id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 09 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.044 Arrest- Rolnummer: 44/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-04-20 Raadplegingen: 505 - laatst gezien 2026-06-18 20:50 Versie(s): Versie FR Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen over artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 « betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de werknemers », gesteld door de Raad van State. Economisch recht - Duurzame productie en consumptie - Verbod van uitvoer van producten naar niet-EU-landen - Delegatie aan de Koning - Productnorm - Bevoegdheidverdelende regels Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 44/2026 van 9 april 2026 Rolnummer : 8509 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 « betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de werknemers », gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest nr. 263.873 van 2 juli 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 10 juli 2025, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vragen gesteld : «
- Schendt artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 ‘ betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de werknemers ’ artikel 6, § 1, VI, eerste lid, 3°, II, eerste lid, 1°, en/of V, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘ tot hervorming der instellingen ’ al dan niet in samenhang met artikel 143 van de Grondwet in zoverre de federale wetgever de Koning toelaat de uitvoer van producten naar landen die geen lid zijn van de Europese Unie te verbieden, teneinde het leefmilieu, de volksgezondheid of de werknemers te beschermen en duurzame productie- en consumptiepatronen te bevorderen waardoor de federale overheid een aangelegenheid regelt inzake export, inzake leefmilieu en inzake landbouwbeleid, terwijl deze laatste materies behoren tot de bevoegdheid van de gewesten ?
- Schendt artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 ‘ betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de werknemers ’ artikel 6, § 1, II, 2 tweede lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘ tot hervorming der instellingen ’, al dan niet in samenhang met de federale loyauteit zoals voorzien in artikel 143 van de Grondwet in zoverre deze bepaling de Koning toelaat de uitvoer van producten naar landen die geen lid zijn van de Europese Unie te verbieden teneinde het leefmilieu, de volksgezondheid of de werknemers te beschermen en de duurzame productie- en consumptiepatronen te bevorderen, terwijl de federale wetgever enkel bevoegd is voor de vaststelling van productnormen op grond van voornoemde bepaling van de bijzondere wet ? In dat verband rijst de vraag of het exportverbod naar landen die geen lid zijn van de Europese Unie, zoals toegelaten door artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de voornoemde wet van 21 december 1998 een productnorm is in de zin van de voornoemde bepaling van de bijzondere wet in de mate dat het bijdraagt aan het vermijden dat producten, in dit geval bepaalde gevaarlijke stoffen als zodanig of als in mengsel zoals bepaald in artikel 2, eerste lid, 7°, van de wet van 21 december 1998 en in het voorgelegde geschil opgenomen in bijlagen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 19 november 2023 ‘ houdende exportverbod van bepaalde gevaarlijke stoffen naar landen die geen lid zijn van de Europese Unie ’, circuleren op de binnenlandse markt ? ». Memories zijn ingediend door : - de vzw « Belgisch-Luxemburgse vereniging van de industrie van plantenbescherming » en de vzw « Belgische federatie van de chemische industrie en van life sciences », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Kris Wauters en mr. Tess Leppers, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Anthony Poppe en mr. Ellen Verschuere, advocaten bij de balie te Gent. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 11 februari 2026 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Willem Verrijdt en Magali Plovie te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De vzw « Belgisch-Luxemburgse vereniging van de industrie van plantenbescherming » en de vzw « Belgische federatie van de chemische industrie en van life sciences » hebben bij de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, een beroep tot nietigverklaring ingesteld van het koninklijk besluit van 19 november 2023 « houdende exportverbod van bepaalde gevaarlijke stoffen naar landen die geen lid zijn van de Europese Unie » (hierna : het koninklijk besluit van 19 november 2023). 3 Bij zijn arrest nr. 263.873 van 2 juli 2025 (ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.873) heeft de Raad van State geoordeeld dat artikel 5, § 1, 8°, van de wet van 21 december 1998 « betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de werknemers » (hierna : de wet van 21 december 1998) een rechtsgrond vormt voor het koninklijk besluit van 19 november
- Volgens de verzoekende partijen voor de Raad van State is die bepaling echter niet in overeenstemming met de bevoegdheidverdelende regels. Enerzijds zou die bepaling inbreuk maken op de gewestelijke bevoegdheden inzake leefmilieu, landbouw en afzet- en uitvoerbeleid. Anderzijds zou een uitvoerverbod niet als een productnorm, waarvoor de federale overheid bevoegd is, kunnen worden beschouwd. De Raad van State heeft daarom aan het Hof de door de verzoekende partijen voorgestelde prejudiciële vragen gesteld. III. In rechte -A- A.
- De verzoekende partijen voor de Raad van State, de vzw « Belgisch-Luxemburgse vereniging van de industrie van plantenbescherming » en de vzw « Belgische federatie van de chemische industrie en van life sciences », voeren aan dat de gewesten bevoegd zijn voor de bescherming van het leefmilieu, overeenkomstig artikel 6, § 1, II, eerste lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980). Het betreft een ruime bevoegdheid, op grond waarvan de gewesten onder meer maatregelen kunnen nemen ter bescherming van de menselijke gezondheid tegen de schadelijke gevolgen van milieuverontreiniging, in het bijzonder het gebruik van pesticiden. Volgens de verzoekende partijen voor de Raad van State beoogt het koninklijk besluit van 19 november 2023 « houdende exportverbod van bepaalde gevaarlijke stoffen naar landen die geen lid zijn van de Europese Unie » (hierna : het koninklijk besluit van 19 november 2023) het leefmilieu te beschermen in landen die geen lid zijn van de Europese Unie. Het heeft als onrechtstreekse doelstelling te vermijden dat de betrokken producten in de voedselketen terechtkomen en op die wijze opnieuw in België worden ingevoerd, hetgeen schadelijke gevolgen kan hebben voor de gezondheid van de Belgische burgers. Het gaat bijgevolg om een maatregel ter bescherming van het leefmilieu, waarvoor de gewesten exclusief bevoegd zijn. A.
- De verzoekende partijen voor de Raad van State vervolgen dat de federale overheid bevoegd is voor het vaststellen van de productnormen, overeenkomstig artikel 6, § 1, II, tweede lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus
- De federale overheid mag daarbij evenwel geen inbreuk maken op de gewestelijke bevoegdheid inzake de bescherming van het leefmilieu. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat het enige criterium om te bepalen of een maatregel een productnorm uitmaakt, erin bestaat dat het dient te gaan om een voorschrift dat geldt bij het op de markt brengen van het product (arrest nr. 32/2019 van 28 februari 2019, ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.032, B.17.1 en B.17.2). Een verbod op de uitvoer van een product betreft echter een maatregel die wordt genomen nadat het product op de markt is gebracht. Een uitvoerverbod is daarom per definitie geen productnorm en behoort bijgevolg tot de bevoegdheid van de gewesten. A.
- De verzoekende partijen voor de Raad van State gaan vervolgens in op bepaalde rechtspraak en adviespraktijk waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de federale overheid in sommige omstandigheden toch bevoegd is om maatregelen te nemen die niet rechtstreeks betrekking hebben op het op de markt brengen van een product. Zo heeft de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, zich bij zijn arrest nr. 256.986 van 29 juni 2023 uitgesproken over een beroep tot nietigverklaring van een koninklijk besluit dat voorzag in een verbod op het gebruik van onkruidverdelgers voor niet-professionelen. De Raad van State was van oordeel dat zulk een verbod betrekking heeft op de bescherming van het leefmilieu, waarvoor de gewesten bevoegd zijn. Hij aanvaardde evenwel dat de federale overheid een beroep kon doen op de impliciete bevoegdheden om het gebruiksverbod uit te vaardigen. De federale overheid kon een dergelijk verbod immers noodzakelijk achten om de effectiviteit te waarborgen van het verbod op het in de handel brengen van de betrokken onkruidverdelgers, dat eveneens was vastgesteld bij het bestreden koninklijk besluit. Het uitvoerverbod bedoeld in artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 staat echter los van een verbod op het op de markt brengen van het betrokken product. In de optiek van de wet van 21 december 1998 bestaat de uitvoer van een product derhalve naast het op de markt 4 brengen ervan. Het koninklijk besluit van 19 november 2023 koppelt het verbod op de uitvoer van de betrokken gevaarlijke stoffen evenmin aan een verbod om diezelfde stoffen in België op de markt te brengen. Volgens de verzoekende partijen voor de Raad van State bevestigt het voorgaande dat artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 inbreuk maakt op de gewestelijke bevoegdheid inzake leefmilieu, minstens in zoverre die bepaling de Koning toelaat in een uitvoerverbod te voorzien dat volledig losstaat van een verbod op het op de markt brengen van de betrokken producten. In dezelfde zin volgt uit de adviespraktijk van de Raad van State, afdeling wetgeving, dat de federale overheid slechts bevoegd is de uitvoer van een product te verbieden in zoverre zulks bijdraagt aan het vermijden van de aanwezigheid van hetzelfde product op de binnenlandse markt (RvSt, advies nr. 75.059/1-4-16 van 29 januari 2024). In die situatie vormt het uitvoerverbod een accessorium van een maatregel die tot de bevoegdheid van de federale overheid behoort. De voormelde rechtspraak en adviespraktijk vormen een toepassing van het voormelde arrest nr. 32/2019, aldus de verzoekende partijen voor de Raad van State. Bij dat arrest heeft het Hof bevestigd dat de federale overheid uitsluitend bevoegd is om een volledig verbod op een bepaald product vast te stellen. A.
- De verzoekende partijen voor de Raad van State voeren daarnaast aan dat artikel 5, § 1, 8°, van de wet van 21 december 1998 ook inbreuk maakt op de gewestelijke bevoegdheid inzake het afzet- en uitvoerbeleid, bedoeld in artikel 6, § 1, VI, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus
- Een verbod op de uitvoer van bepaalde producten behoort tot het uitvoerbeleid. Door de Koning toe te laten in een dergelijk verbod te voorzien, maakt de wetgever de uitoefening van de voormelde gewestelijke bevoegdheid onmogelijk of overdreven moeilijk. A.
- Eveneens maakt artikel 5, § 1, 8°, van de wet van 21 december 1998 inbreuk op de gewestelijke bevoegdheid inzake landbouwbeleid, bedoeld in artikel 6, § 1, V, eerste lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, aldus de verzoekende partijen voor de Raad van State. De uitvoer van producten die betrekking hebben op landbouw vormt een corollarium van het landbouwbeleid. A.
- De Ministerraad zet allereerst uiteen dat het koninklijk besluit van 19 november 2023 ertoe strekt een einde te maken aan de dubbele standaarden met betrekking tot de handel in gevaarlijke chemische stoffen. Hoewel verschillende Europese verordeningen de handel, binnen de Europese Unie, in bepaalde gevaarlijke chemische stoffen verbieden, stond een aantal lidstaten, waaronder België, wel nog toe dat die stoffen op hun grondgebied werden geproduceerd om vervolgens te worden uitgevoerd naar derde landen. A.
- De Ministerraad vervolgt dat uitvoerbeperkingen kunnen worden beschouwd als productnormen in de zin van artikel 6, § 1, II, tweede lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus
- De federale bevoegdheid inzake productnormen betreft uitsluitend voorschriften waaraan producten moeten voldoen bij het op de markt brengen ervan. Een uitvoerverbod houdt verband met het op de markt brengen van een product, en niet met het gebruik van een product dat reeds op de markt is gebracht, aldus de Ministerraad. In zijn advies nr. 73.999/1/V van 17 augustus 2023, over het ontwerp dat aanleiding heeft gegeven tot het koninklijk besluit van 19 november 2023, heeft de Raad van State, afdeling wetgeving, overigens geen bevoegdheidsrechtelijke bezwaren geuit met betrekking tot artikel 5, § 1, 8°, van de wet van 21 december
- Eveneens volgens de adviespraktijk van de Raad van State maakt een uitvoerverbod een productnorm inzake leefmilieu uit, in zoverre het ertoe bijdraagt te vermijden dat een product circuleert op de binnenlandse markt (zie het voormelde advies nr. 75.059/1-4-16). Uit het voormelde arrest nr. 32/2019 en het arrest nr. 38/2019 van 28 februari 2019 (ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.038) blijkt bovendien dat een algemeen gebruiksverbod als een productnorm dient te worden beschouwd. In dat opzicht preciseert de Ministerraad dat een van de doelstellingen van het uitvoerverbod bedoeld in het koninklijk besluit van 19 november 2023 erin bestaat te vermijden dat producten waarin de binnenlandse handel verboden is, op een later tijdstip alsnog op de binnenlandse markt zouden terechtkomen. Aldus draagt het uitvoerverbod bij tot de bescherming van de binnenlandse markt. Indien de uitvoer van het betrokken product was toegelaten, zou het aanzienlijk eenvoudiger zijn om het verbod op de binnenlandse handel erin te omzeilen. A.
- Volgens de Ministerraad heeft de omstandigheid dat artikel 5, § 1, 8°, van de wet van 21 december 1998 raakt aan de gewestelijke bevoegdheden inzake leefmilieu, landbouw en afzet- en uitvoerbeleid, niet als gevolg dat die bepaling de bevoegdheidverdelende regels en/of de federale loyauteit schendt. Het bevoegdheidsrechtelijke zwaartepunt van het in het geding zijnde uitvoerverbod ligt wel degelijk bij de federale bevoegdheid inzake productnormen. De beperking van de uitvoer van de betrokken gevaarlijke chemische stoffen is noodzakelijk voor de bescherming van het leefmilieu. 5 -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.
- De prejudiciële vragen hebben betrekking op de bevoegdheid om de uitvoer te verbieden van bepaalde gevaarlijke stoffen naar landen die geen lid zijn van de Europese Unie. B.
- Artikel 2 van de wet van 21 december 1998 « betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de werknemers » (hierna : de wet van 21 december 1998) bepaalt : « Voor de toepassing van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan wordt verstaan onder : 1° producten : lichamelijke roerende zaken, met inbegrip van stoffen, mengsels zoals biociden, gewasbeschermingsmiddelen en biobrandstoffen alsook voorwerpen, doch uitgezonderd afvalstoffen; […] 3° op de markt brengen : het binnenbrengen, de invoer of het bezit met het oog op de verkoop of het ter beschikking stellen aan derden, het te koop aanbieden, de verkoop, het huuraanbod, de verhuring, of de afstand onder bezwarende titel of gratis. Online of via andere vormen van verkoop op afstand aangeboden producten worden als op de markt gebracht beschouwd indien het aanbod op eindgebruikers op het Belgisch grondgebied is gericht; […] 4° stoffen : de chemische elementen en hun verbindingen, zoals zij voorkomen in natuurlijke toestand of bij de productie ontstaan, met inbegrip van alle additieven die nodig zijn voor het behoud van de stabiliteit van het product en alle onzuiverheden ten gevolge van het productieprocédé, doch met uitzondering van elk oplosmiddel dat kan worden afgescheiden zonder dat de stabiliteit van de stof wordt aangetast of de samenstelling ervan wordt gewijzigd; […] 6° mengsels : de mengsels of oplossingen die bestaan uit twee of meer stoffen; […] 7° gevaarlijke stoffen : gevaarlijke stoffen zoals bepaald in bijlage I, deel 2, 3 en 4 van de Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels 6 tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006; […] ». B.
- Artikel 3, § 1, van de wet van 21 december 1998 bepaalt : « Onverminderd de toepassing van andere wettelijke bepalingen heeft deze wet tot doel door middel van productnormen duurzame productie- en consumptiepatronen aan te moedigen en te bevorderen en inzonderheid : 1° het leefmilieu te beschermen tegen schadelijke effecten of risico's op schadelijke effecten van bepaalde producten die op de markt worden gebracht of die worden uitgevoerd naar landen die geen lid zijn van de Europese Unie; 2° de volksgezondheid te beschermen tegen schadelijke effecten of risico's op schadelijke effecten van bepaalde producten die op de markt worden gebracht of die worden uitgevoerd naar landen die geen lid zijn van de Europese Unie; […] ». B.4.
- Het in het geding zijnde artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 bepaalt : « Teneinde het leefmilieu, de volksgezondheid of de werknemers te beschermen en duurzame productie- en consumptiepatronen te bevorderen, kan de Koning maatregelen nemen om : […] 8° de uitvoer van producten naar landen die geen lid zijn van de Europese Unie te verbieden of aan een al dan niet voorafgaande kennisgeving, toelating of aan voorwaarden te onderwerpen; ». B.4.
- Artikel 5, § 1, eerste lid, van de wet van 21 december 1998 laat de Koning daarnaast ook toe om, onder meer, maatregelen te nemen om het op de markt brengen van een product « te regelen, op te schorten of te verbieden » (1°), « afhankelijk te maken van een voorafgaande homologatie, toelating, registratie of kennisgeving » (2°), dan wel « afhankelijk te maken van andere bijzondere voorwaarden » (12°). B.
- De memorie van toelichting van de wet van 21 december 1998 vermeldt : 7 « Het ontwerp maakt het niet alleen mogelijk het op de markt brengen en gebruik van producten in België te reglementeren, maar ook de uitvoer ervan naar landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap, wanneer dit noodzakelijk zou zijn ter bescherming van de volksgezondheid en het milieu, in het bijzonder in de ontwikkelingslanden, en verenigbaar met de verplichtingen van België in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (zie verder de toelichting bij artikel 5, § 1, 8° » (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1673/1, p. 12). « Ter bescherming van gezondheid en milieu in ontwikkelingslanden die niet over een adequate eigen wetgeving en reglementering beschikken inzake gevaarlijke stoffen kunnen uitvoerbeperkingen verantwoord zijn. Dergelijke beperkingen zijn onder meer voorzien in EG- verordening nr 2455/92 (betreffende bepaalde pesticiden en andere gevaarlijke stoffen waarvan het gebruik binnen de EU verboden of streng gereglementeerd is) en richtlijn 76/769/EEG (wat betreft bijvoorbeeld textiel behandeld met TRIS). Het spreekt vanzelf dat de maatregelen die ter uitvoering van deze bepaling zouden kunnen worden genomen in overeenstemming zullen dienen te zijn met de voorschriften van de multilaterale overeenkomsten inzake internationale handel die België verbinden » (ibid., p. 20). Ten gronde B.
- De eerste prejudiciële vraag peilt naar de overeenstemming van artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 met artikel 6, § 1, II, eerste lid, 1°, V, eerste lid, 1°, en VI, eerste lid, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980), al dan niet in samenhang gelezen met artikel 143 van de Grondwet. Aan het Hof wordt gevraagd of de wetgever, door de Koning toe te laten een verbod op te leggen op de uitvoer van producten naar landen die geen lid zijn van de Europese Unie, teneinde het leefmilieu, de volksgezondheid of de werknemers te beschermen en duurzame productie- en consumptiepatronen te bevorderen, inbreuk heeft gemaakt op de bevoegdheden van de gewesten inzake leefmilieu, landbouw en/of uitvoer. De tweede prejudiciële vraag peilt naar de overeenstemming van artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 met artikel 6, § 1, II, tweede lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 143 van de Grondwet. Aan het Hof wordt gevraagd of een verbod op de uitvoer van bepaalde producten naar landen die geen lid zijn van de Europese Unie als een productnorm kan worden beschouwd in de zin van de voormelde bepaling van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, in het bijzonder in de 8 mate waarin zulk een verbod ertoe bijdraagt te vermijden dat producten, te dezen bepaalde gevaarlijke stoffen, circuleren op de binnenlandse markt. Gelet op hun samenhang, onderzoekt het Hof de prejudiciële vragen samen. B.7.
- Het bodemgeschil betreft een beroep tot nietigverklaring van het koninklijk besluit van 19 november 2023 « houdende exportverbod van bepaalde gevaarlijke stoffen naar landen die geen lid zijn van de Europese Unie » (hierna : het koninklijk besluit van 19 november 2023). Het koninklijk besluit van 19 november 2023 beoogt met name « een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mensen en het leefmilieu te waarborgen » (artikel 1, 1°). Het stelt in essentie een verbod vast om bepaalde gevaarlijke stoffen waarvan het op de markt brengen en/of het gebruik geheel of gedeeltelijk is verboden op het niveau van de Europese Unie, uit te voeren naar landen die geen lid zijn van de Europese Unie, wegens de risico’s die zij veroorzaken voor het leefmilieu en de volksgezondheid. Daarbij dient onder « gevaarlijke stoffen » te worden verstaan, « gevaarlijke stoffen, als zodanig of in mengsels, zoals bepaald in artikel 2, 7°, van de wet van 21 december 1998 » (artikel 2, 2°). Wat de in bijlage 1 van het koninklijk besluit van 19 november 2023 opgenomen gevaarlijke stoffen betreft, is « de uitvoer […] naar een land dat geen lid is van de Europese Unie door exporteurs die in België gevestigd zijn, […] verboden » (artikel 4, § 1). Wat de in bijlage 2 van hetzelfde koninklijk besluit opgenomen gevaarlijke stoffen betreft, is « de uitvoer […] naar een land dat geen lid is van de Europese Unie door exporteurs die in België gevestigd zijn, […] verboden, tenzij één of meer specifieke toepassingen, en alleen voor die toepassing(en), zijn toegestaan door de Europese regelgeving » (artikel 4, § 2). B.7.
- Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de aspecten van artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 die relevant zijn voor de oplossing van het bodemgeschil. In het bijzonder beoogt het koninklijk besluit van 19 november 2023, zoals blijkt uit het voormelde artikel 1 ervan, de bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid, zodat het Hof slechts de machtiging aan de Koning dient te onderzoeken om, met toepassing van de in het geding zijnde bepaling, in die aangelegenheden een verbod op de uitvoer van producten op te leggen. B.8.
- Volgens artikel 6, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 zijn de gewesten bevoegd, wat het leefmilieu en het waterbeleid betreft, voor « de bescherming van het 9 leefmilieu, onder meer die van de bodem, de ondergrond, het water en de lucht tegen verontreiniging en aantasting, alsmede de strijd tegen de geluidshinder » (II, eerste lid, 1°), wat de landbouw betreft, voor « het landbouwbeleid en de zeevisserij » (V, eerste lid, 1°) en, wat de economie betreft, voor « het afzet- en uitvoerbeleid » (VI, eerste lid, 3°). B.8.
- Voor zover zij er niet anders over hebben beschikt, hebben de Grondwetgever en de bijzondere wetgever aan de gemeenschappen en de gewesten de volledige bevoegdheid toegekend tot het uitvaardigen van regels die eigen zijn aan de hun toegewezen aangelegenheden. B.9.
- Volgens artikel 6, § 1, II, tweede lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 is de federale overheid evenwel bevoegd voor het vaststellen van de productnormen. De gewestregeringen moeten bij de vaststelling van die normen worden betrokken (artikel 6, § 4, 1°, van diezelfde bijzondere wet). Productnormen zijn regels die op dwingende wijze bepalen aan welke eisen een product moet voldoen bij het op de markt brengen, onder meer ter bescherming van het milieu. Zij bepalen met name welk niveau van verontreiniging of hinder niet mag worden overschreden in de samenstelling of bij de emissies van een product, en kunnen specificaties bevatten over de eigenschappen, de beproevingsmethoden, het verpakken, het merken en het etiketteren van producten. B.9.
- In de parlementaire voorbereiding van artikel 6, § 1, II, tweede lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 (Parl. St., Senaat, 1992-1993, nr. 558/1, p. 20; Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 1063/7, pp. 37, 38, 39, 42, 43 en 44) is erop gewezen dat als « productnormen » waarvan het vaststellen aan de federale overheid wordt voorbehouden, alleen moeten worden beschouwd voorschriften waaraan producten, onder meer vanuit milieuoogpunt, moeten beantwoorden « bij het op de markt brengen ». Het voorbehouden van de bevoegdheid inzake productnormen aan de federale overheid is immers precies verantwoord door de noodzaak om de Belgische economische en monetaire unie te vrijwaren (Parl. St., Senaat, 1992-1993, nr. 558/1, p. 20; Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 1063/7, p. 37) en om obstakels voor het vrije verkeer van goederen tussen de gewesten uit de weg te ruimen (Parl. St., Senaat, 1992-1993, nr. 558/5, p. 67). 10 Diezelfde parlementaire voorbereiding verwijst, met betrekking tot het begrip « op de markt brengen », naar de definitie ervan in de – inmiddels opgeheven – wet van 14 juli 1991 « betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument ». Het gaat om « de invoer met het oog op de verkoop, het bezit met het oog op de verkoop, de tekoopaanbieding, de verkoop, het huuraanbod van produkten (…), de afstand onder bezwarende titel of gratis, als deze verrichtingen worden gedaan door een verkoper » (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 1063/7, p. 38). B.9.
- Voorts werd, onder voorbehoud van de bij artikel 5, § 1, I, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 aan de gemeenschappen toegewezen bevoegdheden, waarvan sommige rechtstreeks of onrechtstreeks tot het gebied van de volksgezondheid behoren, de bescherming van de volksgezondheid voor het overige niet onttrokken aan de bevoegdheid van de federale wetgever, en vermag deze op grond van zijn residuaire bevoegdheid ter zake maatregelen te nemen in de aangelegenheden waarvoor de gemeenschappen en de gewesten niet bevoegd zijn. B.
- Artikel 143, § 1, van de Grondwet bepaalt : « Met het oog op het vermijden van de belangenconflicten nemen de federale Staat, de gemeenschappen, de gewesten en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, in de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden, de federale loyauteit in acht ». De inachtneming van de federale loyauteit veronderstelt dat, wanneer zij hun bevoegdheden uitoefenen, de federale overheid en de deelentiteiten het evenwicht van de federale constructie in haar geheel niet verstoren. De federale loyauteit betreft meer dan de loutere uitoefening van bevoegdheden : zij geeft aan in welke geest dat moet geschieden. Het beginsel van de federale loyauteit verplicht elke wetgever erover te waken dat de uitoefening van zijn eigen bevoegdheid de uitoefening, door de andere wetgevers, van hun bevoegdheden niet onmogelijk of overdreven moeilijk maakt. B.11.
- Het blijkt niet dat de federale overheid, op grond van haar voormelde bevoegdheden, uitsluitend maatregelen kan nemen ter bescherming van het leefmilieu en/of van de volksgezondheid op het Belgische grondgebied. Zulks kan met name niet worden afgeleid uit de parlementaire voorbereiding van artikel 6, § 1, II, tweede lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus
- In dat opzicht vereist de definitie van het begrip « op de markt brengen », 11 waarnaar wordt verwezen in diezelfde parlementaire voorbereiding, niet dat het aanbod van het betrokken product op in België gevestigde afnemers is gericht. In het bijzonder sluit die definitie niet de situatie uit waarin, zoals in het bodemgeschil, in België geproduceerde chemische stoffen worden verhandeld met en overgebracht naar ondernemingen of particulieren gevestigd in het buitenland. Die goederen worden vervolgens immers in het land van bestemming voor het eerst in gebruik genomen. In die zin begrepen, kan het op de markt brengen van een product dus ook de uitvoer ervan omvatten. B.11.
- Bovendien zou de mogelijkheid voor de federale overheid om, bij de uitoefening van haar voormelde bevoegdheden, de intrinsieke eigenschappen te bepalen waaraan producten moeten beantwoorden, kunnen worden uitgehold indien zij zich strikt zou beperken tot producten die zijn bestemd voor binnenlands gebruik. Het is niet uitgesloten dat de schadelijke effecten van een bepaald product voor het leefmilieu en/of de volksgezondheid een grensoverschrijdend karakter hebben. Een verbod op de uitvoer van een product kan daarnaast ertoe bijdragen te vermijden dat datzelfde product op een later tijdstip, al dan niet in gewijzigde vorm, opnieuw terechtkomt op het Belgische grondgebied (zie ook RvSt, advies nr. 75.059/1- 4-16 van 29 januari 2024, p. 25). Een dergelijk verbod ligt aldus in het verlengde van de overige maatregelen met betrekking tot het op de markt brengen van een product, waarin artikel 5, § 1, eerste lid, van de wet van 21 december 1998 voorziet (zie ook RvSt, advies nr. 73.999/1/V van 17 augustus 2023, punt 3). B.11.
- Uit het voorgaande volgt dat de federale overheid in beginsel bevoegd is om de uitvoer te verbieden, naar landen die geen lid zijn van de Europese Unie, van bepaalde gevaarlijke stoffen, wegens de risico’s die zij, door hun samenstelling, veroorzaken voor het leefmilieu en/of de volksgezondheid B.12.
- Voor het overige bevat de in het geding zijnde bepaling zelf geen verbod op de uitvoer van bepaalde producten naar landen die geen lid zijn van de Europese Unie, maar verleent zij slechts een machtiging aan de Koning om een dergelijk verbod op te leggen. B.12.
- Wanneer de wetgever een machtiging verleent, dient te worden aangenomen – behoudens aanwijzingen in de tegenovergestelde zin – dat hij de gemachtigde enkel de bevoegdheid verleent om die machtiging aan te wenden in overeenstemming met de Grondwet. Het staat aan de administratieve en aan de justitiële rechter na te gaan in welke mate de 12 gemachtigde de hem toegekende machtiging te buiten zou zijn gegaan. In voorkomend geval dient de bevoegde rechter te beoordelen of het door de Koning opgelegde uitvoerverbod beantwoordt aan de vereisten van artikel 6, § 1, II, tweede lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, en in het bijzonder of een dergelijk verbod in werkelijkheid niet ingrijpt op het gebruik van het product nadat het op de markt is gebracht (zie RvSt, advies nr. 27.333/3 van 20 januari 1998, pp. 7-18; advies nr. 71.249/VR/3 van 24 mei 2022, punt 13), dan wel of zulk een verbod de uitoefening van de voormelde gewestelijke bevoegdheden niet onmogelijk of overdreven moeilijk maakt. De eventuele schending van de bevoegdheidverdelende regels en van artikel 143 van de Grondwet ligt dus niet besloten in artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998, maar zou enkel het gevolg kunnen zijn van de wijze waarop de Koning de Hem verleende machtiging zou aanwenden. B.
- Artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 is in overeenstemming met artikel 6, § 1, II, eerste lid, 1°, en tweede lid, 1°, V, eerste lid, 1°, en VI, eerste lid, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 143 van de Grondwet. 13 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 « betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de werknemers » schendt niet artikel 6, § 1, II, eerste lid, 1°, en tweede lid, 1°, V, eerste lid, 1°, en VI, eerste lid, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 143 van de Grondwet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 9 april
- De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.044 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.032 ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.038 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.873 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div