id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 16 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.045 Arrest- Rolnummer: 45/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-04-27 Raadplegingen: 513 - laatst gezien 2026-06-18 12:45 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Vernietiging (artikelen 14, 1°, en 15 van de wet van 7 mei 2024, in zoverre zij niet van toepassing zijn op de houders van een vergunning C) - Handhaving van de gevolgen van de gedeeltelijk vernietigde bepaling tot uiterlijk 31 december 2027 - Verwerping van de beroepen voor het overige, onverminderd de in B.25.3.3 vastgestelde ongrondwettigheid; het staat aan de wetgever om die ongrondwettigheid te verhelpen, uiterlijk op 31 december 2026 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 7 mei 2024 « tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers en houdende diverse bepalingen inzake de kansspelen », ingesteld door de nv « Derby », door de nv « Gambling Management » en anderen, door de nv « Ascot » en anderen en door de vzw « Waregem Draaft » en de vzw « Koninklijke Waregemse Koersvereniging ». Kansspelen - Vaste kansspelinrichtingen klasse IV - EPIS- Systeem (Excluded Persons Information System) -
- Persoonsgegevens -
- Administratieve sancties -
- Regeling die van toepassing is op de Nationale Loterij, op renbanen en op drankgelegenheden -
- Bijdrage in de kosten van de Kansspelcommissie - Bevoegdheidverdelende regels Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 45/2026 van 16 april 2026 Rolnummers : 8356, 8361, 8362 en 8363 In zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 7 mei 2024 « tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers en houdende diverse bepalingen inzake de kansspelen », ingesteld door de nv « Derby », door de nv « Gambling Management » en anderen, door de nv « Ascot » en anderen en door de vzw « Waregem Draaft » en de vzw « Koninklijke Waregemse Koersvereniging ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Joséphine Moerman, de rechters Thierry Giet, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter Luc Lavrysen, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 5 november 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 6 november 2024, heeft de nv « Derby », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Pierre Joassart, advocaat bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 6, 14 tot 20 en 23 van de wet van 7 mei 2024 « tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers en houdende diverse bepalingen inzake de kansspelen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 mei 2024). b. Bij drie verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 20 en 21 november 2024 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 22 november 2024, zijn beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van dezelfde wet ingesteld respectievelijk door de nv « Gambling Management », de nv « Casino de Spa » en de nv « Circus Belgium », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Karl Stas en mr. Thomas De Meese, advocaten bij de balie te Brussel, door de nv « Ascot », de 2 nv « Belgische PMU » en de bv « World Football Association », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Yaël Spiegl en mr. Emmanuel Van Nuffel, advocaten bij de balie te Brussel, en door de vzw « Waregem Draaft » en de vzw « Koninklijke Waregemse Koersvereniging », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. François Lambert en mr. William Timmermans, advocaten bij de balie te Brussel. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8356, 8361, 8362 en 8363 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de nv van publiek recht « Nationale Loterij », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Philippe Vlaemminck, mr. Robbe Verbeke en mr. Valentin Ramognino, advocaten bij de balie te Brussel (tussenkomende partij in de zaken nrs. 8356 en 8362); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Evrard de Lophem, mr. Sébastien Depré, mr. Megi Bakiasi, mr. Alice Collin, mr. Maxime Chomé, mr. Jasper De Fauw, mr. Simon Kieftenburg en mr. Estelle Volcansek, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend. Bij beschikking van 11 februari 2026 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte –A– Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.
- In de zaak nr. 8356 meent de nv « Derby », verzoekende partij, dat zij doet blijken van een belang om de vernietiging te vorderen van de artikelen 6, 14 tot 20 en 23 van de wet van 7 mei 2024 « tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers en houdende diverse bepalingen inzake de kansspelen » (hierna : de wet van 7 mei 2024). Zij preciseert dat zij sinds meerdere jaren actief is op het gebied van kansspelen en weddenschappen. Haar activiteiten hebben meer bepaald betrekking op zowel de inrichting als het aannemen van weddenschappen en worden aan het publiek aangeboden onder de naam « Ladbrokes ». In dat kader beheert zij een netwerk van wedkantoren, die inrichtingen 3 klasse IV zijn in de zin van de wet van 7 mei 1999 « op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers » (hierna : de wet van 7 mei 1999), en beschikt zij over vergunningen F1 en F2 met toepassing van dezelfde wet. Zij beklemtoont dat haar belang om in rechte te treden reeds meermaals door het Hof werd aanvaard. Volgens de verzoekende partij beperken de bestreden bepalingen de uitoefening van haar activiteiten en onderwerpen zij haar aan verschillende verplichtingen die haar rechtstreeks en ongunstig raken. De artikelen 15 en 16 van de wet van 7 mei 2024 verplichten de kansspeloperatoren bijvoorbeeld om over te gaan tot de identificatie en de authenticatie van spelers via de consultatie van het Excluded Persons Information System (hierna : het EPIS) om na te gaan of de betrokken persoon niet is uitgesloten van de deelname aan kansspelen. Administratieve en strafrechtelijke sancties kunnen aan de operatoren worden opgelegd indien zij hun verplichtingen niet nakomen. Artikel 17 van de wet van 7 mei 2024 voert bovendien het logbestand « EPIS-logs » in, waarin de persoonlijke gegevens van de spelers van inrichtingen klasse IV worden geregistreerd. Die bepaling brengt dus het risico met zich mee dat de klanten die niet willen worden geregistreerd, hun toevlucht zullen nemen tot inrichtingen klasse III, namelijk de drankgelegenheden, die niet aan die verplichting zijn onderworpen. A.1.
- In de zaak nr. 8361 vorderen de nv « Gambling Management », de nv « Casino de Spa » en de nv « Circus Belgium », verzoekende partijen, de vernietiging van artikel 23 van de wet van 7 mei 2024, in zoverre het de woorden « 61, tweede en derde lid » invoegt in artikel 64 van de wet van 7 mei
- Zij preciseren dat zij houder zijn van vergunningen klasse A, A+, B, B+, F1, F1+ en F2 die hun werden toegekend door de Kansspelcommissie op grond van de wet van 7 mei 1999, hetgeen hun toestaat kansspelen in België te exploiteren. Zij worden bijgevolg rechtstreeks en ongunstig geraakt door de bestreden bepaling, die de schending van de wettelijke en reglementaire bepalingen die voorzien in de reclamebeperking, of zelfs in het verbod op reclame voor de producten en diensten die zij aan het publiek aanbieden, strafbaar stelt. A.1.
- In de zaak nr. 8362 vorderen de nv « Ascot », de nv « Belgische PMU » en de bv « World Football Association », verzoekende partijen, de vernietiging van de artikelen 5, 10, 14, 1°, 15, 24 en 25 van de wet van 7 mei
- Zij stellen zich voor als ondernemingen die actief zijn op de kansspelmarkt en preciseren dat zij houder zijn van vergunningen voor kansspelen klasse B, B+, F1 en F1+. Zij menen dus dat zij doen blijken van een belang in de zin van artikel 2, eerste lid, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. A.1.
- In de zaak nr. 8363 bestrijden de vzw « Waregem Draaft », eerste verzoekende partij, en de vzw « Koninklijke Waregemse Koersvereniging », tweede verzoekende partij, artikel 14 van de wet van 7 mei 2024, in zoverre het de woorden « de deelname aan de weddenschappen buiten de kansspelinrichtingen klasse IV » invoegt in artikel 54, § 3, van de wet van 7 mei
- De eerste verzoekende partij preciseert dat zij paardenwedrennen organiseert in Waregem en dat zij in dat kader eveneens actief is op het gebied van kansspelen en weddenschappen, waarvoor zij over een door de Kansspelcommissie verleende vergunning F2 beschikt. De tweede verzoekende partij organiseert elk jaar een paardenwedren in Waregem, die wordt beschouwd als een vrij belangrijk evenement. Met toepassing van de bestreden bepaling zijn de verzoekende partijen, voor die paardenwedrennen, ertoe gehouden de EPIS-controle in te voeren voor de weddenschappen die zowel ter plaatse als online worden aangenomen, hetgeen hoge kosten en aanzienlijke logistieke uitdagingen met zich meebrengt. A.1.
- De Nationale Loterij, tussenkomende partij, preciseert dat zij een naamloze vennootschap van publiek recht is waarvan de Belgische Staat hoofdaandeelhouder is. Haar activiteiten worden bepaald bij artikel 3, § 1, van de wet van 19 april 2002 « tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij » (hierna : de wet van 19 april 2002). In dat kader organiseert zij zowel kansspelen en weddenschappen met toepassing van de wet van 7 mei 1999, in concurrentie met andere operatoren, als spelen van openbare loterijen, waarvoor zij over een monopolie beschikt en die niet binnen het toepassingsgebied van de wet van 7 mei 1999 vallen. Zij preciseert dat zij, in tegenstelling tot andere actoren in de sector, een openbaredienstverrichter is en aan specifieke verplichtingen is onderworpen, in het bijzonder het doel om spelers naar een gezonde en gecontroleerde omgeving te kanaliseren, met toepassing van een met de Belgische Staat gesloten beheerscontract. Zij bekleedt dus een bijzondere positie in het Belgische kansspelbeleid. Aangezien de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8356 en 8362 verschillende grieven opwerpen die specifiek betrekking hebben op de door de Nationale Loterij georganiseerde spelen, meent de Nationale Loterij dat zij doet blijken van een belang om in de voormelde zaken tussen te komen. 4 Ten gronde Wat betreft het standpunt van de verzoekende partijen Zaak nr. 8356 A.2.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending, door de artikelen 15 tot 18 van de wet van 7 mei 2024, van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest) en met de artikelen 5 en 6 van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de AVG). Volgens de verzoekende partij leiden de bestreden bepalingen tot onverantwoorde inmengingen in het recht op eerbiediging van het privéleven en in het recht op de bescherming van persoonsgegevens van de personen bedoeld in artikel 54 van de wet van 7 mei 1999 en van de spelers. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, zijn de verschillende onderdelen van het middel wel ontvankelijk en hebben zij niet betrekking op een vroegere wetgeving, aangezien de bestreden bepalingen geen louter legistieke of taalkundige ingreep of coördinatie van bestaande bepalingen inhouden. A.2.
- In het eerste onderdeel voert de verzoekende partij aan dat, met toepassing van de artikelen 15 en 16 van de wet van 7 mei 2024, de persoonsgegevens van de personen die wegens hun beroep een spelverbod hebben gekregen, met toepassing van artikel 54, § 2, van de wet van 7 mei 1999, worden bewaard op dezelfde EPIS-lijst als de gegevens van de personen die werden uitgesloten op grond van een beslissing van de Kansspelcommissie, die wordt gebruikt voor de toegang tot inrichtingen klasse I, II en IV. De personen uit de eerste categorie hebben echter geen spelverbod gekregen voor de inrichtingen klasse IV of voor de onlinespelen die die inrichtingen aanbieden, zodat de bestreden bepalingen noch adequaat, noch evenredig zijn. De persoon die de EPIS-controle uitvoert, kan immers niet weten waarom de betrokken speler werd uitgesloten. De personen bedoeld in artikel 54, § 2, van de wet van 7 mei 1999 worden dus de toegang geweigerd tot een spel waarvoor zij geen verbod hebben gekregen, zodat de bewaring van de persoonsgegevens van die personen niet redelijk verantwoord is ten aanzien van de doelstelling van de EPIS-controle. Indien de kansspeloperator die categorie van personen toegang verleent tot inrichtingen klasse IV, dan zou hij zich in elk geval blootstellen aan sancties met toepassing van de artikelen 4, § 5, 15/3 en 64 van de wet van 7 mei 1999, waardoor de bestreden bepalingen eveneens onevenredige gevolgen hebben voor de kansspeloperatoren. De verzoekende partij klaagt dus aan dat er geen systeem bestaat dat voorziet in een gedifferentieerde toepassing van de EPIS-controle in de inrichtingen klasse IV of voor de door die inrichtingen aangeboden onlinespelen. De verzoekende partij voegt eraan toe dat het argument van de Ministerraad volgens hetwelk het type uitsluiting van het EPIS-systeem op grond van het beroep van de spelers niet zou gelden voor de inrichtingen klasse IV, geenszins wordt gestaafd en dat zulks niet blijkt uit de wet van 7 mei
- Dat argument valt in elk geval eerder onder de uitvoering van de wet, aangezien die wet zonder onderscheid alle inrichtingen klasse I, II en IV beoogt, terwijl de uitgesloten personen verschillen naargelang van het type inrichting. A.2.
- In het tweede onderdeel merkt de verzoekende partij op dat artikel 16 van de wet van 7 mei 2024, in zoverre het artikel 55, § 2, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999 vervangt, erin voorziet dat de EPIS-gegevens gedurende een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de einddatum van de uitsluiting van de betrokken speler worden bewaard. Volgens haar is die termijn buitensporig ten aanzien van de doelstellingen van het EPIS-systeem. Zij merkt op dat de eerste doelstelling van dat systeem ertoe strekt de vergunninghouders toe te laten ervoor te zorgen dat de personen die aan een kansspel willen deelnemen, niet worden verboden of uitgesloten van kansspelen. De EPIS-lijst is bijgevolg enkel nuttig op de dag van het bezoek van de speler en voor de thans van toepassing zijnde uitsluitingen. De geschiedenis van de vorige uitsluitingen is daarbij niet van belang. De tweede doelstelling, die ertoe strekt de verzoeken tot uitsluiting en tot stopzetting van een uitsluiting te beheren, lijkt evenmin te verantwoorden dat de Kansspelcommissie gedurende een termijn van vijf jaar toegang heeft tot de geschiedenis van de vorige uitsluitingen, aangezien de verzoeken tot uitsluiting een toekomstige uitsluiting betreffen. In dat verband preciseert de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling dat de vijfjarige termijn het mogelijk moet maken een problematisch gokgedrag te identificeren. De loutere opname op de EPIS-lijst is echter geen indicator van een risicogedrag, aangezien elke persoon hoe dan ook slechts eenmaal 5 erin voorkomt. Het logbestand EPIS-logs, dat is ingevoerd bij artikel 17 van de wet van 7 mei 2024 en dat toelaat de personen te identificeren die zich regelmatig aan een EPIS-controle onderwerpen wanneer zij een kansspelinrichting bezoeken, is in werkelijkheid veeleer een dergelijke indicator. De Kansspelcommissie zou overigens een geschiedenis van haar eigen beslissingen tot uitsluiting wegens risicogedrag kunnen bijhouden zonder dat die lijst wordt uitgebreid naar personen die niet zulk een risico vertonen, zoals mensen die het voorwerp uitmaken van een collectieve schuldenregeling of die wegens hun beroep geen toegang hebben tot bepaalde inrichtingen. De derde doelstelling betreft ten slotte de opsporing en de vaststelling van inbreuken op de wet van 7 mei 1999 en de uitvoeringsbesluiten ervan, waarvoor een vijfjarige verjaringstermijn geldt. Volgens de verzoekende partij kan die doelstelling evenmin de bestreden bewaringstermijn verantwoorden, aangezien de betrokken inbreuken niet worden begaan op de dag waarop de uitsluiting wordt beëindigd, maar op de dag waarop een persoon met spelverbod toegang krijgt tot een specifieke inrichting. De loutere consultatie van de EPIS- gegevensbank laat in elk geval niet toe om een inbreuk vast te stellen, aangezien het bewijs van de toegang tot de inrichting is vereist. Dat bewijs kan enkel worden aangebracht door een onmiddellijke controle of door het bekijken van de camerabeelden, die enkel gedurende een maand beschikbaar zijn. In antwoord op de argumenten van de Ministerraad preciseert de verzoekende partij dat de identificatie en de analyse van verslavend gedrag van spelers niet onder de opdrachten van de Kansspelcommissie vallen en dat de geschiedenis van de EPIS-lijst geen enkele bijzondere aanwijzing over het spelgedrag geeft, aangezien enkel de uitgesloten personen en de uitsluitingsgrond op die lijst worden vermeld. Een opname in de EPIS-lijst kan bovendien losstaan van een problematisch gokgedrag. A.2.
- In het derde onderdeel merkt de verzoekende partij op dat artikel 17 van de wet van 7 mei 2024, dat de EPIS-logs waarin alle consultaties van EPIS worden bijgehouden invoert, erin voorziet dat de betrokken gegevens gedurende een termijn van vijf jaar vanaf de datum van de consultatie worden bewaard. Volgens de verzoekende partij is een dergelijke termijn niet noodzakelijk in het licht van de doelstellingen van de EPIS-logs, namelijk controleren of de vergunninghouders hun wettelijke verplichtingen naar behoren nakomen en verdachte raadplegingen van EPIS opsporen. Het is immers noodzakelijk, om a posteriori na te gaan of de EPIS-controle daadwerkelijk heeft plaatsgevonden dan wel of het EPIS-systeem op verdachte wijze werd geraadpleegd, de EPIS- logs te kruisen met een andere gegevensbank, zoals de camerabeelden, die nochtans slechts gedurende een maand beschikbaar zijn. Het is dus geenszins aangetoond dat een langere bewaring van de gegevens in de EPIS-logs zou toelaten om de gewenste verificaties uit te voeren, met inachtneming van de voormelde doelstellingen. De verzoekende partij merkt overigens op dat artikel 55/4 van de wet van 7 mei 1999, ingevoegd bij artikel 19 van de wet van 7 mei 2024, in een bewaringstermijn van een jaar voorziet voor de gegevens van het beroepsregister, dat soortgelijke doelstellingen nastreeft. Het feit dat de gegevens van de EPIS-logs gedurende vijf jaar worden bewaard, doet in elk geval op onevenredige wijze afbreuk aan het recht op eerbiediging van het privéleven en aan het recht op de bescherming van de persoonsgegevens van de spelers. In antwoord op de argumenten van de Ministerraad doet de verzoekende partij gelden dat de identificatie en de analyse van verslavend gedrag niet onder de opdrachten van de Kansspelcommissie vallen. A.2.
- In het vierde onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de gegevensverwerking voor de doelstellingen vermeld in artikel 55/3 van de wet van 7 mei 1999, ingevoegd bij artikel 18 van de wet van 7 mei 2024, ontoereikend en onevenredig is. Die bepaling heeft betrekking op de verdere verwerking van de gegevens van de EPIS-logs door de Kansspelcommissie, de politiediensten, de onderzoeksafdeling van het Vast Comité P en de leden van de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie, zonder beperking in de tijd. Zoals de Gegevensbeschermingsautoriteit en de afdeling wetgeving van de Raad van State hebben beklemtoond, schendt die verdere verwerking in het bijzonder artikel 6, lid 4, van de AVG. In antwoord op de argumenten van de Ministerraad preciseert de verzoekende partij dat zij kritiek uit op het feit dat in geen enkele termijn is voorzien voor de verdere consultatie van de gegevensbank, hetgeen reeds volstaat om een schending van de AVG vast te stellen. Die consultatie vindt immers mogelijk plaats na de vijfjarige termijn waarin het nieuwe artikel 55/2, § 2, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999 voorziet. De doelstelling die het de Kansspelcommissie mogelijk maakt haar opdracht ter bescherming van de spelers uit te oefenen, kan meer in het bijzonder worden bereikt door een maatregel die minder afbreuk doet aan hun recht op eerbiediging van het privéleven en hun recht op de bescherming van de persoonsgegevens dan een maatregel betreffende alle personen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een EPIS-controle en waaruit het tijdstip en de plaats van toegang tot een speelzaal blijkt. Wat betreft de doelstelling die erin bestaat de politiediensten te ondersteunen in de uitoefening van hun opdrachten van gerechtelijke politie om de ernstigste misdrijven bedoeld 6 in artikel 90ter, §§ 2 tot 4, van het Wetboek van strafvordering op te sporen, voert de verzoekende partij aan dat de wetgever nalaat statistische gegevens voor te leggen die een verband tussen die misdrijven en de gokactiviteiten aantonen. De doelstellingen die de onderzoeksafdeling van het Vast Comité P en de leden van de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie in staat stellen om onbeperkt in de tijd na te gaan of een politieagent ondanks het verbod een speelzaal heeft bezocht, blijken evenmin noodzakelijk. Die doelstellingen vereisen immers in elk geval dat de EPIS-logs wordt gekruist met een andere gegevensbank, zoals de camerabeelden, die echter enkel een maand beschikbaar zijn. Het eventuele voordeel van de voormelde doelstellingen is hoe dan ook volkomen onbeduidend ten opzichte van de aanzienlijke mate waarin zij de rechten van alle personen die aan kansspelen deelnemen, maar die niet onder het verbod voor de politieagenten vallen, aantasten. A.3.
- Het tweede middel is afgeleid uit de schending, door de artikelen 14 tot 20 van de wet van 7 mei 2024, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de bestreden bepalingen de Nationale Loterij niet aan de EPIS-controle onderwerpen voor haar loterijspelen, waaronder de online « Woohoo-games », zodat zij een onverantwoord verschil in behandeling creëren ten nadele van de inrichtingen klasse IV. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, is het middel ontvankelijk, aangezien de wetgever zich, met de aanneming van de bestreden bepalingen, de bepalingen met betrekking tot de EPIS-controle opnieuw heeft toegeëigend en hierbij de EPIS-logs heeft opgericht. De verzoekende partij merkt op dat de wet van 7 mei 1999 van toepassing is op de Nationale Loterij voor haar activiteiten van sportweddenschappen, maar niet voor haar andere activiteiten die worden georganiseerd overeenkomstig artikel 3, § 1, eerste lid, van de wet van 19 april
- De verzoekende partij doet gelden dat de wet van 19 april 2002 het weliswaar mogelijk maakt om de spelers die worden uitgesloten van kansspelen op grond van de wet van 7 mei 1999, te verbieden om aan loterijspelen deel te nemen, maar dat dat verbod enkel geldt voor onlineloterijspelen en dat het moet worden bepaald door de Koning, met dien verstande dat die machtiging nog niet in werking is gesteld. Omgekeerd zijn de door de wet van 7 mei 1999 beoogde sportwedkantoren onderworpen aan een zeer strikte EPIS-controle, hetgeen impliceert dat de persoonsgegevens van de spelers gedurende een termijn van vijf jaar na hun laatste bezoek worden bewaard. A.3.
- In tegenstelling tot wat de Ministerraad doet gelden, zijn de door het bestreden verschil in behandeling beoogde categorieën van personen wel vergelijkbaar in het licht van de doelstelling inzake de bescherming van spelers, die een gemeenschappelijke doelstelling is voor alle kansspeloperatoren, waaronder de Nationale Loterij. De personen die tot de voormelde categorieën behoren, genereren allen inkomsten uit kansspelactiviteiten, zijn onderworpen aan verplichtingen inzake de bescherming van spelers en zijn in concurrentie op dezelfde markt, zelfs indien de Nationale Loterij aan specifieke verplichtingen is onderworpen aangezien zij bepaalde taken van openbare dienst vervult. Er is bovendien wel degelijk een verschil in behandeling tussen de inrichtingen klasse IV en de Nationale Loterij. De verzoekende partij verwijt immers de bestreden bepalingen net dat er geen vergelijkbare juridische verplichtingen zijn voor de Nationale Loterij, die in het kader van haar loterijspelen niet tot een soortgelijke EPIS- controleregeling is gehouden. Die situatie is des te onbegrijpelijker in het licht van het monopolie waarover de Nationale Loterij beschikt voor die spelen, aangezien dat monopolie tot gevolg heeft dat zij een zeer groot aantal spelers op haar website lokt, zonder dat in enig beschermingsmechanisme voor risicospelers is voorzien. De verzoekende partij beklemtoont overigens dat de Nationale Loterij vanaf haar website met sportweddenschappen « Scooore » de spelers naar haar website met onlineloterijspelen doorverwijst. De spelers voor wie een gokverbod geldt, die op de EPIS-lijst staan, worden dus naar loterijspelen doorverwezen wanneer de EPIS-controle op de gokwebsite van de Nationale Loterij mislukt. De verzoekende partij voegt eraan toe dat de eventuele omstandigheid dat bepaalde spelen van de Nationale Loterij minder gevaarlijk zijn dan kansspelen en weddenschappen, de wetgever niet belet om toch in een EPIS- controle te voorzien teneinde de spelers te beschermen. In elk geval moeten de door de Nationale Loterij aangeboden « Woohoo-games » worden gelijkgesteld met kansspelen klasse I en II. A.3.
- Volgens de verzoekende partij bevinden de inrichtingen klasse IV en de Nationale Loterij zich in een soortgelijke situatie en zijn zij bijgevolg vergelijkbare categorieën van personen in het licht van de door de wetgever nagestreefde doelstelling om de spelers te beschermen. Zij merkt op dat de Kansspelcommissie in een advies van 16 november 2022 van oordeel was dat de « Woohoo-games » die online worden aangeboden door de Nationale Loterij, dienden te worden gelijkgesteld met klassieke kansspelen, zoals de spelen die worden aangeboden door inrichtingen klasse I en II. De spelen van de Nationale Loterij zijn bovendien merkbaar 7 verslavender dan sportweddenschappen, met name wat de spelfrequentie betreft. De verzoekende partij beklemtoont voorts dat de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft geoordeeld dat het in het licht van de doelstelling om de spelers te beschermen niet verantwoord was dat de Nationale Loterij aan minder strikte regels inzake reclame is onderworpen. Een soortgelijke redenering moet te dezen worden gevolgd voor de EPIS-controle. A.3.
- De verzoekende partij stelt dat het feit dat de EPIS-controle niet van toepassing is op de Nationale Loterij, niet toelaat het doel om de spelers te beschermen, te bereiken. In werkelijkheid zullen de uitgesloten spelers zich wenden tot inrichtingen die niet aan de verplichting inzake EPIS-controle zijn onderworpen, of zelfs tot illegale kansspelcircuits. De keuze van de wetgever is dus niet redelijk. De verzoekende partij merkt ten slotte op dat het ongepaste karakter van de bestreden maatregel des te duidelijker is daar de wet van 7 mei 2024 de EPIS- controle heeft uitgebreid naar dagbladhandels voor de spelen klasse IV, terwijl de in diezelfde dagbladhandels aangeboden loterijspelen daarvan vrijgesteld blijven. A.4.
- Het derde middel is afgeleid uit de schending, door de artikelen 6 en 23 van de wet van 7 mei 2024, van de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.4.
- In het eerste onderdeel voert de verzoekende partij aan dat artikel 6 van de wet van 7 mei 2024, dat artikel 15/3 van de wet van 7 mei 1999 wijzigt, in een administratieve sanctie voorziet in geval van inbreuk op de artikelen 46, 58, 60 en 61, tweede en derde lid, van de wet van 7 mei 1999 en op de bepalingen genomen ter uitvoering van die artikelen. Zij preciseert dat artikel 15/3 van de wet van 7 mei 1999 een punitieve dimensie heeft, zodat het wettigheidsbeginsel in strafzaken van toepassing is, zoals het Hof reeds heeft beklemtoond. Artikel 23 van de wet van 7 mei 2024 voorziet daarentegen in een strafsanctie in geval van niet-naleving van de artikelen 4, §§ 2, 4 en 5, 43/1, 43/2, 43/2/1, 43/3, 43/4, 60 en 61, tweede en derde lid, van de wet van 7 mei 1999 en van de bepalingen genomen ter uitvoering van die artikelen. De verzoekende partij voert aan dat het wettigheidsbeginsel in strafzaken is geschonden in de formele dimensie ervan, aangezien de bestreden bepalingen niet zelf de essentiële elementen bepalen van de strafbaarstelling die zij bevatten. Artikel 43/2 van de wet van 7 mei 1999 werd immers gedeeltelijk vernietigd door het Hof, bij zijn arrest nr. 177/2021 van 9 december 2021 (ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.177), en legt voortaan niet langer de essentiële elementen van de inbreuk vast, aangezien de wetgever niet heeft opgetreden om die bepaling later aan te vullen. Bij artikel 61, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999 wordt de Koning overigens ermee belast de nadere regels met betrekking tot de reclame op de kansspelen te bepalen, zodat die bepaling in werkelijkheid de uitvoerende macht ertoe machtigt de essentiële elementen van de strafbaarstelling te bepalen. In antwoord op de argumenten van de Ministerraad voert de verzoekende partij aan dat het met toepassing van artikel 8 van de wet van 7 mei 1999 aan de Koning staat verschillende essentiële elementen van de inbreuken op die wet te bepalen voor bepaalde soorten van kansspelen, met name het aanvaarbare maximumbedrag van de inzet en het verlies. Dat is eveneens het geval voor artikel 43/4, § 2, derde lid, van de wet van 7 mei 1999, dat de Koning machtigt om de voorwaarden te bepalen waaronder automatische kansspelen kunnen worden geëxploiteerd in wedkantoren. Op basis van die twee machtigingen heeft het koninklijk besluit van 22 december 2010 « betreffende de werkingsregels van de automatische kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse IV » (hierna : het koninklijk besluit van 22 december 2010) een bepaald aantal technische regels vastgelegd die, ingevolge de bestreden bepalingen, strafrechtelijk worden beteugeld. Volgens de verzoekende partij kan een zo algemene machtiging als die welke in de artikelen 8 en 43/4 van de wet van 7 mei 1999 is geformuleerd, niet worden geacht het formele wettigheidsbeginsel in strafzaken in acht te nemen. Hetzelfde geldt voor artikel 43/2/1, § 2, van de wet van 7 mei 1999, op grond waarvan het koninklijk besluit van 2 december 2021 « betreffende de aanvragen voor een vergunning F1P en tot vaststelling van de nadere voorwaarden onder dewelke weddenschappen op paardenwedrennen kunnen worden ingericht » (hierna : het koninklijk besluit van 2 december 2021) is genomen. A.4.
- In het tweede onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de bestreden bepalingen het wettigheidsbeginsel in strafzaken schenden in de materiële dimensie ervan. Zij stelt dat verschillende door de artikelen 6 en 23 van de wet van 7 mei 2024 beoogde bepalingen niet in voldoende duidelijke bewoordingen zijn opgesteld. Artikel 43/2 van de wet van 7 mei 1999, dat gedeeltelijk is vernietigd bij het voormelde arrest nr. 177/2021, lijkt bijvoorbeeld gebrekkig en onduidelijk. De talrijke technische regels die bij het koninklijk besluit van 22 december 2010 worden opgelegd, zijn overigens onnauwkeurig geformuleerd, zonder dat de operatoren weten of hun inbreuk strafrechtelijk wordt beteugeld. Hetzelfde geldt voor het koninklijk besluit van 2 december 2021, genomen op grond van artikel 43/2/1, § 2, van de wet van 7 mei
- 8 Zaak nr. 8361 A.5.
- Het enige middel is afgeleid uit de schending, door artikel 23 van de wet van 7 mei 2024, van het wettigheidsbeginsel in strafzaken, zoals gewaarborgd bij de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, en uit de schending van de grondwetsbepalingen die de bevoegdheidsverdeling tussen de wetgevende en de uitvoerende macht regelen, namelijk de artikelen 33, 36, 37, 105 en 108 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 ervan. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, is het beroep ontvankelijk, aangezien het wel degelijk artikel 23 van de wet van 7 mei 2024 is dat artikel 64 van de wet van 7 mei 1999 wijzigt om er voor het eerst te verwijzen naar artikel 61, tweede en derde lid, van diezelfde wet. De rechtspraak van het Hof vereist voorts niet dat de verzoekende partijen een belang bij het middel aantonen, in tegenstelling tot de rechtspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De artikelen 33, 36, 37, 105 en 108 van de Grondwet worden overigens ingeroepen in samenhang met de artikelen 10 en 11 ervan. De grieven vallen dus onder de bevoegdheid van het Hof, dat moet onderzoeken of een categorie van personen, namelijk de kansspeloperatoren, het optreden van een democratisch verkozen vergadering wordt ontzegd. A.5.
- De verzoekende partijen klagen de omstandigheid aan dat de bestreden bepaling de schending van het verbod op reclame voor de kansspelen strafbaar stelt, zonder dat de essentiële elementen van die strafbaarstelling zijn gedefinieerd. In het licht van de ruime machtiging waarin de bestreden bepaling voorziet, heeft de Koning de vrije hand om de strafbaarstelling te definiëren, zodat de kansspeloperatoren het optreden van een democratisch verkozen vergadering wordt ontzegd. In de uiteenzetting van het middel vermelden de verzoekende partijen tevens artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 49, lid 1, van het Handvest. A.5.
- De verzoekende partijen voeren aan dat artikel 64 van de wet van 7 mei 1999, zoals gewijzigd bij de wet van 7 mei 2024, de niet-naleving van artikel 61, tweede en derde lid, van de wet van 7 mei 1999 en van de besluiten genomen ter uitvoering van die bepaling, strafbaar stelt. Artikel 61, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999 werd gewijzigd bij de wet van 18 februari 2024 « tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers » (hierna : de wet van 18 februari 2024). Het voorziet in een principieel verbod op reclame voor de kansspelen, behalve in de gevallen die uitdrukkelijk door de Koning worden toegestaan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De essentiële elementen van de strafbaarstelling worden bijgevolg niet bij wet, maar bij koninklijk besluit vastgelegd, zodat het formele wettigheidsbeginsel in strafzaken is geschonden. De bestreden bepaling is overigens evenmin in voldoende duidelijke en nauwkeurige bewoordingen geformuleerd, aangezien het onmogelijk is om bij het lezen van de wet de draagwijdte van de strafbaarstelling te begrijpen. Het materiële wettigheidsbeginsel is dus eveneens geschonden. A.5.
- Volgens de verzoekende partijen is de bevoegdheid om de uitzonderingen op het verbod op reclame te bepalen, geen bijkomend element van de strafbaarstelling, maar lijkt zij absoluut essentieel, aangezien het de uitzonderingen zijn die bepalen hoever de inbreuk reikt. In dat kader regelt artikel 61 van de wet van 7 mei 1999 geenszins de machtiging aan de Koning, die over een totale vrijheid beschikt om af te wijken van het principiële verbod op reclame. De parlementaire voorbereiding van de wet van 18 februari 2024 verschaft in dat opzicht evenmin verduidelijking. De verzoekende partijen preciseren voor het overige dat de lering van het voormelde arrest nr. 177/2021 te dezen niet kan worden overgenomen. A.5.
- In hun memorie van antwoord voegen de verzoekende partijen eraan toe dat de artikelen 61, tweede lid, en 64 van de wet van 7 mei 1999, in het kader van het beroep, als een onlosmakelijk geheel moeten worden begrepen, aangezien zij eenzelfde strafrechtelijke instrument vormen. In dat kader is het proces dat erin bestaat de strafbare gedragingen te definiëren door gewoonweg naar de door de Koning aangenomen uitvoeringsbepalingen te verwijzen, niet aanvaardbaar. De wetgever dient op zijn minst de essentiële elementen van de strafbaarstelling te definiëren. De verzoekende partijen merken voorts op dat de afdeling wetgeving van de Raad van State reeds negatieve adviezen heeft uitgebracht over de wetsontwerpen die een aanpak volgden die soortgelijk is aan die van het bestreden strafrechtelijke instrument. Het koninklijk besluit genomen op grond van artikel 61, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999 bepaalt in elk geval evenmin de essentiële elementen van de strafbaarstelling, aangezien het niet in voldoende nauwkeurige bewoordingen is geformuleerd. De Ministerraad vergist zich bovendien ten aanzien van de draagwijdte van artikel 61, derde lid, dat niet langer betrekking heeft op de verplichtingen inzake folders, maar het begrip 9 « reclame » definieert, met dien verstande dat de voormelde verplichtingen voortaan in het vierde lid van die bepaling worden beoogd. Ten slotte wordt het zogenaamd door de wetgever nagestreefde doel, namelijk de bescherming van de spelers, niet door het bestreden instrument vermeld en lijkt dat doel veel te ruim om daadwerkelijk het optreden van de Koning te kunnen regelen, aangezien het gaat om de algemene doelstelling van de gehele kansspelwetgeving. Zaak nr. 8362 A.6.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de artikelen 14, 1°, en 15 van de wet van 7 mei 2024, in zoverre de bestreden bepalingen de identificatie van spelers via het EPIS-systeem verplicht maken voor de deelname aan sportweddenschappen in dagbladhandels, terwijl die verplichting niet wordt uitgebreid naar de spelen van de Nationale Loterij die in dezelfde locaties worden aangeboden, zonder dat dat verschil in behandeling redelijk verantwoord is ten aanzien van de doelstelling om de kwetsbare spelers te beschermen. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, zijn het noch de wet van 19 april 2002, noch artikel 3bis van de wet van 7 mei 1999 die het bestreden verschil in behandeling creëren, maar wel degelijk de bestreden bepalingen zelf, in zoverre zij de private operatoren, in het bijzonder de houders van een vergunning F2, onderwerpen aan een verplichting die niet van toepassing is op de Nationale Loterij, zodat de EPIS-controle niet verplicht is voor de dagbladhandelaars wanneer zij loterijspelen verkopen, maar wel wanneer zij kansspelen aanbieden. A.6.
- De verzoekende partijen preciseren dat de dagbladhandels twee types spelen aanbieden, namelijk de weddenschappen die zijn onderworpen aan de wet van 7 mei 1999 en de loterijspelen die worden geregeld bij de wet van 19 april
- Op die locaties worden de kwetsbare spelers met een verbod om aan sportweddenschappen deel te nemen, bijgevolg aangetrokken door een overvloed aan spelen die door de Nationale Loterij worden aangeboden. De verzoekende partijen preciseren dat het wel degelijk de bestreden bepalingen zelf zijn die dat verschil in behandeling in het leven roepen. De door de Nationale Loterij aangeboden spelen staan bovendien in concurrentie met de door de private operatoren aangeboden kansspelen. In werkelijkheid zijn loterijspelen kansspelen in de zin van artikel 2, 1°, van de wet van 7 mei 1999, die enkel worden uitgesloten van de regeling van de wet van 7 mei 1999 met toepassing van artikel 3bis van diezelfde wet. De verzoekende partijen merken overigens op dat het beheerscontract van de Nationale Loterij haar activiteiten beschouwt in een context van algemene concurrentie, met name via het doel om actieve spelers te winnen bij private operatoren zonder marktverruimend op te treden. Om dat doel te bereiken, ontwikkelt de Nationale Loterij een agressief commercieel beleid op de markt van de kansspelen en de weddenschappen, in concurrentie met de private actoren, in het bijzonder bij de dagbladhandelaars. A.6.
- Volgens de verzoekende partijen brengen de spelen van de Nationale Loterij risico’s met zich mee die soortgelijk zijn aan die van de kansspelen van de private operatoren, in het bijzonder voor de kwetsbare spelers. De uitbreiding van het aanbod van de Nationale Loterij heeft immers het criterium van onderscheid tussen de loterijspelen en de klassieke kansspelen uitgehold, met name door de ontwikkeling van instantonlineloterijspelen. Wat de ermee samenhangende risico’s betreft, is er volgens verschillende rapporten bijgevolg geen echt onderscheid meer tussen de loterijspelen die worden aangeboden door de Nationale Loterij en de kansspelen die worden aangeboden door de private operatoren. De Belgische Staat heeft het feit dat het criterium van onderscheid niet langer zinvol is, versterkt en heeft, daar de kansspelmarkt wordt opengesteld voor de concurrentie ingevolge het Europese recht, gepoogd de Nationale Loterij te bevrijden van de klassieke opvattingen van de kansspelen om het haar mogelijk te maken haar aanbod aan te passen aan de concurrentie van de openbare loterijen van de andere lidstaten van de Europese Unie en van de private sector, in het bijzonder wat de technologische spelen betreft. In werkelijkheid worden de kwetsbare spelers dus geenszins beschermd in de dagbladhandels en kan het door de bestreden bepalingen nagestreefde doel niet worden bereikt, zodat de maatregel onevenredig lijkt. Ten overvloede voegen de verzoekende partijen eraan toe dat de risicograad van de spelen geen pertinente parameter is voor de kwetsbare spelers, aangezien de toegang tot het spel op zich reeds problematisch is. A.7.
- Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de artikelen 14, 1°, en 15 van de wet van 7 mei 2024, in zoverre de bestreden bepalingen de EPIS-controle verplicht maken voor alle kansspelen die nog niet eraan waren onderworpen, met uitzondering van de automatische 10 kansspelen die worden geëxploiteerd in drankgelegenheden door houders van een vergunning C, hetgeen niet redelijk verantwoord lijkt ten aanzien van de nagestreefde doelstelling om de kwetsbare spelers te beschermen. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, is het middel wel degelijk ontvankelijk, aangezien de dagbladhandels en de renbanen, die over een vergunning F2 beschikken, geen inrichtingen klasse IV zijn in de zin van artikel 43/4, § 1, van de wet van 7 mei 1999, hoewel zij krachtens artikel 43/4, § 5, van de wet van 7 mei 1999 weddenschappen mogen aannemen bij wijze van nevenactiviteit, voor rekening van vergunninghouders F
- De uitbreiding van de EPIS-controle naar de renbanen en de dagbladhandels is dus wel een nieuwigheid van de wet van 7 mei
- Het middel klaagt echter net een verschil in behandeling aan tussen de vergunninghouders F2 bedoeld in artikel 43/4, § 4, 1° en 2°, van de wet van 7 mei 1999 en de vergunninghouders C. Het heeft geen betrekking op het verschil tussen de kansspeloperatoren klasse IV en de kansspeloperatoren klasse III, zoals de Ministerraad verkeerdelijk interpreteert. De tweede en derde verzoekende partij, houders van vergunningen F1 en F1+, worden overigens rechtstreeks en zeker ongunstig geraakt door de bestreden bepalingen, in zoverre die bepalingen de toegang tot de weddenschappen die in dagbladhandels en op renbanen worden aangenomen, beperken. A.7.
- De verzoekende partijen beklemtonen dat de automatische kansspelen kunnen worden aangeboden in de drankgelegenheden die worden gekwalificeerd als kansspelinrichtingen klasse III en die het voorwerp uitmaken van de vergunning C in de zin van de wet van 7 mei
- De kansspeltoestellen die kunnen worden geëxploiteerd in die inrichtingen, worden uitgerust met een kaartlezer en kunnen enkel worden ingeschakeld wanneer de elektronische identiteitskaart van een speler van 21 jaar of ouder erin wordt gestoken. De wetgever heeft dus het EPIS-systeem niet willen toepassen op dat type kansspel, klaarblijkelijk wegens de kostprijs van de vervanging van de automatische kansspeltoestellen in de cafés en wegens het lagere risico van die spelen door de inzetlimieten. De verzoekende partijen merken nochtans op dat de automatische kansspelen die in cafés worden aangeboden, van dezelfde aard zijn als de spelen die in de inrichtingen klasse II, onder vergunning B, worden georganiseerd. De beperking van de inzetten in de drankgelegenheden kan wellicht het risico dat aan die spelen verbonden is, verlagen maar geen enkele studie staaft die hypothese. De verzoekende partijen beklemtonen eveneens de andere kenmerkende risico’s van de drankgelegenheden, met name het gebruik van alcohol en de sfeer, die het risico doen verhogen. In dagbladhandels worden de inzetten ook beperkt tot lagere limieten dan die welke in de inrichtingen klasse IV worden toegepast. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, zijn de door het verschil in behandeling bedoelde categorieën van personen wel degelijk vergelijkbaar, aangezien zowel de drankgelegenheden als de dagbladhandels kansspelen exploiteren bij wijze van nevenactiviteit, waarbij die activiteit vergelijkbaar lijkt met die welke respectievelijk in kansspelinrichtingen klasse II en klasse IV wordt aangeboden. Net zoals de drankgelegenheden mogen de dagbladhandelaars die over een vergunning F2 beschikken bovendien geen onlinekansspelen exploiteren, zodat er in geen van beide situaties een bijkomende vergunning bestaat. A.7.
- De verzoekende partijen doen gelden dat het in het licht van het doel om de kwetsbare spelers te beschermen, coherent en noodzakelijk is om het EPIS-systeem naar alle kansspelen uit te breiden. Volgens verschillende rapporten wenden die spelers zich immers tot de automatische kansspelen die in de drankgelegenheden worden geëxploiteerd. In dat kader is de kostprijs van een materiële aanpassing van de drankgelegenheden geen afdoende reden om het bestreden verschil in behandeling te verantwoorden, temeer daar die investering ten laste zou worden genomen door de operatoren die de toestellen aan de caféhouders leveren. De verzoekende partijen merken op dat de Ministerraad de logistieke, economische en technische moeilijkheid aanvoert om te besluiten tot de evenredigheid van het verschil in behandeling. In dat verband is de omstandigheid dat de drankgelegenheden niet met het internet verbonden zouden zijn, absoluut niet meer houdbaar in België. A.8.
- Het derde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 25 van de wet van 7 mei 2024, van artikel 177, eerste lid, van de Grondwet en van de artikelen 3, eerste lid, 1° en 2°, en 4, § 1, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten (hierna : de bijzondere wet van 16 januari 1989). De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling een « bijdrage » in de werkings-, personeels- en oprichtingskosten van de Kansspelcommissie voor het jaar 2024 vaststelt, ten laste van de houders van vergunningen voor kansspelen, die niet evenredig is ten aanzien van de noden van de Commissie. Een heffing kan echter slechts een bijdrage of een retributie zijn op voorwaarde dat het bedrag ervan evenredig is aan de behoefte waaraan het is toegewezen of aan de kostprijs van de bezoldigde dienst. Wanneer die limieten worden overschreden, moet de betrokken heffing als een belasting worden beschouwd. In een dergelijk geval zijn de gewesten uitsluitend bevoegd, aangezien het aan hen toekomt om het belastingstelsel van de kansspelen te bepalen, met dien verstande dat de federale wetgever enkel in die aangelegenheid kan optreden via een bijzondere wet. 11 A.8.
- De verzoekende partijen preciseren dat de bestreden bepaling het koninklijk besluit van 31 januari 2024 « betreffende de bijdrage in de werkings-, personeels- en oprichtingskosten van de Kansspelcommissie verschuldigd door de houders van de vergunningen klasse A, A+, B, B+, C, E, F1, F1+ en F2 voor het burgerlijk jaar 2024 » (hierna : het koninklijk besluit van 31 januari 2024) bekrachtigt. Zij voeren aan dat, om het jaarlijkse bedrag van de bijdragen van de vergunninghouders aan de Kansspelcommissie te bepalen, logischerwijze rekening dient te worden gehouden met de middelen die worden bewaard in het begrotingsfonds bedoeld in artikel 62, § 2, van de wet van 22 mei 2003 « houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat », en die in de logica van artikel 19 van de wet van 7 mei 1999 ertoe strekken de kosten van de Kansspelcommissie te dekken. In dat verband merken de verzoekende partijen op dat de beschikbare middelen in het voormelde fonds, op 1 januari 2024, 44 467 000 euro bedroegen. De aan de Kansspelcommissie toegestane vastleggingskredieten voor haar werking in 2024 bedroegen bovendien 8 437 000 euro, hetgeen voldoende lijkt om de werkelijke werkingskosten voor het jaar 2024 te dekken. Door een nieuwe bijdrage, waarvan de opbrengst op 8 696 000 euro wordt geraamd, ten laste te leggen van de houders van vergunningen voor kansspelen, heeft de federale wetgever bijgevolg het verband verbroken tussen de kosten van de geleverde dienst en het bedrag dat de bijdrageplichtige, namelijk de vergunninghouder, verschuldigd is. De voormelde bijdrage is dus een belasting, en meer bepaald een belasting op de spelen en weddenschappen in de zin van artikel 3 van de bijzondere wet van 16 januari 1989, die het voorwerp had moeten uitmaken van een bijzondere wet overeenkomstig de in het middel vermelde referentiebepalingen. A.8.
- De verzoekende partijen merken op dat, ingevolge haar adviezen over de voorontwerpen van wetten tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten met betrekking tot de jaarlijkse bijdrage van de Kansspelcommissie, de afdeling wetgeving van de Raad van State de wetgever systematisch heeft terechtgewezen over de voormelde ongrondwettigheid. Die kwestie werd eveneens beklemtoond door het Hof, in zijn arrest nr. 42/2018 van 29 maart 2018 (ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.042). A.8.
- In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, zijn alle vastleggingen die worden aangegaan om de opdrachten van de Kansspelcommissie te financieren wel degelijk vereffend in één jaar tijd, zoals blijkt uit de systematische gelijkstelling tussen de vastleggingskredieten en de toegekende vereffeningskredieten. Er kan evenmin rekening worden gehouden met de hypothetische uitgaven van de andere openbare diensten, aangezien die uitgaven worden gedekt door een jaarlijkse desaffectatie van de middelen van het begrotingsfonds en hun overdracht naar de algemene middelen van de Schatkist. In 2024 werden aldus 290 000 euro onttrokken aan de beschikbare middelen van het fonds van de Kansspelcommissie om de uitgaven van de FOD Economie te dekken. De verzoekende partijen merken tot slot op dat de geldmiddelen al meer dan tien jaar ongebruikt blijven, zodat het argument van de Ministerraad volgens hetwelk het kan zijn dat de ongebruikte bedragen in aanmerking worden genomen of worden terugbetaald in het kader van toekomstige retributies, misleidend is. A.9.
- Het vierde middel is afgeleid uit de schending, door de artikelen 5, 10 en 24 van de wet van 7 mei 2024, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de vrijheid van ondernemen die wordt gewaarborgd bij de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht, bij artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en bij de artikelen 16 en 52 van het Handvest, in zoverre de bestreden bepalingen de wet van 7 mei 1999 aanpassen teneinde de minimumleeftijd voor deelname aan kansspelen tot 21 jaar te verhogen, terwijl de minimumleeftijd voor deelname aan de in de wet van 19 april 2002 bedoelde loterijspelen op 18 jaar behouden blijft. De verzoekende partijen preciseren dat het middel wordt opgeworpen in overeenstemming met het middel dat zij aanvoeren naar aanleiding van het beroep in de zaak met rolnummer 8309, gericht tegen artikel 5 van de wet van 18 februari 2024, dat de minimumleeftijd van 21 jaar concreet vaststelt. Volgens hen brengt de ongrondwettigheid van dat artikel bijgevolg de vernietiging van de artikelen 5, 10 en 24 van de bestreden wet met zich mee. A.9.
- De verzoekende partijen merken op dat het voor minderjarigen verboden is om aan loterijspelen deel te nemen met toepassing van artikel 37/1 van de wet van 19 april
- Zij voeren aan dat jongvolwassenen bijzonder veel risico lopen op een gokverslaving en dat het om die reden is dat de wetgever, met artikel 5 van de wet van 18 februari 2024, de minimumleeftijd voor de in de wet van 7 mei 1999 bedoelde kansspelen tot 21 jaar heeft verhoogd. De verzoekende partijen preciseren dat zij niet de keuze van de wetgever om de minimumleeftijd te verhogen, bekritiseren, maar wel dat hij die minimumleeftijd niet op de loterijspelen heeft toegepast, hetgeen incoherent en discriminerend is ten aanzien van het doel dat erin bestaat de kwetsbare spelers te beschermen. Zij merken op dat de jonge spelers, met toepassing van de bestreden bepalingen, van de klassieke kansspelen naar de spelen van de Nationale Loterij worden geleid. 12 A.9.
- Volgens de verzoekende partijen zijn loterijen voor jonge spelers overigens vaak de toegangspoort tot de wereld van de geld- en kansspelen. Die situatie vloeit voort uit het commerciële beleid van de Nationale Loterij, dat die spelen banaliseert door ze in die zin voor te stellen dat zij deel uitmaken van familietradities. De verzoekende partijen merken op dat de Nationale Loterij zich in het bijzonder op een jong publiek richt, met name door een grote aanwezigheid op muziekfestivals. De door haar aangeboden spelen maken gebruik van kinderlijke beelden en taal die hen doen denken aan gezelschapsspelen. Bovendien blijkt dat een aanzienlijk deel van de minderjarigen in het secundair onderwijs met krasloten van de Nationale Loterij meespeelt, met dien verstande dat de aantrekkingskracht van de andere kansspelen beduidend minder is voor dat deel van de bevolking. De bestreden maatregel heeft dus tot gevolg dat jonge spelers naar de Nationale Loterij worden geleid, hetgeen strijdig is met de door de wetgever nagestreefde doelstelling. De verzoekende partijen beklemtonen voorts dat de risico’s waarmee de loterijspelen gepaard gaan, nauw aansluiten bij de waargenomen risico’s van klassieke kansspelen en dat het wegleiden van spelers naar de Nationale Loterij in strijd lijkt te zijn met de kanalisatieopdracht waarin haar beheerscontract voorziet. Zaak nr. 8363 A.10.
- Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De verzoekende partijen voeren in hoofdorde aan dat de bestreden bepaling discriminerend is wat de renbanen betreft. Volgens hen heeft de wetgever geen onderscheid gemaakt tussen de renbanen en andere locaties, zoals dagbladhandels, terwijl hun situatie kennelijk en objectief verschillend is. Zij beklemtonen het feit dat er maar vijf renbanen in België zijn, dat hun toegang is onderworpen aan de aankoop van een inkomticket en dat het noodzakelijk is om ter plaatse een weddenschap aan te gaan. In tegenstelling tot de personen die op paardenwedrennen wedden in een dagbladhandel, zijn de bezoekers van de renbaan die er weddenschappen aangaan, op zich niet ter plaatse om te gokken, maar om de paardenrennen te beleven. De verzoekende partijen doen gelden dat de bestreden bepaling alle renbanen verplicht om het EPIS-systeem te implementeren, hetgeen leidt tot aanzienlijke administratieve lasten en controleverplichtingen. De parlementaire voorbereiding van de wet van 7 mei 2024 vermeldt dat het EPIS-systeem op renbanen noodzakelijk lijkt doordat het in wedkantoren werd ingevoerd, om te vermijden dat de spelers worden weggeleid. De zogenaamd nagestreefde doelstellingen bestaan dus erin de spelers te beschermen en een eerlijke concurrentie tussen de actoren uit de goksector mogelijk te maken. De verzoekende partijen preciseren echter dat een speler niet zomaar naar een renbaan kan gaan om te gokken wanneer hij dat wil, aangezien de paardenwedrennen redelijk zeldzaam zijn, dat hun toegang is onderworpen aan een inkomticket en dat de speler enkel kan gokken op de door de renbaan georganiseerde wedrennen. De winsten van de in België georganiseerde paardenwedrennen zijn bovendien relatief laag. De verzoekende partijen beklemtonen eveneens dat de gokgelegenheden op de renbaan beperkt zijn, aangezien zij van het aantal wedrennen per dag afhangen en dat er een bepaald tijdsinterval tussen twee wedrennen is, wat het risico op dwangmatig gokgedrag beperkt. Het profiel van de bezoekers van paardenwedrennen lijkt overigens zeer verschillend van het profiel van de spelers die zich dagenlang ophouden in inrichtingen klasse IV. De verzoekende partijen merken overigens op dat de bestreden uitbreiding van het EPIS-systeem de strijd tegen criminaliteit en fraude – nochtans onontbeerlijk om de integriteit van de paardenwedrennen te verzekeren – in het gedrang kan brengen, aangezien, door de kosten van de implementatie van de EPIS-controle, de middelen voor de financiering van die strijd zullen afnemen. Het probleem van de personen die bij weddenschappen grote geldsommen verliezen, stelt zich, volgens de verzoekende partijen, niet in de sector van de paardenwedrennen. De bestreden bepaling, die zonder overleg met de renbanen werd aangenomen, poogt dus een probleem op te lossen dat niet bestaat. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft overigens erop gewezen dat de paardenwedrennen een laag risico op verslaving met zich meebrengen. De verzoekende partijen voeren eveneens aan dat de gokactiviteit maar een bijkomende activiteit is voor de renbanen, aangezien hun omzet onvoldoende is om het EPIS-systeem te implementeren, en dat er geen concurrentie bestaat tussen de renbanen en de inrichtingen klasse IV, die zich op afzonderlijke productmarkten bevinden. De opbrengst van de weddenschappen die op renbanen worden aangenomen, gaat bovendien integraal naar de financiering van de paardensector, in tegenstelling tot de weddenschappen in de inrichtingen klasse IV. Volgens de verzoekende partijen had de wetgever andere maatregelen kunnen nemen voor de renbanen, met name het bepalen van een inzetlimiet voor elke weddenschap. Zij preciseren voorts dat de renbanen zich in een zeer delicate financiële situatie bevinden, die al jaren is erkend, en dat het EPIS-systeem is toegepast zonder enige grondige analyse. Volgens de verzoekende partijen heeft de wetgever, met de toepassing van het EPIS-systeem op andere sectoren, zoals krantenwinkels, ervoor gezorgd dat de kosten voor de aanpassing worden verlaagd, hetgeen niet is gebeurd voor de renbanen. 13 A.10.
- In ondergeschikte orde klagen de verzoekende partijen het feit aan dat de bestreden bepaling geen onderscheid maakt tussen een jaarlijks evenement dat een voornamelijk sociaal karakter heeft en waar weddenschappen bijkomstig zijn, en de situaties waarin personen op veel meer reguliere basis en buiten die context van een sociaal evenement weddenschappen kunnen aangaan. Volgens de verzoekende partijen zijn er immers essentiële verschillen tussen uitzonderlijke wedrennen, zoals het evenement dat jaarlijks in Waregem plaatsvindt, en de andere meer reguliere paardenactiviteiten. De uitzonderlijke evenementen zijn vooral familiale en feestelijke evenementen, waar er een sociale controle bestaat. Het plaatsen van weddenschappen is dus eerder anekdotisch ten opzichte van de hoofdactiviteit, hetgeen het risico op gokverslaving aanzienlijk beperkt. De verzoekende partijen merken op dat het aantal weddenschappen en het bedrag van de inzetten relatief beperkt zijn in het kader van uitzonderlijke jaarlijkse evenementen. Zij voeren aan dat de implementatie van het EPIS-systeem een bijzonder hoge kost met zich meebrengt voor een jaarlijks evenement dat minder dan acht uur duurt, zowel voor de organisatie van bijkomende loketten als voor de opleiding van het personeel. De verzoekende partijen zijn van mening dat de wetgever had kunnen kiezen voor andere maatregelen, met name het vastleggen van een maximuminzet of de invoering van een uitzondering geïnspireerd op artikel 3, eerste lid, punt 3, c), van de wet van 7 mei 1999, dat bepaalde evenementen die occasioneel worden ingericht door verenigingen zonder winstoogmerk uitsluit van de definitie van kansspelen, hetgeen precies het geval is van de verzoekende partijen. In dat verband merken zij op dat de omvang van het evenement geen criterium is in het kader van die uitsluiting en dat Waregem Koerse vergelijkbaar is met de erdoor beoogde evenementen. A.10.
- In hun memorie van antwoord merken de verzoekende partijen op dat het EPIS-systeem niet wordt toegepast op de spelen van de Nationale Loterij of op inrichtingen klasse C, waardoor de personen op de EPIS- lijst aan kansspelen kunnen deelnemen. De renbanen en de uitzonderlijke jaarlijkse evenementen, zoals Waregem Koerse, worden dus verschillend behandeld dan de andere kansspelen die dezelfde verslavingsrisico’s vertonen. Wat betreft het standpunt van de tussenkomende partij Zaak nr. 8356 A.11.
- Wat het tweede middel in de zaak nr. 8356 betreft, voert de tussenkomende partij allereerst aan dat dat middel onontvankelijk is, om dezelfde redenen als die welke door de Ministerraad worden uiteengezet. Zij stelt vervolgens dat de loterijen en de kansspelen wezenlijk verschillend zijn vanuit het oogpunt van het juridische en conceptuele kader, de spelperceptie door de spelers, het risicoprofiel, de markt en de organisatie van de markt. Die verschillen zijn er voor alle producten van de Nationale Loterij. Wegens die duidelijke verschillen brengt de bestreden wet geen enkele discriminatie met zich mee. Indien de onlineloterijen van de Nationale Loterij als kansspelen zouden moeten worden aangemerkt, dan zouden zij overigens op dezelfde manier worden behandeld als de kansspelen van private operatoren, aangezien zij onder het stelsel van de wet van 7 mei 1999 zouden vallen. Volgens de tussenkomende partij is het noodzakelijk om een duidelijk onderscheid te behouden tussen de loterijen en de kansspelen, aangezien het om wezenlijk verschillende producten gaat. De tussenkomende partij voegt eraan toe dat het in het middel beoogde verschil in behandeling pertinent is ten aanzien van het doel om de spelers te beschermen, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. De tussenkomende partij legt de nadruk op het voor de spel- en goksector kenmerkende kanalisatiebeleid waarbij de speler naar onschuldige loterijspelen en naar kansspelen van erkende operatoren wordt geleid. Daarnaast wordt geenszins aangetoond dat de spelers die worden uitgesloten van kansspelen, zich noodzakelijkerwijs zullen wenden tot de inrichtingen die niet aan de verplichting inzake EPIS-controle zijn onderworpen, aangezien die inrichtingen niet hetzelfde type spel aanbieden. De tussenkomende partij preciseert voorts dat het niet de wet van 7 mei 2024 is die het verschil in behandeling tussen de loterijen en de kansspelen tot stand brengt. Die wet beperkt zich ertoe de werking van het EPIS-systeem te verduidelijken, dat reeds voordien van toepassing was op de kansspelen, zonder de loterijspelen te beogen. Het Hof heeft bovendien reeds geoordeeld dat de kansspelinrichtingen klasse IV zich op objectieve wijze onderscheiden van de dagbladhandels. Het bestreden verschil in behandeling berust bijgevolg op een objectief criterium dat pertinent lijkt ten aanzien van het doel om de sociale risico’s te beperken en de spelers te beschermen. De wet van 7 mei 2024 heeft bovendien geen onevenredige gevolgen ten aanzien van de kansspelinrichtingen klasse IV, maar zij beperkt zich ertoe de goede werking van het systeem inzake de bescherming van spelers tegen de risico’s van kansspelen te regelen. 14 A.11.
- De tussenkomende partij doet eveneens gelden dat de uitbreiding van de EPIS-controle naar de loterijspelen zou inhouden dat alle beperkingen die aan de Nationale Loterij worden opgelegd, met name wat betreft het beperkte aantal deelnames per dag, de beperkte inzet per deelname en de beperkte uitbetalingsratio aan de speler, moeten worden toegepast op de kansspeloperatoren. Zij legt ook de nadruk op het bestaan van een beheerscontract voor de Nationale Loterij en het feit dat die laatste niet beslist welke loterijspelen aan het publiek kunnen worden aangeboden. Daarnaast, in tegenstelling tot wat de verzoekende partij aanvoert, is de deelname aan sportweddenschappen die op de website « Scooore » worden aangeboden, wel aan de EPIS-controle onderworpen. De spelers op die website worden overigens niet aangezet om de website van de Nationale Loterij te bezoeken. Hoewel het juist is dat er een link is op de homepage van de website « Scooore », worden de spelers ingelicht over het feit dat zij de website verlaten wanneer zij op die link klikken. Die verandering van website vereist vervolgens de activering van een afzonderlijk spelersaccount. De speler wordt in elk geval mogelijk doorverwezen naar een minder schadelijk product, waaraan een kwetsbare speler kan deelnemen zonder dat het problematisch wordt. A.
- Wat de andere middelen betreft, voert de tussenkomende partij aan dat zij evenmin gegrond zijn. In dat verband merkt zij op dat het Hof, bij zijn voormelde arrest nr. 177/2021, enkel de ontstentenis van een maximumduur voor de bewaring van persoonsgegevens in het EPIS-register heeft vernietigd. De wet van 7 mei 2024 bepaalt echter in dat verband een beperkte termijn van vijf jaar. Zaak nr. 8362 A.13.
- Wat het eerste middel betreft, formuleert de tussenkomende partij opmerkingen die soortgelijk zijn aan die met betrekking tot het tweede middel in de zaak nr.
- Zij legt overigens de nadruk op de verschillende risicoprofielen eigen aan loterijspelen, enerzijds, en aan kansspelen, anderzijds. In dat verband blijkt uit verschillende studies dat de loterijspelen het meest veilige speltype lijken in termen van uitgaven en verslavingsrisico. In dat kader bereikt de Nationale Loterij een groot publiek, met echter een laag risico. De herverdelingsgraad van de winsten uit loterijspelen is eveneens laag. A.13.
- Wat het vierde middel betreft, herinnert de tussenkomende partij eraan dat het onderscheid tussen kansspelen en loterijen objectief is, zodat, omwille van de bescherming van de spelers, de vereiste leeftijd om aan de spelen deel te nemen verschillend is. Dat verschil past eveneens in het kader van het kanalisatiebeleid, opdat de loterijspelen een aantrekkelijk en betrouwbaar aanbod zouden vormen. Hoe dan ook wordt niet aangetoond in welk opzicht de leeftijdsbeperking van 21 jaar om aan kansspelen deel te nemen jonge spelers naar de spelen van de Nationale Loterij zouden leiden, aangezien het niet om dezelfde spelen gaat. Een gedifferentieerde aanpak naargelang van het risico van de producten is bovendien niet uitzonderlijk, maar bestaat ook in andere domeinen, zoals het gebruik van alcoholische dranken. A.13.
- Wat de andere middelen betreft, verwijst de Nationale Loterij naar de argumenten die door de Ministerraad zijn uiteengezet. Wat betreft het standpunt van de Ministerraad Zaak nr. 8356 A.14.
- Wat het eerste onderdeel van het eerste middel betreft, merkt de Ministerraad op dat de verplichting om een EPIS-controle uit te voeren bij de ingang van de inrichtingen klasse IV is ingevoerd bij de wet van 7 mei 2019 « tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, en tot invoeging van artikel 37/1 in de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij », met dien verstande dat die verplichting reeds bestond voor de inrichtingen klasse I en II. De toepassing van de EPIS-controle op de inrichtingen klasse IV is dus geen nieuwigheid van de bestreden wet. De Ministerraad voert overigens aan dat dat systeem nooit door het Hof werd afgekeurd, behalve wat de bewaringsduur van de gegevens betreft. Het eerste onderdeel is dus onontvankelijk. De Ministerraad voert bovendien aan dat het EPIS-systeem het beroep van de personen met een spelverbod niet vermeldt, in overeenstemming met het beginsel van minimale gegevensverwerking. In werkelijkheid maakt dat systeem een onderscheid tussen de toegangsverboden per type uitsluiting en niet per beroep, hetgeen waarborgt 15 dat het wordt toegepast in overeenstemming met de doelstellingen van gegevensbescherming en het door de bestreden wet nagestreefde doel. De specifieke verbodsbepalingen voor bepaalde beroepen worden bijgevolg enkel toegepast in de gevallen waarin zij pertinent zijn, overeenkomstig artikel 54, § 2, van de wet van 7 mei
- De EPIS-controle lijkt bijgevolg zowel doeltreffend als in overeenstemming met de grondrechten van de betrokken personen en de werking ervan blijft geharmoniseerd voor de inrichtingen klasse I, II en IV. Het eerste onderdeel is bijgevolg hoe dan ook niet gegrond. In zijn memorie van wederantwoord preciseert de Ministerraad dat de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 mei 2024 zelf preciseert dat het EPIS-systeem een onderscheid maakt tussen verschillende types van uitsluitingen. De uitsluitingen op grond van het beroep, bedoeld in artikel 54, § 2, van de wet van 7 mei 1999, maken het voorwerp uit van een specifieke verwerking, door middel van een afzonderlijk dagelijks bestand dat aan de Kansspelcommissie wordt overgemaakt en elke dag wordt gewist. Het is overigens onmogelijk dat het systeem het beroep van de speler aan de speloperatoren onthult, aangezien de EPIS- controle slechts een binair antwoord geeft bij het nagaan of de persoon al dan niet toegang mag hebben tot de inrichting. A.14.
- Wat het tweede en het derde onderdeel van het eerste middel betreft, merkt de Ministerraad op dat de door de verzoekende partij vooropgestelde termijn van een maand voor de bewaring van de gegevens het centrale doel van de wet van 7 mei 1999 zou miskennen, namelijk de bescherming van de spelers, alsook de noodzaak van een bewaringstermijn die voldoende lang is om de kansspelen werkelijk te reguleren en verslavend gedrag te voorkomen. De Ministerraad preciseert dat de bewaringstermijn van vijf jaar bedoeld in artikel 16 van de wet van 7 mei 2024 het resultaat is van een grondige denkoefening over de doelstellingen van EPIS, die erin bestaan de spelers te beschermen tegen de risico’s van verslaving en een doeltreffende regulering van de kansspelsector te waarborgen, zoals uit de parlementaire voorbereiding van die wet blijkt. Het verslavend gedrag dat met de kansspelen gepaard gaat, groeit niet plots of lineair, maar manifesteert zich progressief, over een lange periode. De termijn van vijf jaar laat een afdoende observatie toe en voorkomt een voortijdige re-integratie van de spelers in kansspelinrichtingen, hetgeen een risico zou kunnen vormen voor hun geestelijke en financiële gezondheid. Een bewaringstermijn van een maand lijkt bijgevolg niet verzoenbaar met het doel om verslavingen te voorkomen, dat een uitgebreidere opvolging op lange termijn vereist. De Ministerraad merkt dienaangaande op dat de rechtspraak van het Hof steeds de nadruk heeft gelegd op de noodzakelijke bescherming van de spelers als hoofddoel van de regulering van de kansspelen. De AVG maakt het bovendien mogelijk om persoonsgegevens te bewaren wanneer zulks door een legitiem doel wordt verantwoord, hetgeen te dezen het geval is in het licht van het doel om de gezondheid en de veiligheid van de spelers te beschermen. De Ministerraad voegt eraan toe dat de doelstelling om inbreuken op de kansspelwetgeving op te sporen en vast te stellen de noodzaak van een verlengde bewaringstermijn versterkt. Die doelstelling houdt immers in dat de gegevens met betrekking tot uitgesloten personen gedurende een voldoende lange periode beschikbaar zijn zodat de bevoegde overheden de gepaste maatregelen kunnen nemen. Ten aanzien van in het bijzonder de personen die wegens hun beroep zijn uitgesloten, preciseert de Ministerraad dat de bestreden wet voorziet in een specifieke verwerking door middel van een afzonderlijk en beperkt beheer van de gegevens, en waarborgt dat de noodzakelijke informatie beschikbaar is voor de legitieme doelstellingen om de uitsluitingen te controleren en te beheren. De Ministerraad preciseert voor het overige dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 mei 2024 afdoende blijkt dat de bewaringstermijn van vijf jaar van de gegevens in de EPIS-logs strikt evenredig is met de nagestreefde doelstellingen en dat die termijn aan noodzakelijke operationele vereisten beantwoordt. De Ministerraad beklemtoont tot slot dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat een bewaringstermijn van de gegevens die is afgestemd op de vijfjarige verjaringstermijn voor de inbreuken op de EPIS-controle, niet verder gaat dan wat noodzakelijk is ten aanzien van de nagestreefde doelstellingen. In zijn memorie van wederantwoord preciseert de Ministerraad dat, aangezien alle opdrachten van de Kansspelcommissie de bescherming van de spelers als leidraad hebben, het coherent is dat het begrip en de analyse van verslavend gedrag eveneens deel uitmaken van de taken van de Commissie. Het doel om inbreuken op te sporen en vast te stellen, heeft overigens specifiek betrekking op de inbreuken op de kansspelwetgeving, hetgeen de bewaring van de betrokken gegevens als bewijsmateriaal of in het kader van een onderzoek verantwoordt. A.14.
- Wat het vierde onderdeel betreft, voert de Ministerraad aan dat de kritieken van de verzoekende partij gebaseerd zijn op een onvolledige visie van de doelstellingen die de wetgever nastreeft. Artikel 18, § 1, van de wet van 7 mei 2024 laat de Kansspelcommissie immers toe de gegevens verder te verwerken, maar enkel binnen de strikte grenzen van haar wettelijke opdrachten. In de praktijk zijn bepaalde gegevens onontbeerlijk voor de verwezenlijking van die doelstelling, met name om te identificeren of een speler een problematisch gedrag ontwikkelt. De frequentie van de EPIS-controle en de locatie waar die controle wordt uitgevoerd, zijn dus bepalend om de gewoonten van de betrokken spelers vast te leggen. De Ministerraad voert bovendien aan dat zowel uit artikel 6, lid 4, van de AVG als uit overweging nr. 50 ervan blijkt dat de verdere verwerking van persoonsgegevens 16 wordt toegestaan wanneer de nieuwe doelen verenigbaar zijn met die waarvoor de gegevens aanvankelijk zijn verzameld. De bestreden verdere verwerking streeft voor het overige doelstellingen van algemeen openbaar belang na, aangezien zij transparantie biedt en de betrokken personen toelaat duidelijk te begrijpen hoe en waarom hun gegevens worden gebruikt. De voorzienbaarheid en de rechtmatigheid van de verwerking worden voorts verzekerd daar zij is verankerd in een erkend wettelijk kader. De Ministerraad preciseert dat de alternatieve oplossingen die door de Gegevensbeschermingsautoriteit werden aanbevolen, niet in werking konden worden gesteld, aangezien zij het niet mogelijk maakten om op gepaste wijze te antwoorden op de door de bestreden wet nagestreefde doelstellingen. Hij voegt eraan toe dat de verzoeken tot uitsluiting van wezenlijk belang zijn om de rechtmatigheid en de objectiviteit van de analyse van de Kansspelcommissie te waarborgen. De Ministerraad stelt voor het overige dat artikel 18, § 2, van de wet van 7 mei 2024 het mogelijk maakt de politiediensten te ondersteunen in de uitvoering van hun opdrachten van gerechtelijke politie, in het bijzonder in de strijd tegen ernstige inbreuken zoals het witwassen van geld, de georganiseerde criminaliteit en het opsporen van personen die van hun vrijheid moeten worden beroofd. De politiediensten moeten toegang kunnen hebben tot de betrokken gegevens om verdachte gedragingen te identificeren en de verbanden te zien tussen de personen die kansspelinrichtingen bezoeken. Die doelstellingen passen in een logica van voorzienbaarheid en rechtmatigheid, overeenkomstig de beginselen van de AVG en de richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad ». De bestreden wet stelt immers strikte grenzen aan de bewaring van de gegevens, met een maximumtermijn van vijf jaar, bedoeld in artikel 55/2, § 3, van de wet van 7 mei 1999, voor de consultatie van de gegevens in de EPIS-logs. Het is dus verkeerd om, zoals de verzoekende partij, ervan uit te gaan dat een « onbeperkte » toegang tot de gegevens mogelijk is. De termijn van vijf jaar is overigens evenredig en verantwoord in het licht van het doel om de georganiseerde criminaliteit te bestrijden. De Ministerraad preciseert voorts dat elke raadpleging van de gegevens is onderworpen aan strenge voorwaarden, die de naleving van de grondrechten van de betrokken personen waarborgen. De consultaties van de gegevens van de EPIS-logs worden immers alle opgenomen in een toegangslogboek, dat toelaat de identiteit van de gebruikers, de redenen van de toegang en de geraadpleegde gegevens a posteriori na te gaan. In zijn memorie van wederantwoord voert de Ministerraad aan dat de verzoekende partij zich vergist wat de betekenis van het woord « verdere » betreft, aangezien zij van mening is dat het naar een tijdsbegrip verwijst. Inzake gegevensbescherming behelst het begrip « verdere verwerking » niet louter een temporaliteit, maar wijst het op een verwerking die plaatsvindt voor andere doeleinden dan die welke waarvoor de gegevens oorspronkelijk waren verzameld. Het gaat dus niet om een onbepaalde verlenging van de bewaringstermijn, maar om een strikt door de AVG, in het bijzonder artikel 6, lid 4, ervan, afgebakende mogelijkheid. A.15.
- Wat het tweede middel betreft, voert de Ministerraad in hoofdorde een exceptie van onontvankelijkheid aan, aangezien de kritieken van de verzoekende partij niet aan de bestreden wet, maar aan vroegere wetshervormingen toe te schrijven zijn. De loterijspelen worden immers uitgesloten van het toepassingsgebied van de wet van 7 mei 1999, sinds de aanneming ervan, en het Hof heeft die uitsluiting geldig verklaard. De bestreden wet voert in werkelijkheid geen enkele nieuwigheid in wat betreft de op de Nationale Loterij toepasselijke controles. A.15.
- De Ministerraad voert in ondergeschikte orde aan dat de door het bestreden verschil in behandeling beoogde categorieën van personen niet voldoende vergelijkbaar zijn. In tegenstelling tot de inrichtingen klasse IV, is de Nationale Loterij een publiekrechtelijke vennootschap die in het algemeen belang handelt, parallel met haar commerciële activiteiten. In dat opzicht voert zij een opdracht van openbare dienst uit, zodat haar werking wezenlijk verschilt van die van de kansspeloperatoren, zoals uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 19 april 2002 blijkt. In dat kader is de bescherming van de spelers een belangrijk element in de organisatie en de opdrachten van de Nationale Loterij. De Ministerraad legt overigens de nadruk op het strikte kader waarbinnen de Nationale Loterij werkt, met name in termen van toegangscontrole voor beschermde personen, daar die controle is aangepast aan het beperkte risico van de loterijproducten. Sinds december 2010 is de Nationale Loterij overigens gecertificeerd als verantwoordelijk speloperator door de Europese Vereniging van Loterijen. Haar spelbeleid is eveneens goedgekeurd door de Hoge Raad voor de Ethiek van de loterij- en kansspelen. De Ministerraad beklemtoont dat de indeling van de inrichtingen klasse IV bevorderlijk is om gokkers aan te trekken, aangezien zij er kunnen plaatsnemen. De verkooppunten van de loten van de Nationale Loterij bieden daarentegen niet hetzelfde kader aan. 17 De Ministerraad voegt eraan toe dat de producten die respectievelijk door de inrichtingen klasse IV en de Nationale Loterij worden aangeboden, evenmin vergelijkbaar zijn op juridisch of conceptueel vlak. Ten eerste streven de loterijspelen geen eigen winstoogmerk na, maar strekken zij ertoe de geldmiddelen ten voordele van de vennootschap en het openbaar belang te herverdelen. Ten tweede berust het loterijconcept op de mogelijkheid om te winnen door loting, aanvaardt het de gratis deelname van spelers en impliceert het dat toeval minstens een beslissende rol speelt in de verdeling van de prijzen, zonder actieve deelname van de spelers. Ten derde bestaan er belangrijke verschillen tussen de loterijspelen van de Nationale Loterij en de kansspelen van private operatoren wat betreft de bedragen van de inzet en de winsten, de beschikbare soorten spelen en de interactie tussen de spelers en het spel. Ten vierde worden de loterijspelen niet gekenmerkt door een repetitieve deelname, aangezien de kans op winst relatief klein is. Ten vijfde tonen talrijke wetenschappelijke studies aan dat loterijproducten in het algemeen minder risico’s vertonen dan kansspelen, met inbegrip van sportweddenschappen die, na casinospelen, het meest verslavende type spel lijken te zijn. Ten zesde vertonen de producten van de Nationale Loterij, in tegenstelling tot kansspelen, een laag risico op witwassen van geld, zoals de Europese Commissie met name beklemtoont. De Ministerraad stelt tot slot dat de door de Nationale Loterij aangeboden « Woohoo-games » verschillen van de door de kansspelinrichtingen aangeboden spelen, zowel wat het risico betreft, zoals uit een door de Nationale Loterij besteld onderzoek blijkt, als wat het verloop van het spel betreft, dat autonoom lijkt zonder enige actieve deelname van de speler. De Ministerraad preciseert voorts dat de « Woohoo-games » beperkt zijn in aantal en enkel beschikbaar zijn op de website van de Nationale Loterij, zodat het duidelijk is voor de spelers dat zij een loterijproduct kopen en niet aan een kansspel deelnemen. A.15.
- De Ministerraad preciseert dat er in geen geval sprake is van een verschil in behandeling tussen de Nationale Loterij en de inrichtingen klasse IV wat het aanbod van kansspelen betreft. De wet van 7 mei 1999 is immers niet van toepassing op loterijspelen, maar beoogt wel degelijk de door de Nationale Loterij aangeboden kansspelen, net zoals de spelen die door eender welke kansspeloperator worden georganiseerd. Wat in het bijzonder de op de website van de Nationale Loterij aangeboden « Woohoo-games » betreft, preciseert de Ministerraad dat de wet van 7 mei 1999 niet zelf de verschillende kansspelen opsomt en dat de door de verzoekende partij vermelde nota van de Kansspelcommissie niet bindend is. De Ministerraad voegt eraan toe dat de classificatie van de door de Nationale Loterij aangeboden spelen bij koninklijk besluit wordt bepaald, zodat de kritieken van de verzoekende partij in werkelijkheid toe te schrijven zijn aan de uitvoeringsmaatregelen van de bestreden wet, hetgeen niet onder de bevoegdheid van het Hof valt. Wat de ontstentenis van een koninklijk besluit ter uitvoering van artikel 37/2 van de wet van 19 april 2002 betreft, merkt de Ministerraad op dat het niet aan het Hof staat om de opportuniteit of de uitvoering van een wetsbepaling te onderzoeken. Voor het overige, wat betreft de mogelijkheid om het systeem te omzeilen door het platform « Scooore » van de Nationale Loterij te bezoeken vanop de website met loterijspelen, voert de Ministerraad aan dat het gaat om het louter naast elkaar bestaan van twee afzonderlijke kaders, de ene van toepassing op de kansspelen en de andere op de loterijspelen, hetgeen een keuze van de wetgever is. A.15.
- Het bestreden verschil in behandeling, gesteld dat het is aangetoond, streeft overigens een legitieme doelstelling na. De Ministerraad preciseert allereerst dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in beginsel de verschillen in behandeling tussen de loterijen en de kansspelen op het gebied van de btw aanvaardt. De parlementaire voorbereiding van de wet van 7 mei 1999 geeft bovendien aan dat de wetgever, inzake kansspelen, heeft beoogd de vrijheid van de gokkers en de uitbaters, de bestrijding van de wildgroei van illegale kansspelen en de bescherming van de maatschappij, de spelers en de fiscale belangen van de gewesten te verzoenen. Om die belangenafweging te maken, moet de wetgever verschillende controlemaatregelen opleggen naargelang van de aard van de spelen en de inrichtingen. Het bestreden verschil in behandeling is te dezen gegrond op objectieve verschillen tussen de Nationale Loterij en de private operatoren, alsook op de verschillen tussen de producten die zij respectievelijk aanbieden. De Ministerraad doet nog gelden dat de parlementaire voorbereiding van de wet van 19 april 2002 preciseert dat het doel van de wetgever inzake loterijen erin bestaat een kanalisatiebeleid te voeren, in overeenstemming met de aanbevelingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie, met het oog op het terugdringen van winstoogmerkende kansspelactiviteiten ten bate van de Nationale Loterij. De gedifferentieerde behandeling van de Nationale Loterij door de wetgever sterkt in werkelijkheid ertoe haar verantwoordelijker te maken, haar meer autonomie toe te kennen om zo efficiënter te zijn en de uitvoering van de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake loterij en kansspelen te versterken. 18 A.15.
- De Ministerraad beweert tot slot dat het verschil in behandeling hoe dan ook evenredig is ten aanzien van de nagestreefde doelstelling. Uit de rechtspraak van het Hof vloeit immers voort dat de zeer strenge kadervoorwaarden voor de kansspelinrichtingen niet onevenredig zijn. De spelen van de Nationale Loterij vertonen te dezen een minder groot risico dan de spelen van private operatoren, zodat het toepasselijk wetgevend kader evenredig is met een minder hoog risiconiveau. De Ministerraad herinnert eraan dat de Nationale Loterij in elk geval ook is onderworpen aan de controles bedoeld in de wet van 7 mei 1999, overeenkomstig artikel 21 van de wet van 19 april
- A.
- Wat het derde middel betreft, voert de Ministerraad aan dat de bestreden bepalingen geen afbreuk doen aan het wettigheidsbeginsel in strafzaken, aangezien artikel 23 van de wet van 7 mei 2024 duidelijk de essentiële elementen van de strafbaarstelling vastlegt. Het bepaalt immers de minimum- en maximumbedragen van de toepasselijke geldboetes en somt de strafbaar gestelde gedragingen op door naar andere bepalingen te verwijzen. In dat verband preciseert de Ministerraad dat het merendeel van die bepalingen geen nieuwigheid is van de wet van 7 mei 2024, die enkel artikel 61, derde lid, van de wet van 7 mei 1999 toevoegt aan de lijst van de opgesomde bepalingen. De grieven van de verzoekende partij moeten bijgevolg in die zin worden beschouwd dat zij enkel die laatste bepaling beogen. De Ministerraad merkt voor het overige op dat de kritieken van de verzoekende partij enkel betrekking hebben op de verwijzingen in artikel 23 van de wet van 7 mei 2024 naar de artikelen 43/2 en 61, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999, die de strafbare gedragingen duidelijk en op voorzienbare wijze bepalen. In zijn memorie van wederantwoord doet de Ministerraad gelden dat het wettigheidsbeginsel in strafzaken niet vereist dat alle technische aspecten in een wetsbepaling worden gedetailleerd. Het wordt overigens aanvaard dat de niet-naleving van een uitvoeringsbesluit een strafbaar feit kan zijn, zoals uit de rechtspraak van het Hof blijkt. Zowel het beginsel van de wettigheid van de straffen, verankerd in artikel 14 van de Grondwet, als het beginsel van de wettigheid van de inbreuken, gewaarborgd bij artikel 12 ervan, worden te dezen in acht genomen, aangezien de wet van 7 mei 1999 zelf de toepasselijke straffen opsomt en de essentiële elementen van de strafbaarstellingen vastlegt. Wat artikel 8 van de wet van 7 mei 1999 betreft, merkt de Ministerraad op dat het middel niet formeel die bepaling beoogt en dat die bepaling in elk geval het wettigheidsbeginsel in strafzaken in acht neemt. Hij preciseert voorts dat de in artikel 43/4, § 2, van de wet van 7 mei 1999 vervatte machtiging aan de Koning in overeenstemming is met de rechtspraak inzake gespecialiseerde technieken, aangezien de in het uitvoeringsbesluit vermelde concepten perfect gekend zijn door professionele exploitanten en de rechtszekerheid niet in het gedrang brengen. De grieven met betrekking tot artikel 43/2/1, § 2, van de wet van 7 mei 1999 en het koninklijk besluit van 2 december 2021 zijn ook ongegrond. De in dat koninklijk besluit bedoelde verplichting bestaat immers niet meer, aangezien het Hof de wettelijke basis voor een dergelijke verplichting heeft vernietigd. Zaak nr. 8361 A.17.
- De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat de grieven van de verzoekende partijen onontvankelijk zijn, in zoverre zij zijn gericht tegen de strafbaarstelling van artikel 61, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999, die niet door de wet van 7 mei 2024 is ingevoerd maar reeds voorheen bestond. Hij preciseert dat de ontvankelijkheid van een middel voor het Hof kan worden betwist, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen lijken aan te voeren. Het Hof is overigens niet bevoegd om kennis te nemen van bepaalde referentiebepalingen die in het middel worden vermeld, namelijk de artikelen 33, 36, 37, 105 en 108 van de Grondwet. De omstandigheid dat die bepalingen worden aangevoerd in samenhang met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet is niet pertinent, aangezien de verzoekende partijen de categorieën van personen waarvoor zij een discriminatie aanvoeren, die overigens vergelijkbaar moeten zijn, niet identificeren. Indien het middel ontvankelijk zou worden beschouwd, dan zou het onderzoek van het Hof zich bijgevolg moeten beperken tot de bestaanbaarheid met de artikelen 12 en 14 van de Grondwet en met het eruit voortvloeiende wettigheidsbeginsel in strafzaken. A.17.
- De Ministerraad stelt dat de bestreden bepaling hoe dan ook het wettigheidsbeginsel in strafzaken niet schendt. Het merkt op dat het Hof het repressieve en strafrechtelijke karakter van de administratieve geldboete waarin artikel 15/3 van de wet van 7 mei 1999 voorziet, reeds heeft erkend. De essentiële elementen van de strafbaarstelling zijn te dezen duidelijk vastgelegd. Ten eerste voorziet artikel 61, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999 in het principiële verbod op reclame en machtigt het de Koning om uitzonderingen te bepalen. Artikel 61, derde lid, van de wet van 7 mei 1999 bepaalt de verplichtingen van de kansspelinrichtingen met betrekking tot de folders die zij ter beschikking van de spelers moeten stellen. Ten tweede blijkt het doel van dat 19 verbod duidelijk uit de parlementaire voorbereiding van de wetshervormingen inzake reclame voor kansspelen, namelijk de bescherming van de spelers. Ten derde legt de bestreden bepaling zelf de minimum- en maximumbedragen van de van toepassing zijnde geldboetes vast. Ten vierde somt zij de strafbaar gestelde gedragingen op door te verwijzen naar andere bepalingen van de wet van 7 mei 1999 en de uitvoeringsbesluiten ervan. A.17.
- In zijn memorie van wederantwoord merkt de Ministerraad op dat in de rechtspraak van het Hof wordt aanvaard dat de niet-naleving van een besluit met een reglementaire draagwijdte strafbaar kan worden gesteld, hetgeen overigens een gangbare praktijk is. De omstandigheid dat het uitvoeringsbesluit van artikel 61, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999 te onnauwkeurig zou zijn, is bovendien niet pertinent in het kader van het onderhavige beroep, aangezien het Hof niet bevoegd is om de grondwettigheid van dat besluit te onderzoeken. Zaak nr. 8362 A.
- Wat het eerste middel betreft, voert de Ministerraad aan dat de kritieken van de verzoekende partijen niet zijn gericht tegen de wet van 7 mei 2024, maar tegen de vroegere wetshervormingen, aangezien het verschil in behandeling tussen de private operatoren en de Nationale Loterij voorheen bestond. Het middel moet dus onontvankelijk worden beschouwd. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat het eerste middel niet gegrond is, om redenen die soortgelijk zijn aan die welke hij bij het tweede middel in de zaak nr. 8356 uiteenzet. Hij voegt eraan toe dat de omstandigheid dat de spelers naar de spelen van de Nationale Loterij worden geleid, inherent is aan het – door het recht van de Europese Unie geldig verklaarde – kanalisatiebeleid dat erin bestaat hen door te verwijzen naar een wettelijk, gecontroleerd en minder risicovol aanbod, teneinde een zuiver gokverbod te vermijden, dat hen naar een illegaal en ongecontroleerd aanbod zou sturen. A.19.
- Wat het tweede middel betreft, voert de Ministerraad een exceptie van onontvankelijkheid aan, aangezien de verplichting om bij de toegang tot de inrichtingen klasse I, II en IV een EPIS-controle uit te voeren, bestond vóór de aanneming van de wet van 7 mei
- De bestreden bepalingen wijzigen bijgevolg de situatie van de verzoekende partijen niet. De Ministerraad voert in het bijzonder aan dat de wet van 7 mei 2024 geen enkele wijziging aanbrengt aan de controles die van toepassing zijn op de inrichtingen klasse IV, behalve wat de bewaringsduur van de gegevens in het EPIS-systeem betreft. Het bestreden verschil in behandeling moet in werkelijkheid in die zin worden beschouwd dat het toe te schrijven is aan het koninklijk besluit van 20 maart 2022 « tot wijziging van twee Koninklijke Besluiten van 15 december 2004 met betrekking tot het EPIS-systeem en het toegangsregister », dat de verplichting van de EPIS-controle daadwerkelijk heeft uitgebreid naar de inrichtingen klasse IV. A.19.
- De Ministerraad voert in ondergeschikte orde aan dat het middel niet gegrond is. Hij is allereerst van mening dat de door het bestreden verschil in behandeling beoogde categorieën van personen niet voldoende vergelijkbaar zijn. De spelen die zijn onderworpen aan de vergunning klasse C en de spelen die zijn onderworpen aan de vergunning klasse F2 zijn immers verschillend. In tegenstelling tot de andere klassen bestaat er bovendien geen aanvullende vergunning waarmee de houders van een vergunning klasse C onlinekansspelen kunnen exploiteren. De Ministerraad benadrukt eveneens het feit dat de in de drankgelegenheden aangeboden kansspelen worden gekenmerkt door lagere inzetten. De sociale omgeving en het gebruik van alcohol zetten bovendien minder aan tot herhaalde en solitaire deelnames aan kansspelen, in tegenstelling tot de dagbladhandels, waar een repetitieve, compulsieve en anonieme deelname mogelijk is. Uit een studie blijkt overigens dat jongeren van twaalf tot veertien jaar gemakkelijk toegang hebben tot krasloten, hetgeen een vroege en zorgwekkende blootstelling aan kansspelen inhoudt. De drankgelegenheden worden daarentegen eveneens vaker bezocht door een volwassen publiek en zijn minder toegankelijk voor jongeren dan dagbladhandels. De drankgelegenheden, die snel met overdaad worden geassocieerd, vereisen ook een verhoogde waakzaamheid van de exploitanten, in tegenstelling tot de dagbladhandels, die een positief of zelfs educatief imago hebben. Wat betreft het witwassen van geld, een uitdaging die centraal staat in de kansspelregelgeving, vertonen de drankgelegenheden overigens een laag risico ten opzichte van de inrichtingen klasse IV. Dat risico lijkt daarentegen groter bij de dagbladhandelaars. A.19.
- De Ministerraad voert bovendien aan dat het bestreden verschil in behandeling een legitieme doelstelling nastreeft. Hij merkt op dat het Hof in beginsel een verschil in behandeling tussen categorieën van kansspelen aanvaardt en dat het Hof van Justitie van de Europese Unie de lidstaten een beoordelingsvrijheid ter zake verleent. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 mei 2024 blijkt te dezen dat de uitbreiding van de EPIS-controle naar de dagbladhandels volledig verantwoord is ten aanzien van de nagestreefde doelstellingen, namelijk de bescherming van kwetsbare spelers en de regulering van weddenschappen buiten de inrichtingen klasse IV. Toen de dagbladhandels buiten de controlesystemen vielen, konden de spelers immers weddenschappen 20 aangaan zonder dat hun status vooraf werd gecontroleerd, waardoor zij aan aanzienlijke financiële risico’s konden worden blootgesteld. De bestreden maatregel beantwoordt immers aan een bekommernis om billijkheid door opnieuw een eerlijke concurrentie in te voeren tussen de wedkantoren en de andere verkooppunten, waarbij aldus een uniforme regulering van de sector wordt verzekerd. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, leidt de uitbreiding van de EPIS-controle naar de dagbladhandels niet tot het wegleiden van spelers naar de drankgelegenheden, die zich fundamenteel onderscheiden door de aard van de spelen die zij aanbieden, hun werkingswijze en het gedrag dat zij bij de spelers uitlokken. De toepassing van de EPIS-controle op de drankgelegenheden zou immers geen enkele factuele en functionele verantwoording hebben, aangezien die inrichtingen, wat betreft het type spel en het risico voor de spelers, noch weddenschappen, noch spelen aanbieden die vergelijkbaar zijn met die welke de wedkantoren of de dagbladhandels aanbieden. A.19.
- Het verschil in behandeling is tot slot evenredig met het nagestreefde doel. De eigenheid van dagbladhandels vereist aanpassingen voor de invoering van de EPIS-controle, zoals uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 mei 2024 blijkt. De meerderheid van de klanten bezoekt een dagbladhandel immers om een andere reden dan het aangaan van weddenschappen, waardoor de extra werklast die zou worden veroorzaakt door de systematische controle van gegevens voor een minderheid van de klanten, onevenredig is. Er werd dus in een specifiek computersysteem voorzien om de leeftijd en de uitsluitingen te controleren, waardoor het proces geautomatiseerd en minder beperkend is voor de dagbladhandelaars. De Ministerraad preciseert dat het Hof een verschil in behandeling met betrekking tot de specifieke kenmerken van drankgelegenheden in het kader van de toegang tot kansspelinrichtingen, reeds geldig heeft verklaard. De Kansspelcommissie toonde zich bovendien voorstander van een uitbreiding van het toepassingsgebied van het EPIS-systeem naar de dagbladhandels. Hij beklemtoont dat de drankgelegenheden worden geconfronteerd met praktische beperkingen, met name het algemeen gebrek aan internetverbinding en de noodzaak om hun uitrusting te vernieuwen, hetgeen een instrument dat soortgelijk is aan dat van de dagbladhandels, ontoepasbaar maakt. A.20.
- Wat het derde middel betreft, voert de Ministerraad aan dat te dezen is voldaan aan de voorwaarden van een retributie. Ten eerste heeft de door de bestreden bepaling beoogde bijdrage betrekking op de vergoeding van een dienst verleend door de Kansspelcommissie aan de bijdrageplichtige, individueel beschouwd, namelijk de houders van vergunningen voor kansspelen. Die bijdrage strekt ertoe de werking van het secretariaat van de Kansspelcommissie te financieren voor de aanwerving van extra personeel, de verhoogde uitgaven van de informaticadienst, een grotere reserve voor de raamovereenkomst voor juridische consultancy, de kosten verbonden aan de structurele werken in de kantoren van het secretariaat en een bijkomende reserve voor de uitgaven verbonden aan de raadpleging van de Centrale voor kredieten aan particulieren, in het kader van de verhoging van het uitgavenplafond van de spelers. De bestreden retributie heeft vervolgens een louter vergoedend karakter, zodat er een redelijke verhouding bestaat tussen de kosten of de waarde van de dienst en het door de bijdrageplichtige verschuldigde bedrag, zoals blijkt uit de uitleg gegeven in het kader van het advies van de Raad van State over het ontwerp dat aan de oorsprong ligt van het koninklijk besluit van 31 januari
- A.20.
- De Ministerraad merkt ook op dat, in een soortgelijke zaak met betrekking tot identieke bijdragebedragen ten laste van houders van vergunningen voor kansspelen, het Hof de grief volgens welke de bijdrage als belasting zou moeten worden aangemerkt, heeft verworpen. Bovendien laat het loutere bestaan van overschotten, in de loop van een jaar, in de middelen van het fonds van de Kansspelcommissie niet toe te besluiten dat er geen redelijk verband is tussen de kosten van de verleende diensten en de ontvangen bijdragen. Niet alle vastleggingen die zijn toegekend om de opdrachten van de Kansspelcommissie te financieren, zijn immers vereffend binnen het jaar waarin ze zijn aangegaan. Een overzicht over meerdere boekjaren is immers noodzakelijk om de proportionaliteit tussen de middelen en de uitgaven correct te evalueren. Over de laatste jaren werd bijvoorbeeld een overschot vastgesteld, hoofdzakelijk omdat budgetten voor personeelsuitgaven niet werden besteed wegens knelpunten en vertragingen in de aanwervingsprocedures, hetgeen bepaalde aanwervingen heeft belet. De uitgaven die rechtstreeks aan de Kansspelcommissie worden toegewezen, geven immers niet alle kosten weer voor de uitvoering van haar opdrachten, aangezien zij aanzienlijke steun geniet van andere openbare diensten, zoals de FOD Justitie, voor bepaalde essentiële functies zoals het personeelsbeheer en de begrotingsopvolging. Die onrechtstreekse bijdragen vormen een aanzienlijk deel van de totale kosten en moeten in de analyse worden opgenomen. A.20.
- Volgens de Ministerraad toont de overschottensituatie van het fonds van de Kansspelcommissie niet aan dat de bijdragen onevenredig zouden zijn, maar doet zij daarentegen blijken van een voorzichtig en 21 vooruitdenkend beheer van overheidsmiddelen, die onmisbaar zijn voor de continuïteit van de opdrachten die zijn toevertrouwd aan de Kansspelcommissie. De financiële stabiliteit van die commissie is tot slot een waarborg voor de operatoren zelf, omdat zij het voortbestaan en de kwaliteit van de verleende diensten waarborgt. Hoe dan ook kunnen de verzoekende partijen geenszins besluiten dat de opbrengst van de bijdrage die door de houders van vergunningen voor kansspelen verschuldigd is, niet uitsluitend zou worden gebruikt voor de werking van de Kansspelcommissie, of dat die bedragen, in voorkomend geval, niet zullen worden terugbetaald of in aanmerking zullen worden genomen bij de volgende berekening van het bedrag van de bijdragen van die vergunninghouders. A.21.
- Wat het vierde middel betreft, voert de Ministerraad aan dat het onontvankelijk is aangezien het artikel 5 van de wet van 18 februari 2024 is dat de minimumleeftijd van de spelers op 21 jaar vaststelt, hetgeen de verzoekende partijen overigens niet betwisten. De wet van 7 mei 2024 beperkt zich in werkelijkheid tot een wetgevingstechnische harmonisering, wat betreft de minimumleeftijd, van de bepalingen van de wet van 7 mei
- Een dergelijke wijziging kan in de regel niet het voorwerp uitmaken van een beroep tot vernietiging voor het Hof. De grieven van de verzoekende partijen moeten in elk geval in die zin worden beschouwd dat zij toe te schrijven zijn aan artikel 3bis van de wet van 7 mei 1999, dat de loterijspelen uitsluit van het toepassingsgebied van diezelfde wet, en aan artikel 37/1 van de wet van 19 april 2002, dat de minimumleeftijd om aan de spelen van de Nationale Loterij deel te nemen op 18 jaar vaststelt. A.21.
- De Ministerraad doet in ondergeschikte orde gelden dat het eerste middel niet gegrond is. Hij verwijst in dat verband naar de uiteenzettingen met betrekking tot het eerste middel. Zaak nr. 8363 A.22.
- De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat de bestreden bepaling geen discriminatie tot stand brengt tussen de renbanen en de dagbladhandels. Hij preciseert dat het aantal locaties om aan kansspelen deel te nemen en het verslavingsrisico te dezen niet pertinent zijn, aangezien de mogelijkheid om aan dergelijke spelen deel te nemen van belang is. Hij merkt vervolgens op dat de personen op de EPIS-lijst renbanen en dagbladhandels bezoeken om hun gokbehoefte te vervullen. Hij merkt dienaangaande toch op dat er jaarlijks meer dan 1 000 paardenwedrennen plaatsvinden en dat de prijs van het inkomticket tot de renbaan beperkt is. Volgens de Ministerraad zijn de dagbladhandels en de renbanen soortgelijk in zoverre er bijkomstig weddenschappen kunnen worden aangenomen. A.22.
- De Ministerraad voert in ondergeschikte orde aan dat de bestreden bepaling ertoe strekt de spelers met problematisch speelgedrag te beschermen, hetgeen een dwingende reden van algemeen belang is die een beperking op het vrij verrichten van diensten kan verantwoorden. De bestreden bepaling is bovendien evenredig met het nagestreefde doel, aangezien er geen andere oplossingen bestaan om dat doel te bereiken. Het alternatief dat de verzoekende partijen in dat verband voorstellen, namelijk het instellen van limieten per inzet, is niet pertinent aangezien het niet de bescherming van de kwetsbare spelers waarborgt, daar zij zouden kunnen blijven gokken. In elk geval verhindert de bestreden maatregel de verzoekende partijen niet om kansspelen aan te bieden indien zij over de nodige vergunning beschikken, maar verplicht hij hen enkel ertoe een specifieke controle te implementeren. Zij worden evenmin absoluut ertoe verplicht weddenschappen op paardenwedrennen in te richten. De verzoekende partijen staven overigens niet concreet de moeilijkheden die de EPIS-controle voor hen met zich mee kan brengen. De eventuele organisatorische last kan in geen geval het onevenredige karakter van een maatregel aantonen. A.22.
- Wat de beweerde discriminatie ten nadele van uitzonderlijke jaarlijkse evenementen betreft, merkt de Ministerraad op dat de frequentie van de wedrennen niet pertinent is in het kader van de bestreden bepaling, die ertoe strekt de kwetsbare spelers te beschermen bij de deelname aan kansspelen. De door de verzoekende partijen vermelde paardenwedren te Waregem hecht veel belang aan weddenschappen, zoals blijkt uit de informatie die beschikbaar is op haar website. De omstandigheid dat er bij die gelegenheid een sociale controle heerst, is evenmin pertinent uit juridisch standpunt, naast het feit dat het bestaan zelf van een dergelijke controle zeer betwistbaar is. Er bestaat dus geen enkele discriminatie te dezen. Voor het overige voert de Ministerraad aan dat de bestreden bepaling een legitieme doelstelling nastreeft en dat zij evenredig is, om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet met betrekking tot het verschil in behandeling tussen de renbanen en de krantenwinkels. Hij preciseert nog dat de evenementen die zijn uitgesloten van het begrip « kansspelen » bij artikel 3 van de wet van 7 mei 1999, doelen op evenementen die worden 22 georganiseerd door organisaties op amateurniveau, zoals een tombola of een bingo-wedstrijd, hetgeen absoluut niet kan worden vergeleken met een evenement van de grootte van de jaarlijkse paardenwedren te Waregem, met tienduizenden bezoekers. A.22.
- In zijn memorie van wederantwoord voert de Ministerraad aan dat de verzoekende partijen het voorwerp van het beroep uitbreiden door een vergelijking te maken met de inrichtingen klasse C en de spelen van de Nationale Loterij, hetgeen niet aanvaardbaar is. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.
- De beroepen tot vernietiging hebben betrekking op meerdere bepalingen van de wet van 7 mei 2024 « tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers en houdende diverse bepalingen inzake de kansspelen » (hierna : de wet van 7 mei 2024). B.2.
- Zoals het opschrift ervan aangeeft, beoogt de wet van 7 mei 2024 de wet van 7 mei 1999 « op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers » (hierna : de wet van 7 mei 1999) te wijzigen. B.2.
- In het kader van het toepassingsgebied ervan definieert de wet van 7 mei 1999 « kansspelen » als « elk spel, waarbij een ingebrachte inzet van om het even welke aard, hetzij het verlies van deze inzet door minstens één der spelers, hetzij een winst van om het even welke aard voor minstens één der spelers, of inrichters van het spel tot gevolg heeft en waarbij het toeval een zelfs bijkomstig element is in het spelverloop, de aanduiding van de winnaar of de bepaling van de winstgrootte » (artikel 2, eerste lid, 1°). De « weddenschap » wordt op zijn beurt gedefinieerd als een « kansspel waarbij elke speler een inzet inbrengt en waarbij winst of verlies wordt opgeleverd die niet afhangt van een daad gesteld door de speler, maar van de verwezenlijking van een onzekere gebeurtenis die zich voordoet zonder tussenkomst van de spelers » (artikel 2, eerste lid, 5°). B.2.
- Artikel 3bis van de wet van 7 mei 1999 bepaalt dat die wet niet van toepassing is op de « openbare loterijen » bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid, van de wet van 19 april 2002 « tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij » (hierna : de wet 23 van 19 april 2002), waarvoor de Nationale Loterij over een monopolie beschikt, met toepassing van artikel 7 van de wet van 19 april
- Daarentegen is de wet van 7 mei 1999 in beginsel van toepassing op de « spelen en weddenschappen » die worden georganiseerd door de Nationale Loterij op grond van artikel 3, § 1, tweede lid, van de wet van 19 april 2002 (arresten nrs. 36/2021, ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.036, en 33/2004, ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.033). B.2.
- De wet van 7 mei 1999 is gebaseerd op het principe dat het exploiteren van kansspelen a priori verboden is, maar er wordt in uitzonderingen voorzien door een systeem van toelatingen in de vorm van de toekenning van vergunningen door de Kansspelcommissie (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1992/001, pp. 3-4). De wetgever streeft onder meer een kanalisatiedoelstelling na die bestaat in het bestrijden van het illegale aanbod van kansspelen door een beperkt legaal aanbod van kansspelen toe te staan (ibid., p. 4). B.2.
- De bij de wet van 7 mei 1999 toegestane kansspelinrichtingen worden ingedeeld in vier categorieën (artikel 6, eerste lid) : de kansspelinrichtingen klasse I of casino’s (artikel 28), de kansspelinrichtingen klasse II of speelautomatenhallen (artikel 34), de kansspelinrichtingen klasse III of drankgelegenheden (artikel 39) en de kansspelinrichtingen klasse IV of « plaatsen uitsluitend bestemd voor het aannemen van weddenschappen » (artikel 43/4). B.2.
- Luidens artikel 25 van de wet van 7 mei 1999 onderscheiden de vier categorieën van kansspelinrichtingen zich bovendien door het soort vergunning die is vereist voor de exploitatie ervan : een vergunning A is vereist om een casino te exploiteren (artikel 25, eerste lid, 1), een vergunning B om een speelautomatenhal te exploiteren (artikel 25, eerste lid, 2), en een vergunning C om een kansspel in een drankgelegenheid te exploiteren (artikel 25, eerste lid, 3). De vergunning F1 (artikel 25, eerste lid, 6) staat de exploitatie van « de inrichting van weddenschappen » toe. De vergunning F1P, die enkel kan worden toegekend aan de houders van een vergunning F1 (artikel 43/2/1, § 1, eerste lid), staat de exploitatie toe van « de inrichting van weddenschappen op paardenwedrennen » (artikel 25, eerste lid, 6/2). De vergunning F2 (artikel 25, eerste lid, 7) staat « de aanneming van weddenschappen voor rekening van de houder van een vergunning klasse F1 » toe in een vaste of mobiele kansspelinrichting klasse IV en, buiten een dergelijke inrichting, door dagbladhandelaars en op renbanen onder de bij artikel 43/4, § 5, 1° en 2°, van de wet van 7 mei 1999 vastgestelde voorwaarden. 24 B.2.
- Bovendien bepaalt artikel 43/8 van de wet van 7 mei 1999 dat de aanvullende vergunningen A+, B+ en F1+, die respectievelijk slechts aan de houders van een vergunning A, B of F1 kunnen worden toegekend, nodig zijn om kansspelen te exploiteren via informatiemaatschappij-instrumenten. B.2.
- De wet van 7 mei 1999 voorziet eveneens in het bestaan van een vergunning D, die, « onder de door haar bepaalde voorwaarden, de houder ervan [toestaat] een beroepsactiviteit, van welke aard ook, uit te oefenen in een kansspelinrichting klasse I, II of IV » (artikel 25, eerste lid, 4), en van een vergunning E, die, « voor hernieuwbare periodes van tien jaar, onder de door haar bepaalde voorwaarden, de verkoop, de verhuur, de leasing, de levering, de terbeschikkingstelling, de invoer, de uitvoer en de productie van kansspelen, de diensten inzake onderhoud, herstelling en uitrusting van kansspelen [toestaat] » (artikel 25, eerste lid, 5). B.2.
- Artikel 54 van de wet van 7 mei 1999 betreft de verbodsbepalingen op toegang tot bepaalde kansspelinrichtingen en op deelname aan bepaalde kansspelen die van toepassing zijn wegens de leeftijd (artikel 54, § 1), die van toepassing zijn op magistraten, notarissen, deurwaarders en leden van de politiediensten buiten het kader van de uitoefening van hun functies (artikel 54, § 2, eerste lid) en die van toepassing zijn op personen die door de Kansspelcommissie zijn uitgesloten (artikel 54, §§ 3 en 4). Artikel 55 van de wet van 7 mei 1999 voorziet in het instellen van een systeem van informatieverwerking betreffende de personen bedoeld in artikel 54 van dezelfde wet. Dat verwerkingssysteem is het EPIS-systeem (Excluded Persons Information System), dat werd ingevoerd bij het koninklijk besluit van 15 december 2004 « betreffende het instellen van een systeem van informatieverwerking voor spelers aan wie de toegang tot kansspelinrichtingen van klasse I, klasse II en tot de vaste kansspelinrichtingen klasse IV wordt ontzegd ». Een aantal bepalingen van dat koninklijk besluit werden opgeheven bij artikel 29 van de wet van 7 mei
- B.3.
- De parlementaire voorbereiding van de wet van 7 mei 2024 preciseert de algemene doelstellingen die de wetgever wou nastreven met de wet : 25 « Het ter bespreking voorliggende wetsontwerp [betreft] een technisch ontwerp […] dat zeer belangrijk is om de meest kwetsbare gokkers te beschermen. De voornaamste maatregelen van dit wetsontwerp zijn de bepalingen inzake het Excluded Persons Information System (EPIS) enerzijds en het wettelijk verankeren van de lijst met illegale kansspelwebsites (zwarte lijst) anderzijds. EPIS is een elektronisch systeem dat alle uitgesloten spelers omvat. Uitgesloten spelers zijn spelers die bij wet zijn uitgesloten, die daar vrijwillig om hebben verzocht of wanneer een derde betrokken partij daarom heeft verzocht. De gokoperatoren hebben de verplichting om EPIS te controleren telkens wanneer een gokker het casino, de speelautomatenhal of het wedkantoor wil betreden en telkens wanneer hij wil deelnemen aan online kansspelen. Aan gokkers die in EPIS zijn opgenomen, wordt de toegang tot de kansspelinrichting of de deelname aan kansspelen ontzegd. EPIS is een in Europa uniek en heel doeltreffend systeem ter bescherming van de meest kwetsbare gokkers. Het moet absoluut behouden blijven. EPIS, dat sinds 2004 bestaat, is evenwel een verouderd systeem dat niet gebruiksvriendelijk is en onvoldoende is aangepast aan de huidige GDPR-regelgeving. Dit wetsontwerp moderniseert daarom EPIS zodat het beter tegemoetkomt aan de GDPR en gebruiksvriendelijker wordt. De voorgestelde wijzigingen zijn noodzakelijk en dringend om de toepassing van EPIS in de toekomst te kunnen garanderen en om de meest kwetsbare personen te kunnen blijven beschermen. Tussen 17 januari 2023 en 1 december 2023 werd de toepassing van EPIS in de wedkantoren opgeschort ten gevolge van de beschikking in kortgeding van de rechtbank van eerste aanleg te Namen. Deze beschikking werd op 24 oktober 2023 vernietigd door het hof van beroep te Luik, waardoor EPIS sinds 1 december 2023 weer wordt toegepast. Maar de goksector blijft EPIS op alle mogelijke manieren aanvechten en er zijn dus nog juridische procedures lopende. Daarom is een betere wettelijke verankering van de gegevensverwerking van EPIS nodig. Dit wetsontwerp verplicht de gokoperatoren om de gokkers vooraf te identificeren en te authenticeren. Het moderniseert EPIS door verplicht gebruik te maken van de authenticatiemodule van de elektronische identiteitskaart of verblijfstitel. Door deze aanpassing wordt het toegangsregister met foto, dat werd bekritiseerd door de GBA, overbodig. Aldus komt EPIS beter tegemoet aan de GDPR-regelgeving en zorgt het tevens voor een betere bescherming van de meest kwetsbare personen. Dit wetsontwerp legt eveneens de verschillende gegevensbanken en registers, hun gegevensverantwoordelijke, de lijst van de gegevens die zullen worden verwerkt, de doeleinden van die verwerking en de opslagperiode van de gegevens bij wet vast, zoals opgelegd door de GDPR-regelgeving. Een andere belangrijke maatregel in de bescherming van de kwetsbare gokkers is de uitbreiding van de toepassing van EPIS naar de dagbladhandels. De minister herinnert de leden eraan dat in deze uitbreiding aanvankelijk ook was voorzien in het wetsvoorstel van de heer Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen) (DOC 55 0384/001), dat geleid heeft tot de wet van 18 februari 2024 tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers. Dagbladhandels kunnen eveneens weddenschappen aanbieden maar zijn momenteel niet onderworpen aan de EPIS-controle. Dit is niet alleen een probleem in het kader van de bescherming van de kwetsbare gokkers en minderjarigen maar vormt eveneens oneerlijke concurrentie met de wedkantoren. Om de administratieve werklast voor de dagbladha