id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 02 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.039 Arrest- Rolnummer: 39/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-04-13 Raadplegingen: 407 - laatst gezien 2026-06-18 06:39 Versie(s): Versie FR Fiche - Schending (artikel 148, eerste lid, van de basiswet van 12 januari 2005, in de interpretatie dat de gedetineerde geen beklag kan doen over de wijze van uitvoering van de beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van hem werd genomen) - Geen schending (artikel 148, eerste lid, van dezelfde basiswet, de interpretatie dat de gedetineerde beklag kan doen over de wijze van uitvoering van de beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van hem werd genomen) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen over artikel 148, eerste lid, van de basiswet van 12 januari 2005 « betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden », gesteld door de Nederlandstalige beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen. Strafrecht - Gevangeniswezen en rechtspositie van de gedetineerden - Beklagrecht van de gedetineerde - Beslissingen die door de directeur ten aanzien van de gedetineerde zijn genomen - Geschillen over de wijze van uitvoering - Klachtencommissie bij de gevangenis - Bevoegdheid Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 39/2026 van 2 april 2026 Rolnummers : 8514 en 8524 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 148, eerste lid, van de basiswet van 12 januari 2005 « betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden », gesteld door de Nederlandstalige beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij beslissing van 17 juli 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 juli 2025, heeft de Nederlandstalige beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 148, eerste lid, van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, in de interpretatie dat alleen beklag kan worden gedaan over de beslissing als zodanig die door of namens de directeur ten aanzien van de gedetineerde genomen werd en niet over de wijze van uitvoering van die beslissing, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre hierdoor gedetineerden die aanvoeren dat de uitvoering van de beslissing in strijd is met een in de gevangenis geldend wettelijk voorschrift of met een bindende bepaling van een [lees : in] België geldend verdrag of bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, onredelijk of onbillijk moet worden geacht - in tegenstelling tot gedetineerden die aanvoeren dat de beslissing als zodanig in strijd is met een in de gevangenis geldend wettelijk voorschrift of met een bindende bepaling van een [in] België geldend verdrag of bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, onredelijk of onbillijk moet worden geacht - geen toegang hebben tot de beklagprocedure, hoewel voor beide categorieën van gedetineerden een zelfde noodzaak van rechtsbescherming bestaat door middel van een contradictoire procedure, die tegemoetkomt aan de eisen van laagdrempeligheid, 2 snelheid en eenvoud, voor een onafhankelijke bestuursrechtelijke detentierechter die vertrouwd is met het penitentiair milieu en de penitentiaire praktijk ? ». b. Bij beslissing van 21 augustus 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 26 augustus 2025, heeft de Nederlandstalige beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 148, eerste lid, van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, in de interpretatie dat alleen beklag kan worden gedaan over de beslissing als zodanig die door of namens de directeur ten aanzien van de gedetineerde genomen werd en niet over de wijze van uitvoering van die beslissing, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre hierdoor gedetineerden die aanvoeren dat de uitvoering van de beslissing in strijd is met een in de gevangenis geldend wettelijk voorschrift of met een bindende bepaling van een in België geldend verdrag of bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, onredelijk of onbillijk moet worden geacht - in tegenstelling tot gedetineerden die aanvoeren dat de beslissing als zodanig in strijd is met een in de gevangenis geldend wettelijk voorschrift of met een bindende bepaling van een in België geldend verdrag of bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, onredelijk of onbillijk moet worden geacht - geen toegang hebben tot de beklagprocedure, hoewel voor beide categorieën van gedetineerden een zelfde noodzaak van rechtsbescherming bestaat door middel van een contradictoire procedure, die tegemoetkomt aan de eisen van laagdrempeligheid, snelheid en eenvoud, voor een onafhankelijke bestuursrechtelijke detentierechter die vertrouwd is met het penitentiair milieu en de penitentiaire praktijk ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8514 en 8524 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jürgen Vanpraet, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 11 februari 2026 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Willem Verrijdt en Magali Plovie te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen S.R., klager in het bodemgeschil in de zaak nr. 8514, is een gedetineerde die bij de klachtencommissie Brugge een klacht heeft ingediend tegen een beslissing van de directie van de gevangenis van Brugge tot fouillering op het lichaam en tegen de uitvoering van die beslissing. Beide klachten werden door de klachtencommissie Brugge 3 ontvankelijk en gegrond verklaard. Het inrichtingshoofd van de gevangenis van Brugge betwist in beroep bij het verwijzende rechtscollege de beslissing van de klachtencommissie Brugge in zoverre die laatste de klacht tegen de uitvoering van de fouillering gegrond heeft verklaard. K. V.d.E., klager in het bodemgeschil in de zaak nr. 8524, is een gedetineerde die bij de klachtencommissie Mechelen een klacht heeft ingediend tegen de uitvoering van een fouillering op het lichaam. Die klacht werd ontvankelijk en gegrond verklaard door de klachtencommissie Mechelen. Het inrichtingshoofd van de gevangenis van Mechelen betwist in beroep bij het verwijzende rechtscollege de beslissing van de klachtencommissie Mechelen zowel wat de ontvankelijkheid als de gegrondheid van de klacht betreft. Het verwijzende rechtscollege stelt in beide zaken vast dat artikel 148, eerste lid, van de basiswet van 12 januari 2005 « betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden » in die zin moet worden geïnterpreteerd dat tegen de wijze van uitvoering van een beslissing van of namens de directeur geen ontvankelijk beklag kan worden ingesteld, aangezien de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, bij arrest nr. 262.903 van 3 april 2025 (ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.903) in het kader van een cassatieberoep in die zin heeft geoordeeld. De uitvoering van een beslissing van of namens de directeur zou, aldus dat arrest van de Raad van State, uitsluitend kunnen worden aangevochten bij de gewone rechter. Vooraleer verder uitspraak te doen, acht het verwijzende rechtscollege het noodzakelijk om ambtshalve de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen te stellen aan het Hof. III. In rechte -A- A.
- De Ministerraad wijst allereerst erop dat het verwijzende rechtscollege terecht heeft geoordeeld dat artikel 148 van de basiswet van 12 januari 2005 « betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden » (hierna : de Basiswet) in die zin moet worden geïnterpreteerd dat geen beklag kan worden gedaan over de wijze van uitvoering van een beslissing van of namens de directeur. Uit de tekst van die bepaling volgt immers dat de mogelijkheid om beklag te doen enkel geldt ten aanzien van een beslissing of een verzuim of weigering om een beslissing te nemen. Dat wordt voorts bevestigd in artikel 158 van de Basiswet en in het eindverslag van de commissie « Basiswet gevangeniswezen en rechtspositie van gedetineerden », de zogenaamde commissie-Dupont, waaruit volgt dat de beklagprocedure de vorm aanneemt van een vernietigingsberoep tegen een beslissing, alsook in een eerdere beslissing van het verwijzende rechtscollege en in de arresten van de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, nrs. 262.902 (ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.902) en 262.903 (ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.903) van 3 april
- A.
- Vervolgens voert de Ministerraad aan dat de in het geding zijnde bepaling in de interpretatie van het verwijzende rechtscollege de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. Volgens hem gaat het verschil in rechtsbescherming naargelang de beslissing of de uitvoering ervan wordt betwist, terug op een keuze van de Grondwetgever. Een geschil over de uitvoering van een beslissing genomen door of namens de directeur behoort namelijk tot het subjectief contentieux, waarvoor de hoven en rechtbanken krachtens de artikelen 144, eerste lid, en 145 van de Grondwet bevoegd zijn, terwijl de klachtencommissies en beroepscommissies administratieve rechtscolleges zijn in de zin van artikel 161 van de Grondwet en dus passen binnen het objectief contentieux. Het feit dat geschillen over politieke subjectieve rechten krachtens artikel 145 van de Grondwet, in tegenstelling tot geschillen over burgerlijke subjectieve rechten, onttrokken kunnen worden aan de hoven en rechtbanken, doet niet anders besluiten. Zonder dat dient te worden nagegaan of politieke subjectieve rechten in het geding zijn, volstaat volgens hem de vaststelling dat het slechts een mogelijkheid betreft waarvoor de wetgever volledig vrij kan kiezen. Bovendien gaat het verschil in behandeling volgens de Ministerraad terug op een gebruikelijk onderscheid dat in de rechtsbescherming wordt gemaakt. De Raad van State verklaart zich namelijk eveneens onbevoegd om uitspraak te doen over maatregelen die een loutere uitvoering zijn van een genomen beslissing. Het verschil in behandeling is voorts logisch. De beslissing en de uitvoering gaan niet uit van dezelfde actor en de vraag of de uitvoering rechtmatig is, is te onderscheiden van de vraag of de beslissing wettig is. Een wettige beslissing kan op onrechtmatige wijze worden uitgevoerd. 4 Het feit dat het beklagrecht niet van toepassing is op de uitvoering van de beslissing, betekent ook niet dat de gedetineerde geen effectief en daadwerkelijk rechtsmiddel heeft om de uitvoering te betwisten. De mogelijkheid om een zaak aanhangig te maken bij de hoven en rechtbanken, betreft namelijk een effectief en daadwerkelijk rechtsmiddel voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Daarnaast kan de gedetineerde ook steeds een beroep doen op de commissie van toezicht van de inrichting waar hij verblijft. In tegenstelling tot wat in de prejudiciële vragen staat, bestaat er in beide gevallen geen zelfde noodzaak voor rechtsbescherming in de vorm van het beklagrecht. Verwijzingen naar het Nederlandse recht zijn volgens de Ministerraad tot slot niet nuttig voor het antwoord op de prejudiciële vragen. -B- B.
- De prejudiciële vragen hebben betrekking op het toepassingsgebied van het beklagrecht van de gedetineerde. B.2.
- Het beklagrecht van de gedetineerde is geregeld in hoofdstuk I (« Klachten ») van titel VIII (« Afhandeling van klachten en van bezwaar tegen plaatsing of overplaatsing ») van de basiswet van 12 januari 2005 « betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden » (hierna : de Basiswet). Het beklag betreft, zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn arrest nr. 150/2018 van 8 november 2018 (ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.150), een procedure in de vorm van een jurisdictioneel beroep bij geëigende penitentiaire instanties met een rechtsprekende functie, zijnde de klachtencommissie in eerste aanleg en de beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen in hoger beroep. B.2.
- Zoals blijkt uit de memorie van toelichting in het eindverslag van de commissie « Basiswet gevangeniswezen en rechtspositie van gedetineerden », de zogenaamde commissie- Dupont, die de wetgever zich eigen heeft gemaakt toen hij de Basiswet aannam, heeft de wetgever met die procedure beoogd om, naar Nederlands model, conflicten in het kader van de detentie af te handelen via een kosteloze, snelle en laagdrempelige procedure voor een onafhankelijke rechtsprekende instantie die bijzonder vertrouwd is met de penitentiaire praxis (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50–1076/001, pp. 92 en 96-100). Het betreft volgens hetzelfde eindverslag « een vorm van positieve discriminatie […] van gedetineerden op procedureel vlak » die wordt verantwoord « vanuit de reeds bij herhaling onder de aandacht gebrachte eigenheid van de detentiesituatie, die haar eigen behoefte aan een geëigende procedure van interne conflictbemiddeling en conflictafhandeling met zich meebrengt » (ibid., p. 97). 5 B.3.
- Artikel 148 van de Basiswet, dat deel uitmaakt van het voormelde hoofdstuk I van titel VIII, bepaalt : « Onverminderd de mogelijkheid voor een gedetineerde om zich te richten tot de directie en de Commissie van toezicht, kan een gedetineerde bij de Klachtencommissie beklag doen over elke beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van hem genomen werd. Met een in het eerste lid bedoelde beslissing wordt gelijkgesteld het verzuim of de weigering een beslissing te nemen binnen een wettelijke termijn, of bij het ontbreken ervan, binnen een redelijke termijn ». B.3.
- Het eindverslag van de commissie-Dupont verduidelijkt over die bepaling : « Dit tekstvoorstel is ontleend aan artikel 60 van de nieuwe Nederlandse Penitentiaire Beginselenwet (Wet tot vaststelling van een Penitentiaire beginselenwet) dat door deze formulering enerzijds garandeert dat een ruim beklag mogelijk is, waarvan a priori geen onderwerpen uitgesloten zijn omwille van hun beweerdelijk futiliteitskarakter (in de perceptie van de gedetineerden kan vrijwel elk onderwerp als gewichtig worden beschouwd), doch anderzijds dat feitelijk handelen dat niet in verbinding gebracht kan worden met een beslissing van de directeur of incidenten buiten de formele beklagprocedure vallen » (ibid., p. 103). En : « De algemene beklaggrond is ruim geformuleerd (‘ elke beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van hem genomen werd ’) maar sluit wel het feitelijk handelen of nalaten uit dat niet in relatie staat tot een beslissing van de directeur. Eventueel kan de gedetineerde over dit feitelijk handelen via het informele contact met de directeur (art. 142) een beslissing uitlokken die dan wel vatbaar is voor beklag » (ibid., p. 269). B.4.
- Bij zijn arrest nr. 262.903 van 3 april 2025 (ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.903) heeft de Raad van State een beslissing van de Franstalige beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen vernietigd wegens schending van artikel 148 van de Basiswet, omdat die beroepscommissie had geoordeeld dat beklag tegen de wijze van uitvoering van een beslissing tot onderzoek van de verblijfsruimte mogelijk is. Volgens de Raad van State kan de wijze van uitvoering uitsluitend worden aangevochten bij de gewone rechter. B.4.
- Rekening houdend met dat arrest, interpreteert het verwijzende rechtscollege artikel 148, eerste lid, van de Basiswet in die zin dat beklag kan worden gedaan over de 6 beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van de gedetineerde werd genomen, maar niet over de wijze van uitvoering van die beslissing. Het verwijzende rechtscollege vraagt het Hof of artikel 148, eerste lid, van de Basiswet in die interpretatie bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.5.
- De Ministerraad voert aan dat het in het geding zijnde verschil in behandeling voortvloeit uit een keuze die de Grondwetgever in de artikelen 144, eerste lid, 145 en 161 van de Grondwet heeft gemaakt. B.5.
- Het Hof is niet bevoegd om zich uit te spreken over een verschil in behandeling of een beperking van een grondrecht voortvloeiende uit een door de Grondwetgever zelf gemaakte keuze. In zoverre de bevoegdheid van het Hof erdoor wordt beperkt, dient de keuze van de Grondwetgever evenwel beperkend te worden geïnterpreteerd. B.5.
- Krachtens artikel 144 van de Grondwet behoren geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken (eerste lid). De wet kan de Raad van State en de federale administratieve rechtscolleges echter machtigen om te beslissen over de burgerrechtelijke gevolgen van hun beslissingen (tweede lid). Krachtens artikel 145 van de Grondwet behoren geschillen over politieke rechten tot de bevoegdheid van de rechtbanken, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen. Artikel 161 van de Grondwet bepaalt dat geen administratief rechtscollege kan worden ingesteld dan krachtens een wet. B.5.
- De in die bepalingen vervatte rechtsmachtverdeling houdt in dat, behoudens de beperkte uitzondering waarin artikel 144, tweede lid, van de Grondwet voorziet, administratieve rechtscolleges zoals de klachtencommissies en de beroepscommissies, niet bevoegd kunnen worden gemaakt voor geschillen over burgerlijke rechten. De rechtsmacht inzake geschillen over politieke rechten of over het objectief recht kan daarentegen wel door de wetgever aan hen worden toegekend. 7 De geschillen over de wijze van uitvoering van beslissingen die door of namens de directeur ten aanzien van de gedetineerde zijn genomen, behoren tot de categorie van geschillen die aan administratieve rechtscolleges kunnen worden toegekend. Dergelijke geschillen komen voort uit de uitoefening door of namens de directeur van prerogatieven van het openbaar gezag van de Staat. Ook voor zover zij een subjectief recht als voorwerp zouden hebben, behoren zij niet bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken wat de geschillen over burgerlijke rechten in de zin van artikel 144 van de Grondwet betreft. Het in het geding zijnde verschil in behandeling is aldus niet te herleiden tot een keuze van de Grondwetgever. B.
- De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
- Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het type handeling dat het voorwerp uitmaakt van het geschil. B.8.
- De beklagprocedure bestaat concreet erin dat een klacht kan worden ingediend bij de klachtencommissie bij de gevangenis waar de beslissing is genomen waarover de gedetineerde zich beklaagt (artikel 150, § 1, van de Basiswet). De klacht moet zo nauwkeurig mogelijk de beslissing waarover wordt geklaagd en de redenen van de klacht vermelden, en moet in principe worden ingediend uiterlijk de zevende dag na die waarop de gedetineerde kennis heeft gekregen van de beslissing waarover hij zich wenst te beklagen. Een latere klacht 8 is niettemin ontvankelijk indien de gedetineerde de klacht zo spoedig heeft ingediend als redelijkerwijs van hem kon worden verlangd (artikel 150, §§ 2 en 5, van de Basiswet). De klachtencommissie doet zo spoedig mogelijk, en uiterlijk veertien dagen na het indienen van de klacht of van het falen van de bemiddeling een met redenen omklede uitspraak over de klacht (artikel 157, § 1, van de Basiswet). De klachtencommissie kan beslissen de klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk, ongegrond of gegrond te verklaren (artikel 158, § 1, van de Basiswet). De klacht wordt gegrond verklaard indien de bestreden beslissing van de directeur « in strijd is met een in de gevangenis geldend wettelijk voorschrift of met een bindende bepaling van een in België geldend verdrag » of « bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, onredelijk of onbillijk moet worden geacht » (artikel 158, § 2, van de Basiswet). Indien de klacht gegrond wordt verklaard, vernietigt de klachtencommissie de beslissing en kan ze ofwel de directeur opdragen, binnen een door haar bepaalde termijn, een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van haar uitspraak, ofwel bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing, of nog, zich beperken tot een gehele of gedeeltelijke vernietiging van de beslissing (artikel 158, § 3, van de Basiswet). De directeur dient de gevolgen van de vernietigde beslissing ongedaan te maken of in overeenstemming te brengen met de uitspraak van de klachtencommissie. Voor zover de gevolgen van de vernietigde beslissing niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt, bepaalt de klachtencommissie of aan de klager enige tegemoetkoming, met uitsluiting van elke financiële vergoeding, moet worden toegekend (artikel 158, § 4, van de Basiswet). De beslissing van de klachtencommissie is uitvoerbaar, ongeacht de mogelijkheid van beroep (artikel 158, § 5, van de Basiswet). Tegen de uitspraak van de klachtencommissie kunnen de in het ongelijk gestelde partijen hoger beroep instellen bij de beroepscommissie, in principe binnen zeven dagen na ontvangst van de uitspraak (artikel 159, §§ 1 en 2, van de Basiswet). De beroepscommissie doet zo spoedig mogelijk uitspraak over het beroepschrift en uiterlijk veertien dagen na het instellen van het hoger beroep (artikel 162, § 1, van de Basiswet). B.8.
- Zoals in B.2.2 is vermeld, is de beklagprocedure opgevat als een vorm van « positieve discriminatie » van gedetineerden op procedureel vlak die wordt verantwoord vanuit de eigenheid van de detentiesituatie. 9 B.9.
- In het licht daarvan is het in het geding zijnde verschil in behandeling niet redelijk verantwoord. Uit niets blijkt dat de nood aan een aan de detentiesituatie aangepaste vorm van rechtsbescherming wezenlijk verschilt naargelang de gedetineerde zich gegriefd ziet door een beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van hem is genomen of door de wijze waarop die beslissing wordt uitgevoerd. Integendeel, in beide situaties bevindt de gedetineerde zich in dezelfde kwetsbare positie en heeft hij een gelijkaardig belang bij het doen gelden van zijn rechten. Doordat de uitvoeringshandelingen niet vatbaar zijn voor beklag, moet de gedetineerde bovendien voor, minstens in zijn hoofde, vaak samenhangende zaken een beroep instellen bij zowel de klachtencommissie als de gewone rechter. Rekening houdend met het feit dat een gedetineerde zich in een kwetsbare positie bevindt, vormt dat een onevenredige last. Voor de gedetineerde die zowel de beslissing die door of namens de directeur is genomen als de uitvoering ervan betwist, heeft de in het geding zijnde bepaling immers als gevolg dat hij twee afzonderlijke procedures moet voeren, met verschillende termijnen en vormvereisten, waarbij alleen de procedure bij de klachtencommissie en in beroep bij de beroepscommissie specifiek aangepast is aan de detentiesituatie. In een zaak voor de gewone rechter is bovendien niet in dezelfde mate een snelle uitspraak gewaarborgd als in een zaak voor de klachtencommissie. Weliswaar kan de gedetineerde zich vaak kosteloos laten bijstaan door een advocaat, maar dat volstaat op zich niet om het onevenredige karakter van de last weg te nemen. B.9.
- De toelichting bij de in het geding zijnde bepaling doet niet anders besluiten. Daarin wordt, zoals uit de in B.3.2 geciteerde passages uit het eindverslag van de commissie-Dupont blijkt, slechts verduidelijkt dat voor de in artikel 148 van de Basiswet gebruikte formulering is gekozen omdat die garandeert dat, enerzijds, een ruim beklag mogelijk is, maar, anderzijds, feitelijk handelen en nalaten dat niet in relatie staat tot een beslissing van de directeur en incidenten buiten de formele beklagprocedure blijven. Noch in die passages, noch in een andere tekst wordt ingegaan op feitelijk handelen en nalaten dat wel in relatie staat tot een beslissing van de directeur, zoals het handelen dat ter uitvoering van die beslissing plaatsvindt. B.
- In de interpretatie die het verwijzende rechtscollege eraan geeft, is artikel 148, eerste lid, van de Basiswet bijgevolg niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 10 B.
- De in het geding zijnde bepaling is evenwel voor een andere interpretatie vatbaar. Artikel 148, eerste lid, van de Basiswet kan zo worden geïnterpreteerd dat de gedetineerde eveneens beklag kan doen over de wijze van uitvoering van de beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van hem werd genomen. In die interpretatie is artikel 148, eerste lid, van de Basiswet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - In de interpretatie dat de gedetineerde geen beklag kan doen over de wijze van uitvoering van de beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van hem werd genomen, schendt artikel 148, eerste lid, van de basiswet van 12 januari 2005 « betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden » de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - In de interpretatie dat de gedetineerde beklag kan doen over de wijze van uitvoering van de beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van hem werd genomen, schendt artikel 148, eerste lid, van dezelfde basiswet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 2 april
- De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.039 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.150 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.902 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.903 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div