id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 02 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.040 Arrest- Rolnummer: 40/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-04-13 Raadplegingen: 527 - laatst gezien 2026-06-18 17:30 Versie(s): Versie FR Fiche Schending (artikel 11 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 oktober 2023, in zoverre het een kernelement van de lopende arbeidsovereenkomsten in het geding brengt zonder dat in redelijke overgangsmaatregelen wordt voorzien) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 11 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 oktober 2023 « betreffende het bestuur, de transparantie, de autonomie en de controle in verband met de instellingen, de maatschappijen voor schoolgebouwen en de maatschappijen voor vermogensbeheer die onder de Franse Gemeenschap ressorteren », gesteld door de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel. Franse Gemeenschap - Maatregelen met het oog op een sterker bestuur en een sterkere ethiek binnen de instellingen die onder de Franse Gemeenschap ressorteren - Beheerder van een rechtspersoon - Bezoldigingsplafond - Toepassing op een arbeidsovereenkomst gesloten vóór de inwerkingtreding van het decreet - Ontstentenis van een overgangsregeling Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 40/2026 van 2 april 2026 Rolnummer : 8591 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 11 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 oktober 2023 « betreffende het bestuur, de transparantie, de autonomie en de controle in verband met de instellingen, de maatschappijen voor schoolgebouwen en de maatschappijen voor vermogensbeheer die onder de Franse Gemeenschap ressorteren », gesteld door de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 24 november 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 1 december 2025, heeft de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 11 van het decreet van 5 oktober 2023 artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het voormelde artikel 11 de toepassing oplegt van de regels waarin dat artikel voorziet op de akten die zijn aangenomen en de overeenkomsten die zijn gesloten vóór de inwerkingtreding van die bepaling, en voor de beheerders van de in artikel 1 van dat decreet bedoelde instellingen van wie de vóór die inwerkingtreding contractueel overeengekomen bezoldiging hoger was dan het bij artikel 11 bepaalde bezoldigingsplafond, een loonverlies met zich meebrengt dat aanzienlijk kan zijn, en dat zonder compensatie of redelijke overgangsmaatregelen ? ». Op 17 december 2025 hebben de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 2 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. De nv « Régie Media belge », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Maureen Degueldre, advocate bij de balie Namen-Dinant, en door mr. Juliette Lebeau, advocate bij de balie te Brussel, heeft een memorie met verantwoording ingediend. De bepalingen van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Sinds 28 oktober 1991 is Yves Gérard directeur-generaal, afgevaardigd voor het dagelijks bestuur van de nv « Régie Média belge » (hierna : de RMB), de reclameregie van de « Radio-télévision belge de la Communauté francaise ». De RMB verlaagt vanaf 1 april 2024 de bezoldiging van Yves Gérard met toepassing van het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 oktober 2023 « betreffende het bestuur, de transparantie, de autonomie en de controle in verband met de instellingen, de maatschappijen voor schoolgebouwen en de maatschappijen voor vermogensbeheer die onder de Franse Gemeenschap ressorteren » (hierna : het decreet van 5 oktober 2023). Op 3 juni 2024 stelt Yves Gérard een vordering in voor de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel. Hij verzoekt het verwijzende rechtscollege voor recht te zeggen dat het decreet van 5 oktober 2023 ongrondwettig is en bijgevolg de RMB ertoe te veroordelen aan hem de bedragen die hem verschuldigd zouden zijn, te betalen. Op verzoek van Yves Gérard stelt het verwijzende rechtscollege aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1.
- In hun conclusies die met toepassing van artikel 72 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof zijn genomen, hebben de rechters-verslaggevers laten weten dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof voor te stellen een arrest op voorafgaande rechtspleging te wijzen, waarbij wordt vastgesteld dat artikel 11 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 oktober 2023 « betreffende het bestuur, de transparantie, de autonomie en de controle in verband met de instellingen, de maatschappijen voor schoolgebouwen en de maatschappijen voor vermogensbeheer die onder de Franse Gemeenschap ressorteren » (hierna : het decreet van 5 oktober 2023) niet bestaanbaar is met artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre die bepaling een kernelement van de lopende arbeidsovereenkomsten in het geding brengt zonder dat in redelijke overgangsmaatregelen wordt voorzien. A.1.
- De rechters-verslaggevers hebben in herinnering gebracht dat het Hof zich bij zijn arrest nr. 135/2023 van 19 oktober 2023 (ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.135) heeft uitgesproken over de grondwettigheid van artikel 15bis, §§ 3 en 13, van het decreet van het Waalse Gewest van 12 februari 2004 « betreffende [het statuut van] de overheidsbestuurder », zoals gewijzigd bij artikel 12, 1° en 6°, van het decreet van het Waalse Gewest van 29 maart 2018 « tot wijziging van de decreten van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder en van 12 februari 2004 betreffende de Regeringscommissaris en de controleopdrachten van de revisoren binnen de instellingen van openbaar nut, met het oog op een sterker bestuur en een sterkere ethiek binnen de Waalse instellingen », en van de artikelen 13 en 35 van het voormelde decreet van 29 maart
- Die 3 bepalingen voorzien in een bezoldigingsplafond dat met name van toepassing is op de beheerders van rechtspersonen die afhangen van het Waalse Gewest. Het Hof heeft geoordeeld dat de rechtszekerheid en de wilsautonomie van de contractspartijen in beginsel impliceren dat nieuwe wetten die wijzigingen aanbrengen met betrekking tot de kernelementen van de overeenkomst, zoals de vergoeding of de bezoldiging, niet van toepassing zijn op lopende overeenkomsten, maar enkel op overeenkomsten die na de bekendmaking van de nieuwe wet worden gesloten. Indien de wetgever daarvan afwijkt, dient hij, in het licht van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, ervoor te zorgen dat hij geen afbreuk doet aan de gewettigde verwachtingen van een categorie van contractspartijen, zonder dat een dwingende reden van algemeen belang de ontstentenis van een overgangsregeling kan verantwoorden. Het Hof heeft geoordeeld dat doelstellingen om het vertrouwen tussen de overheid en de burger te versterken en om het behoorlijk bestuur en het goede beheer van de overheidsmiddelen te waarborgen, legitiem waren en het principe van een bezoldigingsplafond konden verantwoorden, maar dat zij daarentegen niet verantwoordden dat met een overgangsperiode van slechts anderhalve maand wordt geraakt aan een van de kernelementen van lopende privaatrechtelijke arbeidsovereenkomsten. Volgens de rechters-verslaggevers is er geen aanleiding om af te wijken van de redenering van het Hof in zijn voormelde arrest nr. 135/2023, aangezien de bij het decreet van 5 oktober 2023 ingevoerde maatregel om de bezoldiging te plafonneren soortgelijk is aan die waarin de Waalse wetgeving voorzag en rechtstreeks daarop is geïnspireerd. A.
- De nv « Régie Média belge » doet gelden dat zij zich ertoe heeft beperkt het decreet van 5 oktober 2023 toe te passen. Zij meent dat zij de ongrondwettigheid van het decreet van 5 oktober 2023 niet had kunnen vaststellen en de toepassing ervan niet had kunnen weren op basis van het voormelde arrest nr. 135/2023, aangezien dat laatste betrekking heeft op andere decreten. Zij laat aan de Franse Gemeenschapsregering de zorg over om uitleg te geven over de vraag of het opportuun is de rechtspleging af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging, en over de niet-bestaanbaarheid van artikel 11 van het decreet van 5 oktober 2023 met artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol, in zoverre die bepaling een kernelement van de lopende arbeidsovereenkomsten in het geding brengt zonder dat in redelijke overgangsmaatregelen wordt voorzien. -B- B.1.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 11 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 oktober 2023 « betreffende het bestuur, de transparantie, de autonomie en de controle in verband met de instellingen, de maatschappijen voor schoolgebouwen en de maatschappijen voor vermogensbeheer die onder de Franse Gemeenschap ressorteren » (hierna : het decreet van 5 oktober 2023). Dat artikel bepaalt : « §
- Het bezoldigingsplafond van de beheerder van een instelling bedraagt 245.000,00 euro bruto per jaar. Het bezoldigingsplafond van 245.000,00 euro bruto per jaar wordt elk jaar op 1 januari geïndexeerd door de volgende formule toe te passen : het bezoldigingsplafond is gelijk aan 245.000,00 euro vermenigvuldigd met het indexcijfer van de consumptieprijzen in december (basis 2004) en gedeeld door 121,66 (indexcijfer van de consumentenprijzen in december 2012, basis 2004). 4 Als het ambt van beheerder deeltijds wordt uitgeoefend, wordt het bezoldigingsplafond berekend naar rato van de overeengekomen arbeidsregeling. §
- Het maximumbedrag bedoeld in § 1 wordt verkregen door optelling van alle sommen in geld en alle in geld waardeerbare voordelen die de beheerder in ruil voor of in verband met zijn mandaat ontvangt van de werkgever of van direct met hem verbonden rechtspersonen, en omvat minstens : 1° het brutomaandsalaris; 2° de premies en toeslagen die worden toegekend krachtens de geldende arbeidswet- en - regelgeving of collectieve overeenkomsten die van toepassing zijn op de instelling; 3° in voorkomend geval de krachtens een beslissing van de werkgever aan de beheerder toegekende premie, waarvan het jaarlijkse bedrag niet meer mag bedragen dan een vijfde van het in § 1 bedoelde salaris; 4° in voorkomend geval de variabele bezoldigingen die worden toegekend op basis van meetbare doelstellingen van financiële of andere aard die ten minste zes maanden van tevoren worden vastgesteld, en waarvan het totale jaarlijkse bedrag niet meer mag bedragen dan een vijfde van het in § 1 bedoelde salaris; 5° in voorkomend geval de voordelen, met inbegrip van de door de werkgever betaalde bijdragen ten behoeve van de beheerder, die voortvloeien uit een aanvullende pensioenregeling van welke aard ook. […] §
- De instelling mag het volgende niet aan de beheerder toewijzen : 1° een bezoldiging in de vorm van aandelen, aandelenopties of enig ander product van soortgelijke aard; […] ». B.1.
- Het decreet van 5 oktober 2023 regelt met name de bezoldigingen en de vergoedingen van de beheerders van de rechtspersonen die onder de Franse Gemeenschap ressorteren en van de verschillende entiteiten die daaraan verbonden zijn. De « Radio-télévision belge de la Communauté francaise » (hierna : de RTBF) wordt uitdrukkelijk vermeld als een van de « instellingen » waarop het decreet van 5 oktober 2023 (artikel 1, 1, 1.1, a)) van toepassing is. Dat decreet is ook van toepassing op de nv « Régie Média belge », de reclameregie van de RTBF, daar die laatste daarin een « gekwalificeerde 5 deelneming » (artikel 1, 1, 1.2) bezit, namelijk « meer dan 50 % van de stemrechten die zijn verbonden aan alle aandelen of rechten van de vennoten van de entiteit in kwestie » (artikel 1, 14). B.1.
- Het decreet van 5 oktober 2023 is in werking getreden op 1 januari 2024 (artikel 73, eerste lid). Het voormelde artikel 11, § 1, is in werking getreden op de dag van de bekendmaking van het decreet in het Belgisch Staatsblad (artikel 73, derde lid), namelijk op 12 januari
- Artikel 72, § 1, eerste lid, van het decreet van 5 oktober 2023 bepaalt dat de tussen de instelling en de beheerder gesloten overeenkomsten en aanhangsels, met inbegrip van de vóór of na de inwerkingtreding van het decreet aangenomen akten en gesloten overeenkomsten, in voorkomend geval binnen drie maanden na de inwerkingtreding van dat decreet worden aangepast ten aanzien van artikel 11 ervan. B.
- Het decreet van 5 oktober 2023 heeft tot doel de bestaande regels inzake transparantie in de mandaten en de bezoldigingen van die beheerders te verscherpen en « de rechtspersonen die van de Franse Gemeenschap aanzienlijke financiële middelen ontvangen die een groot deel van hun beschikbare middelen vormen, aan meer transparantie te onderwerpen » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2023-2024, nr. 585/1, p. 5). Volgens de parlementaire voorbereiding « bestaat de ambitie van de Regering erin de Franse Gemeenschap te voorzien van een wetgeving inzake publiek bestuur die van een soortgelijk niveau is als dat van de Waalse wetgeving betreffende het statuut van de overheidsbestuurders en de Regeringscommissarissen, zoals gewijzigd bij de decreten van 29 maart 2018 tot wijziging van de decreten van 12 februari 2004 betreffende de statuten van de overheidsbestuurder en betreffende de Regeringscommissaris en de controleopdrachten van de revisoren binnen de instellingen van openbaar nut en binnen de instellingen van openbaar nut voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet » (ibid.). B.
- Het Hof wordt verzocht te onderzoeken of artikel 11 van het decreet van 5 oktober 2023 bestaanbaar is met artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (hierna : het Eerste Aanvullend Protocol), in zoverre het van toepassing is op de akten die zijn aangenomen en de overeenkomsten die zijn gesloten vóór de inwerkingtreding van die bepaling, en in zoverre het voor de beheerders van de betrokken instellingen van wie de 6 bezoldiging hoger is dan het bezoldigingsplafond waarin is voorzien, een aanzienlijk loonverlies met zich meebrengt, en dat zonder compensatie of redelijke overgangsmaatregelen. B.4.
- Artikel 16 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ». B.4.
- Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bepaalt : « Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ». B.4.
- Aangezien artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol een draagwijdte heeft die analoog is met die van artikel 16 van de Grondwet, vormen de erin vervatte waarborgen een onlosmakelijk geheel met die welke zijn opgenomen in die grondwetsbepaling, zodat het Hof, bij zijn toetsing van de in het geding zijnde bepalingen, ermee rekening houdt. B.4.
- Artikel 1 van het voormelde Protocol biedt niet alleen bescherming tegen een onteigening of een eigendomsberoving (eerste alinea, tweede zin), maar ook tegen elke verstoring van het genot van de eigendom (eerste alinea, eerste zin) en elke regeling van het gebruik van de eigendom (tweede alinea). B.
- In zoverre zij een bezoldigingsplafond vastlegt dat vanaf 12 januari 2024 van toepassing is op de lopende arbeidsovereenkomsten, brengt de in het geding zijnde bepaling geen onteigening in de zin van artikel 16 van de Grondwet met zich mee. Het Hof moet evenwel onderzoeken of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met het recht op het ongestoord genot van de eigendom dat is gewaarborgd bij artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol. 7 B.
- Wat betreft het toepassingsgebied van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol en het aspect van het bestaan van een inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom, is het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van oordeel dat het begrip « eigendom » « een autonome draagwijdte heeft die zich niet beperkt tot de eigendom van materiële goederen en die losstaat van de formele kwalificaties van het nationale recht : bepaalde andere rechten en belangen die activa vormen, kunnen eveneens doorgaan voor ‘ vermogensrechten ’ en dus voor ‘ eigendom ’ voor de toepassing van die bepaling » (EHRM, grote kamer, 11 januari 2007, Anheuser-Busch Inc. t. Portugal, ECLI:CE:ECHR:2007:0111JUD007304901, § 63; grote kamer, 7 juni 2012, Centro Europa 7 S.r.l. en Di Stefano t. Italië, ECLI:CE:ECHR:2012:0607JUD003843309, § 171; in dezelfde zin, zie, grote kamer, 13 december 2016, Béláné Nagy t. Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD005308013, § 73). Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol geldt « slechts voor de huidige eigendommen en creëert geen enkel recht om er te verwerven » (EHRM, grote kamer, 25 september 2018, Denisov t. Oekraïne, ECLI:CE:ECHR:2018:0925JUD007663911, § 137). Een « toekomstig inkomen kan slechts als ‘ eigendom ’ worden gekwalificeerd indien het reeds werd verdiend of het voorwerp van een zekere schuldvordering uitmaakt » (ibid.; in dezelfde zin, zie EHRM, grote kamer, 11 januari 2007, Anheuser-Busch Inc. t. Portugal, voormeld, § 64; grote kamer, 7 juni 2012, Centro Europa 7 S.r.l. en Di Stefano t. Italië, voormeld, § 172; beslissing, 6 september 2022, Marinovski t. Bulgarije, ECLI:CE:ECHR:2022:0906DEC007881516, § 18). Evenwel « kan onder bepaalde omstandigheden de ‘ legitieme verwachting ’ een vermogenswaarde te verkrijgen ook de bescherming genieten » van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol (EHRM, grote kamer, 11 januari 2007, Anheuser-Busch Inc. t. Portugal, voormeld, § 65; grote kamer, 7 juni 2012, Centro Europa 7 S.r.l. en Di Stefano t. Italië, voormeld, § 173; grote kamer, 13 december 2016, Béláné Nagy t. Hongarije, voormeld, § 74). Een « legitieme verwachting moet concreter zijn dan gewone hoop en gebaseerd zijn op een rechtsbepaling of een rechtshandeling zoals een rechterlijke beslissing » (EHRM, grote kamer, 13 december 2016, Béláné Nagy t. Hongarije, voormeld, § 75). Om een eigendom te laten erkennen die bestaat uit een legitieme verwachting, moet een afdwingbaar recht worden 8 genoten dat daadwerkelijk een wezenlijk vermogensbelang moet vormen dat voldoende is aangetoond in het licht van het nationale recht (ibid., § 79). B.
- Aangezien de beheerder, in de situatie zoals die in het bodemgeschil, op het ogenblik van de inwerkingtreding van de in het geding zijnde bepaling, een arbeidsovereenkomst had gesloten met een instelling bedoeld in artikel 1 van het decreet van 5 oktober 2023 en waarin een bezoldiging voor bepaalde arbeidsprestaties werd overeengekomen, kon hij de legitieme verwachting koesteren dat hij minstens in de nabije toekomst die bezoldiging zou ontvangen in ruil voor de reeds overeengekomen arbeidsprestaties. In die mate valt de in het geding zijnde bepaling, die een wettelijk plafond instelt op de bezoldiging die de betrokken beheerder int voor zijn prestaties, onder het toepassingsgebied van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol (vergelijk EHRM, 24 september 2002, Posti en Rahko t. Finland, ECLI:CE:ECHR:2002:0924JUD002782495, § 76; 16 november 2004, Bruncrona t. Finland, ECLI:CE:ECHR:2004:1116JUD004167398, § 79; beslissing, 7 mei 2013, Koufaki en Adedy t. Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2013:0507DEC005766512, § 34). B.
- Een inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom is verantwoord indien erin is voorzien bij een voldoende toegankelijke, nauwkeurige en voorzienbare juridische grondslag (EHRM, 14 mei 2013, N.K.M. t. Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2013:0514JUD006652911, § 48; 21 juli 2016, Mamatas e.a. t. Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2016:0721JUD006306614, § 98), indien zij een legitiem publiek of algemeen belang nastreeft (EHRM, grote kamer, 13 december 2016, Béláné Nagy t. Hongarije, voormeld, § 113) en indien zij een redelijk verband van evenredigheid heeft met het nagestreefde doel, dat wil zeggen indien zij het billijke evenwicht tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van dat recht niet verbreekt (ibid., § 115). B.
- Wat betreft de voorwaarde volgens welke bij een voldoende toegankelijke, nauwkeurige en voorzienbare juridische grondslag in de inmenging moet zijn voorzien, volstaat het, te dezen, vast te stellen dat de toepassing van het in B.1.1 beoogde bezoldigingsplafond op de lopende arbeidsovereenkomsten van de beheerders van de instellingen bedoeld in artikel 1 van het decreet van 5 oktober 2023 voldoende duidelijk en precies is bepaald door de in het geding zijnde bepaling, in samenhang gelezen met de voormelde artikelen 1 en 72, § 1, eerste lid, van het decreet van 5 oktober
- 9 B.
- Uit de in B.2 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de in het geding zijnde bepaling een legitieme doelstelling van algemeen belang nastreeft, namelijk de bestaande regels inzake transparantie in de mandaten en de bezoldigingen van de betrokken beheerders verscherpen. B.
- Hoewel de invoering van het in B.1.1 beoogde bezoldigingsplafond een aanzienlijke vermindering van de contractueel vastgelegde bezoldiging kan teweegbrengen, met name wanneer die contractueel vastgelegde bezoldiging substantieel hoger is dan het bedrag dat als bezoldigingsplafond wordt ingevoerd, heeft het bezoldigingsplafond op zich, gelet op het niveau ervan, geen onevenredige gevolgen. Het Hof dient evenwel nog te onderzoeken of de in het geding zijnde bepaling geen onevenredige gevolgen heeft, in zoverre het bezoldigingsplafond van toepassing is op lopende overeenkomsten. B.
- Zoals vermeld in B.1.3, bepaalt artikel 72, § 1, eerste lid, van het decreet van 5 oktober 2023 dat de tussen de instelling en de beheerder gesloten overeenkomsten en aanhangsels, met inbegrip van de vóór of na de inwerkingtreding van het decreet aangenomen akten en gesloten overeenkomsten, in voorkomend geval binnen drie maanden na de inwerkintreding van dat decreet worden aangepast ten aanzien van artikel 11 van het decreet van 5 oktober
- De in het geding zijnde bepaling heeft dus tot gevolg dat een beheerder die, zoals in het bodemgeschil, op het ogenblik van de inwerkingtreding van die bepaling een arbeidsovereenkomst heeft gesloten met een instelling bedoeld in artikel 1 van het decreet van 5 oktober 2023 en waarin een bezoldiging werd overeengekomen die hoger ligt dan het bezoldigingsplafond, vanaf uiterlijk 1 april 2024 zijn bezoldiging ziet worden verminderd tot het als bezoldigingsplafond vermelde bedrag. In het bodemgeschil betreft het een vermindering ten belope van ongeveer 35 %. B.
- Wat betreft de lopende arbeidsovereenkomsten die voorzien in een hogere bezoldiging dan het bezoldigingsplafond en waarin de partijen niet in onderlinge overeenstemming een wijziging aanbrengen opdat de contractueel overeengekomen bezoldiging dat plafond vanaf uiterlijk 1 april 2024 in acht zou nemen, verzet de in het geding 10 zijnde bepaling zich ertegen dat de werkgever, vanaf die datum, aan de beheerder het deel van de bezoldiging betaalt dat het plafond overstijgt. De in het geding zijnde bepaling legt op zich niet de manier vast waarop de arbeidsovereenkomst, in voorkomend geval, kan worden beëindigd in een dergelijke situatie. B.14.
- Krachtens de algemene principes van het overgangsrecht inzake overeenkomsten blijft de oude wet van toepassing op de overeenkomsten die zijn gesloten vóór de datum van inwerkingtreding van de nieuwe wet, tenzij de nieuwe wet van openbare orde of dwingend recht is of uitdrukkelijk de toepassing voorschrijft op de lopende overeenkomsten (Cass., 24 juni 2019, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190624.2; 4 februari 2021, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210204.1F.2). Het staat evenwel aan het Hof om te onderzoeken of de inwerkingtreding van een nieuwe wetsbepaling volgens die algemene principes bestaanbaar is met de in de prejudiciële vraag vermelde toetsingsnormen. B.14.
- Het staat in beginsel aan de bevoegde wetgever om, wanneer hij beslist nieuwe regelgeving in te voeren, te beoordelen of het noodzakelijk of opportuun is die beleidswijziging vergezeld te doen gaan van overgangsmaatregelen. Het Hof zou die keuze slechts kunnen afkeuren indien er voor de overgangsregeling – of de ontstentenis daarvan – geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. Dat is het geval wanneer afbreuk wordt gedaan aan de legitieme verwachtingen van een bepaalde categorie van rechtzoekenden zonder dat een dwingende reden van algemeen belang de ontstentenis van een overgangsregeling voor hen kan verantwoorden. Het vertrouwensbeginsel is nauw verbonden met het rechtszekerheidsbeginsel, dat de wetgever verbiedt om zonder objectieve en redelijke verantwoording afbreuk te doen aan het belang van de rechtsonderhorigen om in staat te zijn de rechtsgevolgen van hun handelingen te voorzien. B.14.
- De rechtszekerheid en de wilsautonomie van de contractspartijen veronderstellen in beginsel dat nieuwe wetten die wijzigingen aanbrengen met betrekking tot de kernelementen van de overeenkomst, zoals de vergoeding of de bezoldiging, niet van toepassing zijn op lopende overeenkomsten, maar enkel op overeenkomsten die na de bekendmaking van de nieuwe wet worden gesloten. Indien de wetgever daarvan afwijkt, dient hij, in het licht van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol, ervoor te zorgen dat hij de in B.14.2 vermelde 11 beginselen in acht neemt en dus geen afbreuk doet aan de gewettigde verwachtingen van een categorie van contractspartijen, zonder dat een dwingende reden van algemeen belang de ontstentenis van een overgangsregeling kan verantwoorden. B.14.
- Contracten tussen een beheerder en een instelling bedoeld in artikel 1 van het decreet van 5 oktober 2023 die, zoals in het bodemgeschil, werden gesloten vóór de bekendmaking van de in het geding zijnde bepaling, waren niet onderworpen aan een bezoldigingsplafond, zodat een bezoldiging kon worden overeengekomen die zich substantieel boven de in dat decreet vermelde bedragen bevindt en de contractspartijen ervan konden uitgaan dat die bezoldiging ongewijzigd zou blijven. Het bedrag van de bezoldiging is een van de kernelementen waarop een werknemer zijn gedrag afstemt door de beslissing om al dan niet te contracteren. De in B.10 vermelde doelstelling kan weliswaar het principe van een bezoldigingsplafond verantwoorden, maar verantwoordt daarentegen niet dat met een overgangsperiode van slechts drie maanden wordt geraakt aan een van de kernelementen van lopende privaatrechtelijke arbeidsovereenkomsten. B.
- In zoverre het een kernelement van de lopende arbeidsovereenkomsten in het geding brengt zonder dat in redelijke overgangsmaatregelen wordt voorzien, is artikel 11 van het decreet van 5 oktober 2023 niet bestaanbaar met artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : In zoverre het een kernelement van de lopende arbeidsovereenkomsten in het geding brengt zonder dat in redelijke overgangsmaatregelen wordt voorzien, schendt artikel 11 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 oktober 2023 « betreffende het bestuur, de transparantie, de autonomie en de controle in verband met de instellingen, de maatschappijen voor schoolgebouwen en de maatschappijen voor vermogensbeheer die onder de Franse Gemeenschap ressorteren » artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 2 april
- De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.040 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190624.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210204.1F.2 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.135 ECLI:CE:ECHR:2002:0924JUD002782495 ECLI:CE:ECHR:2004:1116JUD004167398 ECLI:CE:ECHR:2007:0111JUD007304901 ECLI:CE:ECHR:2012:0607JUD003843309 ECLI:CE:ECHR:2013:0507DEC005766512 ECLI:CE:ECHR:2013:0514JUD006652911 ECLI:CE:ECHR:2016:0721JUD006306614 ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD005308013 ECLI:CE:ECHR:2018:0925JUD007663911 ECLI:CE:ECHR:2022:0906DEC007881516 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div