id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 02 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.038 Arrest- Rolnummer: 38/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-04-13 Raadplegingen: 394 - laatst gezien 2026-06-18 07:27 Versie(s): Versie FR Fiche - Schending (artikelen 40ter, § 2, tweede lid, 1°, en 42, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980, zoals van toepassing op de voor het verwijzende rechtscollege hangende zaken, in de interpretatie dat de bestaansmiddelen waarover de Belgische gezinshereniger die zijn recht van vrij verkeer niet heeft uitgeoefend, dient te beschikken opdat zijn partner een verblijfsrecht zou kunnen verkrijgen, uitsluitend de persoonlijke bestaansmiddelen van de gezinshereniger dienen te zijn) - Geen schending (dezelfde bepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat de bestaansmiddelen waarover de Belgische gezinshereniger die zijn recht van vrij verkeer niet heeft uitgeoefend, dient te beschikken opdat zijn partner een verblijfsrecht zou kunnen verkrijgen, niet uitsluitend de persoonlijke bestaansmiddelen van de gezinshereniger dienen te zijn) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen over de artikelen 40ter, § 2, tweede lid, 1°, en 42, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », gesteld door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Vreemdelingenrecht - Gezinshereniging - Belg die niet zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend - Voorwaarden - Stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen - Persoonlijke bestaansmiddelen van de Belgische gezinshereniger Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 38/2026 van 2 april 2026 Rolnummers : 8397 en 8398 In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 40ter, § 2, tweede lid, 1°, en 42, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », gesteld door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij twee arresten nrs. 318.729 en 318.724 van 17 december 2024, waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 19 december 2024, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden artikel 40ter, § 2, tweede lid, 1° van de Vreemdelingenwet in de versie vóór de wijzigingswet van 10 maart 2024, en artikel 42, § 1, tweede lid van dezelfde wet, zoals vervangen bij de wet van 8 juli 2011 en gewijzigd bij de wet van 4 mei 2016, samen gelezen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens, in de uitlegging volgens welke voor de beoordeling van de vereiste toereikende bestaansmiddelen, in het kader van de concrete behoeften van de statische Belg en zijn familieleden, voor gezinshereniging met een statische Belg, enkel rekening kan worden gehouden met de eigen bestaansmiddelen van de gezinshereniger of, met andere woorden, met die welke hij zelf heeft gegenereerd, terwijl in het geval van gezinshereniging met onderdanen van derde landen die vallen onder de artikelen 10 en 10bis van de Vreemdelingenwet tot omzetting van richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging, de herkomst van de vereiste bestaansmiddelen niet beslissend is volgens de uitlegging die het Hof van Justitie heeft gegeven aan artikel 7, eerste lid, c) van deze richtlijn ». 2 Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8397 en 8398 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - C.A. N.N., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Marc Demol, advocaat bij de balie te Bergen (in de zaak nr. 8398); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Tine Bricout, advocate bij de balie te Gent (in de zaak nr. 8397), en door mr. Sophie Matray, advocate bij de balie Luik-Hoei, en mr. Emilie Brousmiche, advocate bij de balie te Brussel (in de zaak nr. 8398). Memories van antwoord zijn ingediend door : - C.A. N.N.; - de Ministerraad (in de zaak nr. 8398). Bij beschikking van 28 januari 2026 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Joséphine Moerman en Emmanuelle Bribosia te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege in de zaak nr. 8397 heeft op 2 februari 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie, met als referentiepersoon haar wettelijk samenwonende partner, die de Belgische nationaliteit heeft. Die aanvraag wordt op 19 juli 2023 geweigerd. Een nieuwe aanvraag op 4 september 2023 leidt opnieuw tot een weigering, op 4 maart
- De verzoekende partij dient daarop een beroep in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het verwijzende rechtscollege stelt vast dat de weigering is gebaseerd op de vaststelling dat de referentiepersoon niet over voldoende bestaansmiddelen beschikt, en dat bij de behoefteanalyse op grond van artikel 42, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » enkel rekening werd gehouden met de bestaansmiddelen van de referentiepersoon en niet met die van de aanvrager. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt eveneens vast dat, in het licht van de recente rechtspraak het Hof van Justitie van de Europese Unie, bij de gezinshereniging met een derdelander die in België verblijft, geen rekening mag worden gehouden met de herkomst van de bestaansmiddelen bij de behoefteanalyse. Daarop stelt het rechtscollege de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. 3 De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege in de zaak nr. 8398 diende op 21 augustus 2023 een aanvraag tot gezinshereniging in, als wettelijk samenwonende partner van een referentiepersoon met de Belgische nationaliteit. Die aanvraag werd op 12 februari 2024 geweigerd, waarop een beroep werd ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Om dezelfde redenen als die vermeld met betrekking tot de zaak nr. 8397, stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dezelfde hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8398 voert aan dat de personen die een gezinshereniging aanvragen zich in vergelijkbare situaties bevinden, ongeacht of die hereniging plaatsvindt met een Belg, dan wel met een derdelander. Zij verwijst daarbij naar de rechtspraak van het Hof, waaruit blijkt dat de betrokken regelingen voor beide categorieën op identieke wijze zijn geformuleerd. Door die regelingen toch verschillend te interpreteren, ontstaat een verschil in behandeling dat niet redelijk verantwoord is, wat ook blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Voor het overige sluit de verzoekende partij zich aan bij de motivering van het verwijzingsarrest, inclusief met betrekking tot de pertinentie van de vraag. A.2.
- In de zaak nr. 8397 voert de Ministerraad aan dat de prejudiciële vraag onvoldoende specifiek is, omdat wordt vergeleken met alle derdelanders die de toepassing vragen van de artikelen 10 en 10bis van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980). Op zijn minst gaat het niet om vergelijkbare categorieën van personen. De Ministerraad betwijfelt ook of de prejudiciële vraag in beide zaken wel identiek is : de vraag in de zaak nr. 8398 lijkt betrekking te hebben op de volledige beoordeling van de bestaansmiddelen, terwijl de vraag in de zaak nr. 8397 enkel betrekking heeft op de subsidiaire beoordeling op grond van de behoefteanalyse. Ten gronde moet de prejudiciële vraag ontkennend worden beantwoord, met verwijzing naar de rechtspraak van het Hof en van de Raad van State. A.2.
- In de zaak nr. 8398 voert de Ministerraad aan dat de prejudiciële vraag niet nuttig is voor de zaak ten gronde, in zoverre die betrekking heeft op artikel 42, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980, aangezien die bepaling niet expliciet wordt aangehaald in de middelen van de verzoekende partij ten gronde. Bijgevolg mag het verwijzende rechtscollege daar evenmin rekening mee houden. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de vraag geen betrekking heeft op vergelijkbare categorieën van personen. Die categorieën verschillen op meerdere vlakken. Een Belg verblijft niet op het grondgebied van een andere Staat, wat wel geldt voor derdelanders. Enkel voor die laatsten is de gezinshereniging relevant voor de integratie in een ander land. Er gelden ook andere procedures met betrekking tot de aanvraag tot gezinshereniging. Gezinshereniging met derdelanders wordt hoofdzakelijk aangevraagd vanuit het buitenland, terwijl gezinshereniging met Belgen hoofdzakelijk vanuit België wordt aangevraagd. In sommige gevallen kan een derdelander zijn verblijfsrecht verliezen, wat niet het geval is voor een Belgische referentiepersoon. 4 -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op een van de voorwaarden om een gezinshereniging te kunnen verkrijgen met een Belg die zijn recht van vrij verkeer niet heeft uitgeoefend, namelijk die inzake het beschikken over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen. B.
- Uit de prejudiciële vraag en de verwijzingsbeslissingen blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over : - artikel 40ter, § 2, tweede lid, 1°, van de wet van 15 december 1980, in de versie vóór de vervanging ervan bij artikel 11 van de wet van 10 maart 2024 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen inzake het recht op gezinshereniging » (hierna : de wet van 10 maart 2024); - artikel 42, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980, in de versie vóór de wijziging ervan bij artikel 15 van de wet van 18 juli 2025 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat de voorwaarden voor gezinshereniging betreft » (hierna : de wet van 18 juli 2025). Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die versies van de in het geding zijnde bepalingen. B.3.
- Artikel 40ter, § 2, van de wet van 15 december 1980, in de toepasselijke versie ervan, bepaalt : « De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de volgende familieleden van een Belg die niet zijn recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten heeft uitgeoefend krachtens het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie : 1° de familieleden bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° tot 3°, mits zij de Belg die het recht op gezinshereniging opent vergezellen of zich bij hem voegen; 5 2° de familieleden bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 4°, mits het de vader en moeder van een minderjarige Belg betreft die hun identiteit bewijzen door middel van een geldig identiteitsdocument en zij de Belg die het recht op gezinshereniging opent vergezellen of zich bij hem voegen. De familieleden bedoeld in het eerste lid, 1°, moeten bewijzen dat de Belg : 1° beschikt over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen. Aan die voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan indien de bestaansmiddelen ten minste gelijk zijn aan honderdtwintig procent van het bedrag bedoeld in artikel 14, § 1, 3°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en zoals geïndexeerd volgens artikel 15 van voormelde wet. Bij het beoordelen van deze bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met hun aard en regelmatigheid. Er wordt daarentegen geen rekening gehouden met de middelen verkregen uit het leefloon, de financiële maatschappelijke dienstverlening, de kinderbijslagen en toeslagen, de inschakelingsuitkeringen en de overbruggingsuitkering. De werkloosheidsuitkering komt alleen in aanmerking indien de Belg bewijst dat hij actief werk zoekt. Deze voorwaarde is niet van toepassing indien alleen zijn minderjarige familieleden bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 3°, de Belg vergezellen of zich bij hem voegen. […] ». B.3.
- Artikel 42, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980, in de toepasselijke versie ervan, bepaalt : « Indien aan de voorwaarde van het toereikend karakter van de bestaansmiddelen bedoeld in de artikelen 40bis, § 4, tweede lid, en 40ter, § 2, tweede lid, 1°, niet is voldaan, dient de minister of zijn gemachtigde, op basis van de eigen behoeften van de burger van de Unie die vervoegd wordt en van zijn familieleden te bepalen welke bestaansmiddelen zij nodig hebben om in hun behoeften te voorzien zonder ten laste te vallen van de openbare overheden. De minister of zijn gemachtigde kan hiervoor alle bescheiden en inlichtingen die voor het bepalen van dit bedrag nuttig zijn, doen overleggen door de vreemdeling en door elke Belgische overheid ». B.3.
- De in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° tot 3°, van de wet van 15 december 1980, in de versie vóór de vervanging ervan bij artikel 10 van de wet van 10 maart 2024, beoogde familieleden zijn
(1)de echtgenoot of de vreemdeling met wie de gezinshereniger is gebonden door een geregistreerd partnerschap dat gelijkwaardig wordt geacht met een huwelijk in België, die hem begeleidt of zich bij hem voegt,
(2)de partner met wie de gezinshereniger is gebonden door een geregistreerd partnerschap overeenkomstig een wet en die hem begeleidt of zich bij hem voegt, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan, en
(3)de bloedverwanten in de neergaande lijn en de bloedverwanten in de neergaande lijn van de voormelde echtgenoot of 6 partner, jonger dan eenentwintig jaar of die te hunnen laste zijn, die hen begeleiden of zich bij hen voegen, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. B.4.1. De voorwaarde volgens welke de Belgische gezinshereniger die zijn vrijheid van verkeer niet heeft uitgeoefend, moet beschikken over « stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen » om een aanvraag tot gezinshereniging te kunnen indienen, is ingevoerd bij artikel 21 van de wet van 25 april 2007 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 25 april 2007), dat een nieuw artikel 40ter in de wet van 15 december 1980 heeft ingevoegd. Die voorwaarde was evenwel destijds beperkt tot de gezinshereniging met alleen de bloedverwanten in de opgaande lijn van de Belgische gezinshereniger. Artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, zoals ingevoegd bij artikel 21 van de wet van 25 april 2007, bepaalde : « De bepalingen van dit hoofdstuk die van toepassing zijn op de familieleden van de burger van de Unie die hem begeleiden of zich bij hem voegen, zijn van toepassing op de familieleden van een Belg die hem begeleiden of zich bij hem voegen. Voor wat betreft de in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 4°, bedoelde bloedverwanten in opgaande lijn, moet de Belgische onderdaan aantonen dat hij over stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens het verblijf in het Rijk ten laste vallen van de openbare overheden en dat hij over een ziektekostenverzekering beschikt die de risico’s van de betrokken familieleden in België dekt ». B.4.2. De parlementaire voorbereiding van die wet vermeldt : « De doelstelling is dat op de familieleden van een Belg dezelfde regels worden toegepast die worden toegepast op de familieleden van een burger van de Unie. Dit komt neer op het gelijkstellen van de familieleden van een Belg met de familieleden van de burger van de Unie, en niet met de burger van de Unie zelf. Het nieuwe artikel 40ter wil dit principe duidelijk vastleggen, maar voorziet toch [in] één uitzondering : er wordt voorzien dat de Belgische onderdaan slechts zijn ascendenten mag laten overkomen, voor zover hij bewijst dat hij beschikt over voldoende, stabiele en regelmatige middelen van bestaan om hen te onderhouden en dat hij beschikt over een ziektekostenverzekering die hun risico’s in België dekt. De regering wenst hiermee te vermijden dat ascendenten van Belgische onderdanen bij aankomst in België in precaire omstandigheden terechtkomen en ten laste vallen van de openbare overheden » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2845/001, p. 44). 7 B.4.3. Artikel 40ter van de wet van 15 december 1980 is vervolgens voor het eerst vervangen bij artikel 9 van de wet van 8 juli 2011 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat betreft de voorwaarden tot gezinshereniging » (hierna : de wet van 8 juli 2011). Daarbij werd de voorwaarde in verband met de stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen die daarin is vervat, van toepassing gemaakt op de gezinshereniging met de familieleden beoogd in B.3.3, namelijk de echtgenoot, de geregistreerde partner die met de echtgenoot is gelijkgesteld, de niet met de echtgenoot gelijkgestelde geregistreerde partner die aan bepaalde voorwaarden voldoet, en de bloedverwanten in de neergaande lijn van de gezinshereniger, van de echtgenoot of van de geregistreerde partner. B.4.4. Aan de wet van 8 juli 2011 liggen verschillende wetsvoorstellen ten grondslag (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0443/018, pp. 1 e.v.). Die voorstellen namen vervolgens de vorm aan van een « globaal amendement », namelijk het amendement nr. 147 (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0443/014), dat de basistekst van die wet is geworden. B.4.5. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 8 juli 2011 werd erop gewezen dat in België meer dan 50 % van de afgegeven visa betrekking hebben op gezinshereniging, die de voornaamste bron van legale immigratie vormt. De verschillende wetsvoorstellen bevestigen dat het recht op de bescherming van het gezinsleven een belangrijke maatschappelijke waarde is en dat migratie via gezinshereniging mogelijk moet zijn. Zij beogen evenwel het verlenen van een verblijfsrecht in het kader van gezinshereniging beter te reguleren teneinde de migratiestroom en de migratiedruk te beheersen. Voornamelijk strekken zij ertoe bepaalde misbruiken of gevallen van fraude te voorkomen of te ontmoedigen, bijvoorbeeld op het vlak van schijnhuwelijken, schijnpartnerschappen en schijnadopties. Tevens werd de noodzaak aangevoerd om de voorwaarden voor gezinshereniging bij te sturen teneinde te voorkomen dat de gezinsleden die zich in België komen vestigen, ten laste vallen van de overheid of dat de gezinshereniging in mensonwaardige omstandigheden zou plaatsvinden, bijvoorbeeld door het ontbreken van behoorlijke huisvesting. Ten slotte werd in de parlementaire voorbereiding ook bij herhaling 8 erop gewezen dat de wetgever bij het regelen van de voorwaarden voor gezinshereniging rekening dient te houden met de verplichtingen die volgen uit het recht van de Europese Unie. B.4.6. Wat inzonderheid de voorwaarde betreft om te beschikken over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen, die aan de Belgische gezinshereniger wordt opgelegd, vermeldt de verantwoording van het amendement nr. 147 : « De vreemdeling die als echtgenoot of partner naar België komt in het kader van gezinshereniging met een Belg of met een vreemdeling die hier reeds een onbeperkt verblijfsrecht heeft, zal moeten aantonen dat de persoon die zich reeds in België bevindt en die hij nu vervoegt, over voldoende bestaansmiddelen beschikt. Deze bestaansmiddelen hebben uitdrukkelijk als doel te voorkomen dat zij ten laste van de openbare overheden zouden komen te vallen » (ibid, p. 26). B.4.7. Ten slotte is artikel 40ter van de wet van 15 december 1980 een tweede keer vervangen bij artikel 18 van de wet van 4 mei 2016 « houdende diverse bepalingen inzake asiel en migratie en tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen ». De voorwaarde volgens welke de Belgische gezinshereniger moet beschikken over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen is daarbij behouden. B.5.1. De prejudiciële vraag verwijst eveneens naar de artikelen 10 en 10bis van de wet van 15 december 1980, zonder te preciseren om welke versies van die bepalingen het gaat. Het Hof neemt daarom de versies in aanmerking die van toepassing waren bij het nemen van de beslissingen tot weigering van verblijf waarover het verwijzende rechtscollege in de bodemgeschillen dient te oordelen. B.5.2. Artikel 10, § 1, eerste lid, 4° en 5°, van de wet van 15 december 1980, in de versie vóór de wijziging ervan bij de wet van 10 maart 2024, bepaalt : « Onder voorbehoud van de bepalingen van artikelen 9 en 12, zijn van rechtswege toegelaten om meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven : […] 9 4° de volgende familieleden van een vreemdeling die sedert minimaal twaalf maanden toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk of sedert minimaal twaalf maanden gemachtigd is om er zich te vestigen. […] : - de buitenlandse echtgenoot of de vreemdeling waarmee een geregistreerd partnerschap gesloten werd dat als gelijkwaardig beschouwd wordt met het huwelijk in België, die met hem komt samenleven, op voorwaarde dat beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar. Deze minimumleeftijd wordt echter teruggebracht tot achttien jaar wanneer, naargelang het geval, de echtelijke band of dit geregistreerd partnerschap, reeds bestond vóór de vreemdeling die vervoegd wordt, in het Rijk aankwam; - hun kinderen, die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en alleenstaand zijn; - de kinderen van de vreemdeling die vervoegd wordt, van diens echtgenoot of van de geregistreerde partner bedoeld in het eerste streepje, die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en alleenstaand zijn, voor zover de vreemdeling die vervoegd wordt, zijn echtgenoot of de bedoelde geregistreerde partner over het recht van bewaring beschikt en de kinderen ten laste zijn van hem of diens echtgenoot of deze geregistreerde partner en, indien het recht van bewaring wordt gedeeld, op voorwaarde dat de andere houder van het recht van bewaring zijn toestemming heeft gegeven; 5° de vreemdeling die door middel van een wettelijk geregistreerd partnerschap verbonden is met een vreemdeling die sedert minimaal twaalf maanden toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk of sedert minimaal twaalf maanden gemachtigd is om er zich te vestigen, evenals de kinderen van deze partner, die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en alleenstaand zijn, voor zover hij over het recht van bewaring beschikt en de kinderen te zijnen laste zijn en, indien het recht van bewaring wordt gedeeld, op voorwaarde dat de andere houder van het recht van bewaring zijn toestemming heeft gegeven. […] ». Paragraaf 2, derde lid, van het voormelde artikel 10 bepaalt : « De vreemdeling bedoeld in § 1, eerste lid, 4° en 5°, moet het bewijs aanbrengen dat de vreemdeling die vervoegd wordt beschikt over toereikende, stabiele en regelmatige bestaansmiddelen zoals bepaald in § 5 om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden en om te voorkomen dat zij ten laste van de openbare overheden vallen. Deze voorwaarde is niet van toepassing indien de vreemdeling zich enkel laat vervoegen door de leden van zijn familie bedoeld in § 1, eerste lid, 4°, tweede en derde streepje ». Paragraaf 5 van hetzelfde artikel bepaalt : « De bestaansmiddelen bedoeld in § 2 moeten ten minste gelijk zijn aan honderdtwintig procent van het bedrag bedoeld in artikel 14, § 1, 3° van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en zoals geïndexeerd volgens artikel 15 van voormelde wet. 10 Bij het beoordelen van deze bestaansmiddelen : 1° wordt rekening gehouden met hun aard en regelmatigheid; 2° worden de middelen verkregen uit de aanvullende bijstandsstelsels, met name het leefloon en de aanvullende gezinsbijslag, alsook de financiële maatschappelijke dienstverlening en de gezinsbijslagen niet in aanmerking genomen; 3° worden de inschakelingsuitkering en de overbruggingsuitkering niet in aanmerking genomen en wordt de werkloosheidsuitkering enkel in aanmerking genomen voor zover de vreemdeling bij wie men zich voegt, kan bewijzen dat hij actief werk zoekt ». B.5.3. Artikel 10bis van de wet van 15 december 1980, in de versie vóór de wijziging ervan bij de wet van 18 juli 2025, bepaalt : « § 1. Wanneer de in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6° bedoelde familieleden van een vreemdeling die gemachtigd is tot verblijf in de hoedanigheid van student op grond van de bepalingen van Titel II, Hoofdstuk III, een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden aanvragen, moet die machtiging worden toegekend indien de student of één van de betrokken familieleden het bewijs aanbrengt : - dat de student over stabiele, regelmatige en voldoende bestaansmiddelen beschikt zoals bepaald in artikel 10, § 5 om in zijn eigen behoeften en die van zijn familieleden te voorzien en om te voorkomen dat zij ten laste vallen van de openbare overheden; […] § 2. Wanneer de in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6°, bedoelde familieleden van een vreemdeling die gemachtigd werd in België te verblijven voor een beperkte duur ingevolge deze wet of ingevolge de bijzondere omstandigheden eigen aan de betrokkene of ingevolge de aard of de duur van zijn activiteiten in België, een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden aanvragen, moet die machtiging toegekend worden indien zij het bewijs aanbrengen : 1° dat de vreemdeling die vervoegd wordt over stabiele, regelmatige en voldoende bestaansmiddelen beschikt zoals bepaald in artikel 10, § 5, om in zijn eigen behoeften en die van zijn familieleden te kunnen voorzien en om te voorkomen dat zij ten laste vallen van de openbare overheden; […] § 3. De §§ 1 en 2 zijn ook van toepassing op de gezinsleden bedoeld bij artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6°, van een vreemdeling die de status van langdurig ingezetene geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie, op grond van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, en die gemachtigd is tot verblijf in het Rijk op grond van de bepalingen van titel II, hoofdstuk V, of die deze machtiging aanvraagt. […] 11 § 4. Paragraaf 2 is eveneens van toepassing op de in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6°, bedoelde familieleden van de vreemdeling die in toepassing van artikel 61/27-4 gemachtigd werd tot verblijf. […] § 5. Paragraaf 2 is eveneens van toepassing op de in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6°, bedoelde familieleden van de onderdaan van een derde land die in toepassing van artikel 61/39 of artikel 61/48 gemachtigd werd tot verblijf. […] § 6. Paragraaf 2 is eveneens van toepassing op de in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6°, bedoelde familieleden van de vreemdeling die met toepassing van artikel 61/13/3 of artikel 61/13/10 gemachtigd werd tot verblijf. […] ». B.5.4. Artikel 12bis, § 2, vierde lid, van de wet van 15 december 1980, in de versie vóór de wijziging ervan bij de wet van 18 juli 2025, bepaalt : « Indien aan de voorwaarde van het toereikend karakter van de bestaansmiddelen bedoeld in artikel 10, § 5, niet is voldaan, dient de minister of zijn gemachtigde, op basis van de eigen behoeften van de vreemdeling die vervoegd wordt en van zijn familieleden te bepalen welke bestaansmiddelen zij nodig hebben om in hun behoeften te voorzien zonder ten laste te vallen van de openbare overheden. De minister of zijn gemachtigde kan hiervoor alle bescheiden en inlichtingen die voor het bepalen van dit bedrag nuttig zijn, doen overleggen door de vreemdeling ». B.6.1. De bij de artikelen 10, 10bis en 12bis van de wet van 15 december 1980 vastgestelde voorwaarden inzake bestaansmiddelen beogen de omzetting in het Belgische recht van artikel 7, lid 1, c), van de richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 « inzake het recht op gezinshereniging » (hierna : de richtlijn 2003/86/EG). B.6.2. Het voormelde artikel 7, lid 1, c), bepaalt : « 1. Bij de indiening van het verzoek tot gezinshereniging kan de betrokken lidstaat de persoon die het verzoek heeft ingediend, verzoeken het bewijs te leveren dat de gezinshereniger beschikt over : […] 12
- c)stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om hemzelf en zijn gezinsleden te onderhouden, zonder een beroep te doen op het stelsel voor sociale bijstand van de betrokken lidstaat. De lidstaten beoordelen daartoe de aard en de regelmaat van deze inkomsten en kunnen rekening houden met de nationale minimumlonen en pensioenen, evenals met het aantal gezinsleden ». B.6.3. Bij zijn arrest van 3 oktober 2019 in zake X (C-302/18, ECLI:EU:C:2019:830), waarnaar het verwijzende rechtscollege verwijst, heeft het Hof van Justitie met betrekking tot die bepaling geoordeeld : « 37. Daarnaast moet in verband met de context van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 worden opgemerkt dat ook in artikel 7, lid 1, onder c), van richtlijn 2003/86 een vereiste voorkomt om te beschikken over ‘ stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan ’ om zich te onderhouden. Het Hof heeft al geoordeeld dat uit de tekst van deze bepaling, en in het bijzonder uit het gebruik van de termen ‘ stabiel ’ en ‘ regelmatig ’, volgt dat deze financiële middelen in zekere mate een bestendig en continu karakter moeten hebben. Hiertoe beoordelen de lidstaten, in de bewoordingen van de tweede volzin van artikel 7, lid 1, onder c), van richtlijn 2003/86, met name de ‘ regelmaat ’ van deze inkomsten (zie in die zin arrest van 21 april 2016, Khachab, C‑558/14, EU:C:2016:285, punt 30). 38. Artikel 7, lid 1, onder c), van richtlijn 2003/86 kan dan ook niet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin een verzoek tot gezinshereniging is gedaan, kan onderzoeken of aan het inkomstenvereiste van de gezinshereniger is voldaan door rekening te houden met een beoordeling van het behoud van deze inkomsten na de datum van indiening van dit verzoek (zie in die zin arrest van 21 april 2016, Khachab, C‑558/14, EU:C:2016:285, punt 31). 39. Met betrekking tot deze bepaling, en met name de term ‘ volstaan ’ daarin, heeft het Hof al geoordeeld dat deze bepaling, aangezien de omvang van de behoeften van persoon tot persoon sterk kan verschillen, bovendien aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaten wel een bepaald referentiebedrag kunnen vaststellen, maar niet aldus dat zij een minimuminkomen kunnen bepalen zonder enige concrete beoordeling van de situatie van iedere aanvrager (zie in die zin arrest van 4 maart 2010, Chakroun, C‑578/08, EU:C:2010:117, punt 48). 40. Derhalve vloeit uit artikel 7, lid 1, onder c), van richtlijn 2003/86 voort dat niet de herkomst van de inkomsten beslissend is, maar de stabiliteit en de toereikendheid ervan, rekening houdend met de individuele situatie van de betrokkene ». B.7.1. Voorts heeft de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, met betrekking tot artikel 40ter van de wet van 15 december 1980 en in het bijzonder het verband tussen, enerzijds, die bepaling en, anderzijds, de artikelen 10 en volgende van dezelfde wet en artikel 7 van de richtlijn 2003/86/EG, geoordeeld : 13 « 7. Artikel 40ter van de vreemdelingenwet vereist dat ‘ de Belg ’ beschikt over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen. De verzoekende partij stelt terecht dat de voorwaarde van stabiele, voldoende en toereikende bestaansmiddelen in artikel 40ter van de vreemdelingenwet wordt opgelegd aan ‘ de Belg ’ en dat bij de beoordeling van de bestaansmiddelen uitsluitend rekening mag worden gehouden met de bestaansmiddelen van de Belgische referentiepersoon. 8. Deze lezing wordt bevestigd door het Grondwettelijk Hof in arrest nr. 149/2019 van 24 oktober 2019 : […] 10. Aan de voorgaande interpretatie wordt geen afbreuk gedaan door het recht van de Europese Unie of de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het Unierecht en de rechtspraak van dat Hof zijn niet van toepassing op zuiver interne situaties. Het loutere feit dat de Belgische wetgever zich voor wat betreft de gezinshereniging met zogenaamde statische Belgen heeft laten inspireren door de bewoordingen van de artikelen 10 en verder van de vreemdelingenwet, waardoor er inderdaad tekstuele gelijkenissen zijn tussen de voormelde bepalingen en artikel 40ter, § 2, van de vreemdelingenwet, volstaat geenszins om te besluiten dat artikel 7 van de richtlijn 2003/86 ‘ rechtstreeks en onvoorwaardelijk van toepassing is verklaard ’ op zuiver interne situaties. Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 3 oktober 2019 in de zaak C‑302/18, waarnaar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst, noopt evenmin tot een andere conclusie. Het is juist dat het Hof van Justitie oordeelt dat niet de herkomst van de inkomsten beslissend is, maar de stabiliteit en de toereikendheid ervan zodat de inkomsten die afkomstig zijn van derden of een familielid van de aanvrager aldus niet uitgesloten zijn ‘ mits zij vast, regelmatig en voldoende zijn ’. Dit arrest heeft echter betrekking op de situatie van langdurig ingezetenen en niet, zoals te dezen, op de situatie van een derdelander die gezinshereniging aanvraagt met een statische Belg » (RvSt, 19 augustus 2024, nr. 260.501, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.501; zie ook 3 juni 2024, nr. 259.979, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.979). B.7.2. Met betrekking tot de behoefteanalyse bedoeld in artikel 42, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 heeft de Raad van State geoordeeld : « Bij de behoefteanalyse wordt dus op basis van de behoeften van de gezinshereniger en zijn familieleden nagegaan of bestaansmiddelen die lager zijn dan het voornoemde referentiebedrag toch volstaan opdat de gezinshereniger zichzelf en zijn familieleden kan onderhouden zonder dat zij ten laste komen van het sociale bijstandsstelsel. De behoefteanalyse strekt er echter niet toe om bestaansmiddelen die niet in aanmerking komen, zoals te dezen inkomsten van de aanvrager zelf, toch in aanmerking te nemen » (RvSt, 2 maart 2023, nr. 255.940, ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.940, pp. 5-6). 14 Ten aanzien van de prejudiciële vraag B.8.1. Met de prejudiciële vraag verzoekt het verwijzende rechtscollege na te gaan of artikel 40ter, § 2, tweede lid, 1°, en artikel 42, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.8.2. Meer bepaald wordt aan het Hof gevraagd de situatie van een familielid dat om gezinshereniging verzoekt met een Belg die zijn vrijheid van verkeer niet heeft uitgeoefend, te vergelijken met die van een familielid dat verzoekt om gezinshereniging met een onderdaan van een derde land die onder de artikelen 10 of 10bis van de wet van 15 december 1980 valt. In de eerste situatie kan volgens het verwijzende rechtscollege enkel rekening worden gehouden met de eigen bestaansmiddelen van de gezinshereniger, overeenkomstig zowel artikel 40ter, § 2, tweede lid, 1°, als artikel 42, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980. Daarentegen is in de tweede situatie de herkomst van de bestaansmiddelen niet bepalend en kan bijgevolg ook rekening worden gehouden met de bestaansmiddelen van het betrokken familielid, overeenkomstig de artikelen 10 en 10bis de wet van 15 december 1980, geïnterpreteerd in het licht van de voormelde rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie met betrekking tot artikel 7, lid 1, c), van de richtlijn 2003/86/EG. B.9.1. Aldus kunnen, in de door het verwijzende rechtscollege gegeven interpretatie van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980 en inzonderheid van de term « beschikt », enkel de persoonlijke bestaansmiddelen van de Belgische gezinshereniger die zijn recht van vrij verkeer niet heeft uitgeoefend, in aanmerking worden genomen als « stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen », met uitsluiting van die van het familielid dat om een verblijfsrecht op grond van gezinshereniging verzoekt. Uit de formulering van de prejudiciële vraag en uit de motivering van de verwijzingsbeslissingen blijkt eveneens dat het verwijzende rechtscollege uitgaat van de interpretatie volgens welke bij de behoefteanalyse op grond van artikel 42, § 1, tweede lid, van dezelfde wet eveneens enkel rekening mag worden gehouden met de persoonlijke bestaansmiddelen van de Belgische gezinshereniger, met uitsluiting van die van het voormelde familielid. Het Hof onderzoekt de in het geding zijnde bepalingen in die interpretatie. 15 B.9.2. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissingen blijkt dat de beide zaken betrekking hebben op de gezinshereniging van een Belg die zijn recht van vrij verkeer niet heeft uitgeoefend, met een familielid bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 2°, van de wet van 15 december 1980, namelijk een partner met wie de gezinshereniger overeenkomstig een wet een geregistreerd partnerschap heeft gesloten, indien aan een aantal voorwaarden is voldaan (hierna : de geregistreerde partner). Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese. B.10.1. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, kan aldus uit de formulering van de prejudiciële vraag en de motivering van de verwijzingsbeslissingen met voldoende nauwkeurigheid worden afgeleid welke categorieën van personen met elkaar moeten worden vergeleken. Bijgevolg dient de exceptie van de Ministerraad in de zaak nr. 8397, waarin wordt aangevoerd dat de te vergelijken categorieën onvoldoende zijn afgebakend, te worden verworpen. B.10.2. De Ministerraad betwist voorts de pertinentie van de prejudiciële vraag in de zaak nr. 8398, in zoverre die vraag betrekking heeft op artikel 42, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980. Aangezien geen gelijkaardige exceptie wordt opgeworpen in de zaak nr. 8397, dient het Hof in elk geval de in die zaak gestelde vraag te behandelen, die eveneens betrekking heeft op artikel 42, § 1, tweede lid, van die wet. Het is bijgevolg niet noodzakelijk de voormelde exceptie te onderzoeken. B.11. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat 16 dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.12.1. Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens erkent niet het recht van een vreemdeling om in een bepaald land te verblijven. Volgens een vaststaand beginsel van internationaal recht hebben de Staten het recht om, onverminderd de verbintenissen die voor hen voortvloeien uit verdragen, de toegang op hun grondgebied van niet-onderdanen te regelen (EHRM, 28 mei 1985, Abdulaziz, Cabales en Balkandali t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:1985:0528JUD000921480, § 67; grote kamer, 18 oktober 2006, Üner t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2006:1018JUD004641099, § 54; grote kamer, 3 oktober 2014, Jeunesse t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810, § 100; grote kamer, 9 juli 2021, M.A. t. Denemarken, ECLI:CE:ECHR:2021:0709JUD000669718, § 131). Meer in het bijzonder impliceert dat artikel niet dat een Staat de verplichting zou hebben om gezinshereniging op zijn grondgebied toe te laten. Wat de gezinshereniging betreft, heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gepreciseerd : « In een zaak die zowel het gezinsleven als immigratie betreft, verschilt de omvang van de verplichting voor de Staat om op zijn grondgebied naasten toe te laten van personen die er verblijven, evenwel naargelang van de bijzondere situatie van de betrokken personen en van het algemeen belang en noopt die tot het zoeken naar een billijk evenwicht tussen de op het spel staande concurrerende belangen. De factoren waarmee in die context rekening moet worden gehouden, zijn de mate waarin het gezinsleven daadwerkelijk wordt belemmerd, de omvang van de banden die de betrokken personen in de in het geding zijnde verdragsluitende Staat hebben, de vraag of er al dan niet onoverkomelijke hindernissen bestaan voor het gezin om in het land van herkomst van de betrokken vreemdeling te wonen, en de vraag of er elementen bestaan die betrekking hebben op de controle van de immigratie » (EHRM, grote kamer, 9 juli 2021, M.A. t. Denemarken, voormeld, § 132; zie eveneens grote kamer, 3 oktober 2014, Jeunesse t. Nederland, voormeld, § 107; grote kamer, 24 mei 2016, Biao t. Denemarken, ECLI:CE:ECHR:2016:0524JUD003859010, § 117). B.12.2. De onmogelijkheid om met zijn gezinsleden samen te leven, kan evenwel een inmenging vormen in het recht op de bescherming van het gezinsleven, zoals gewaarborgd bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Om in overeenstemming te zijn met die bepaling moet een dergelijke inmenging bij een voldoende nauwkeurige 17 wetsbepaling zijn vastgesteld, beantwoorden aan een dwingende maatschappelijke behoefte en evenredig zijn met de nagestreefde wettelijke doelstelling. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat in dat verband in herinnering brengt dat « de aan de bevoegde nationale autoriteiten gelaten beoordelingsmarge zal verschillen volgens de aard van de in het geding zijnde vraagstukken en de ernst van de op het spel staande belangen » (EHRM, grote kamer, 9 juli 2021, M.A. t. Denemarken, voormeld, § 140) en dat gezinshereniging is onderworpen aan inhoudelijke vereisten (§§ 134 en 135) en aan formele vereisten voor de behandeling van de aanvragen (§§ 137 tot 139), besluit over het algemeen dat de verdragsluitende Staten een positieve verplichting hebben om gezinshereniging toe te staan wanneer verschillende omstandigheden zich cumulatief voordoen (§ 135). B.13. Wanneer de wetgever de voorwaarden voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging regelt die van toepassing zijn op categorieën van personen die zich in vergelijkbare situaties bevinden, maar waarvan een van de categorieën onder het Unierecht valt, is hij niet verplicht strikt identieke regels in te stellen, gelet op de bij het Unierecht nagestreefde doelstellingen. In het kader van het immigratiebeleid, dat tot complexe en ingewikkelde afwegingen noopt en waarbij rekening dient te worden gehouden met de vereisten van het recht van de Europese Unie, beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid. Daarbij dient echter inzonderheid rekening te worden gehouden met het recht op eerbiediging van het gezinsleven, zoals gewaarborgd bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.14. Bij zijn arrest nr. 149/2019 van 24 oktober 2019 (ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.149) heeft het Hof geoordeeld : « B.10.1. Artikel 40ter van de wet van 15 december 1980 regelt het verlenen van een verblijfsrecht in het kader van gezinshereniging, zodat het niet zonder redelijke verantwoording is dat de financiële situatie van de gezinshereniger en niet die van zijn echtgenoot bepalend is. Het is immers slechts op grond van de situatie van de gezinshereniger dat de betrokken echtgenoot een verblijfsrecht kan bekomen, ongeacht de financiële middelen waarover hij beschikt. 18 Aan de voorwaarde dat de gezinshereniger moet beschikken over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen moet zijn voldaan opdat aan zijn echtgenoot een verblijfsrecht op grond van gezinshereniging kan worden toegekend. Krachtens artikel 9 van de wet van 15 december 1980 moet een machtiging voor een verblijfsrecht, behoudens welbepaalde uitzonderingen, worden aangevraagd bij de Belgische of consulaire post in het buitenland die bevoegd is voor de betrokken vreemdeling. Het feit dat de echtgenoot in zijn land van herkomst desgevallend over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen beschikt, waarborgt niet dat hij die inkomsten zal behouden bij zijn verblijf in België. Evenmin volgt uit het bestaan van een huwelijksband dat de gezinshereniger over de inkomsten van zijn echtgenoot ook effectief zou kunnen beschikken. B.10.2. De mogelijkheid voor familieleden van een burger van de Unie om zich te beroepen op artikel 40bis van de wet van 15 december 1980, teneinde zich bij deze burger te voegen, strekt ertoe een van de fundamentele doelstellingen van de Unie te verwezenlijken, namelijk het vrij verkeer op het grondgebied van de lidstaten, onder objectieve voorwaarden van vrijheid en waardigheid (overwegingen 2 en 5 van de richtlijn 2004/38/EG). Artikel 40ter van de wet van 15 december 1980 daarentegen vloeit voort uit het streven van de wetgever naar een eerlijk beleid inzake immigratie en streeft een doelstelling na die verschillend is van die welke met het Unierecht inzake vrij verkeer wordt nagestreefd. B.10.3. Bij zijn arrest nr. 121/2013 van 26 september 2013 heeft het Hof geoordeeld dat de wetgever, door inzake gezinshereniging aan een Belg striktere voorwaarden op te leggen dan ten aanzien van een niet-Belgische Europese burger, een relevante maatregel heeft genomen in het licht van de doelstelling om de migratiestromen te beheersen die door de gezinshereniging ontstaan, nu hij heeft vastgesteld dat het aantal Belgen die een aanvraag tot gezinshereniging kunnen indienen ten voordele van familieleden aanzienlijk is toegenomen, doordat de toegang tot de Belgische nationaliteit is vergemakkelijkt en de meeste gevallen van gezinshereniging betrekking hebben op Belgen die in ons land uit migranten zijn geboren of die Belg zijn geworden (B.52.1 en B.52.2). B.10.4. Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat het opleggen aan de Belgische gezinshereniger van striktere inkomensvoorwaarden een relevante maatregel is om het voortbestaan van het socialebijstandsstelsel en het verblijf van de familieleden van de gezinshereniger in menswaardige omstandigheden te verzekeren. Het Hof heeft er daarbij op gewezen dat in tegenstelling tot de burger van de Unie, wiens verblijfsrecht kan worden ingetrokken wanneer hij een onredelijke last voor de begroting van de Staat wordt, de Belg over het recht op sociale bijstand beschikt zonder op enig ogenblik het risico te lopen dat zijn verblijfsrecht hem wordt afgenomen. Het Hof heeft er eveneens op gewezen dat de eerbiediging van het gezinsleven de overheid de verplichting kan opleggen om geen einde te maken aan het verblijfsrecht van een familielid van een Belg die sedert een aantal jaren legaal op het grondgebied verblijft (B.52.3). B.10.5. Voorts gelden andere eisen inzake de bestaansmiddelen waarover de gezinshereniger ten behoeve van zichzelf dient te beschikken, naargelang het gaat om een Belg dan wel om een Unieburger. Opdat een Unieburger een verblijfsrecht voor zichzelf zou kunnen verkrijgen, dient hij krachtens artikel 7, lid 1, van de richtlijn 2004/38/EG reeds te beschikken over toereikende bestaansmiddelen, terwijl zulks niet het geval is voor een Belg, die over een onvoorwaardelijk verblijfsrecht op het Belgische grondgebied beschikt, waarbij zijn inkomsten niet in aanmerking worden genomen. Aldus worden striktere financiële eisen gesteld aan de 19 Unieburger, die, in tegenstelling tot een Belgische gezinshereniger, niet zelf ten laste mag vallen van de overheid en wiens inkomsten mee kunnen waarborgen dat een dergelijk risico zich niet voordoet wanneer ook zijn echtgenoot met hem in de gastlidstaat verblijft. B.10.6. Uit het bovenstaande blijkt dus dat, hoewel de vereisten die worden gesteld met betrekking tot de inkomsten waarover de gezinshereniger dient te beschikken, vervat in artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, enerzijds, en in artikel 40bis, anderzijds, beogen te voorkomen dat de familieleden ten laste vallen van de overheid, het risico dat die situatie zich ook voordoet redelijkerwijze groter kan worden geacht bij de gezinshereniging met een Belg. Bijgevolg berust het verschil in behandeling waarover het Hof wordt ondervraagd op een objectief en pertinent criterium van onderscheid. B.10.7. Overigens verhindert het feit dat de Belgische gezinshereniger niet voldoet aan de vereisten gesteld in artikel 40ter, § 2, tweede lid, 1°, op zich niet dat zijn echtgenoot een verblijfsrecht kan verkrijgen. Volgens artikel 42, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 dient de minister of zijn gemachtigde in het concrete geval en op basis van de eigen behoeften van de Belg en van zijn familieleden te bepalen welke bestaansmiddelen zij nodig hebben om in hun behoeften te voorzien, zonder dat de familieleden ten laste vallen van de openbare overheden. B.10.8. Gelet op het voorgaande heeft het verschil in behandeling, op het vlak van de herkomst van de bestaansmiddelen, tussen de Belgische onderdaan die geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer en de andere burgers van de Unie, geen onevenredige gevolgen ». B.15.1 Zoals in B.4.5 is vermeld, wilde de wetgever, met de wet van 8 juli 2011, de migratiestroom en de migratiedruk beheersen alsook misbruiken of gevallen van fraude voorkomen en ontmoedigen. Hij wilde eveneens vermijden dat de gezinsleden die zich in België komen vestigen, ten laste vallen van de overheid. Zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn voormelde arresten nrs. 121/2013 (ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.121) en 149/2019, heeft de wetgever, door inzake gezinshereniging aan een Belg striktere voorwaarden op te leggen dan aan een niet-Belgische Unieburger, een pertinente maatregel genomen in het licht van de voormelde doelstellingen, daar hij heeft vastgesteld dat het aantal Belgen die een aanvraag tot gezinshereniging kunnen indienen ten voordele van familieleden aanzienlijk is toegenomen, doordat de toegang tot de Belgische nationaliteit is vergemakkelijkt en de meeste gevallen van gezinshereniging betrekking hebben op Belgen die in ons land uit migranten zijn geboren of die Belg zijn geworden. B.15.2. Dezelfde redenering geldt echter niet ten aanzien van het verschil in behandeling tussen Belgen en derdelanders. Zoals aangevoerd door de Ministerraad, zijn een belangrijk 20 aantal gevallen van gezinshereniging met Belgen, gevallen waarin de gezinshereniger zelf pas later de Belgische nationaliteit heeft verkregen. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt eveneens dat het net die vaststelling was die de indieners van de verschillende wetsvoorstellen die aan de basis lagen van de in het geding zijnde bepalingen, ertoe bracht om de voorwaarden voor gezinshereniging met Belgen en met derdelanders op identieke wijze te regelen : « [Een volksvertegenwoordiger] onderscheidt in de vreemdelingenwet van 15 december 1980 drie categorieën van mensen : de mensen van buiten de EU, de Belgen en de onderdanen van EU-lidstaten. Voor elk van hen geldt een ander arsenaal aan bepalingen, wat de tekst soms moeilijk analyseerbaar maakt. Ook doet de wet soms verrassende tegenstrijdigheden rijzen, zoals bijvoorbeeld blijkt bij het geval van twee uit Colombia afkomstige broers die in België wonen. Het lid gaat uit van de hypothese dat een van hen de Belgische nationaliteit verwerft, terwijl de andere zijn oorspronkelijke nationaliteit behoudt. Voor elk van hen zullen andere regels gelden, met name bij gezinshereniging, zelfs als het gaat om tweelingbroers die op dezelfde dag geboren zijn. Een dergelijke discriminatie is onverantwoord, want de nationaliteit is nauwelijks doorslaggevend voor het welslagen van de integratie. Daarom voorziet dit wetsvoorstel zoveel mogelijk in identieke of soortgelijke oplossingen. In het kader van het EU-recht heeft België vrij beperkte bevoegdheden jegens onderdanen uit EU‑lidstaten. Ons land blijft echter onverkort bevoegd voor zijn eigen onderdanen en voor mensen uit landen van buiten de Europese Unie. Het ter bespreking voorliggende wetsvoorstel strekt ertoe om voor Belgen die gezinshereniging wensen dezelfde voorwaarden te doen gelden als voor vreemdelingen van buiten de Europese Unie. Aldus moeten zij aantonen over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen te beschikken, alsmede over voldoende huisvesting » (Parl St. Kamer, 2010-2011, DOC 53-0443/018, pp. 11- 12). Ook een ander lid benadrukt dat de wetsvoorstellen die aan de basis liggen van de in het geding zijnde bepalingen, ertoe strekken komaf te maken met het onderscheid tussen Belgen en onderdanen uit derde landen (ibid., p. 13). Er kan niet worden ingezien op welke wijze de bestaansmiddelen van de familieleden van Belgen, van wie velen, zoals de Ministerraad doet gelden, zich reeds in België bevinden, in dergelijke mate minder stabiel zouden zijn dan de bestaansmiddelen van familieleden van derdelanders, die zich vaak nog in het buitenland bevinden, dat zij nooit in overweging mogen worden genomen bij de beoordeling van de bestaansmiddelen en de behoeften op grond van de in het geding zijnde bepalingen. B.16. Gelet op het voorgaande, zijn de artikelen 40ter, § 2, tweede lid, 1°, en 42, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980, in de interpretatie dat de bestaansmiddelen waarover de Belgische gezinshereniger die zijn recht van vrij verkeer niet heeft uitgeoefend, 21 dient te beschikken opdat zijn wettelijk geregistreerde partner een verblijfsrecht zou kunnen verkrijgen, uitsluitend de persoonlijke bestaansmiddelen van de gezinshereniger dienen te zijn, niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.17. Uit de in B.6.3 vermelde interpretatie van artikel 10 van de wet van 15 december 1980 op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat de formulering van de inkomstenvereiste, volgens welke de gezinshereniger moet « beschikken » over voldoende stabiele en toereikende bestaansmiddelen, niet verhindert dat bij de beoordeling van die bestaansmiddelen rekening wordt gehouden met de stabiele bestaansmiddelen van de familieleden die zich bij de gezinshereniger voegen. Een andere interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen is bijgevolg mogelijk. In die andere interpretatie dienen de bestaansmiddelen waarover de Belgische gezinshereniger, die zijn recht van vrij verkeer niet heeft uitgeoefend, dient te beschikken opdat zijn wettelijk geregistreerde partner een verblijfsrecht zou kunnen verkrijgen, niet uitsluitend de persoonlijke bestaansmiddelen van de gezinshereniger te zijn. Aldus geïnterpreteerd, leiden de artikelen 40ter, § 2, tweede lid, 1°, en 42, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 niet tot het in het geding zijnde verschil in behandeling en zijn ze bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 22 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - De artikelen 40ter, § 2, tweede lid, 1°, en 42, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », zoals van toepassing op de voor het verwijzende rechtscollege hangende zaken, in de interpretatie dat de bestaansmiddelen waarover de Belgische gezinshereniger die zijn recht van vrij verkeer niet heeft uitgeoefend, dient te beschikken opdat zijn partner een verblijfsrecht zou kunnen verkrijgen, uitsluitend de persoonlijke bestaansmiddelen van de gezinshereniger dienen te zijn, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. - Dezelfde bepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat de bestaansmiddelen waarover de Belgische gezinshereniger die zijn recht van vrij verkeer niet heeft uitgeoefend, dient te beschikken opdat zijn partner een verblijfsrecht zou kunnen verkrijgen, niet uitsluitend de persoonlijke bestaansmiddelen van de gezinshereniger dienen te zijn, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van de Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 2 april 2026. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.038 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.121 ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.149 ECLI:CE:ECHR:1985:0528JUD000921480 ECLI:CE:ECHR:2006:1018JUD004641099 ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810 ECLI:CE:ECHR:2016:0524JUD003859010 ECLI:CE:ECHR:2021:0709JUD000669718 ECLI:EU:C:2019:830 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div