen zouden volstaan. 24 A.
- Volgens de Vlaamse Regering is het in het geding zijnde verbod zowel geschikt als noodzakelijk om de door de Franse Gemeenschapsregering vermelde reden. A.49.
- PRO SPERE e.a. beklemtonen dat het bestreden verbod tot doel heeft een dubbele valorisatie van dezelfde gelden te voorkomen en nieuwe investeringen te bevorderen die worden berekend op basis van een omzet die nog niet door een andere lidstaat van de Europese Unie in aanmerking werd genomen. A.49.
- Zij zijn van mening dat er geen prejudiciële vragen zoals die welke door Netflix worden gesuggereerd aan het Hof van Justitie dienen te worden gesteld. A.50.
- EFAD merkt op dat het bestreden verbod reeds in de vorige versie van artikel 6.1.1-1, § 2, van het decreet van 4 februari 2021 was vermeld, zodat zelfs indien het Hof de kritiek van de verzoekende partij gegrond zou bevinden, haar situatie vanuit dat oogpunt identiek zou blijven. A.50.
- Zij voegt eraan toe dat dat verbod verantwoord is door het nagestreefde culturele doel, aangezien het toelaat de efficiëntie te beschermen van de verschillende regelingen ter bevordering van de culturele verscheidenheid die in de twee andere Gemeenschappen van België of in andere lidstaten van de Europese Unie zijn ingevoerd. EFAD betwist ook dat het bestreden verbod niet bestaanbaar zou zijn met artikel 13, lid 3, van de richtlijn 2010/13/EU. Zij beklemtoont dat de in de tweede zin van dat artikel vermelde verplichting gericht is op de lidstaat op het grondgebied waarvan een aanbieder van mediadiensten is gevestigd, en dat die Unierechtelijke verplichting correct is omgezet door artikel 6.1.1-1, § 2, vijfde lid, van het decreet van 4 februari
- A.
- Om de in A.39.4 vermelde reden voert V.O.F.T.P. aan dat de door de verzoekende partij gesuggereerde prejudiciële vraag niet aan het Hof van Justitie dient te worden gesteld. Wat betreft artikel 6.1.1-1, § 3, eerste lid, 1°, van het decreet van 4 februari 2021 A.
- Netflix is van mening dat het niet gepast, noch noodzakelijk is om een uitgever die de bijdrage aan de audiovisuele productie verschuldigd is en die liever bijdraagt door te investeren dan door gelden aan het CCA te storten, te verplichten om minstens 35 % van zijn bijdrage te investeren in de coproductie of de vooraankoop van « audiovisueel werk van Belgisch Franstalig initiatief ». Volgens haar is het, teneinde de cultuur van de Franse Gemeenschap te promoten, noch gepast noch noodzakelijk om werken te bevorderen die integraal of hoofdzakelijk in de Franse taal moeten worden uitgevoerd, en waarbij regisseurs en acteurs moeten zijn betrokken die de nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie en een contract naar Belgisch recht hebben. Zij is van mening dat de definitie van « onafhankelijk producent » vermeld in artikel 1.3-1, eerste lid, 36°, van het decreet van 4 februari 2021 het onevenredige karakter van de bestreden verplichting versterkt. A.
- De Franse Gemeenschapsregering antwoordt dat het begrip « Belgisch Franstalig audiovisueel werk » dermate ruim is dat het een werk zou kunnen dekken dat buiten de Franse Gemeenschap wordt geproduceerd maar waarbij een regisseur, een scenarist of een acteur betrokken is van wie de rechten en verplichtingen worden bepaald in een contract naar Belgisch recht. Zij voegt eraan toe dat het argument afgeleid uit de definitie van « onafhankelijk producent » onontvankelijk is aangezien het beroep tot vernietiging geen betrekking heeft op artikel 1.3-1, eerste lid, 36°, van het decreet van 4 februari
- A.
- De Vlaamse Regering voert aan dat de kritiek van Netflix onontvankelijk is omdat die, in essentie, is gericht tegen de elementen van de definitie van « audiovisueel werk van Belgisch Franstalig initiatief » die zich in de bijlagen van het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 29 maart 2012 « betreffende de steun voor creatie » (hierna : het besluit van 29 maart 2012) bevinden, hetzij tegen één van de aspecten van de definitie van « onafhankelijk producent » die niet werd gewijzigd bij het decreet van 7 december
- A.
- PRO SPERE e.a. merken op dat het beroep van Netflix geen betrekking heeft op de definitie van « audiovisueel werk van Belgisch Franstalig initiatief » vermeld in artikel 1.3-1, eerste lid, 23°, van het decreet van 4 februari 2021, zoals vervangen bij artikel 1, 8°, van het decreet van 7 december 2023 en dat de door Netflix 25 geformuleerde kritiek betrekking heeft op de elementen van die definitie die zich in de bijlagen van het besluit van 29 maart 2012 bevinden. Zij beklemtonen bovendien dat de verplichting vermeld in artikel 6.1.1-1, § 3, eerste lid, 1°, van het decreet van 4 februari 2021 ertoe dient de audiovisuele productiesector van de Franse Gemeenschap te versterken door de investeringen van de uitgevers van televisiediensten te sturen in de richting van producties die specifiek de cultuur en de taal van de Franse Gemeenschap valoriseren, waarbij aan die uitgevers de mogelijkheid wordt gelaten om het grootste deel van hun investeringen aan internationale coproducties te wijden. Zij merken op dat de Europese Commissie, tijdens de parlementaire voorbereiding van het decreet van 7 december 2023, uitdrukkelijk heeft verklaard dat de bestreden verplichting in overeenstemming was met de lering uit het voormelde arrest Unión de Televisiones Comerciales Asociadas (UTECA). A.
- EFAD verwijst ook naar die opmerking van de Europese Commissie en voegt eraan toe dat die laatste vergelijkbare, en zelfs strengere, regels heeft aanvaard die zijn aangenomen door andere lidstaten van de Europese Unie. Zij merkt ook op dat het decreet van 7 december 2023 de definitie van « onafhankelijk producent » niet wijzigt. A.
- V.O.F.T.P. beklemtoont ook dat het « audiovisuele werk van Belgisch Franstalig initiatief » wordt gedefinieerd in een bepaling van het decreet van 4 februari 2021, die niet door het beroep tot vernietiging wordt beoogd en in de bijlagen van een besluit van de Franse Gemeenschapsregering, zodat het Hof niet bevoegd is om zich daarover uit te spreken. Zij voegt eraan toe dat de uitgevers van televisiediensten vrij blijven om hun bijdrageverplichting te vervullen door gelden te storten aan het CCA. Wat betreft artikel 6.1.1-1, § 3, eerste lid, 3°, van het decreet van 4 februari 2021 A.58.
- Netflix is van mening dat het evenmin gepast noch noodzakelijk is om de valorisatie van investeringen in het schrijven van scenario’s en in de ontwikkeling van audiovisuele werken enkel toe te laten gelden indien de scenarist een contract naar Belgisch recht heeft. Zij beklemtoont dat een scenarist die is aangeworven op grond van een overeenkomst naar Belgisch recht de cultuur van de Franse Gemeenschap niet noodzakelijkerwijze beter zal bevorderen dan een scenarist wiens overeenkomst door een ander recht wordt geregeld. Volgens haar druist de bestreden regeling ook in tegen de vrijheid van ondernemen, erkend bij artikel 16 van het Handvest, en tegen de vrijheid van de partijen om het recht te kiezen dat hun overeenkomst beheerst, erkend bij artikel 3 van de verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 « inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) » (hierna : de verordening (EG) nr. 593/2008). A.58.
- In ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij het Hof om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie over de interpretatie van het woord « proportioneel » in artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU, teneinde te vernemen of een lidstaat van de Europese Unie die een bij die bepaling toegelaten bijdrage oplegt, diegene welke die bijdrage verschuldigd is, kan verbieden om een investering in een activiteit geregeld door overeenkomsten die niet door het recht van die lidstaat worden beheerst te laten gelden, zonder de in die bepaling vermelde evenredigheidsvereiste te schenden. A.59.
- De Franse Gemeenschapsregering antwoordt in de eerste plaats dat de bestreden regel is opgenomen in het besluit van 29 maart
- Zij merkt vervolgens op dat de bij artikel 3 van de verordening (EG) nr. 593/2008 erkende vrijheid niet absoluut is en dat de bestreden bepaling de partijen bij een scenaristenovereenkomst niet belet vrij te kiezen welk recht hun overeenkomst beheerst. A.59.
- De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat het niet nodig is om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie en dat, indien het Grondwettelijk Hof anders zou beslissen, de met betrekking tot het eerste middel gesuggereerde prejudiciële vragen zouden volstaan. 26 A.
- De Vlaamse Regering voert aan dat die door Netflix geformuleerde kritiek ook onontvankelijk is omdat die, in essentie, is gericht tegen de elementen van de definitie van « Belgisch Franstalig audiovisueel werk » die zich in de bijlagen van het besluit van 29 maart 2012 bevinden. A.61.
- PRO SPERE e.a. merken op dat de bestreden regel een gunstige omgeving beoogt te creëren die gunstig is voor het ontstaan en het voortbestaan van een kweekvijver voor talenten in de Franse Gemeenschap. Zij voeren aan dat die maatregel niet alleen bijdraagt aan de juridische bescherming van scenaristen wat met name hun auteursrechten betreft, maar ook aan de culturele verscheidenheid door producenten aan te sporen beroepsbeoefenaars aan te nemen die actief deelnemen in de creatie van de lokale cultuur. Zij beklemtonen dat artikel 6.1.1-1, § 3, eerste lid, 3°, van het decreet van 4 februari 2021 vooral een interessant financieel voordeel biedt aan de uitgever die een audiovisueel werk financiert waarvan de scenarist is aangeworven op grond van een contract naar Belgisch recht, door hem toe te laten eenzelfde investering tegen het dubbele van het bedrag mee te rekenen. Zij merken op dat die bepaling de uitgever die de bijdrage verschuldigd is evenwel niet verbiedt om in een scenario te investeren dat is geschreven ter uitvoering van een overeenkomst die door een ander recht wordt beheerst. A.61.
- PRO SPERE e.a. zijn van mening dat er geen prejudiciële vragen zoals die welke zijn gesuggereerd door Netflix aan het Hof van Justitie moeten worden gesteld. A.62.
- V.O.F.T.P. beklemtoont dat de bestreden bepaling de uitgever die de bijdrage verschuldigd is slechts een mogelijkheid biedt, maar geenszins verplicht om te investeren in de uitwerking van audiovisuele werken waarvan de scenarist is aangeworven met een overeenkomst naar Belgisch recht. Zij merkt ook op dat de uitgever vrij blijft om zijn bijdrageverplichting te vervullen door gelden aan het CCA te storten. A.62.
- Om de in A.39.4 vermelde reden, is V.O.F.T.P. van mening dat de door de verzoekende partij gesuggereerde prejudiciële vraag niet aan het Hof van Justitie moet worden gesteld. Het « vierde onderdeel » A.
- Volgens Netflix doen sommige bestreden bepalingen verschillen in behandeling ontstaan die niet bestaanbaar zijn met de vereiste van niet-discriminatie vermeld in artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU. Wat betreft artikel 6.1.1-1 van het decreet van 4 februari 2021 en artikel 87 van het decreet van 7 december 2023 A.64.
- Netflix merkt op dat de tarieven van de bijdrage aan de audiovisuele productie die bepaald zijn in artikel 6.1.1-1, § 2, eerste lid, van het decreet van 4 februari 2021 en in artikel 87, tweede lid, van het decreet van 7 december 2023 onder uitgevers van niet-lineaire televisiediensten verschillen in behandeling doen ontstaan op basis van het bedrag van hun omzet. Volgens haar zijn die verschillen in behandeling niet redelijk verantwoord. Zij beklemtoont dat die tarieven niet voorzien in de verdeling in schijven van de omzet van de bijdrageplichtige, zodat het toegepaste percentage betrekking heeft op het volledige omzetcijfer. Zij merkt ook op dat de progressie van het bijdragepercentage niet lineair is, zodat de last die aan de uitgevers wordt opgelegd niet evenredig is met hun bijdragecapaciteit. Zij leidt daaruit af dat een kleine toename van de omzet kan leiden tot een onevenredige verhoging van het verschuldigde bijdragebedrag. Netflix is van mening dat enkel de eerste lijn van de tarieven, die elke uitgever van wie de omzet lager is dan 700 000 euro vrijstelt van bijdrage, verantwoord is door artikel 13, lid 6, van de richtlijn 2010/13/EU. De verzoekende partij ziet voor de verschillen die voortvloeien uit de andere lijnen van de tarieven daarentegen niet de minste verantwoording die verenigbaar is met het door het bestreden decreet nagestreefde doel. Zij voegt eraan toe dat geen enkele ernstige en precieze analyse werd uitgevoerd vooraleer die tarieven werden aangenomen. A.64.
- Indien het Hof niet overtuigd is van de voorgaande argumenten, verzoekt Netflix het Hof om een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen over de draagwijdte van de vereiste van niet-discriminatie vermeld in artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2010/13/EU, teneinde te bepalen of de voormelde tarieven bestaanbaar 27 zijn met die bepaling in zoverre het bedrag van de bijdrage aan de audiovisuele productie opgelegd bij artikel 6.1.1-1 van het decreet van 4 februari 2021 wordt bepaald met toepassing op de volledige omzet van een percentage waarvan de waarde toeneemt naarmate de omzet toeneemt. A.65.
- Disney verwijt de artikelen 60 en 87 van het decreet van 7 december 2023 dat zij een discriminerend verschil in behandeling doen ontstaan tussen twee categorieën van uitgevers van niet-lineaire televisiediensten : enerzijds, diegenen die op het grondgebied van de Franse Gemeenschap zijn gevestigd en die aanzienlijke investeringen kunnen doen in de lokale audiovisuele productie en, anderzijds, diegenen die niet onder de bevoegdheid van de Franse Gemeenschap vallen en die, wegens hun redactioneel beleid en hun internationale omvang veel minder in staat zijn dergelijke investeringen te doen. Zij voert ook aan dat artikel 6.1.1-1 van het decreet van 4 februari 2021, zoals gewijzigd bij artikel 60 van het decreet van 7 december 2023, een discriminerend verschil in behandeling doet ontstaan tussen twee categorieën van uitgevers van niet-lineaire televisiediensten die investeren in de coproductie of de vooraankoop van Europese audiovisuele werken : enerzijds, diegenen van wie de investeringen voldoen aan de voorwaarden vermeld in artikel 6.1.1-1, § 3, eerste lid, 1°, en tweede lid, 1°, van het decreet van 4 februari 2021 en, anderzijds, diegenen van wie de investeringen niet daaraan voldoen. A.65.
- Disney beklemtoont dat de richtlijn 2010/13/EU niet toelaat duidelijk te bepalen hoe moet worden nagegaan of een financiële bijdrage bedoeld in artikel 13, lid 2, van die richtlijn niet discriminerend is. Zij verzoekt het Hof dus een prejudiciële vraag over de interpretatie van die bepaling aan het Hof van Justitie te stellen, om te kunnen bepalen of het niet discriminerend is de aanbieders van mediadiensten uit een andere lidstaat van de Europese Unie te verplichten om in Europese audiovisuele werken met lokale inhoud te investeren, en of het niet discriminerend of onevenredig is geen rekening te houden met het feit dat die aanbieders van diensten reeds elders hebben bijgedragen, via investeringen of stortingen, aan de productie van Europese audiovisuele werken. A.66.
- De Franse Gemeenschapsregering antwoordt in de eerste plaats dat de logica van de bekritiseerde tarieven in overeenstemming is met de geest van artikel 13 van de richtlijn 2010/13/EU, zoals blijkt uit de regel vermeld in de eerste zin van de zesde paragraaf ervan. Zij beklemtoont vervolgens dat de vaste kosten van de uitgever van een niet-lineaire televisiedienst waarvan het aantal gebruikers, en dus de omzet, hoog is, vergelijkbaar zijn met die van de uitgever van eenzelfde dienst met een minder groot aantal gebruikers. Zij leidt daaruit af dat het aandeel van de ontvangen inkomsten dat die eerste kan aanwenden voor investeringen groter is dan het aandeel dat de uitgever kan aanwenden van wie de omzet minder groot is om reden dat hij een kleiner aantal gebruikers heeft. De Regering merkt ten slotte op dat tijdens de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepalingen werd onderstreept dat de Europese Commissie de betwiste tarieven heeft gevalideerd. A.66.
- De Franse Gemeenschapsregering voegt eraan toe dat het niet nodig is een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen en dat indien het Hof anders zou beslissen, de prejudiciële vragen zoals zij werden gesuggereerd met betrekking tot het eerste middel zouden volstaan. A.67.
- De Vlaamse Regering is van mening dat het redelijk verantwoord is om de grootte van de bijdrage aan de audiovisuele productie te laten afhangen van de waarde van de omzet van de uitgever. Zij voert aan dat de waarde van de vaste kosten van een uitgever van niet-lineaire televisiediensten losstaat van het aantal abonnees en dat de toename van dat aantal bijgevolg de winstmarge van de uitgever en de omvang van de beschikbare financiële middelen voor investering vergroot. Zij leidt uit artikel 13, lid 6, van de richtlijn 2010/13/EU af dat de opstellers van artikel 13, lid 2, van die richtlijn ook van mening waren dat een lagere omzet impliceert dat er minder grote capaciteit is om in de audiovisuele productie te investeren. De Vlaamse Regering is van mening dat de andere kritieken van Netflix van louter feitelijke of beleidsmatige aard zijn. 28 A.67.
- Om de in A.42.5 vermelde reden voert de Vlaamse Regering aan dat geen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie moeten worden gesteld. A.
- PRO SPERE e.a. zijn van mening dat de door Netflix gesuggereerde prejudiciële vraag moet worden geherformuleerd om met name erin te verwijzen naar het doel van culturele verscheidenheid dat het bestreden decreet nastreeft, alsook naar het voormelde Verdrag van 20 oktober
- A.
- EFAD beklemtoont dat een bijdrageplichtige die een grotere omzet heeft noodzakelijkerwijs een grotere bijdragecapaciteit heeft, zodat het legitiem, economisch rationeel en niet-discriminerend is om hem een ho