id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 09 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.042 Arrest- Rolnummer: 42/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-04-20 Raadplegingen: 462 - laatst gezien 2026-06-18 18:31 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Schending (artikel 23, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935, in die zin geïnterpreteerd dat het de rechtscolleges in hoger beroep die een vonnis tenietdoen waarbij een wijziging van de taal van de rechtspleging werd verworpen, de verplichting oplegt om de zaak te verwijzen naar een rechtscollege in hoger beroep en niet naar een rechtscollege van eerste aanleg) - Geen schending (dezelfde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat het de rechtscolleges in hoger beroep die een vonnis tenietdoen waarbij een wijziging van de taal van de rechtspleging werd verworpen, de verplichting oplegt om de zaak te verwijzen naar een rechtscollege van eerste aanleg) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 23, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken », gesteld door het Hof van Cassatie. Strafrechtspleging - Gebruik der talen in gerechtszaken - Beklaagde - Verzoek tot verandering van de taal van de rechtspleging - Verwerping door de rechter in eerste aanleg - Vernietiging van het vonnis in hoger beroep - Verwijzing naar een ander rechtscollege in hoger beroep Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 42/2026 van 9 april 2026 Rolnummer : 8466 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 23, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken », gesteld door het Hof van Cassatie. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 9 april 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 15 april 2025, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 23, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6.3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zoverre met toepassing van het genoemde artikel 23, vierde lid, de beklaagde door de rechters in hoger beroep wordt verwezen naar een gerecht van dezelfde rang dat uitspraak doet in de taal die hij kent of waarin hij zich gemakkelijker uitdrukt, zodat indien met het bestreden vonnis, waarin werd geweigerd om op de aanvraag tot wijziging van de taal van de rechtspleging in te gaan, vervolgens uitspraak wordt gedaan over de grond van de zaak, de betrokkene zich enkel voor de rechters in hoger beroep zal kunnen verdedigen in de taal van zijn keuze, terwijl indien de beklaagde door de eerste rechter wordt verwezen naar een gerecht van dezelfde rang dat uitspraak doet in de taal die hij kent of waarin hij zich gemakkelijker uitdrukt, hij zich zowel in eerste aanleg als in hoger beroep zal kunnen verdedigen voor een gerecht dat uitspraak doet in die taal ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Sébastien Depré en mr. Estelle Volcansek, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. 2 Bij beschikking van 4 maart 2026 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De verwerende partij in cassatie wordt vervolgd voor de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Aalst, omdat zij op 27 november 2021 te Ninove een ongeval heeft veroorzaakt met vluchtmisdrijf als verzwarende omstandigheid. Zij wordt eveneens vervolgd wegens rijden zonder rijbewijs, in herhaling en als verzwarende omstandigheid. De verwerende partij in cassatie vraagt de taal van de rechtspleging te wijzigen teneinde de zaak te verwijzen naar de dichtstbijgelegen Franstalige politierechtbank. Bij een vonnis van 28 november 2022 verwerpt de politierechtbank Oost-Vlaanderen dat verzoek en verklaart zij de tenlasteleggingen bewezen ten gronde, waarbij de verwerende partij in cassatie wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar, tot een geldboete van 8 000 euro en tot een verval van het recht tot sturen gedurende vijf jaar. Die partij stelt tegen die beslissing hoger beroep in bij de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde. Bij een vonnis van 15 januari 2024 verklaart de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen het hoger beroep ontvankelijk en het verzoek tot taalwijziging gegrond. Met toepassing van artikel 23 van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken » (hierna : de wet van 15 juni 1935), verwijst hij de zaak naar de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, uitspraak doende in hoger beroep. Bij een vonnis van 5 december 2024 verklaart de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel zich onbevoegd om kennis te nemen van de zaak, om reden dat het met toepassing van artikel 23 van de wet van 15 juni 1935 de politierechtbank is waarbij de zaak aanhangig had moeten worden gemaakt. De procureur des Konings te Brussel stelt tegen dat vonnis een cassatieberoep in. Bij een arrest van 9 april 2025 merkt het Hof van Cassatie, dat het verwijzende rechtscollege is, op dat de beklaagde die alleen Frans kent of zich gemakkelijker in die taal uitdrukt en die terechtstaat voor een politierechtbank of een correctionele rechtbank waarvan de taal van rechtspleging het Nederlands is, overeenkomstig artikel 23, tweede en vierde lid, van de wet van 15 juni 1935, kan vragen dat die rechtspleging in het Frans geschiedt, met dien verstande dat, wanneer dat verzoek wordt ingewilligd, de zaak wordt verwezen naar het dichtstbijgelegen rechtscollege van dezelfde rang waarvan de taal van rechtspleging de taal is die door de beklaagde is gevraagd. Volgens het Hof van Cassatie vloeit uit het arrest van het Hof nr. 47/2024 van 25 april 2024 (ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.047) voort dat de verwijzing van de zaak naar de rechter in eerste aanleg door de rechter in hoger beroep met toepassing van artikel 23, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935 denkbaar is om het recht op een dubbele aanleg te waarborgen wanneer de door de rechter in hoger beroep gewezen beslissing tot wijziging van de taal van de rechtspleging een vonnis alvorens recht te doen waarbij dat verzoek werd verworpen tenietdoet zonder dat uitspraak werd gedaan over de grond van de zaak. Het Hof van Cassatie merkt op dat de omstandigheden te dezen verschillend zijn, aangezien de Politierechtbank Oost-Vlaanderen de grond van de zaak heeft onderzocht en waarbij ze het verzoek tot taalwijziging heeft verworpen. In een dergelijke situatie vraagt het Hof van Cassatie zich af of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Hoewel het recht op een dubbele aanleg weliswaar formeel wordt geëerbiedigd, heeft de beklaagde zich immers enkel in hoger beroep kunnen verdedigen in de taal die hij kent of waarin hij zich gemakkelijker uitdrukt. Bijgevolg houdt het Hof van Cassatie de uitspraak aan en stelt het de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. 3 III. In rechte -A- A.
- De Ministerraad merkt op dat de prejudiciële vraag niet uitdrukkelijk de te vergelijken categorieën van personen identificeert. Hij meent echter dat hij uit de verwijzingsbeslissing kan afleiden dat het Hof in die vraag wordt verzocht om zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 23, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935 met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in zoverre het verschillende procedurele gevolgen heeft naargelang het verzoek tot taalwijziging voor het rechtscollege in eerste aanleg of voor het rechtscollege in hoger beroep wordt geformuleerd en erdoor wordt ingewilligd. Meer in het bijzonder dient de situatie van de beklaagde aan wie het rechtscollege in eerste aanleg de taalwijziging weigert en daarbij ten gronde uitspraak doet, te worden vergeleken met de situatie van de beklaagde wiens verzoek tot taalwijziging alvorens recht te doen wordt ingewilligd door het rechtscollege in eerste aanleg. In het eerste geval kan de beklaagde hoger beroep instellen en wordt hij, in geval van herziening, verwezen naar een rechtscollege van dezelfde rang, dat wil zeggen naar een rechtscollege in hoger beroep, dat uitspraak doet in de taal die hij kent of waarin hij zich gemakkelijker uitdrukt, terwijl de beklaagde, in het tweede geval, door de eerste rechter wordt verwezen naar een rechtscollege van dezelfde rang, dat wil zeggen naar een rechtscollege in eerste aanleg, dat uitspraak doet in de taal die hij kent of waarin hij zich gemakkelijker uitdrukt. A.
- Volgens de Ministerraad streeft het verschil in behandeling legitieme doelstellingen na. Hij preciseert dat de wetgever in het licht van artikel 23, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935 een evenwicht heeft gezocht tussen meerdere imperatieven, namelijk de inachtneming van de taalrechten en, enerzijds, de eerbiediging van de rechten van verdediging en, anderzijds, de goede werking en de doeltreffendheid van de rechtsbedeling. Meer in het bijzonder strekt de in het geding zijnde maatregel ertoe de snelheid en de doeltreffendheid van de strafprocedure te waarborgen door een terugkeer naar een rechtscollege in eerste aanleg te voorkomen, waardoor wordt vermeden dat de totale duur van de rechtspleging aanzienlijk wordt verlengd, eveneens in het belang van de rechtsonderhorigen die binnen een redelijke termijn duidelijkheid hebben over hun lot. Zodoende behoudt de wetgever eveneens het gezag en de samenhang van de rechterlijke beslissingen, zodat een zaak die bij het rechtscollege in hoger beroep aanhangig wordt gemaakt zoveel mogelijk wordt opgelost zonder onophoudelijke verwijzingen van het ene naar het andere rechterlijke niveau. De in het geding zijnde maatregel strekt daarnaast ertoe de vertragingsmanoeuvres af te wenden die voortvloeien uit het onrechtmatige gebruik van verzoeken tot taalwijziging teneinde de procedure te vertragen. In dat kader voorziet artikel 23, zevende lid, van de wet van 15 december 1935 net in een schorsing van de strafvordering gedurende de termijn die noodzakelijk is voor de taalwijziging, zodat een beklaagde met betrekking tot de verjaring geen tijd kan winnen door dergelijke incidenten te vermenigvuldigen. De door de in het geding zijnde bepaling nagestreefde doelstellingen zijn overigens niet in strijd met de fundamentele rechten van de beklaagden, met inbegrip van die welke gewaarborgd zijn bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In dat verband kent artikel 6, lid 3, van dat Verdrag de beschuldigde niet het recht toe om te eisen dat de rechtspleging in zijn eigen taal wordt gevoerd, maar enkel om de debatten te begrijpen met de bijstand van een tolk indien hij niet de taal spreekt die door het betrokken rechtscollege wordt gebruikt. In dat kader kunnen de lidstaten de taalkundige bijstandsverlening naar eigen goeddunken regelen, voor zover de beklaagde de rechtspleging kan volgen en zijn verweermiddelen kan doen gelden. In werkelijkheid lijkt de Belgische wetgeving gunstiger dan het conventionele minimum, aangezien zij het mogelijk maakt de taal van de rechtspleging in bepaalde gevallen te wijzigen. A.3.
- De Ministerraad doet gelden dat de in het geding zijnde maatregel evenredig is met het nagestreefde legitieme doel, aangezien hij voor een redelijk evenwicht zorgt tussen de vereisten van procedurele doeltreffendheid en de rechten van de beklaagde op een eerlijk proces in de taal die hij begrijpt. De in het geding zijnde maatregel bereikt immers het doel dat erin bestaat de duur van de rechtspleging te verkorten en daarbij de terugkeer naar eerste aanleg te vermijden. Hij neutraliseert overigens de tijdwinst waarop een kwaadwillige beklaagde zou kunnen hopen via een verwijzing naar eerste aanleg, met name op het vlak van verjaring, hetgeen coherent is met het doel om de vertragingsmanoeuvres te bestrijden. In dat verband preciseert de Ministerraad dat de verjaring wordt geschorst gedurende de taalverwijzing en dat de rechter de wijziging van de taal kan weigeren 4 indien afbreuk zou kunnen worden gedaan aan de redelijke termijn. Al die maatregelen vormen het uitgangspunt voor een rationeel instrument. De in het geding zijnde maatregel ontzegt de beklaagde overigens niet de essentiële waarborgen van een eerlijk proces, aangezien de zaak tweemaal achtereenvolgens wordt onderzocht, zoals trouwens het geval is voor alle rechtsonderhorigen. De Ministerraad beklemtoont in dat verband dat de beklaagde in elk geval een vertaling kan krijgen, met name via de bijstand van een tolk. Het verschil in behandeling heeft dus betrekking op de taalkundige regels van de twee onderzoeken van de zaak, maar niet op hun bestaan als dusdanig. De beklaagde behoudt hoe dan ook de mogelijkheid om cassatieberoep in te stellen. A.3.
- Volgens de Ministerraad laat het vermijden van een verwijzing naar eerste aanleg ook toe een andere vorm van ongelijkheid te voorkomen, die erin zou bestaan dat een bijkomende aanleg wordt toegekend in vergelijking met de rechtsonderhorige wiens verzoek tot taalwijziging wordt ingewilligd. In een dergelijk geval zou de zaak van de persoon wiens verzoek tot taalwijziging wordt verworpen, tot driemaal ten gronde kunnen laten beoordelen, hetgeen niet redelijk verantwoord zou zijn. Het in het geding zijnde mechanisme voorkomt een dergelijk onevenwicht door in elk geval een dubbele aanleg en de mogelijkheid om zich op nuttige wijze te verweren, te waarborgen. A.3.
- De Ministerraad voert ten slotte aan dat de rechtspraak van het Hof met betrekking tot het gebruik der talen het feit bekrachtigt dat de bestreden maatregel redelijk verantwoord is. Meer in het bijzonder kan de redenering van het arrest nr. 166/2022 van 15 december 2022 (ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.166) te dezen worden toegepast, met name in het licht van de aan de beklaagde geboden procedurele waarborgen wat betreft zijn recht op de bijstand van een tolk of de schorsing van de verjaring. -B- B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van artikel 23, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken » (hierna : de wet van 15 juni 1935) met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6, lid 3, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.
- Artikel 23 van de wet van 15 juni 1935 bepaalt : « De beklaagde die alleen Nederlands kent of zich gemakkelijker in die taal uitdrukt kan, wanneer hij terechtstaat voor een politierechtbank of een correctionele rechtbank waarvan de taal van rechtspleging het Frans of het Duits is, vragen dat de rechtspleging in het Nederlands geschiedt. De beklaagde die alleen Frans kent of zich gemakkelijker in die taal uitdrukt kan, wanneer hij terechtstaat voor een politierechtbank of een correctionele rechtbank waarvan de taal van rechtspleging het Nederlands is, vragen dat de rechtspleging in het Frans geschiedt. De beklaagde die alleen Duits kent of zich gemakkelijker in die taal uitdrukt kan, wanneer hij terechtstaat voor een politierechtbank of een correctionele rechtbank waarvan de taal van rechtspleging het Nederlands of het Frans is, vragen dat de rechtspleging in het Duits geschiedt. In de gevallen bedoeld in de leden 1 tot 3, gelast de rechtbank de verwijzing naar het dichtstbijgelegen gerecht van dezelfde rang, waarvan de taal van rechtspleging de taal is die 5 door de beklaagde is gevraagd. De rechtbank kan evenwel beslissen wegens de omstandigheden van de zaak niet op de aanvraag van de beklaagde te kunnen ingaan. De beklaagde die alleen Frans kent of zich gemakkelijker in die taal uitdrukt, kan, wanneer hij terechtstaat voor een politierechtbank of een correctionele rechtbank waarvan de taal van rechtspleging het Duits is, vragen dat de rechtspleging in het Frans geschiedt. In dat geval wordt de rechtspleging voor datzelfde gerecht voortgezet in de taal die door de beklaagde is gevraagd. Ingeval in het rechtsgebied van het hof van beroep te Luik geen enkele rechter in strafuitvoeringszaken of substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken het bewijs levert van de kennis van de Duitse taal, wordt een beroep gedaan op een tolk. De verjaring van de strafvordering wordt geschorst voor een termijn van maximum één jaar vanaf het moment van de vraag tot verwijzing tot op de dag van de eerste terechtzitting waarop de behandeling van de zaak ten gronde, opnieuw door de rechtbank zal worden hervat ». B.3.
- Bij de regeling van het taalgebruik in gerechtszaken dient de wetgever de individuele vrijheid van de rechtsonderhorige om zich van de taal van zijn keuze te bedienen, te verzoenen met de goede werking van de rechtsbedeling. Bovendien dient de wetgever daarbij rekening te houden met de taalverscheidenheid die verankerd is in artikel 4 van de Grondwet, dat vier taalgebieden vastlegt, waarvan drie eentalige taalgebieden en één tweetalig taalgebied. Artikel 4 vormt de grondwettelijke waarborg van de voorrang van de taal van het eentalige gebied of van het tweetalige karakter van het gebied. B.3.
- De wet van 15 juni 1935 regelt op dwingende wijze het taalgebruik in gerechtszaken in België en hanteert daarbij als uitgangspunt de eentaligheid van de gerechtelijke akten en van de rechtspleging, onverminderd de uitzonderingen waarin de wet voorziet en de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden een verzoek tot verwijzing of tot verandering van taal in te dienen. De eentaligheid van de gerechtelijke akten en van de rechtspleging en het dwingende karakter van de voorschriften van de wet worden beschouwd als grondbeginselen van de wet van 15 juni
- Uit artikel 14 van de voormelde wet volgt dat de gehele rechtspleging in strafzaken voor de politierechtbanken en de correctionele rechtbanken in eerste aanleg eentalig wordt gevoerd in hetzij het Frans, het Nederlands of het Duits, naargelang van de plaats waar de betrokken 6 rechtbank is gevestigd. Voor de politierechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Brussel waarvan het rechtsgebied uitsluitend bestaat uit gemeenten van het Nederlandse taalgebied wordt in beginsel de gehele rechtspleging in het Nederlands gevoerd (artikel 15, § 1, van de wet van 15 juni 1935). Voor de andere politierechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Brussel en voor de correctionele rechtbanken van dat gerechtelijk arrondissement wordt de rechtspleging in het Frans of in het Nederlands gevoerd, waarbij in de eerste plaats rekening wordt gehouden met de woonplaats van de verdachte (artikel 16 van de wet van 15 juni 1935). B.3.
- De wet van 15 juni 1935 onderscheidt vier taalgebieden : het Nederlandse taalgebied, het Franse taalgebied, het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en het Duitse taalgebied (artikel 42; Hand., Kamer, 1933-1934, 15 mei 1934, p. 1455). Zij stemt aldus overeen met de indeling in taalgebieden zoals vastgelegd in artikel 4 van de Grondwet. De politierechtbanken en correctionele rechtbanken worden door de artikelen 14 tot 16 van de wet van 15 juni 1935 ingedeeld in taalgroepen, zodat de rechtspleging in beginsel geschiedt in de taal of in een van de talen die overeenstemt met die taalgroep. Voorts moeten de magistraten en gerechtelijke ambtenaren die verbonden zijn aan dat rechtscollege of in zijn rechtsgebied hun ambt uitoefenen, de taal van die taalgroep kennen, en in het geval waarin het rechtscollege behoort tot een meertalige groep, moeten zij in een bepaalde mate ook hun kennis van een andere landstaal bewijzen (artikelen 43 tot 54ter). De indeling in taalgroepen is ook van belang om het rechtscollege te bepalen dat in aanmerking komt om kennis te nemen van een zaak in de taal of in een van de talen van die taalgroep, naar aanleiding van een toegekend verzoek tot verwijzing. B.3.
- Met toepassing van artikel 23, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935, in geval van een verzoek tot taalwijziging in de zin van de leden 1 tot 3 van die bepaling, « gelast de rechtbank [waarbij de zaak aanhangig wordt gemaakt] de verwijzing naar het dichstbijgelegen gerecht van dezelfde rang, waarvan de taal van rechtspleging de taal is die door de beklaagde is gevraagd », behalve wanneer wegens de omstandigheden van de zaak dat verzoek niet kan worden ingewilligd. De bedoelde omstandigheden dienen verband te houden met het vereiste van een goede rechtsbedeling, wat bevestigd wordt in de voorbeelden die tijdens de parlementaire voorbereiding van artikel 23 werden gegeven (Parl. St., Senaat, 1934-1935, nr. 86, p. 23; Parl. St., Kamer, 1934-1935, nr. 135; Hand., Kamer, 4 juni 1935, p. 1290). 7 Het Hof van Cassatie heeft in dat verband geoordeeld dat « de rechter […] het verzoek om taalwijziging [mag] afwijzen indien er objectiveerbare omstandigheden zijn eigen aan de zaak die maken dat het aangewezen is dat hijzelf de zaak beoordeelt », met dien verstande dat « de rechter […] onaantastbaar [oordeelt] over het voorhanden zijn van dergelijke omstandigheden », maar dat « het Hof [van Cassatie] […] [nagaat] of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord ». Uit diezelfde cassatierechtspraak volgt dat een verzoek tot taalwijziging kan worden afgewezen wanneer de daarmee gepaard gaande verwijzing naar een ander rechtscollege het risico doet ontstaan « dat de eisers niet meer berecht kunnen worden binnen een redelijke termijn », op voorwaarde dat de rechter die het verzoek afwijst « concreet [aangeeft] waarin dit risico op miskenning van de redelijke termijn-vereiste bestaat » (Cass., 10 november 2015, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151110.6). Naast een « dreigende overschrijding van de redelijke termijn » kan volgens het Hof van Cassatie ook een « dreigende verjaring van de strafvordering » de afwijzing van een verzoek tot taalwijziging verantwoorden (Cass., 9 juni 2020, P.20.0501.N). Krachtens artikel 23, zevende lid, van de wet van 15 juni 1935 wordt de verjaring van de strafvordering bovendien geschorst voor een termijn van maximum één jaar vanaf het moment van de vraag tot verwijzing tot op de dag van de eerste terechtzitting waarop de behandeling van de zaak ten gronde door de rechtbank zal worden hervat, teneinde het gebruik van het verzoek tot verandering van de taal van de rechtspleging als vertragingsmanoeuvre te verhelpen (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2868/001, p. 18). B.4.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op de grondwettigheid van het verschil in behandeling dat artikel 23, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935 doet ontstaan tussen, enerzijds, de beklaagde wiens verzoek tot taalwijziging wordt ingewilligd door de rechter in eerste aanleg, die de zaak vervolgens naar een rechter van dezelfde rang verwijst en, anderzijds, de beklaagde wiens verzoek tot taalwijziging wordt verworpen door de rechter in eerste aanleg, die vervolgens ten gronde uitspraak doet. In de eerste situatie kan de beklaagde, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, zich verdedigen in een taal die hij kent of waarin hij zich gemakkelijker uitdrukt, terwijl de beklaagde zich in de tweede situatie enkel in hoger beroep kan verdedigen in een taal van zijn keuze, wanneer de rechter in hoger beroep de taalwijziging inwilligt en de zaak naar een andere rechter in hoger beroep verwijst. 8 B.4.
- Bij zijn arrest nr. 47/2024 van 25 april 2024 (ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.047) heeft het Hof geoordeeld dat artikel 215 van het Wetboek van strafvordering niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het aan de rechters in hoger beroep de verplichting oplegt om de zaak te verwijzen naar een rechtscollege van hetzelfde niveau en niet naar een rechtscollege in eerste aanleg wanneer zij een vonnis tenietdoen waarbij, vóór enig onderzoek van de zaak, een op grond van artikel 23, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935 geformuleerd verzoek tot wijziging van de taal van de rechtspleging werd verworpen, aangezien het voor de betrokken beklaagden een volledig verlies met zich meebrengt van het recht om hun zaak opnieuw onderzocht te zien in hoger beroep : « B.
- […] In de rechtsplegingen, zoals die welke aanleiding heeft gegeven tot de prejudiciële vragen, waar het rechtscollege van eerste aanleg een verzoek tot verandering van de taal van de rechtspleging verwerpt vóór enig onderzoek van de zaak, heeft de evocatie tot gevolg dat de betrokken beklaagden hun zaak niet onderzocht zien in eerste aanleg. De beklaagden worden aldus in eerste en in laatste aanleg berecht door het rechtscollege in hoger beroep. Aangezien het cassatieberoep geen onderzoek van de feiten van de zaak mogelijk maakt, staat het niet gelijk met een nieuw onderzoek van de zaak zoals een hoger beroep dat mogelijk maakt. Dat verlies, voor de betrokken beklaagden, van het recht om hun zaak opnieuw onderzocht te zien in hoger beroep kan zware gevolgen hebben in geval van een veroordeling, aangezien zij niet de mogelijkheid hebben om de gegrondheid ervan te betwisten indien die betwisting is gebaseerd op feitelijke kwesties, die niets te maken hebben met de toetsing door het Hof van Cassatie. Dat volledige verlies, voor de betrokken beklaagden, van het recht om hun zaak opnieuw onderzocht te zien in hoger beroep is onevenredig ten opzichte van het doel dat erin bestaat meer snelheid en doeltreffendheid te waarborgen in de strafprocedure. Het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de in het geding zijnde bepaling, zoals zij door het verwijzende rechtscollege wordt geïnterpreteerd, is niet redelijk verantwoord ». Bij hetzelfde arrest heeft het Hof geoordeeld dat artikel 215 van het Wetboek van strafvordering echter bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de interpretatie volgens welke het niet van toepassing is wanneer een rechtscollege in hoger beroep een vonnis tenietdoet waarbij een verzoek tot wijziging van de taal van de rechtspleging, vóór enig onderzoek van de zaak, wordt verworpen, aangezien artikel 23 van de wet van 15 juni 1935 ervan is afgeweken door aan het rechtscollege in hoger beroep de verplichting op te leggen om te doen wat het rechtscollege in eerste aanleg had moeten doen, namelijk de zaak verwijzen naar een rechtbank van dezelfde rang als die waarvan het vonnis wordt tenietgedaan. 9 B.4.
- De voorliggende prejudiciële vraag heeft betrekking op een andere situatie dan die welke in het voormelde arrest nr. 47/2024 wordt beoogd. Te dezen stelt het verwijzende rechtscollege het Hof immers een vraag over het geval waarin een vonnis dat wordt gewezen door het rechtscollege in eerste aanleg dat het verzoek tot taalwijziging heeft verworpen en dat vervolgens de zaak ten gronde onderzoekt, zodat de beklaagde niet formeel een dubbele aanleg wordt ontzegd, maar zich enkel in hoger beroep zou kunnen verdedigen in de taal die hij kent of waarin hij zich gemakkelijker uitdrukt, aangezien het rechtscollege in hoger beroep met toepassing van artikel 23, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935 beslist om de zaak te verwijzen naar de rechter in hoger beroep die uitspraak doet in de door de beklaagde gekozen taal en niet naar een ander rechtscollege van eerste aanleg. Het Hof onderzoekt de in het geding zijnde bepaling in de door het verwijzende rechtscollege aangevoerde interpretatie. B.5.
- De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.5.
- Overeenkomstig artikel 6, lid 3, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, moet de beklaagde op de hoogte worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging, in een taal welke hij verstaat, en in bijzonderheden, en moet hij beschikken over voldoende tijd en faciliteiten welke nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging. 10 Artikel 6, lid 3, e), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt in het bijzonder het recht op kosteloze bijstand van een tolk. Dat recht geldt niet enkel voor de mondelinge verklaringen ter terechtzitting, het geldt ook voor de schriftelijke stukken en voor het vooronderzoek (EHRM, grote kamer, 18 oktober 2006, Hermi t. Italië, ECLI:CE:ECHR:2006:1018JUD001811402, § 69; 28 augustus 2018, Vizgirda t. Slovenië, ECLI:CE:ECHR:2018:0828JUD005986808, § 76). Die bepaling gaat evenwel niet zover dat zij een schriftelijke vertaling vereist van elk documentair bewijs of officieel stuk van het dossier (EHRM, 19 december 1989, Kamasinski t. Oostenrijk, ECLI:CE:ECHR:1989:1219JUD000978382, § 74), zodat mondelinge taalkundige bijstand kan voldoen aan de vereisten van het Verdrag (EHRM, Hermi t. Italië, voormeld, § 70). De kwestie van de taalkennis van de verzoeker is primordiaal en het zijn de interne rechtbanken die de eerlijkheid van de procedure in laatste instantie waarborgen, ook met betrekking tot het eventueel ontbreken van een vertaling of vertolking voor een vervolgde (ibid., §§ 71-72). De verdragsluitende Staten beschikken evenwel over een grote vrijheid bij de keuze van de middelen die geschikt zijn om het hun gerechtelijke systemen mogelijk te maken te beantwoorden aan de vereisten van artikel 6, en met name om de behoeften inzake taalkundige bijstand van de vervolgde vast te stellen (EHRM, Vizgirda t. Slovenië, voormeld, § 84). B.
- Het verschil in behandeling tussen de in de prejudiciële vraag vermelde categorieën van beklaagden berust op de omstandigheid of de rechter al dan niet is ingegaan op het verzoek tot taalwijziging. B.7.
- Indien een dergelijk criterium van onderscheid als objectief kan worden aangemerkt, neemt zulks niet weg dat het niet pertinent is ten aanzien van de door de wet van 15 juni 1935 nagestreefde legitieme doelstellingen, namelijk de individuele vrijheid van de rechtsonderhorige om de taal van zijn keuze te gebruiken verzoenen met de goede werking van het gerecht, hetgeen in het licht van artikel 23 van diezelfde wet wordt veruitwendigd door de mogelijkheid om in eerste aanleg een wijziging van de taal van de rechtspleging te verkrijgen, behalve wanneer de omstandigheden van de zaak zulks verantwoorden, met dien verstande dat, met toepassing van artikel 24 van diezelfde wet, « voor […] de rechtscolleges in hoger beroep […], voor de rechtspleging, de taal [wordt] gebruikt waarin de bestreden beslissing is gesteld ». 11 B.7.
- In het geval waarin de rechter in eerste aanleg het verzoek tot taalwijziging verkeerdelijk heeft verworpen, aangezien de rechter in hoger beroep opmerkt dat er te dezen geen objectieve omstandigheden bestaan die een dergelijke verwerping zouden kunnen verantwoorden, wordt de beklaagde immers definitief de mogelijkheid ontzegd om zijn zaak in eerste aanleg beoordeeld te zien in de taal van zijn keuze wanneer de zaak wordt verwezen naar een andere rechter in hoger beroep die in die taal uitspraak doet, hetgeen strijdig is met de door de wetgever nagestreefde doelstelling. B.7.
- De in het geding zijnde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat zij het rechtscollege in hoger beroep dat een vonnis heeft tenietgedaan waarbij wordt geweigerd om in te gaan op een verzoek tot verandering van de taal, de verplichting oplegt om de zaak te verwijzen naar een rechtscollege van hetzelfde niveau – dat wil zeggen naar een ander rechtscollege in hoger beroep – in plaats van naar een rechtscollege van eerste aanleg, is niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6, lid 3, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.8.
- Zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn voormelde arrest nr. 47/2024, is een andere interpretatie van de in het geding zijnde bepaling evenwel mogelijk. Volgens die interpretatie wijkt artikel 23 van de wet van 15 juni 1935 af van artikel 215 van het Wetboek van strafvordering en legt het het rechtscollege in hoger beroep de verplichting op om te doen wat het rechtscollege van eerste aanleg had moeten doen, namelijk de zaak verwijzen naar een rechtbank van dezelfde rang als die waarvan het vonnis wordt tenietgedaan – dat wil zeggen naar een rechtscollege van eerste aanleg. B.8.
- In die interpretatie is de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6, lid 3, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - In die zin geïnterpreteerd dat het de rechtscolleges in hoger beroep die een vonnis tenietdoen waarbij een wijziging van de taal van de rechtspleging werd verworpen, de verplichting oplegt om de zaak te verwijzen naar een rechtscollege in hoger beroep en niet naar een rechtscollege van eerste aanleg, schendt artikel 23, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken », de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 3, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. - In die zin geïnterpreteerd dat het de rechtscolleges in hoger beroep die een vonnis tenietdoen waarbij een wijziging van de taal van de rechtspleging werd verworpen, de verplichting oplegt om de zaak te verwijzen naar een rechtscollege van eerste aanleg, schendt dezelfde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6, lid 3, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 9 april
- De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.042 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151110.6 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.166 ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.047 ECLI:CE:ECHR:1989:1219JUD000978382 ECLI:CE:ECHR:2006:1018JUD001811402 ECLI:CE:ECHR:2018:0828JUD005986808 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div