← België

ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.037

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 02 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.037 Arrest- Rolnummer: 37/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-04-13 Raadplegingen: 514 - laatst gezien 2026-06-18 13:50 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Vernietiging (de woorden « de documenten in het dossier te raadplegen » in artikel 16/4 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 mei 2004, zoals ingevoegd bij artikel 30 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 april 2024) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 30 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 april 2024 « houdende hervorming van het bestuur van de ' Office de la Naissance et de l'Enfance ' » (invoeging van een artikel 16/4 in het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 mei 2004 « betreffende de hulpverlening aan mishandelde kinderen »), ingesteld door de vzw « Fédération des équipes SOS Enfants en Communauté française de Belgique » en anderen. Jeugdbescherming - Franse Gemeenschap - Hulpverlening aan mishandelde kinderen - Analyse van de procedures en van de werking van de teams SOS Kinderen - Het binnen de ONE opgerichte onafhankelijke adviesorgaan - Individuele klachten - Recht van de klager om de dossierstukken te raadplegen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 37/2026 van 2 april 2026 Rolnummer : 8384 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 30 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 april 2024 « houdende hervorming van het bestuur van de ‘ Office de la Naissance et de l’Enfance ’ » (invoeging van een artikel 16/4 in het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 mei 2004 « betreffende de hulpverlening aan mishandelde kinderen »), ingesteld door de vzw « Fédération des équipes SOS Enfants en Communauté française de Belgique » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit rechter Thierry Giet, waarnemend voorzitter, voorzitter Luc Lavrysen, en de rechters Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van rechter Thierry Giet, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 5 december 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 9 december 2024, is beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 30 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 april 2024 « houdende hervorming van het bestuur van de ‘ Office de la Naissance et de l’Enfance ’ » (invoeging van een artikel 16/4 in het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 mei 2004 « betreffende de hulpverlening aan mishandelde kinderen »), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 7 juni 2024, ingesteld door de vzw « Fédération des équipes SOS Enfants en Communauté française de Belgique », de vzw « Action Luxembourg Enfance maltraitée », de vzw « Aide Enfants-Familles Brabant Wallon », de vzw « SOS Enfants Mons-Borinage », Isabelle Gilain, Céline Layon, Amélie Leleu en Sophie Vanhalewyn, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Marc Verdussen, advocaat bij de balie te Brussel. 2 Memories zijn ingediend door : - de Orde der artsen, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Bruno Fonteyn, advocaat bij de balie te Brussel (tussenkomende partij); - de Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Marc Nihoul, advocaat bij de balie van Waals-Brabant. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de tussenkomende partij heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 11 februari 2026 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte –A– Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep en van de tussenkomst A.1.

  1. De verzoekende partijen zijn de vzw « Fédération des équipes SOS Enfants en Communauté française de Belgique », drie teams SOS Kinderen die krachtens het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 mei 2004 « betreffende de hulpverlening aan mishandelde kinderen » (hierna : het decreet van 12 mei 2004) erkend en gesubsidieerd zijn in de Franse Gemeenschap, en opgericht zijn in de vorm van een vzw, en vier natuurlijke personen die in die teams werken in de hoedanigheid van jurist of psycholoog. Zij vorderen de vernietiging van de woorden « de documenten in het dossier te raadplegen » in artikel 16/4 van het decreet van 12 mei 2004, zoals ingevoegd bij artikel 30 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 april 2024 « houdende hervorming van het bestuur van de ‘ Office de la Naissance et de l’Enfance ’ » (hierna : het decreet van 18 april 2024). A.1.
  2. De Orde der artsen komt tussen in de procedure om het beroep tot vernietiging te ondersteunen. Zij doet gelden dat zij belang heeft om tussen te komen teneinde de voorwaarden van de vertrouwensrelatie tussen artsen en patiënten te beschermen, waarvan het beroepsgeheim deel uitmaakt. Zij geeft aan dat het Hof meermaals het belang van andere beroepsordes om het beroepsgeheim te verdedigen, heeft erkend. A.
  3. De Franse Gemeenschapsregering gedraagt zich naar de wijsheid van het Hof wat betreft het belang van de verzoekende partijen om in rechte te treden en wat betreft de bevoegdheid van het Hof. Zij merkt evenwel op dat het belang van de verzoekende partijen niet verworven is in zoverre « het dossier waartoe toegang wordt gegeven in de praktijk is samengesteld uit informatie die [door hen] werd overgemaakt ». Zij is bovendien van mening dat de door de verzoekende partijen aangevoerde schending niet voortvloeit uit de bestreden bepaling, maar uit de manier waarop het dossier in de praktijk wordt samengesteld, waarvoor het Hof niet bevoegd is. 3 A.
  4. De verzoekende partijen en de tussenkomende partij zijn van mening dat de voormelde opmerkingen van de Franse Gemeenschapsregering op onjuiste premissen steunen. Ten aanzien van het eerste middel A.4.
  5. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 16 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling, in zoverre zij de klager toelaat toegang te krijgen tot de stukken uit het dossier van het kind dat door het team SOS Kinderen wordt samengesteld en bijgehouden, een niet redelijk verantwoorde inmenging in het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven van het betrokken kind en, in voorkomend geval, van iedere andere persoon die informatie aan het team SOS Kinderen heeft toevertrouwd, met zich meebrengt. Zij herinneren eraan dat de voormelde referentienormen vereisen dat elke inmenging in het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven bij een voldoende precieze wetsbepaling wordt vastgesteld, dat zij aan een dwingende maatschappelijke behoefte beantwoordt en dat zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. A.4.
  6. In de eerste plaats zijn de verzoekende partijen van mening dat de bestreden bepaling niet voldoende precies is. In de aan de decreetgever voorbehouden aangelegenheden kan de decreetgever enkel de niet-essentiële elementen delegeren aan de uitvoerende macht. Te dezen legt de decreetgever voor de klager echter een recht vast om het dossier van het kind te raadplegen, waarbij hij de verantwoordelijkheid om de essentiële elementen van dat recht te bepalen aan de Regering overlaat. Bovendien moet de bestreden bepaling, in zoverre zij de strafrechtelijk beschermde verplichting die het beroepsgeheim is, beperkt, voldoen aan het algemene beginsel van de voorzienbaarheid van de strafbaarstelling. De verzoekende partijen verwijzen in dat opzicht naar het arrest van het Hof nr. 115/2024 van 7 november 2024 (ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.115). De verzoekende partijen voeren in de tweede plaats aan dat de inmenging in het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven niet aan een dwingende maatschappelijke behoefte beantwoordt. Enerzijds beschikt het adviesorgaan bedoeld in artikel 16/1, § 1, eerste lid, van het decreet van 12 mei 2004, zoals ingevoegd bij artikel 27 van het decreet van 18 april 2024, over een bevoegdheid die is beperkt tot de analyse van de « procedures » en de « werking » van de teams SOS Kinderen, met uitsluiting van de klinische en ethische aspecten van de dossiers die door die teams worden beheerd. Daaruit volgt dat de klachten die onder de bevoegdheid van dat adviesorgaan vallen, betrekking hebben op, bijvoorbeeld, de weigering van een team om een situatie in handen te nemen of op de traagheid daarvan. De raadpleging van het dossier van het kind door de klager is niet nuttig in het kader van dat type klachten. Anderzijds maakt de bestreden bepaling het recht om het dossier van het kind te raadplegen afhankelijk van het statuut van klager, en dus van het feit dat reeds een klacht werd ingediend. De raadpleging van het dossier van het kind door de klager nadat die een klacht heeft ingediend, beantwoordt evenmin aan een dwingende maatschappelijke behoefte. De verzoekende partijen zijn in de derde plaats van mening dat de inmenging in het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven onevenredig is, in zoverre het recht om het dossier van het kind te raadplegen niet onderworpen is aan enige voorwaarde of beperking en niet gepaard gaat met modaliteiten. Gelet op de zeer delicate en intieme aard van de gegevens in het dossier van het kind en op het feit dat het dossier een geheel vormt, zou het in elk geval moeilijk zijn het recht op toegang te beperken tot bepaalde stukken. Het is in het belang van de betrokken personen, en dat van het kind in het bijzonder, om elke toegang tot het dossier van het kind uit te sluiten. De verzoekende partijen verwijzen in dat opzicht naar de aanbeveling CM/Rec

(2011)12 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 16 november 2011 « inzake kinderrechten en kind- en gezinsvriendelijke sociale diensten ». De verzoekende partijen doen op basis van verschillende voorbeelden gelden dat er een ernstig risico bestaat dat klachten worden ingediend met als enige doel toegang te hebben tot het dossier van het kind. Volgens hen kan de bestreden maatregel ook schade berokkenen aan andere personen dan het kind. Zij zijn van mening dat het gebrek aan toelichting daaromtrent in de parlementaire voorbereiding bevestigt dat de decreetgever overhaast te werk is gegaan, zonder de impact in aanmerking te nemen van de bestreden bepaling op het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven van de betrokken personen, en zonder een evenwicht te bewerkstelligen tussen de aanwezige belangen. A.
  1. De Orde der artsen sluit zich aan bij de argumentatie van de verzoekende partijen. Zij voegt eraan toe dat de met de bestreden maatregel nagestreefde doelstelling niet uit de bestreden bepaling, noch uit de parlementaire voorbereiding blijkt. De middelen die het adviesorgaan moet aanwenden om de nodige informatie 4 vanwege de teams SOS Kinderen te krijgen, met inbegrip van die welke onder het beroepsgeheim valt, worden evenmin gepreciseerd. Het recht op toegang van de klager tot alle dossierstukken is daarentegen onvoorwaardelijk. De Orde der artsen doet gelden dat de leden van de teams SOS Kinderen onder het toepassingsgebied van artikel 458 van het Strafwetboek vallen. Het nieuwe decretale kader preciseert evenwel niets over de eerbiediging van het beroepsgeheim door de teamleden. Er wordt uitsluitend bepaald dat de leden van het adviesorgaan en de door dat orgaan uitgenodigde personen « zijn gebonden aan het beroepsgeheim en de regels inzake het gedeelde beroepsgeheim met betrekking tot hun activiteiten als lid van het adviesorgaan ». De Orde der artsen vraagt zich af of daaruit moet worden afgeleid dat de overdracht aan dat orgaan, door de leden van de teams SOS Kinderen, van gegevens die onder het beroepsgeheim vallen, wordt opgelegd of toegestaan op grond van het beginsel van het « gedeeld beroepsgeheim ». Zij merkt op dat dat begrip een concept in de rechtsleer en in de rechtspraak is dat niet door een wetgevende norm is afgebakend. Volgens de Orde der artsen beantwoordt het delen van gegevens die onder het beroepsgeheim vallen met een persoon of een entiteit die die gegevens moet meedelen, niet aan de criteria van het « gedeeld beroepsgeheim ». De bestreden bepaling laat de adressaat ervan niet toe om op voorzienbare wijze de hypotheses te begrijpen waarin de decreetgever een inmenging in de uitoefening van het recht op bescherming van persoonsgegevens en/of de afwijking van het beroepsgeheim toelaat. Evenmin blijkt dat de decreetgever een dwingende maatschappelijke behoefte nastreeft. De Orde der artsen merkt op dat de klacht niet kan worden ingediend om de rechten van de klager te waarborgen of te vrijwaren, maar dat zij tot doel moet hebben de werking van de teams SOS Kinderen te verbeteren, in het belang van het kind. Aangezien de klager niet het algemeen belang behartigt, is er geen dwingende reden van algemeen belang die kan verantwoorden dat hij toegang tot het dossier heeft. Uit artikel 16/1, § 3, van het decreet van 12 mei 2004 blijkt bovendien dat de klachtenprocedure ook geen mechanisme is om een gebrekkige zorgverlening door de teams SOS Kinderen ten gunste van een bepaalde minderjarige te verhelpen. Het betreft een procedure met een louter adviserend doel, die dient te waarborgen dat de voormelde teams goede praktijken inzake het beheer van mishandelingsdossiers hanteren, ten behoeve van alle minderjarigen met wie zij in de toekomst in aanraking zullen komen. A.
  2. Volgens de Franse Gemeenschapsregering is er nog geen besluit genomen ter uitvoering van de bestreden bepaling, zodat het recht van de klager om de dossierstukken te raadplegen « momenteel geenszins is gedefinieerd » en de in de bestreden bepaling vastgestelde waarborg « noodzakelijkerwijs, op het gepaste ogenblik, zal moeten worden geïnterpreteerd in overeenstemming met de in de middelen beoogde bepalingen ». De Franse Gemeenschapsregering voert bovendien aan dat het in de bestreden bepaling beoogde dossier het klachtendossier is dat door het adviesorgaan wordt bijgehouden, en niet het dossier dat door het team SOS Kinderen wordt bijgehouden. Volgens haar is het dossier waarvan sprake in de bestreden bepaling samengesteld uit informatie of documenten die betrekking hebben op de procedure of de werking van het team, die door de klager en door het betrokken team SOS Kinderen werden overgemaakt en die voortvloeien uit het onderzoek en de behandeling van de klacht door het adviesorgaan. Volgens de Franse Gemeenschapsregering moet het betrokken team SOS Kinderen « de informatie of documenten [die het overmaakt] selecteren volgens het precieze doel van de klacht en de concrete omstandigheden ervan, desnoods bepaalde informatie of documenten overmaken zonder de vertrouwelijke informatie die door het beroepsgeheim of het privéleven wordt beschermd », en moet het adviesorgaan « ook naargelang van de omstandigheden selecteren ». De Franse Gemeenschapsregering voegt eraan toe dat de teams SOS Kinderen reeds geconfronteerd worden met verzoeken om toegang te krijgen tot de dossiers die zij bijhouden en dat zij daarop antwoorden, in de context van vechtscheidingen, met eerbiediging van het beroepsgeheim, van het medisch dossier, van het privé- en gezinsleven en van het belang van het kind. Zij is van mening dat de bestreden bepaling, in de door haar voorgestelde interpretatie van het begrip « dossier » dat in die bepaling is vervat, de aangevoerde referentienormen niet schendt. A.
  3. In tegenstelling tot hetgeen de Franse Gemeenschapsregering aanvoert, is het dossier van het adviesorgaan volgens de verzoekende partijen hoofdzakelijk samengesteld uit stukken afkomstig uit het dossier dat door het in de klacht beoogde team SOS Kinderen wordt bijgehouden, zoals blijkt uit artikel 14, §§ 1 en 4, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 1 februari 2024 « over de verwerking van persoonsgegevens in het kader van ondersteunende opdrachten, preventieve geneeskundeprogramma’s en ouderschapsondersteuningsprogramma’s van het Office de la Naissance et de l'Enfance ». Sommige in die bepaling 5 opgesomde gegevens zijn bijzonder gevoelig. Zij worden verzameld door de « Office de la naissance et de l’enfance » (hierna : de ONE) met het oog op de verwerking ervan door het adviesorgaan dat binnen de ONE is opgericht. De verzoekende partijen betwisten bovendien het standpunt van de Franse Gemeenschapsregering dat het betrokken team SOS Kinderen de informatie of documenten zou selecteren die aan het adviesorgaan moeten worden overgemaakt. Ten eerste steunt dat standpunt op geen enkele wettelijke basis. Ten tweede is het het adviesorgaan dat ermee wordt belast de nodige documenten voor de behandeling van klachten te verzamelen, met inbegrip van de stukken die betrekking hebben op het privé- en gezinsleven van het kind. Indien het dossier waarvan sprake in de bestreden bepaling geen stukken zou bevatten die onder het beroepsgeheim vallen, zou de in artikel 16/3, § 5, van het decreet van 12 mei 2004 vervatte verplichting om de regels in verband met het gedeeld beroepsgeheim na te leven, geen zin hebben. Het is bovendien denkbeeldig te veronderstellen dat de teams SOS Kinderen vrij zouden kunnen weigeren om gevolg te geven aan een verzoek om stukken uit het dossier van het kind over te maken, aangezien die teams door de ONE opgevolgd, erkend en gesubsidieerd worden. Ten derde voorziet geen enkele bepaling erin dat de teams SOS Kinderen of het adviesorgaan bepaalde stukken uit het dossier van het kind mogen selecteren waartoe de klager toegang zou hebben. Als een dergelijke mogelijkheid bestond, zou zij in de praktijk in ieder geval niet kunnen worden toevertrouwd aan de teams SOS Kinderen, want zulks zou altijd aanleiding kunnen geven tot de verdenking van een gebrek aan medewerking met het adviesorgaan. De door de verzoekende partijen gevorderde vernietiging brengt de regeling voor het beheer van klachten die bij het decreet van 18 april 2024 is ingevoerd, niet in het geding. Het voorbehoud van interpretatie dat de Franse Gemeenschapsregering lijkt te suggereren, zou het Hof ertoe brengen artikel 16/4 van het decreet van 12 mei 2004 te herschrijven, hetgeen niet denkbaar is. Het is onmogelijk een onderscheid te maken tussen de informatie van het dossier die tot het privé- en gezinsleven van de betrokken personen behoort en de informatie die niet daartoe behoort. Er bestaan bovendien verschillende manieren om de samenstelling in te vullen van het dossier waartoe de klager toegang zou moeten hebben, hetgeen aan de decreetgever staat om te beoordelen. Ten slotte, wanneer de klager de patiënt is, is de toegang tot het dossier dat door het team SOS Kinderen wordt bijgehouden reeds gewaarborgd bij de wet van 22 augustus 2002 « betreffende de rechten van de patiënt » (hierna : de wet van 22 augustus 2002). A.
  4. De Orde der artsen is van mening dat de bestreden bepaling, in de interpretatie die door de Franse Gemeenschapsregering wordt voorgesteld, eveneens de in het eerste middel beoogde referentienormen schendt. Die bepaling brengt, los van de interpretatie ervan, een inmenging in het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven met zich mee die niet door een voldoende precieze wetsbepaling is voorgeschreven, zoals de Franse Gemeenschapsregering zelf erkent wanneer zij uiteenzet dat het recht van de klager om de stukken uit het dossier te raadplegen « momenteel geenszins is gedefinieerd ». Ten aanzien van het tweede middel A.
  5. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling, in zoverre zij de klager toelaat toegang te hebben tot de stukken uit het dossier van het kind dat door het team SOS Kinderen wordt samengesteld en bijgehouden, afbreuk doet aan het belang van het betrokken kind. Volgens de verzoekende partijen toont de parlementaire voorbereiding van het decreet van 18 april 2024 aan dat de decreetgever geen rekening heeft gehouden met het hoger belang van het kind bij het nemen van de bestreden maatregel. A.
  6. De Orde der artsen sluit zich aan bij de argumentatie van de verzoekende partijen. Zij voegt eraan toe dat de grondwettelijke vereiste dat het kind wordt betrokken bij de uitoefening van zijn rechten volgens zijn leeftijd en zijn maturiteit des te belangrijker is daar het door de teams SOS Kinderen opgevolgde kind ook een patiënt is. Om die reden geniet het de overeenkomstige vereiste bepaald bij artikel 12, § 2, van de wet van 22 augustus
  7. De onvoorwaardelijke overdracht aan de klager van gegevens die onder het beroepsgeheim vallen, is nadelig voor het belang van het betrokken kind, in het bijzonder in de hypotheses waarin de klager de dader van de veronderstelde mishandeling is. Een dergelijke toegang tot de persoonsgegevens van de patiënt, die in het geheim werden toevertrouwd, miskent de autonomie van het minderjarige kind, zonder dat valt in te zien wat een automatische voorrang van het belang van de klager op dat van het kind verantwoordt. De bestreden bepaling laat 6 toe dat op onherstelbare wijze afbreuk wordt gedaan aan het belang van het betrokken kind, zonder in een specifiek beschermingsmechanisme te voorzien. Door het vertrouwen van het kind in het medisch personeel en de gezondheidsdiensten te ondermijnen, doet de bestreden bepaling ook afbreuk aan het belang van alle kinderen die nu of in de toekomst door de teams SOS Kinderen in de Franse Gemeenschap worden opgevolgd. De Orde der artsen verwijst naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 oktober 2022 in zake Mortier t. België (ECLI:CE:ECHR:2022:1004JUD007801717) en naar het arrest van het Hof nr. 127/2013 van 26 september 2013 (ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.127). Het recht van de klager om een volledige kopie te krijgen van de stukken die onder het beroepsgeheim vallen, maakt het onmogelijk en op zijn minst ingewikkeld voor de teams SOS Kinderen om het nodige vertrouwen te creëren opdat het kind zijn beklag kan doen. A.
  8. Wat het standpunt van de Franse Gemeenschapsregering met betrekking tot het tweede middel betreft, wordt verwezen naar de uiteenzettingen in antwoord op het eerste middel. -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling B.1.
  9. Het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 mei 2004 « betreffende de hulpverlening aan mishandelde kinderen » (hierna : het decreet van 12 mei 2004) bepaalt de opdrachten en de samenstelling van de « teams SOS Kinderen ». Het gaat om multidisciplinaire diensten die gespecialiseerd zijn in de individuele preventie, de evaluatie of het opmaken van de balans van situaties waarin kinderen mishandeld worden, evenals de zorgverlening in die situaties (artikel 1, 5°). Krachtens artikel 9 van het decreet van 12 mei 2004 hebben die diensten met name als opdracht een multidisciplinaire balans op te maken van de situatie van het kind en van de situatie in de familiekring waarin het leeft en ervoor te zorgen dat de gepaste hulp wordt verleend aan het kind dat mishandeld wordt of zich in een risicosituatie bevindt. Zij kunnen bovendien specifieke acties ondernemen om « in te spelen op nieuwe problemen zoals : de preventieve hulp aan toekomstige ouders wier milieu of gedrag de kans op mishandeling van het verwachte kind uitlokt […]; de therapeutische zorgverlening aan minderjarigen die strafbare feiten van seksuele aard gepleegd hebben » (artikel 10). Elk team SOS Kinderen omvat een huisarts of een kinderarts, een kinder- en jeugdpsychiater of een psychiater, een jurist, een maatschappelijk werker en een klinisch psycholoog (artikel 11). De teams SOS Kinderen die aan de bij het decreet van 12 mei 2004 bepaalde voorwaarden voldoen, worden door de Franse Gemeenschapsregering erkend en gesubsidieerd. 7 B.1.
  10. De artikelen 26 tot 30 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 april 2024 « houdende hervorming van het bestuur van de ‘ Office de la Naissance et de l’Enfance ’ » (hierna : het decreet van 18 april 2024) voegen de artikelen 16/1 tot 16/4 in het decreet van 12 mei 2004 in, die het nieuwe hoofdstuk VI vormen, met als opschrift « Beheer van klachten ». De memorie van toelichting van het decreet van 18 april 2024 vermeldt : « Invoering van een mechanisme voor het beheer van klachten ten aanzien van teams SOS Kinderen Er is in een wijziging van het decreet van 12 mei 2004 betreffende de hulpverlening aan mishandelde kinderen voorzien om daarin een specifiek mechanisme voor het beheer van klachten in te voegen. Het decreet van 12 mei 2004 regelt immers de werking van de teams SOS Kinderen, maar voorziet niet in specifieke bepalingen voor het onderzoek van klachten tegen de teams SOS Kinderen. De ONE ontvangt evenwel elk jaar enkele klachten van ouders die bepaalde tekortkomingen aanklagen vanwege het team SOS Kinderen dat hun situatie op zich heeft genomen. Zowel bepaalde klagers als teams SOS Kinderen die op die klachten moeten antwoorden, klagen ook de ontstentenis aan van een wettelijk kader voor het beheer van klachten » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2023-2024, nr. 694/1, p. 8). B.1.
  11. Het nieuwe artikel 16/1, zoals ingevoegd in het decreet van 12 mei 2004 bij artikel 27 van het decreet van 18 april 2024, richt binnen de « Office de la naissance et de l’enfance » (hierna : de ONE) een onafhankelijk adviesorgaan op dat de opdracht heeft om, op basis van individuele klachten, de procedures en de werking van de teams SOS Kinderen te analyseren. De klachten moeten betrekking hebben op de situatie van een minderjarige die door een team SOS Kinderen is opgevangen en het moet gaan om de procedure of de manier waarop het team werkt. Ze mogen pas worden ingediend wanneer de opname is beëindigd. De klager is de minderjarige zelf, een persoon die het ouderlijk gezag uitoefent, de vertegenwoordiger van de minderjarige, de voogd van de minderjarige of een rechtspersoon die kan bewijzen dat hij toezicht houdt op de individuele situatie van de minderjarige. Het adviesorgaan kan geen klachten behandelen die reeds het voorwerp uitmaken van een gerechtelijke procedure en het is niet bevoegd voor klachten met betrekking tot zuiver klinische of ethische aspecten. Krachtens het nieuwe artikel 16/2, zoals ingevoegd in het decreet van 12 mei 2004 bij artikel 28 van het decreet van 18 april 2024, zijn de adviezen van het orgaan raadgevend van aard. 8 B.1.
  12. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de woorden « de documenten in het dossier te raadplegen » in artikel 16/4, zoals ingevoegd in het decreet van 12 mei 2004 bij artikel 30 van het decreet van 18 april
  13. Dat artikel 16/4 bepaalt : « De regering stelt de regels vast voor de werking van het adviesorgaan, de procedure voor de benoeming en het ontslag van de leden en het bedrag van hun vergoeding. Het garandeert het recht van de klager om gehoord te worden, de documenten in het dossier te raadplegen en vergezeld te worden door een vertrouwenspersoon. Het garandeert ook dat het team waarover de klacht gaat, door het adviesorgaan op de hoogte wordt gesteld zodra het een klacht tegen het team ontvangt, en dat het team door het adviesorgaan wordt gehoord ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep B.2.
  14. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.2.
  15. Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar statutair doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd. B.2.
  16. Volgens haar statuten heeft de vzw « Fédération des équipes SOS Enfants en Communauté française de Belgique », eerste verzoekende partij, met name tot doel de diensten SOS Kinderen te vertegenwoordigen om de manier waarop zij optreden te promoten, hun positie te doen erkennen en de nodige middelen voor de vervulling van hun opdracht te krijgen. De tweede tot en met de vierde verzoekende partij zijn in de Franse Gemeenschap erkende en gesubsidieerde teams SOS Kinderen. Al die verzoekende partijen voeren aan dat het beoogde dossier datgene is dat door het team SOS Kinderen wordt samengesteld over de minderjarige van wie de zorgverlening het voorwerp van de klacht vormt. Aldus wordt hun situatie rechtstreeks en ongunstig door de bestreden bepaling geraakt, in zoverre die laatste tot gevolg 9 heeft dat aan iedere persoon die een klacht bij het bij de ONE ingestelde onafhankelijke adviesorgaan heeft ingediend het recht wordt toegekend om de stukken « in het dossier » te raadplegen. Hetzelfde geldt voor de vijfde tot en met de achtste verzoekende partij, die aan dat dossier documenten en informatie toegevoegd kunnen hebben die vallen onder het beroepsgeheim waartoe zij zijn gehouden, aangezien het recht van de klager om toegang te hebben tot die documenten en informatie het risico inhoudt dat de vertrouwensrelatie die noodzakelijk is voor de zorgverlening door het team SOS Kinderen aan de minderjarige, wordt verhinderd. Voor het overige, in zoverre de Franse Gemeenschapsregering aanvoert dat het beroep op een onjuiste interpretatie van de bestreden bepaling berust, valt het onderzoek van die exceptie samen met dat van de middelen. Ten aanzien van het eerste middel B.
  17. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 16 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling de klager toelaat toegang te hebben tot het dossier dat wordt samengesteld en bijgehouden door het team SOS Kinderen dat in de klacht wordt beoogd, hetgeen niet alleen een onverantwoorde inmenging zou betekenen in het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven van de betrokken minderjarige en, in voorkomend geval, van andere personen die bij de situatie van die minderjarige betrokken zijn, maar ook een aantasting van het beroepsgeheim van de teamleden die zijn opgetreden om de minderjarige op te vangen. B.4.
  18. Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : «
  19. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. 10
  20. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». Artikel 16 van het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt : «
  21. Geen enkel kind mag worden onderworpen aan willekeurige of onrechtmatige inmenging in zijn privé-leven, in zijn gezinsleven, zijn huis of zijn briefwisseling, noch aan enige onrechtmatige aantasting van zijn eer en goede naam.
  22. Het kind heeft recht op bescherming door de wet tegen zodanige inmenging of aantasting ». B.4.
  23. Het recht op eerbiediging van het privéleven, zoals gewaarborgd bij artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, heeft als essentieel doel de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven. Het voorstel dat is voorafgegaan aan de aanneming van artikel 22 van de Grondwet beklemtoonde « de bescherming van de persoon, de erkenning van zijn identiteit en de belangrijkheid van zijn ontplooiing en die van zijn gezin » en het onderstreepte de noodzaak om het privéleven en het gezinsleven te beschermen tegen « inmenging, onder meer als gevolg van de onafgebroken ontwikkeling van de informatietechnieken, wanneer maatregelen van opsporing, onderzoek en controle door de overheid en particuliere instellingen worden uitgevoerd bij het uitoefenen van hun functie of hun activiteit » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 100-4/2°, p. 3). In dat voorstel werd eveneens aangegeven dat de wetgever « het recht op de eerbiediging van het privé-leven en het gezinsleven op geen enkele wijze mag uithollen; anders schendt hij niet alleen een grondwetsregel maar ook internationale rechtsregels » (ibid.). Het recht op eerbiediging van het privéleven heeft een ruime draagwijdte en omvat, onder meer, de bescherming van persoonsgegevens en van persoonlijke informatie. Met name de volgende gegevens en informatie betreffende personen vallen onder de bescherming van dat recht : de naam, het adres, de professionele activiteiten, de persoonlijke relaties, digitale vingerafdrukken, camerabeelden, foto’s, communicatiegegevens, DNA-gegevens, gerechtelijke gegevens (veroordeling of verdenking), financiële gegevens, informatie over bezittingen en medische gegevens (zie onder meer EHRM, 26 maart 1987, Leander t. Zweden, 11 ECLI:CE:ECHR:1987:0326JUD000924881, §§ 47-48; grote kamer, 4 december 2008, S. en Marper t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:1204JUD003056204, §§ 66-68; 13 oktober 2020, Frâncu t. Roemenië, ECLI:CE:ECHR:2020:1013JUD006935613, § 51). B.4.
  24. Het recht op eerbiediging van het privéleven is evenwel niet absoluut. Artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens sluiten een overheidsinmenging in de uitoefening van dat recht niet uit, voor zover zij wordt toegestaan door een voldoende precieze wettelijke bepaling, zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte in een democratische samenleving en zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. De wetgever beschikt ter zake over een beoordelingsvrijheid. Die vrijheid is evenwel niet onbegrensd : opdat een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven, is vereist dat de wetgever een billijk evenwicht heeft ingesteld tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn. B.4.
  25. Een houder van het beroepsgeheim moet in principe elke vertrouwelijke mededeling die is verkregen in de omstandigheden vermeld in artikel 458 van het Strafwetboek, geheimhouden. Dat artikel bepaalt : « Geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte of voor een parlementaire onderzoekscommissie getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet, het decreet of de ordonnantie hen verplicht of toelaat die geheimen bekend te maken, worden gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar en een geldboete van honderd euro tot duizend euro of met een van die straffen alleen ». De geheimhoudingsplicht, die door de wetgever aan de houder van het beroepsgeheim is opgelegd, heeft hoofdzakelijk tot doel het fundamentele recht op eerbiediging van het privéleven te beschermen van diegene die iemand in vertrouwen neemt, soms over iets heel persoonlijks. Daarenboven is de inachtneming van het beroepsgeheim de conditio sine qua non voor het instellen van een vertrouwensband tussen de houder van het geheim en de persoon die iemand in vertrouwen neemt. Die vertrouwensband maakt het voor de houder van het beroepsgeheim mogelijk de persoon die hem in vertrouwen neemt op dienstige wijze bijstand te verlenen. 12 B.5.
  26. Volgens de Franse Gemeenschapsregering is het dossier waartoe de bestreden bepaling toegang geeft, niet het dossier van de minderjarige dat is samengesteld door het team SOS Kinderen dat door de klacht wordt beoogd. Zij voert in haar memorie aan dat het een « klachtendossier [betreft] dat wordt bijgehouden door [het onafhankelijke adviesorgaan waaraan de klacht is gericht], dat bestaat uit informatie of documenten die betrekking hebben op de procedure en de werking van het team, overgemaakt op verzoek van het orgaan door de partijen bij de klacht, namelijk de klagers en het betrokken team, dat wordt verzocht de overgemaakte informatie of documenten te selecteren naargelang van het precieze voorwerp van de klacht en de concrete omstandigheden ervan, waarbij bepaalde informatie of documenten kunnen worden overgemaakt zonder de vertrouwelijke informatie die door het beroepsgeheim of het privéleven is beschermd ». B.5.
  27. De procedure voor de behandeling van klachten die bij de nieuwe artikelen 16/1 tot 16/4 van het decreet van 12 mei 2004 is ingevoerd, heeft betrekking op « de procedure of de manier waarop het team werkt » (artikel 16/1, § 3), maar moet verplicht aan « een individueel dossier » zijn verbonden (artikel 16/1, § 2). Bijgevolg betreft die procedure noodzakelijkerwijs de situatie van een minderjarige voor wie het team SOS Kinderen heeft gezorgd of eventueel die van een minderjarige voor wie een team SOS Kinderen heeft geweigerd of heeft nagelaten te zorgen. Rekening houdend met de aard van de opdrachten van de teams SOS Kinderen, die zeer gevoelige aspecten in verband met het privéleven van de betrokken persoon raken, lijkt het weinig waarschijnlijk dat een klacht die hun werking in verband met een individueel dossier betreft, door het onafhankelijke adviesorgaan kan worden behandeld zonder aan dat orgaan elementen mee te delen die tot het privéleven van de betrokken minderjarige en, in voorkomend geval, van andere personen uit zijn omgeving behoren. Het dossier dat door het onafhankelijke adviesorgaan wordt bijgehouden, zelfs in de veronderstelling dat het niet alle stukken uit het door het team SOS Kinderen samengestelde dossier van de minderjarige bevat, bevat dus noodzakelijkerwijs elementen die behoren tot het privéleven van de minderjarige en, in voorkomend geval, van zijn familieleden of personen uit zijn omgeving, alsook informatie die onder het beroepsgeheim van de teamleden valt. Zelfs in de interpretatie die door de Franse Gemeenschapsregering wordt voorgesteld, houdt de bestreden bepaling, door het recht te waarborgen van de klager om « de documenten in het dossier te raadplegen », dus niet alleen een inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven van de betrokken minderjarige en, in voorkomend geval, van zijn familieleden of de personen uit zijn omgeving in, maar ook 13 een beperking van het beroepsgeheim van de teamleden. Bijgevolg moet die inmenging bij een voldoende precieze wetsbepaling worden toegestaan, beantwoorden aan een dwingende maatschappelijke behoefte in een democratische samenleving en evenredig zijn met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. B.6.
  28. Noch de bestreden bepaling, noch enige andere bepaling van het decreet van 12 mei 2004, noch de parlementaire voorbereiding van dat decreet, laten toe met zekerheid de inhoud van het « dossier » of de aard van de « stukken van het dossier » te bepalen waarvan het recht van raadpleging aan de klager wordt gewaarborgd. Het bepalen van de dossierstukken die door de klager kunnen worden geraadpleegd, is evenwel essentieel om de minderjarige, zijn familieleden en de personen uit zijn omgeving toe te laten de omvang van de mogelijke inmenging, in geval van een klacht, in hun recht op eerbiediging van het privéleven te bepalen en om, bijgevolg, te beoordelen of het opportuun is om elementen die tot hun privéleven behoren aan het team SOS Kinderen toe te vertrouwen. De omstandigheid dat de inhoud van het dossier zich leent tot wezenlijk verschillende interpretaties, zoals ook blijkt uit hetgeen is vermeld in B.5.1, bevestigt dat dat element niet voldoende nauwkeurig is gedefinieerd. Daaruit volgt dat de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven niet bij een voldoende precieze wetsbepaling is voorgeschreven. B.6.
  29. Noch de tekst van de bestreden bepaling, noch de parlementaire voorbereiding laat toe het doel te identificeren dat de decreetgever nastreefde wanneer hij het recht van de klager om de dossierstukken te raadplegen, heeft gewaarborgd. Dat doel blijkt evenmin uit de memorie van de Franse Gemeenschapsregering. Het binnen de ONE opgerichte onafhankelijke adviesorgaan heeft als opdracht om, op basis van individuele klachten, de procedures en de werking van de teams SOS Kinderen te analyseren (artikel 16/1, § 1, eerste lid). Dat orgaan brengt na zijn analyse een advies uit met een raadgevend karakter (artikel 16/2, eerste lid). Het doel van de aanhangigmaking bij het orgaan en van de analyse die het uitvoert op basis van het individuele dossier is om « het algemeen belang van het kind en de werking van de teams te waarborgen », hetgeen verklaart waarom de adviezen die het uitbrengt systematisch aan de ONE worden meegedeeld en zij « in voorkomend geval, kunnen worden gebruikt in het kader van de controle van de erkenningen van de teams SOS Kinderen » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2023-2024, nr. 694/1, p. 14). Artikel 16/1, § 4, van het decreet van 12 mei 2004 preciseert dat het orgaan 14 niet bevoegd is voor klachten met betrekking tot louter klinische of ethische aspecten. In dat opzicht komt het de klager toe om de zaak bij de bevoegde rechtbanken aanhangig te maken indien hij van mening is dat een werknemer binnen een team SOS Kinderen aansprakelijk is (ibid.). Het advies van het onafhankelijke orgaan heeft bijgevolg geen betrekking op de erkenning van een individueel recht van de klager, die, door bij dat orgaan een klacht aanhangig te maken, geen belang nastreeft dat hem eigen is. Door aan de klager het recht te waarborgen om de dossierstukken te raadplegen, kan de decreetgever aldus niet tot doel hebben gehad om de eerbiediging van de rechten van verdediging van die laatste te waarborgen. De procedure voor het adviesorgaan beoogt immers niet de beslechting van een concreet geschil tussen een team SOS Kinderen en de klager, en zij kan niet leiden tot de erkenning van schade die hij zou beweren te hebben geleden. De klager die het herstel wil krijgen van een nadeel dat voortkomt uit de fout van een of meerdere leden van een team SOS Kinderen moet zich daarvoor tot de bevoegde rechtscolleges richten. In de huidige stand van de decreetgeving laat de gehele context van de bestreden bepaling dus niet toe te bepalen aan welke dwingende maatschappelijke behoefte in een democratische samenleving het recht van de klager om de dossierstukken te raadplegen, beantwoordt. B.
  30. Het recht van de klager om de dossierstukken te raadplegen in het kader van de analyse van de procedures en van de werking van de teams SOS Kinderen, uitgevoerd door het binnen de ONE opgerichte onafhankelijke adviesorgaan, vormt in de huidige stand van de decreetgeving een onverantwoorde inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven van de minderjarige en, in voorkomend geval, van zijn familieleden en de personen uit zijn omgeving die bij de situatie betrokken zijn, van wie de zorgverlening door de klacht wordt beoogd. Het eerste middel is gegrond. De woorden « de documenten in het dossier te raadplegen » in artikel 16/4, zoals ingevoegd in het decreet van 12 mei 2004 bij artikel 30 van het decreet van 18 april 2024, dienen te worden vernietigd. Aangezien het tweede middel niet tot een ruimere vernietiging kan leiden, dient het niet te worden onderzocht. 15 Om die redenen, het Hof vernietigt de woorden « de documenten in het dossier te raadplegen » in artikel 16/4 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 mei 2004 « betreffende de hulpverlening aan mishandelde kinderen », zoals ingevoegd bij artikel 30 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 april 2024 « houdende hervorming van het bestuur van de ‘ Office de la Naissance et de l’Enfance ’ ». Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 2 april
  31. De griffier, De wnd. voorzitter, Frank Meersschaut Thierry Giet PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.037 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.127 ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.115 ECLI:CE:ECHR:1987:0326JUD000924881 ECLI:CE:ECHR:2008:1204JUD003056204 ECLI:CE:ECHR:2020:1013JUD006935613 ECLI:CE:ECHR:2022:1004JUD007801717 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.