id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 16 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.046 Arrest- Rolnummer: 46/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-04-27 Raadplegingen: 355 - laatst gezien 2026-06-18 06:42 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot vernietiging van de wet van 18 mei 2024 « tot invoering van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren », ingesteld door de vzw « Syndicat pour la Mobilité et Transport Intermodal des Services Publics - Protect » en Mohammed Benyaich en door J.T. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Arbeidsongeschiktheid - Pensioenen - Ambtenaren - Opheffing van de regeling van het pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid - Nieuwe regeling van tijdelijke arbeidsongeschiktheid - Modaliteiten Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 46/2026 van 16 april 2026 Rolnummers : 8390 en 8391 In zake : de beroepen tot vernietiging van de wet van 18 mei 2024 « tot invoering van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren », ingesteld door de vzw « Syndicat pour la Mobilité et Transport Intermodal des Services Publics - Protect » en Mohammed Benyaich en door J.T. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Joséphine Moerman, de rechters Thierry Giet, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter Luc Lavrysen, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging Bij twee verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 10 december 2024 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 11 en 12 december 2024, zijn beroepen tot vernietiging van de wet van 18 mei 2024 « tot invoering van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 juni 2024) ingesteld respectievelijk door de vzw « Syndicat pour la Mobilité et Transport Intermodal des Services Publics - Protect » en Mohammed Benyaich, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Aurore Dewulf, advocate bij de balie van Waals-Brabant, en door mr. Elisabeth Kiehl, advocate bij de balie Luik-Hoei, en door J.T. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8390 en 8391 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Philippe Schaffner en mr. Sébastien Kaisergruber, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de 2 verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 11 februari 2026 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Kattrin Jadin en Danny Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het onderwerp van de beroepen A.1.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 8390 merken op dat de wet van 18 mei 2024 « tot invoering van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren » (hierna : de wet van 18 mei 2024) de regeling van het voortijdig pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid opheft en vervangt door een regeling van een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren. Zij beklemtonen dat artikel 5 van de wet van 18 mei 2024 de inhoud van die uitkering vaststelt en dat het beroep dus specifiek erop betrekking heeft. Zij voegen eraan toe dat het beroep is gericht tegen alle bepalingen van de wet van 18 mei 2024, aangezien die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. A.1.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8391 vordert de algehele vernietiging van de wet van 18 mei
- Ten aanzien van het belang bij het beroep A.2.
- De eerste verzoekende partij in de zaak nr. 8390 zet uiteen dat zij een vakvereniging is die de beroepsbelangen van alle personeelsleden van de Belgische Spoorwegen behartigt. Zij doet gelden dat zij doet blijken van het vereiste belang om de vernietiging te vorderen van de wet van 18 mei 2024, die belangrijke wijzigingen aanbrengt in de pensioenregeling van het personeel van de Belgische Spoorwegen. De tweede verzoekende partij in de zaak nr. 8390 verantwoordt haar belang bij het beroep door haar hoedanigheid van statutair personeelslid van de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail. A.2.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8391 zet uiteen dat zij het ambt van inspecteur van politie uitoefent. Zij doet gelden dat zij bijgevolg onder het toepassingsgebied van de wet van 18 mei 2024 valt en dat die een ongunstige weerslag zou kunnen hebben op haar situatie. Verwijzend naar het arrest van het Hof nr. 40/2015 van 19 maart 2015 (ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.040), besluit zij dat zij een belang heeft bij het beroep. A.2.
- De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partijen bij het beroep niet. 3 Ten aanzien van de middelen Wat betreft het eerste middel in de zaak nr. 8390 en het eerste middel in de zaak nr. 8391 A.3.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 8390 leiden een eerste middel af uit de schending van de artikelen 35 en 143 van de Grondwet, van artikel 87, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980), van het beginsel van federale loyauteit en van het evenredigheidsbeginsel. Zich aansluitend bij het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State over het voorontwerp dat aan de oorsprong van de wet van 18 mei 2024 ligt, voeren zij aan dat de bij die wet geregelde aangelegenheid betrekking heeft op het administratief en/of geldelijk statuut van de personeelsleden van het openbaar ambt en niet op hun pensioen. Volgens hen blijkt dat uit de volgende elementen :
(1)de tijdelijke arbeidsongeschiktheid wordt beschouwd als een nieuwe administratieve toestand,
(2)de statutaire band van de betrokken personeelsleden wordt niet van rechtswege verbroken en de beëindiging van die band moet worden geregeld in het statuut,
(3)de controle van de evolutie van de medische situatie van de betrokken personeelsleden valt onder het statuut en
(4)de betrokken uitkering vormt een wedde. Zij doen gelden dat de in de wet van 18 mei 2024 bedoelde regeling onder de bevoegdheid van de Koning valt voor de personeelsleden die onder Zijn gezag ressorteren (artikel 107, tweede lid, van de Grondwet), onder de bevoegdheid van de gemeenschaps- en gewestregeringen valt voor hun personeelsleden (artikel 87, § 3, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980) en, in voorkomend geval, onder de bevoegdheid van de andere openbare werkgevers valt. Volgens hen vloeit uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 18 mei 2024 voort dat de federale wetgever zich ervan bewust was dat hij enkel bevoegd was om de regeling van het definitief voortijdig pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid te hervormen en zelfs af te schaffen, maar dat hij heeft geoordeeld dat, indien hij zich daartoe zou beperken, zulks zou resulteren in een rechtsvacuüm alsook in een aantasting van zowel de federale loyauteit als de standstill-verplichting die uit artikel 23 van de Grondwet voortvloeit. Volgens de verzoekende partijen diende de federale wetgever, in dergelijke omstandigheden, ervan af te zien wetgevend op te treden of diende hij vooraf samen te werken met de deelentiteiten, en zich geen bevoegdheid toe te eigenen die de zijne niet was. Zij voegen eraan toe dat de regeling van de wet van 18 mei 2024 de facto wordt opgelegd aan alle openbare werkgevers, aangezien die welke die regeling niet wensen op te nemen in hun statuten, ertoe zijn gehouden zelf een systeem in te voeren en te financieren dat het voortijdig pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid vervangt. Zij merken op dat dat, met betrekking tot de Spoorwegen, erop zou neerkomen dat de pensioenkas opnieuw wordt ingevoerd, waarvan het beheer net werd overgenomen door de Federale Pensioendienst. Volgens de verzoekende partijen vloeit daaruit eveneens een schending van het beginsel van federale loyauteit en van het evenredigheidsbeginsel voort. A.3.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8391 leidt een eerste middel af uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels en van het beginsel van federale loyauteit dat wordt gewaarborgd door artikel 143 van de Grondwet. Zij doet gelden dat de regeling van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid niet onder de federale bevoegdheden inzake pensioenen (artikel 179 van de Grondwet) en welzijn op het werk valt, maar dat het een element van het administratief en geldelijk statuut betreft, dat respectievelijk onder de bevoegdheid van de Koning valt voor de personeelsleden die onder Zijn gezag ressorteren (artikel 107, tweede lid, van de Grondwet) en onder de bevoegdheid van de gemeenschaps- en gewestregeringen valt voor hun personeelsleden (artikel 87, § 3, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980). Zij verwijst in dat verband naar het voormelde advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State. Zij beklemtoont dat de wet van 18 mei 2024 een nieuwe administratieve toestand invoert en voorziet in het behoud van de statutaire band, alsook in de organisatie van een medische controle. Bovendien merkt zij op dat de deelentiteiten die de regeling van de wet van 18 mei 2024 niet wensen toe te passen, voor hun eigen personeelsleden in een andere oplossing dan het voortijdig pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid moeten voorzien. Volgens haar schendt een dergelijke verplichting het beginsel van federale loyauteit. Ten slotte stelt zij vast dat de federale wetgever, tijdens de parlementaire voorbereiding, zijn onbevoegdheid heeft erkend, maar dat hij zijn optreden heeft proberen te verantwoorden door de context van de afschaffing van het voortijdig pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid. Volgens de verzoekende partij verplichtte niets de federale wetgever evenwel over te gaan tot die afschaffing. A.3.
- De Ministerraad doet gelden dat het eerste middel in de zaak nr. 8390 onontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 35 van de Grondwet, aangezien die bepaling niet van kracht is. Volgens hem is het onbegrijpelijk dat dat middel is afgeleid uit de schending van zowel het artikel volgens hetwelk de deelentiteiten over residuaire bevoegdheden zouden beschikken (artikel 35 van de Grondwet, dat evenwel niet van kracht is) als het artikel dat aan de deelentiteiten de bevoegdheid inzake het administratief en geldelijk statuut van hun personeel toewijst (artikel 87, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980). Hij voert aan dat die tegenstrijdigheid dat middel volledig onontvankelijk maakt. 4 Ten gronde betwist de Ministerraad de analyse van de afdeling wetgeving van de Raad van State niet in zoverre daarin de contouren van de respectieve bevoegdheden van de federale overheid en van de deelentiteiten inzake het openbaar ambt worden aangegeven, maar hij betwist het standpunt volgens hetwelk de wet van 18 mei 2024 op buitensporige en onevenredige wijze inbreuk zou maken op de bevoegdheden van de deelentiteiten. Hij beklemtoont dat de wet van 18 mei 2024 twee delen telt :
(1)de afschaffing van de regeling van het definitief voortijdig pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid en
(2)de invoering van de nieuwe regeling van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren. De Ministerraad stelt vast dat de verzoekende partijen de bevoegdheid van de federale overheid met betrekking tot het tweede deel betwisten maar dat zij daarentegen niet betwisten dat het eerste deel onder de bevoegdheid van de federale overheid inzake pensioenen valt. Volgens hem zijn de bestreden bepalingen niet onlosmakelijk met elkaar verbonden, aangezien beide delen van elkaar kunnen worden onderscheiden. Nog steeds volgens hem zou het Hof, indien het de middelen die zijn afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels gegrond zou bevinden, enkel de bepalingen met betrekking tot het tweede deel kunnen vernietigen. De Ministerraad voert aan dat de bestreden bepalingen, zelfs met betrekking tot het tweede deel, in overeenstemming zijn met de bevoegdheidverdelende regels, aangezien de inbreuk op de bevoegdheid van de deelentiteiten inzake het administratief en geldelijk statuut
(1)noodzakelijk is voor de uitoefening van de federale bevoegdheid inzake pensioenen,
(2)niet onevenredig is en
(3)de uitoefening, door de deelentiteiten, van hun bevoegdheden niet overdreven moeilijk maakt. Ten eerste beklemtoont hij dat de afschaffing van de regeling van het definitief voortijdig pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid als een absolute noodzaak werd beschouwd op alle bevoegdheidsniveaus. Volgens hem valt de afschaffing van die regeling onder de beoordelingsvrijheid van de wetgever en streeft zij legitieme doelstellingen na, met name het bestrijden van onzekerheid en de noodzaak om jonge ambtenaren niet definitief van het werk te houden. Hij beklemtoont dat de federale wetgever, net om de inachtneming van het beginsel van federale loyauteit en van de standstill-verplichting te waarborgen, de nieuwe regeling van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft ingevoerd, parallel met de afschaffing van de vroegere regeling. Ten tweede merkt hij op dat de wet van 18 mei 2024 een door de federale overheid beheerde en gefinancierde pensioenregeling afschaft en vervangt door een uitkeringsregeling die eveneens door de federale overheid wordt beheerd en gefinancierd. Volgens de Ministerraad heeft de wet van 18 mei 2024 dus geen enkele weerslag op de wetgevingen van de deelentiteiten die van kracht zijn. Ten derde voert de Ministerraad aan dat de wet van 18 mei 2024 geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de deelentiteiten om alle aspecten van het administratief en geldelijk statuut van hun personeel te regelen. Hij beklemtoont daarenboven dat de deelentiteiten hetzij kunnen kiezen voor de regeling van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, die wordt gefinancierd door de federale overheid, en hun eigen statuten dienovereenkomstig kunnen aanpassen, hetzij zelf een andere regeling voor hun ambtenaren kunnen invoeren en financieren. Hij voegt eraan toe dat de verzoekende partijen, die geen openbare werkgevers zijn, niet op ontvankelijke wijze kritiek van budgettaire aard kunnen opwerpen en dat de wet van 18 mei 2024 hoe dan ook geen enkele budgettaire beperking met zich meebrengt voor de deelentiteiten. De Ministerraad besluit daaruit dat de wet van 18 mei 2024 de uitoefening, door de deelentiteiten, van hun bevoegdheden niet overdreven moeilijk maakt. Hij beklemtoont ten slotte dat de deelentiteiten nauw werden betrokken bij de totstandkoming van de bestreden hervorming en dat zij ermee hebben ingestemd. A.3.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 8390 antwoorden dat de eventuele gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid van het middel (in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 35 van de Grondwet) het middel niet in zijn geheel kan raken. Wat de grond betreft, merken zij allereerst op dat de financiering geen pertinent criterium is om te beoordelen of een inbreuk al dan niet evenredig is. Vervolgens wijzen zij met nadruk op het specifieke karakter van het personeelsstatuut van de Spoorwegen, dat de Belgische Staat had beloofd te vrijwaren. Volgens hen neemt de wet van 18 mei 2024 die belofte niet in acht, in zoverre zij leidt tot een uniformering voor het gehele openbaar ambt. Zij beklemtonen dat, indien de Spoorwegen dat specifieke karakter wensen te behouden, zij ertoe gehouden zullen zijn niet toe te treden tot de regeling van de wet van 18 mei 2024 en zelf een andere regeling zullen moeten financieren, terwijl de Belgische Staat het pensioenfonds waarvoor het spoorwegpersoneel bijdragen had betaald, heeft gerecupereerd. Volgens hen vloeit daaruit een schending van het beginsel van federale loyauteit voort. Zij voegen eraan toe dat hun kritiek van budgettaire aard ontvankelijk is, aangezien zij voorheen bijdragen hebben betaald. Zij merken bovendien op dat de personeelsleden van de Spoorwegen een band met hun werkgever behouden in geval van pensionering. Zij doen ten slotte gelden dat het definitief pensioen wegens lichamelijke 5 ongeschiktheid jonge ambtenaren niet definitief van de arbeidsmarkt houdt, aangezien een bepaalde cumulatie van dat pensioen met inkomsten uit arbeid mogelijk is. Hoe dan ook zijn zij van mening dat de noodzaak om de regeling van de wet van 18 mei 2024 uit te breiden tot oudere werknemers niet wordt aangetoond. A.3.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8391 antwoordt dat alle bestreden bepalingen een geheel vormen. Volgens haar bestaat het werkelijke doel van de wet van 18 mei 2024 erin een nieuwe administratieve toestand in te voeren, hetgeen de bevoegdheden van de federale overheid ruimschoots te buiten gaat en het beginsel van federale loyauteit schendt. A.3.
- De Ministerraad repliceert dat de argumentatie die de verzoekende partijen in de zaak nr. 8390 in hun memorie van antwoord uiteenzetten, om twee redenen onontvankelijk is : ten eerste betreft het een nieuwe argumentatie en ten tweede houdt die argumentatie met betrekking tot de specifieke kenmerken van de Spoorwegen geen verband met de kwestie van de bevoegdheidsverdeling. In ondergeschikte orde doet hij gelden dat die nieuwe argumentatie niet gegrond is. Volgens hem heeft het feit dat de federale overheid in het verleden een aantal specifieke kenmerken in het statuut van de personeelsleden van de Spoorwegen heeft erkend, niet tot gevolg dat een uniformering voor altijd verboden zou zijn, a fortiori wanneer zij enkel op bepaalde aspecten betrekking heeft. Wat betreft het tweede middel in de zaak nr. 8390 A.4.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 8390 leiden een tweede middel af uit de schending van artikel 23, derde lid, 1° en 2°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 12 van het herziene Europees Sociaal Handvest en met artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. Zij voeren aan dat de bestreden bepalingen de standstill-verplichting schenden. Zij merken op dat, onder de vroegere regeling, de beslissing om het definitief voortijdig pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid toe te kennen, werd genomen na lange maanden en zelfs jaren van tijdelijke arbeidsongeschiktheid gedurende welke het betrokken personeelslid zijn gewone inkomen bleef genieten en bijdragen bleef betalen met het oog op zijn pensioen. Na afloop van die periode kon het definitief voortijdig pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid worden toegekend indien de bevoegde medische instantie het personeelslid definitief ongeschikt bevond om op een regelmatige wijze zijn functies of andere functies ingevolge wedertewerkstelling of wederbenuttiging te vervullen. Zij merken op dat de wet van 18 mei 2024 een systeem van een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering invoert, dat van toepassing is wanneer de bevoegde medische instantie het personeelslid, voor onbepaalde tijd, ongeschikt bevindt om op een regelmatige wijze zijn functies te vervullen. Volgens hen vloeit daaruit in twee opzichten een aanzienlijke achteruitgang van het beschermingsniveau van het recht op sociale zekerheid en van het recht op een billijke beloning voort. Ten eerste wordt het definitief voortijdig pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid afgeschaft. Ten tweede wordt met de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid – die zich veel sneller voordoet dan onder de vroegere regeling – in beginsel geen rekening gehouden voor de berekening van het bedrag van het pensioen en van een volgende tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, noch voor het bepalen van de referentiewedde die als basis dient voor de berekening van het pensioen of van die uitkering. Het is enkel bij wijze van uitzondering op dat beginsel dat met de betrokken periode rekening wordt gehouden, voor een maximumduur van 24 maanden, voor zover het betrokken personeelslid opnieuw werkelijke diensten verstrekt gedurende een ononderbroken periode van minstens één jaar vóór elke nieuwe periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8390 voeren aan dat die aanzienlijke achteruitgang niet redelijk verantwoord is. Wat het eerste punt betreft, merken zij op dat bepaalde werknemers een zodanige gezondheidstoestand hebben dat zij hun functies of andere aangepaste functies nooit opnieuw zullen kunnen opnemen, zodat het niet redelijk verantwoord is om elke mogelijkheid van een definitief voortijdig pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid af te schaffen. Wat het tweede punt betreft, beklemtonen zij dat de bestreden bepalingen jonge werknemers des te zwaarder zullen raken wanneer zij de pensioenleeftijd zullen bereiken. Zij voegen eraan toe dat, in geval van een werkhervatting, enkel met het verrichte werk rekening wordt gehouden voor de berekening van het pensioen of van een volgende uitkering op voorwaarde dat die werkhervatting een ononderbroken duur van minstens één jaar heeft. Volgens hen versterkt die voorwaarde de onzekerheid van de betrokken werknemers. Zij beklemtonen dat de bestreden bepalingen geen verband houden met de nagestreefde doelstellingen om jonge werknemers te beschermen en wedertewerkstelling te bevorderen. Ten slotte doen zij gelden dat de bestreden bepalingen onevenredige gevolgen hebben. In dat verband zijn zij van mening dat artikel 2, 3°, van de wet van 10 januari 1974 « tot regeling van de inaanmerkingneming van bepaalde diensten en van met dienstactiviteit gelijkgestelde perioden voor het toekennen en berekenen van pensioenen ten laste van de 6 Staatskas » – waarin het beginsel van de inaanmerkingneming van de dienstprestaties in ruime zin voor de toekenning en de berekening van het pensioen is vastgelegd – als referentie kan dienen bij de evenredigheidstoets. A.4.
- De Ministerraad voert allereerst aan dat de wet van 18 mei 2024 het beschermingsniveau van het recht op sociale zekerheid niet vermindert. Hij beklemtoont dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering, hoewel zij als « tijdelijk » wordt aangemerkt, in werkelijkheid wordt toegekend voor onbepaalde tijd, zolang de arbeidsongeschiktheid duurt. Volgens hem betekent dat dat, zowel onder de vroegere regeling als onder de nieuwe, het personeelslid wiens gezondheidstoestand niet verbetert, zonder beperking in de tijd hetzelfde niveau van vervangingsinkomen geniet, aangezien de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering in beginsel op dezelfde wijze wordt berekend als een pensioen. Nog steeds volgens hem heeft het verschil tussen beide regelingen enkel betrekking op de situatie van het personeelslid dat, aangezien het zijn gezondheidstoestand ziet verbeteren, opnieuw arbeidsgeschikt wordt : in tegenstelling tot de vroegere regeling staat de nieuwe regeling dat personeelslid toe terug te keren op de arbeidsmarkt. De Ministerraad is van mening dat de wet van 18 mei 2024 in dat verband het beschermingsniveau van het in artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet gewaarborgde recht versterkt. Vervolgens merkt de Ministerraad op dat, zowel onder de vroegere regeling (artikel 117, § 1, vijfde lid, van de wet van 14 februari 1961 « voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel » (hierna : de wet van 14 februari 1961), zoals het van toepassing was vóór de vervanging ervan bij de wet van 18 mei 2024) als onder de nieuwe regeling (artikel 117, § 1/2, tweede en derde lid, van de wet van 14 februari 1961, zoals ingevoegd bij de wet van 18 mei 2024), met de periodes van tijdelijk pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid en met de periodes met een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering enkel op beperkte wijze rekening wordt gehouden voor de berekening van het bedrag van het pensioen. Hij leidt daaruit af dat er in dat opzicht dus geen achteruitgang is. Volgens hem verbetert de wet van 18 mei 2024 in werkelijkheid de situatie van de personeelsleden die opnieuw arbeidsgeschikt worden, aangezien zij hun functies voortaan opnieuw kunnen opnemen, hetgeen gunstig is voor de berekening van hun pensioen. Wat betreft de personeelsleden wier arbeidsongeschiktheid blijft bestaan, is hun financiële situatie onder de nieuwe regeling niet minder goed dan onder de vroegere regeling. In ondergeschikte orde, gesteld dat de wet van 18 mei 2024 leidt tot een achteruitgang, doet de Ministerraad gelden dat die wordt verantwoord door redenen van algemeen belang, namelijk het bestrijden van onzekerheid en de zorg om jonge ambtenaren niet definitief van het werk te houden. A.4.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 8390 antwoorden allereerst dat de personeelsleden van de Spoorwegen die definitief zijn gepensioneerd wegens lichamelijke ongeschiktheid en hun rechthebbenden tal van voordelen bleven genieten, overeenkomstig het personeelsstatuut van de Spoorwegen. Volgens hen ontzeggen de bestreden bepalingen die personeelsleden en hun rechthebbenden die voordelen. Zij merken vervolgens op dat, onder de vroegere regeling, het betrokken personeelslid het pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid definitief genoot, zelfs indien het opnieuw begon te werken. Zij zijn daarenboven van mening dat de Ministerraad zijn argument volgens hetwelk de periodes van tijdelijk pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid (vroegere regeling) en de periodes met een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering (nieuwe regeling) enkel op beperkte wijze in aanmerking worden genomen voor de berekening van het bedrag van het pensioen, op een verkeerd uitgangspunt baseert. Zij beklemtonen immers dat, wat de vroegere regeling betreft, rekening moet worden gehouden met de duur van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid tijdens welke het personeelslid zijn gewone bezoldiging bleef genieten voor onbepaalde duur en, bijgevolg, bijdragen bleef betalen voor zijn pensioen. Ten slotte, om het ondergeschikte standpunt van de Ministerraad te weerleggen volgens hetwelk de bestreden bepalingen verantwoord zouden zijn om redenen van algemeen belang, verwijzen de verzoekende partijen naar de argumentatie met betrekking tot hun eerste middel. Zij wijzen eveneens met nadruk op het feit dat de bestreden bepalingen des te minder verantwoord zijn voor oudere werknemers. A.4.
- De Ministerraad repliceert dat, volgens de argumentatie van de verzoekende partijen, de vroegere regeling zou hebben toegestaan dat een personeelslid een vervangingsinkomen geniet terwijl het is teruggekeerd op de arbeidsmarkt. Volgens de Ministerraad had de wetgever echter net tot doel dat enkel diegenen die het echt nodig hebben een vervangingsinkomen kunnen genieten. Ten slotte voert hij aan dat de grief volgens welke oudere werknemers de vroegere regeling hadden moeten blijven genieten, opportuniteitskritiek betreft. Wat betreft het derde middel in de zaak nr. 8390 A.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 8390 leiden een derde middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. 7 Eerste onderdeel A.6.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 8390 voeren aan dat de bestreden bepalingen een onverantwoord verschil in behandeling doen ontstaan onder de ambtenaren die een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering genieten en/of hun rechthebbenden, naargelang die ambtenaren al dan niet overlijden gedurende de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Indien de ambtenaar overlijdt gedurende de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, wordt hij geacht sedert het begin van die periode te zijn gepensioneerd, hetgeen de berekening van het overlevingspensioen ongunstig beïnvloedt omdat de betrokken periode niet in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de anciënniteit. Omgekeerd, indien de ambtenaar niet overlijdt gedurende de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, zal hij niet worden geacht te zijn gepensioneerd met terugwerkende kracht. Volgens de verzoekende partijen is het criterium van onderscheid, namelijk het overlijden van de ambtenaar, niet toelaatbaar. Nog steeds volgens hen houdt de betrokken maatregel geen verband met de doelstellingen die erin bestaan jonge werknemers te beschermen en wedertewerkstelling te bevorderen. Zij voegen eraan toe dat de betrokken maatregel onevenredige gevolgen heeft in zoverre hij het bedrag van het overlevingspensioen van de rechthebbenden vermindert. A.6.
- In hoofdorde voert de Ministerraad aan dat het bekritiseerde verschil in behandeling onbestaande is, aangezien alle ambtenaren op dezelfde wijze worden behandeld. Hij merkt op dat het bedrag van het overlevingspensioen wordt berekend op basis van dezelfde criteria. De Ministerraad beklemtoont dat met name rekening wordt gehouden met het feit dat de ambtenaar op het ogenblik van zijn overlijden actief was of een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering genoot. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat het verschil in behandeling op een objectief criterium berust, namelijk het feit dat de ambtenaar op het ogenblik van zijn overlijden actief was of een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering genoot. Volgens hem is het verschil in behandeling verantwoord ten aanzien van de algehele samenhang van de hervorming, inzonderheid rekening houdend met het feit dat de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering een pensioen vervangt en ermee wordt gelijkgesteld. Ten slotte voert hij aan dat de hervorming een verbetering en geen achteruitgang met zich meebrengt, aangezien de betrokken ambtenaar voortaan kan terugkeren op de arbeidsmarkt indien zijn gezondheidstoestand dat toelaat, hetgeen kan leiden tot een verhoging van het bedrag van het overlevingspensioen. A.6.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 8390 antwoorden dat de vroegere regeling het ongeschikte personeelslid toestond terug te keren op de arbeidsmarkt, zodat de wet van 18 mei 2024 zijn situatie niet verbetert. Tweede onderdeel A.7.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 8390 voeren aan dat de bestreden bepalingen een verschil in behandeling doen ontstaan onder de betrokken ambtenaren, naargelang van hun gezondheidstoestand. Volgens hen worden alle ambtenaren op dezelfde wijze behandeld, terwijl zij verschillend zouden moeten worden behandeld, op grond van de combinatie van hun leeftijd en de ernst van hun gezondheidstoestand. Nog steeds volgens hen vloeit daaruit een rechtstreekse discriminatie op grond van de gezondheidstoestand voort. Enerzijds zal de jonge ambtenaar die niet is getroffen door een ernstige en/of langdurige ziekte, kunnen terugkeren naar zijn functies of andere passende functies (artikel 8 van de wet van 18 mei 2024), zodat zijn periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid in aanmerking zal worden genomen in het kader van de berekening van zijn pensioen of van een latere uitkering. Anderzijds, wat betreft de jonge ambtenaar die op zodanige wijze door een ziekte is getroffen dat hij zijn functies of andere passende functies nooit opnieuw zal kunnen opnemen, zal met zijn lange periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid geen rekening worden gehouden voor de voormelde berekeningen. Volgens de verzoekende partijen berust dat verschil in behandeling op een criterium dat niet toelaatbaar is. Zij voegen eraan toe dat de bestreden regeling het niet mogelijk maakt de door de wetgever nagestreefde doelstellingen te bereiken en dat zij onevenredige gevolgen heeft. A.7.
- De Ministerraad verwijst naar zijn weerlegging van het tweede middel in de zaak nr.
- A.7.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 8390 antwoorden door te verwijzen naar de argumentatie met betrekking tot hun tweede middel. 8 Derde onderdeel A.8.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 8390 doen gelden dat de wet van 18 mei 2024 discriminerend is in zoverre zij de bedienaars van de erediensten uitsluit van het toepassingsgebied ervan. Volgens hen zijn de bedienaars van de erediensten nochtans overheidsambtenaren die het slachtoffer kunnen worden van een arbeidsongeschiktheid van onbepaalde duur, zodat zij kunnen worden vergeleken met andere ambtenaren. Zij doen gelden dat dat verschil in behandeling niet op een pertinent criterium berust : noch de aard van de functies van de bedienaars van de erediensten, noch de bevoegdheid van de religieuze overheden verantwoorden dat die categorie van ambtenaren wordt uitgesloten van het toepassingsgebied van de wet van 18 mei
- Zij voegen eraan toe dat die uitsluiting geen enkel legitiem doel lijkt na te streven en dat het een onevenredige maatregel betreft. A.8.
- De Ministerraad voert aan dat dat onderdeel op het kennelijk verkeerde uitgangspunt berust dat de bedienaars van de erediensten overheidsambtenaren zouden zijn. Hij verwijst in dat verband naar de artikelen 21 en 181 van de Grondwet, naar het beginsel van de onafhankelijkheid van de erediensten ten opzichte van de Staat en naar het arrest van de Raad van State nr. 211.300 van 16 februari 2011 (ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.211.300). Volgens de Ministerraad zijn de bedienaars van de erediensten en de ambtenaren niet vergelijkbaar. A.8.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 8390 antwoorden dat zij zich gedragen naar de wijsheid van het Hof. Wat betreft het tweede middel in de zaak nr. 8391 A.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8391 leidt een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet. Eerste onderdeel A.10.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8391 doet gelden dat de wet van 18 mei 2024, en minstens de artikelen 4 en volgende ervan, artikel 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, schendt. Zij verwijst in dat verband naar het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit nr. 101/2024 van 7 november 2024 over het ontwerp van koninklijk besluit « tot opvolging door het Bestuur van de medische expertise van ambtenaren in tijdelijke arbeidsongeschiktheid gesteld ». Volgens haar blijkt uit dat advies dat de artikelen 4 en volgende van de wet van 18 mei 2024 ongrondwettig zijn in zoverre zij niet voorzien in een traject voor professionele re-integratie van tijdelijk arbeidsongeschikte ambtenaren en geen specifieke delegaties aan de Koning bevatten om de essentiële elementen van de door Medex uitgevoerde verwerkingen van persoonsgegevens te preciseren. Zij merkt op dat, volgens het voormelde advies, hetzelfde geldt met betrekking tot bepaalde essentiële elementen van de verwerking van de medische herevaluatie van arbeidsongeschikte ambtenaren, zoals de doeleinden van die herevaluatie, de categorieën van gegevens die worden verzameld en de bewaartermijn ervan. De verzoekende partij verwijst ook naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State over hetzelfde ontwerp van koninklijk besluit. A.10.
- De Ministerraad doet gelden dat het middel onvoldoende duidelijk is en dat het bijgevolg onontvankelijk is. Hij merkt op dat de adviezen van de Gegevensbeschermingsautoriteit en van de afdeling wetgeving van de Raad van State waarnaar de verzoekende partij verwijst, geen betrekking hebben op de wet van 18 mei 2024, maar op een ontwerp van koninklijk besluit, dat het koninklijk besluit van 29 januari 2025 « tot opvolging door het Bestuur van de medische expertise van ambtenaren in tijdelijke arbeidsongeschiktheid gesteld » (hierna : het koninklijk besluit van 29 januari 2025) is geworden. Volgens hem bestaat er geen aanleiding om de grondwettigheid van de wet van 18 mei 2024 te beoordelen ten aanzien van dat koninklijk besluit, dat niet onder de bevoegdheid van het Hof ressorteert. Bovendien zet de verzoekende partij, nog steeds volgens de Ministerraad, niet concreet uiteen in welk opzicht de wet van 18 mei 2024 artikel 22 van de Grondwet zou schenden. Hij merkt op dat een dergelijke schending evenmin blijkt uit de twee voormelde adviezen. Bovendien, wat inzonderheid het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit betreft, merkt de Ministerraad op dat dat betrekking heeft op de inachtneming van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) », waarvan de verzoekende partij niet de schending aanvoert. 9 Ten gronde voert de Ministerraad aan dat, zelfs indien wordt geoordeeld dat de controle door Medex bedoeld in artikel 117, § 1, vierde lid, van de wet van 14 februari 1961, zoals vervangen bij de wet van 18 mei 2024, een inmenging vormt in het recht op eerbiediging van het privéleven van het betrokken personeelslid, in die inmenging wordt voorzien bij een voldoende nauwkeurige wet. Bovendien doet hij gelden dat die bepaling het doel van algemeen belang nastreeft dat erin bestaat de terugkeer op de arbeidsmarkt aan te moedigen van personen wier evolutie van de gezondheidstoestand dat toelaat. Bovendien hebben de afdeling wetgeving van de Raad van State en de Gegevensbeschermingsautoriteit volgens hem niet geoordeeld dat die bepaling artikel 22 van de Grondwet zou schenden, maar hebben zij gewoonweg stilgestaan bij de mogelijkheid dat die bepaling de grondslag van het koninklijk besluit van 29 januari 2025 uitmaakt, hetgeen een kwestie is die niets te maken heeft met het voorliggende beroep. Vervolgens, wat betreft de definitie van het begrip « arbeidsongeschiktheid » en het bepalen van de criteria op grond waarvan die arbeidsongeschiktheid kan worden vastgesteld door Medex, merkt de Ministerraad op dat de Gegevensbeschermingsautoriteit niet preciseert in welk opzicht de ontstentenis van een dergelijke definitie of van dergelijke criteria artikel 22 van de Grondwet zou schenden. Hij merkt op dat die elementen hoe dan ook voldoende worden geregeld bij de wet van 12 mei 2024 « tot regeling van de medische evaluatie van de arbeidsgeschiktheid van de ambtenaren van sommige overheidsdiensten door het Bestuur van de medische expertise » en bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2024 « tot regeling van de procedure voor de medische evaluatie van de arbeidsgeschiktheid van de ambtenaren van sommige overheidsdiensten door het Bestuur van de medische expertise ». A.10.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 8391 antwoordt dat haar beroep niet is gericht tegen het koninklijk besluit van 29 januari
- Zij doet gelden dat zij, ter ondersteuning van haar argumentatie die tegen de wet van 18 mei 2024 is gericht, het recht heeft om te verwijzen naar het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit over dat koninklijk besluit. Volgens haar geeft dat advies aan dat de wet van 18 mei 2024 artikel 22 van de Grondwet schendt. Tweede onderdeel A.11.
- Ten eerste doet de verzoekende partij in de zaak nr. 8391 gelden dat de wet van 18 mei 2024, en minstens de artikelen 4 en volgende ervan, inzake gegevensbescherming een onverantwoord verschil in behandeling doet ontstaan tussen, enerzijds, de ambtenaren en, anderzijds, de werknemers met een arbeidsovereenkomst en de zelfstandigen, op wie artikel 100, §§ 1/1 en volgende, en de artikelen 110 en volgende van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna : de wet van 14 juli 1994), van toepassing zijn. Volgens haar worden de ambtenaren gediscrimineerd wegens de schendingen die in het eerste onderdeel zijn uiteengezet. Ten tweede voert zij aan dat het gebrek aan een definitie van het begrip « arbeidsongeschiktheid » in de wet van 18 mei 2024 de ambtenaren discrimineert ten opzichte van de werknemers met een arbeidsovereenkomst en de zelfstandigen, op wie artikel 100, § 1, van de wet van 14 juli 1994 van toepassing is. Volgens haar had een dergelijke definitie hen kunnen wapenen tegen elke onevenredige gegevensverwerking. Ten derde merkt zij op dat de bevoegde overheden die geen gebruik wensen te maken van de regeling van de wet van 18 mei 2024, in het statuut van hun personeelsleden zelf in een andere regeling dan het voortijdig pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid zullen moeten voorzien. Volgens de verzoekende partij zal dat leiden tot onverantwoorde verschillen in behandeling onder ambtenaren, die inzake lichamelijke ongeschiktheid niet allen meer op dezelfde wijze zullen worden behandeld. A.11.
- De Ministerraad voert aan dat ambtenaren in de regel niet kunnen worden vergeleken met werknemers met een arbeidsovereenkomst en met zelfstandigen. Volgens hem is een dergelijke vergelijking te dezen onmogelijk, aangezien de wet van 18 mei 2024 een regeling hervormt die enkel voor ambtenaren bestond. Vervolgens, wat betreft het verschil in behandeling onder ambtenaren volgens het bevoegdheidsniveau waarvan zij afhangen, is de Ministerraad van mening dat de argumentatie van de verzoekende partij onsamenhangend is in zoverre daarin tegelijk wordt aangevoerd dat de federale wetgever niet bevoegd was om de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering in te voeren en dat de deelentiteiten hun eigen alternatieve regelingen niet zouden kunnen invoeren, op straffe van het schenden van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Hij verwijst vervolgens naar de rechtspraak van het Hof volgens welke een verschil in behandeling in aangelegenheden waar de deelentiteiten over eigen bevoegdheden beschikken, op zich niet in strijd kan worden bevonden met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 10 -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.
- De beroepen tot vernietiging zijn gericht tegen de wet van 18 mei 2024 « tot invoering van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren » (hierna : de wet van 18 mei 2024). Die wet vervangt, in de regelgeving die van toepassing is op de ambtenaren, de regeling van het pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid door een nieuwe regeling van tijdelijke arbeidsongeschiktheid. B.2.
- In de memorie van toelichting van de wet van 18 mei 2024 worden verschillende problemen genoemd die de regeling van het pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid met zich meebrengt : « De situatie waarin een ambtenaar, die wegens lichamelijke ongeschiktheid niet langer in staat is zijn ambt uit te oefenen, definitief in rust wordt gesteld en aanspraak kan maken op een pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid – een pensioen dat dezelfde kenmerken vertoont als een rustpensioen – is niet langer aangepast aan de realiteit van vandaag. Het huidige stelsel roept vragen op vanuit maatschappelijk oogpunt en bevat onvolmaaktheden vanuit het oogpunt van de individuele ambtenaar. Een definitieve inruststelling of ‘ pensionering ’ wegens lichamelijke ongeschiktheid houdt momenteel namelijk in dat de statutaire band tussen de ambtenaar en zijn overheidswerkgever definitief wordt verbroken en dat betrokkene aanspraak kan maken op een ambtenarenpensioen, zonder verdere opvolging van zijn medische evolutie. In geval van een verbetering van de medische situatie is er dus geen enkele stimulans om betrokkene te re-integreren op de arbeidsmarkt. Naast het feit dat het niet wenselijk is dat relatief jonge ambtenaren definitief van de arbeidsmarkt verdwijnen, zijn de betrokken relatief jonge ambtenaren vandaag onvoldoende financieel beschermd, gelet op de korte loopbaan en de nog vrij lage wedde in het begin van de loopbaan. In bepaalde gevallen kan het pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid wel worden aangevuld met een supplement gewaarborgd minimum, maar dat biedt in de huidige vorm onvoldoende garanties als minimumbescherming doordat, indien het een gehuwde ambtenaar betreft, de inkomsten van de echtgenoot in mindering [worden] gebracht van het supplement gewaarborgd minimum. 11 Bovendien wordt de mogelijkheid om te re-integreren beknot. Het is namelijk zo dat de wegens lichamelijke ongeschiktheid gepensioneerde ambtenaar zijn supplement gewaarborgd minimum – op straffe van schorsing – slechts in zeer beperkte mate kan cumuleren met eigen beroepsinkomsten, namelijk 1.215,12 euro per jaar (aan het indexcijfer van kracht op 1 maart 2023). De huidige minimumbescherming druist dus in tegen de wens om de kans op re-integratie zo veel als mogelijk te benutten. De wegens lichamelijke ongeschiktheid gepensioneerde ambtenaar wordt geenszins gestimuleerd om, binnen zijn beperkte mogelijkheden, toch maximaal te werken. Bovendien wordt de echtgenoot van deze ambtenaar gestimuleerd om minder te werken ten einde een aftrek van beroepsinkomsten van het supplement gewaarborgd minimum te vermijden » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3968/001, pp. 4-5). De wetgever heeft met drie maatregelen een oplossing willen bieden voor die problemen :
(1)de vervanging van de regeling van het pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid door een nieuwe regeling van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, die met name wordt gekenmerkt door een opvolging van de medische situatie van de betrokken ambtenaar,
(2)de ontvangst, door de betrokken ambtenaar, tijdens die periode van arbeidsongeschiktheid, van een vervangingsinkomen – de zogenoemde « tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren » –, dat in principe dezelfde kenmerken heeft als een rustpensioen en
(3)een versoepeling van de cumulatieregels die van toepassing zijn op het supplement gewaarborgd minimum waarmee die uitkering zo nodig kan worden verhoogd. In de memorie van toelichting wordt in dat verband aangegeven : « Een eerste oplossing bestaat erin dat de ambtenaar die wegens lichamelijke ongeschiktheid van onbepaalde duur niet langer in staat is zijn ambt uit te oefenen niet langer definitief in rust wordt gesteld, maar in ‘ tijdelijke arbeidsongeschiktheid ’ kan worden gesteld, een toestand die overeenstemt met het huidige tijdelijke pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid en waarin de statutaire band met de werkgever nog niet volledig en definitief verbroken is. Gedurende deze periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid zal de betrokkene aanspraak maken op een ‘ tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren ’, zal zijn medische situatie worden opgevolgd en kan hij blijven genieten van ondersteuning en begeleiding. Pas bij het bereiken van de vroegst mogelijke pensioendatum zal de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering van de betrokken ambtenaar worden omgezet in een definitief rustpensioen wegens dienstanciënniteit en/of leeftijd. De tijdelijke arbeidsongeschiktheid betreft een nieuwe vorm van tijdelijk pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid die bij voorkeur in alle diverse personeelsstatuten van de betrokken ambtenaren zal moeten worden ingevoegd door de daartoe bevoegde overheden. Van het gebruik van het begrip ‘ pensioen ’ wegens lichamelijke ongeschiktheid wordt afgestapt om duidelijk te maken dat de ‘ tijdelijke arbeidsongeschiktheid ’ niet langer een levenslange ‘ pensioenval ’ is waaruit de betrokkene quasi onmogelijk nog kan ontsnappen indien hij dat wenst. De mogelijkheid om een rustpensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid – of een daarmee gelijkgesteld pensioen – toe te kennen wordt voor de toekomst afgeschaft voor 12 ambtenaren. De ambtenaren die onder de overgangsbepalingen van dit wetsontwerp vallen, zullen nog gedurende enige tijd (tijdelijk) op pensioen gesteld kunnen worden wegens lichamelijke ongeschiktheid, afhankelijk van het verloop van de procedure inzake hun medische ongeschiktverklaring die vóór 1 januari 2028 werd opgestart. Een tweede maatregel bestaat erin dat betrokkene gedurende de voormelde tijdelijke arbeidsongeschiktheidsperiode een vervangingsinkomen, namelijk een ‘ tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren ’ (TAVA), zal genieten dat alle kenmerken heeft van een rustpensioen. De tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren zal op dezelfde wijze berekend worden als het vroegere pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid en zal in voorkomend geval ook kunnen verhoogd worden met een hervormd supplement gewaarborgd minimum. Een derde maatregel betreft de soepelere cumulatieregels die van toepassing zullen zijn op dit supplement gewaarborgd minimum » (ibid., pp. 5-6). Met de bij de wet van 18 mei 2024 doorgevoerde hervorming wordt aldus een « dubbel doel » nagestreefd, namelijk « relatief jonge ambtenaren de kans […] geven om te re-integreren » en « de minimumbescherming van de betrokkenen […] verbeteren » (ibid., p. 7). B.2.
- Bij de artikelen 3 tot 9 van de wet van 18 mei 2024 worden verschillende wijzigingen aangebracht in de wet van 14 februari 1961 « voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel » (hierna : de wet van 14 februari 1961), in het bijzonder in artikel 117 ervan. Krachtens artikel 113 van de wet van 14 februari 1961, dat niet wordt gewijzigd bij de wet van 18 mei 2024, is artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 in principe van toepassing op « elke persoon wiens diensten recht geven op de toepassing van een stelsel van rustpensioen waarvan de last gedragen wordt door de Staat, de provinciën, de gemeenten, de agglomeraties van gemeenten, de federaties van gemeenten, de commissies voor de cultuur, de commissiën van openbare onderstand, de inrichtingen van openbaar nut beoogd bij de wet van 16 maart 1954 en de provinciale en gemeentelijke instellingen van openbaar nut ». B.2.
- In de versie van vóór de wijziging ervan bij de wet van 18 mei 2024, bepaalt artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 : « §
- Het vroegtijdig pensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke ongeschiktheid mag definitief toegekend worden indien de in § 2 bedoelde medische instanties oordelen dat het personeelslid definitief ongeschikt is om op een regelmatige wijze zijn functies 13 of andere functies ingevolge wedertewerkstelling of wederbenuttiging, krachtens de reglementen van toepassing in de verschillende openbare diensten, in een ander ambt dat beter met zijn lichamelijke geschiktheid overeenkomt, te vervullen. In alle andere gevallen, met uitzondering van dat bedoeld in § 3, derde lid, wordt het pensioen tijdelijk toegekend voor een maximumduur van twee jaar. De voormelde medische instanties mogen op elk tijdstip beslissen de betrokkene aan een nieuw onderzoek te onderwerpen. Zij moeten hem ten minste eenmaal opnieuw onderzoeken tussen de derde en de zesde maand vóór de datum van het verstrijken van de periode van het tijdelijk pensioen. De betrokkene van zijn kant mag steeds een nieuw geneeskundig onderzoek aanvragen op voorwaarde dat er ten minste zes maanden zijn verstreken sinds het vorige onderzoek. Het tijdelijk pensioen wordt definitief wanneer het personeelslid, vóór het verstrijken van de periode van twee jaar, definitief ongeschikt wordt verklaard. In elk geval wordt het tijdelijk pensioen definitief : 1° hetzij bij het verstrijken van de voormelde periode indien het betrokken personeelslid niet opnieuw in dienst werd genomen of niet wedertewerkgesteld of wederbenuttigd kan worden; 2° hetzij zodra het personeelslid de leeftijd bereikt voorzien bij artikel 115 voor de categorie waartoe het behoort. Het definitief pensioen blijft in elk geval berekend op de grondslagen die bestaan op het ogenblik van de toekenning van het tijdelijk pensioen. Indien de gerechtigde op het tijdelijk pensioen daadwerkelijk opnieuw in dienst wordt genomen gedurende ten minste een jaar, komt de tijd gedurende welke hij zijn tijdelijk pensioen heeft genoten in aanmerking voor de toekenning en de berekening van een nieuw pensioen. Het bedrag van dit laatste pensioen mag niet lager zijn dan dat van het tijdelijk pensioen, berekend op grond van de op de ingangsdatum van het nieuwe pensioen van kracht zijnde weddeschalen. De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op de leden van de rechterlijke orde. §
- De ongeschiktheid die rechten op een definitief of tijdelijk voortijdig pensioen ten laste van de Staat, de provinciën, de gemeenten, de agglomeraties van gemeenten, de federaties van gemeenten, de commissies voor de cultuur, de commissies van openbare onderstand, de inrichtingen van openbaar nut beoogd bij de wet van 15 maart 1954, en de provinciale en gemeentelijke instellingen van openbaar nut openstelt, mag, naar gelang van het geval, slechts worden vastgesteld door : het Medisch expertisecentrum arbeidsgeschiktheid van het Bestuur van de medische expertise van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu; de Militaire Commissies voor geschiktheid en reform, voor de militairen; de Geneeskundige Dienst van HR Rail, voor de beambten van HR Rail. 14 de Commissie voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten, voor de leden van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus; Evenwel, voor de personeelsleden van de provinciën en de gemeenten, de commissiën van openbare onderstand, de provinciale en gemeentelijke instellingen van openbaar nut, die op de datum van inwerkingtreding van deze wet bij contract verbonden zijn met een verzekeringsorganisme dat geheel of gedeeltelijk de last van de pensioenen op zich neemt, zal de ongeschiktheid voortspruiten uit de beslissing van de door dit organisme aangewezen geneeskundige instanties. §
- De administratieve, of gerechtelijke beslissing of die uitgaande van enige andere overheid bevoegd tot het benoemen tot een ambt dat een recht op pensioen ten laste van een in § 2, eerste lid, vermelde macht doet ontstaan, die tot het pensioen wegens ongeschiktheid toelaat, heeft uitwerking op de eerste dag van de maand die volgt op die gedurende welke de in eerste aanleg gewezen beslissing van het bevoegd medisch overheidsorgaan aan de betrokkene bekend werd gemaakt wanneer het een beslissing betreft waartegen geen hoger beroep is ingesteld, of wanneer deze, na beroep, is bevestigd of op de eerste dag van de maand die volgt op die gedurende welke de beslissing van het medisch overheidsorgaan van hoger beroep aan de betrokkene bekend werd gemaakt wanneer deze de beslissing in eerste aanleg gewezen te niet doet. In de gevallen waarin de titularis van een ambt, ten gevolge van bijzondere omstandigheden, dat ambt voort is blijven uitoefenen, zonder daarbij de wet te overtreden, mag de beslissing tot op pensioenstelling echter geen uitwerking hebben op een datum vóór die waarop de betrokkene in feite opgehouden heeft zijn ambt uit te oefenen. Dit geldt eveneens indien het een persoon betreft die beroep heeft ingesteld tegen een beslissing van lichamelijke ongeschiktheid en aan wie door de overheid waarvan hij afhangt, geen verbod werd opgelegd om zijn ambt voort te zetten, zonder dat de oppensioenstelling later mag zijn dan de eerste dag van de maand die volgt op de bekendmaking aan de betrokkene van de in beroep gewezen beslissing. Indien de betrokkene bij het verstrijken van een termijn van twaalf maanden die een aanvang neemt op de datum waarop hem kennis is gegeven van de definitieve beslissing waarbij hij ongeschikt wordt verklaard voor de uitoefening van zijn ambt doch geschikt verklaard blijft voor de uitoefening van een [ander] ambt bij wijze van wedertewerkstelling, niet wedertewerkgesteld werd, verkrijgt hij ambtshalve een definitief pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid dat ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van de voormelde termijn. De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op de leden van het leger. §
- Indien de betrokkene die ongeschikt verklaard werd, zonder een pensioenaanvraag in te dienen overlijdt binnen één jaar te rekenen vanaf de datum waarop het pensioen wegens ongeschiktheid overeenkomstig § 3 van dit artikel had moeten ingaan, wordt het pensioen hem ambtshalve toegekend en worden de pensioenachterstallen bij zijn nalatenschap gevoegd ». B.2.
- Artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 wordt gewijzigd bij de artikelen 4 (vervanging van paragraaf 1), 5 (invoeging van de paragrafen 1/1 tot 1/9), 6 (wijziging van 15 paragraaf 2, eerste lid), 7 (wijzigingen van paragraaf 3), 8 (invoeging van de paragrafen 3/1 tot 3/3), 9, 1°, (invoeging van een tweede lid in paragraaf 4) en 9, 2°, (vervanging van het eerste lid van paragraaf 4) van de wet van 18 mei
- Krachtens artikel 39 van de wet van 18 mei 2024 treden de artikelen 4 tot 8 en artikel 9, 2°, in werking op 1 januari 2028, terwijl artikel 9, 1°, in werking treedt op 1 januari
- Zoals gewijzigd bij de artikelen 4 tot 9 van de wet van 18 mei 2024, bepaalt artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 : « §
- Onder voorbehoud van andersluidende statutaire bepalingen die op hem van toepassing zijn, mag het personeelslid dat een vaste of inzake pensioenen daarmee gelijkgestelde benoeming heeft verkregen, in tijdelijke arbeidsongeschiktheid gesteld worden indien de in § 2 bedoelde bevoegde medische instantie beslist dat het personeelslid voor onbepaalde tijd ongeschikt is om op een regelmatige wijze zijn functies te vervullen. De in het vorige lid bedoelde beslissing kan pas genomen worden nadat de bevoegde medische instantie voorafgaandelijk vastgesteld heeft dat de werkgever van het personeelslid de nodige inspanningen heeft geleverd om de werkpost aan te passen of om het personeelslid weder tewerk te stellen. In zoverre het personeelslid in tijdelijke arbeidsongeschiktheid is gesteld, valt het, niettegenstaande elke andere wettelijke of reglementaire bepaling, onder de uitsluitende bevoegdheid van het in § 2 bedoelde Medisch expertisecentrum arbeidsgeschiktheid van het Bestuur van de medische expertise van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu, hierna in dit artikel ‘ Medex ’ te noemen. Medex mag op elk tijdstip beslissen om het dossier van het ongeschikt verklaarde personeelslid opnieuw te evalueren. De bevoegde medische instantie bepaalt bij elke ongeschiktverklaring de maximale termijn waarbinnen een nieuwe evaluatie moet plaatsvinden, mits daarbij een minimumtermijn van zes maanden en een maximumtermijn van vijf jaar te respecteren. Medex onderzoekt het dossier van het ongeschikt verklaarde personeelslid ten laatste één maand voor het verstrijken van de bij de vorige evaluatie bepaalde maximumtermijn. De minimumtermijn van zes maanden is niet van toepassing in geval van een nieuwe evaluatie op initiatief van Medex naar aanleiding van een gehele of gedeeltelijke werkhervatting of een gehele of gedeeltelijke wedertewerkstelling van de gerechtigde in een andere functie, ongeacht of de gerechtigde voor deze werkhervatting of wedertewerkstelling al dan niet de voorafgaande toestemming van Medex heeft gevraagd overeenkomstig paragraaf 1/5, eerste lid. De betrokkene mag steeds een nieuwe evaluatie aanvragen op voorwaarde dat er ten minste zes maanden zijn verstreken sinds de vorige evaluatie. De tijdelijke arbeidsongeschiktheid verbreekt de vaste of inzake pensioenen daarmee gelijkgestelde benoeming niet van rechtswege. § 1/
- Tijdens de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid kan het personeelslid aanspraak maken op een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren. 16 Behoudens andersluidende bepaling, wordt de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren gelijkgesteld met een rustpensioen toegekend aan een persoon die ambtshalve op rust werd gesteld vóór de wettelijke pensioenleeftijd bedoeld in artikel 46, § 3, eerste en tweede lid, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen. Behoudens andersluidende bepaling, wordt de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren op dezelfde wijze berekend als het rustpensioen bedoeld in artikel 47 van de voormelde wet van 15 mei
- Voor het bepalen van de ingangsdatum van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren en voor het vaststellen van de referentiewedde die als grondslag dient voor de berekening van die uitkering, wordt de dag voorafgaand aan de tijdelijke arbeidsongeschiktheid beschouwd als de dag waarop de betrokkene zijn ambt neerlegt en ophoudt zijn activiteitswedde te ontvangen, niettegenstaande elke andere wettelijke of reglementaire bepaling. § 1/
- De perioden van tijdelijke arbeidsongeschiktheid worden in aanmerking genomen voor de opening van het recht op een pensioen. Deze perioden worden evenwel niet in aanmerking genomen voor de berekening van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren, noch voor de berekening van het bedrag van een pensioen of voor het vaststellen van de referentiewedde die als grondslag dient voor de berekening van een van beide, niettegenstaande elke andere wettelijke of reglementaire bepaling doch onverminderd de toepassing van het tweede lid en van paragraaf 1/7, derde lid. In afwijking van het eerste lid, worden de perioden van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, in chronologische volgorde en naar rata van 1/60e van de referentiewedde per jaar dienst, voor ten hoogste 24 maanden in aanmerking genomen voor de berekening van het bedrag van het pensioen en, in voorkomend geval, van elke op die perioden van tijdelijke arbeidsongeschiktheid volgende nieuwe tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren, op voorwaarde dat de gerechtigde, na de definitieve stopzetting van zijn tijdelijke arbeidsongeschiktheid en vóór elke volgende nieuwe periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, gedurende ten minste één jaar werkelijke diensten verstrekt. De perioden waarin een tijdelijk pensioen werd toegekend overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 1 zoals hij luidde vóór 1 januari 2025, worden in aanmerking genomen voor de opening van het recht op een pensioen en voor de berekening van het bedrag van het pensioen en van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren, indien de gerechtigde na dat tijdelijk pensioen gedurende ten minste één jaar werkelijke diensten heeft verstrekt. In geval van werkelijke diensten met onvolledige opdracht, worden deze diensten in aanmerking genomen ten belope van het gedeelte dat zij vertegenwoordigen in verhouding tot dezelfde diensten met volledige opdracht. Voor de toepassing van het tweede en derde lid worden enkel de verloven en afwezigheden met behoud van de volledige bezoldiging, die in aanmerking genomen worden voor de berekening van een rustpensioen, gelijkgesteld met werkelijke diensten. De perioden van tijdelijke arbeidsongeschiktheid en tijdelijk pensioen die, overeenkomstig het eerste tot en met het vijfde lid, in aanmerking kunnen komen voor het pensioen of de 17 tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren, worden slechts in aanmerking genomen in de mate dat zij daartoe niet om een andere reden in aanmerking kunnen worden genomen. In afwijking van het tweede en derde lid, worden de daarin bedoelde perioden van tijdelijke arbeidsongeschiktheid en van tijdelijk pensioen niet in aanmerking genomen voor het vaststellen van de referentiewedde die als grondslag dient voor de berekening van het pensioen of de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. § 1/
- Pensioenaanspraakverlenende diensten die tijdens een periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid worden verstrekt naar aanleiding van een werkhervatting of wedertewerkstelling, worden in aanmerking genomen voor het rustpensioen dat erop volgt en, in voorkomend geval, voor elke tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren die, na de definitieve stopzetting van de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid waarin de diensten werden verstrekt, wordt toegekend tijdens een volgende periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid. § 1/
- De tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren valt ten laste van het pensioenstelsel of de pensioenstelsels die de last zouden dragen van het rustpensioen waarmee de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren wordt gelijkgesteld. De instelling die belast is met de uitbetaling van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren is ertoe gehouden hiervan aangifte te doen aan de pensioengegevensbank bedoeld in artikel 9bis van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid. § 1/
- Voor elke gehele of gedeeltelijke werkhervatting of wedertewerkstelling dient de gerechtigde vooraf de toestemming te verkrijgen van Medex. Elke werkhervatting of wedertewerkstelling zonder de vereiste voorafgaande toestemming wordt gelijkgesteld met een bedrieglijke handeling bedoeld in artikel 59, § 2, eerste lid, 1°, van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-
- In afwijking van het eerste lid is de voorafgaande toestemming van Medex niet vereist voor de uitoefening van : 1° een voltijdse tewerkstelling die geen aanspraak kan verlenen op een pensioen met toepassing van een pensioenregeling van de openbare sector bedoeld in artikel 1 van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector; 2° een activiteit als zelfstandige in hoofdberoep; 3° een politiek mandaat of een mandaat van voorzitter of van lid van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn; 4° een mandaat bij een beheers-, bestuurs- of directieorgaan van een openbare instelling, een instelling van openbaar nut, een vereniging van gemeenten of een mandaat van gewoon bestuurder bij een autonoom overheidsbedrijf; 5° vrijwilligerswerk. 18 Voor de uitoefening van de in het tweede lid bedoelde activiteiten volstaat een eenvoudige schriftelijke aangifte bij Medex. Elke activiteit bedoeld in het tweede lid, 1° en 2°, zonder voorafgaande schriftelijke aangifte bij Medex wordt gelijkgesteld met een bedrieglijke handeling bedoeld in artikel 59, § 2, eerste lid, 1°, van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-
- § 1/
- De betaling van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren wordt tijdelijk geschorst wanneer Medex daartoe beslist. De periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid wordt definitief stopgezet wanneer Medex daartoe beslist. De beslissing tot tijdelijke schorsing van de betaling van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren of tot definitieve stopzetting van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid wordt door Medex onverwijld ter kennis gebracht van de instelling die belast is met de uitbetaling van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren. De beslissing tot definitieve stopzetting van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid wordt door Medex tevens onverwijld ter kennis gebracht van de werkgever van het personeelslid. Tijdelijke schorsing van de betaling van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren is mogelijk in de gevallen door de Koning bepaald. Definitieve stopzetting van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid kan uitsluitend gemotiveerd worden op grond van de lichamelijke geschiktheid van het personeelslid om op een regelmatige wijze zijn functies opnieuw te vervullen. In afwijking van het derde lid stopt de tijdelijke arbeidsongeschiktheid van rechtswege definitief indien het personeelslid een activiteit aanvat zoals bedoeld in paragraaf 1/5, tweede lid, 1° of 2°. De tijdelijke schorsing van de betaling van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren door Medex leidt tot de tijdelijke stopzetting van de betaling van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren door de instelling die belast is met de uitbetaling ervan. De definitieve stopzetting van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid door Medex leidt tot verlies van het bestaande recht op een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren en tot de stopzetting van de betaling ervan door de daarmee belaste instelling. § 1/
- Vanaf het ogenblik waarop de gerechtigde op een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren voldoet aan de pensioenvoorwaarden bedoeld in artikel 46 van de voormelde wet van 15 mei 1984 wordt hij ambtshalve op rust gesteld en wordt zijn tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering door de bevoegde pensioendienst ambtshalve omgezet in een rustpensioen. In afwijking van het eerste lid, wordt de gerechtigde op rust gesteld en wordt zijn tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren, op zijn aanvraag, door de bevoegde pensioendienst omgezet in een rustpensioen vanaf het ogenblik waarop hij, vóór de datum waarop hij voldoet aan de pensioenvoorwaarden bedoeld in artikel 46 van de voormelde wet van 15 mei 1984, de preferentiële pensioenvoorwaarden vervult die op hem van toepassing zouden geweest zijn indien hij niet in tijdelijke arbeidsongeschiktheid zou gesteld zijn. Deze afwijking geldt uitsluitend voor de gerechtigden die na de leeftijd van vijftig jaar in tijdelijke arbeidsongeschiktheid gesteld werden in één van de volgende hoedanigheden : 19 1° lid van het rijdend personeel van HR Rail, zoals bepaald door het pensioenreglement van de NMBS Holding zoals het van kracht was op 28 december 2011; 2° militair; 3° gewezen militair bedoeld in : - artikel 10 van de wet van 30 maart 2001 betreffende het pensioen van het personeel van de politiediensten en hun rechthebbenden, voor zover hij uiterlijk op 10 juli 2015 voldeed aan de in dat artikel bepaalde leeftijds- en loopbaanvoorwaarden voor de personeelscategorie waartoe hij behoort; - artikel 10 van de wet van 16 juli 2005 houdende de overplaatsing van sommige militairen naar een openbare werkgever; - artikel 194 van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat militairen van het actief kader van de Krijgsmacht. Om te bepalen of de gerechtigde de in het tweede lid bedoelde preferentiële pensioenvoorwaarden vervult, worden de perioden van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, in afwijking van paragraaf 1/2, eerste lid, voor de opening van het recht op een pensioen in aanmerking genomen als werkelijk verstrekte diensten in de hoedanigheid van, naar gelang het geval, lid van het rijdend personeel van HR Rail, militair of gewezen militair, zoals respectievelijk bedoeld in 1°, 2° of 3° van het tweede lid. Voor de gerechtigden van wie de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren, met toepassing van het tweede lid, op hun verzoek omgezet wordt in een rustpensioen vóór de leeftijd van 60 jaar, wordt de minimumleeftijd bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector vastgesteld op de minimumleeftijd waarop zij het rustpensioen kunnen verkrijgen overeenkomstig de in het tweede lid, 3°, bedoelde wetgeving waarvan zij de toepassing vragen. De in het tweede lid bedoelde aanvraag tot omzetting van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren in een rustpensioen moet gericht worden aan de instelling die belast is met de uitbetaling van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren. De aanvraag mag niet meer dan één jaar vóór de gewenste ingangsdatum van het rustpensioen worden ingediend. Het pensioen gaat evenwel ten vroegste in vanaf de eerste dag van de maand volgend op die waarin de aanvraag werd ingediend. De gevraagde ingangsdatum van het rustpensioen mag in geen geval de uit de toepassing van het eerste lid voortvloeiende ingangsdatum van het rustpensioen overschrijden. De bevoegde pensioendienst brengt zijn beslissing tot omzetting van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren in een rustpensioen onverwijld ter kennis van Medex. 20 § 1/
- Het in paragraaf 1/7, eerste en tweede lid, bedoelde rustpensioen wordt gelijkgesteld met een rustpensioen toegekend aan een persoon die ambtshalve op rust werd gesteld vóór de wettelijke pensioenleeftijd bedoeld in artikel 46, § 3, eerste en tweede lid, van de voormelde wet van 15 mei
- Het nominaal bedrag van dat rustpensioen wordt berekend overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de berekening van een rustpensioen bedoeld in artikel 47 van de voormelde wet van 15 mei
- Voor het vaststellen van de referentiewedde die als grondslag dient voor de berekening van dat rustpensioen, wordt de dag voorafgaand aan de laatste periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid beschouwd als de dag waarop de betrokkene zijn ambt neerlegt en ophoudt zijn activiteitswedde te ontvangen, niettegenstaande elke andere wettelijke of reglementaire bepaling. Het bedrag van dat pensioen mag niet lager zijn dan het bedrag van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren waarop de betrokkene aanspraak zou kunnen maken indien hij in tijdelijke arbeidsongeschiktheid was gebleven. § 1/
- De bepalingen van de paragrafen 1 tot 1/8 zijn niet van toepassing op de leden van de rechterlijke orde. §
- De ongeschiktheid die rechten op een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren ten laste van de Staat, de provinciën, de gemeenten, de agglomeraties van gemeenten, de federaties van gemeenten, de commissies voor de cultuur, de commissies van openbare onderstand, de inrichtingen van openbaar nut beoogd bij de wet van 15 maart 1954, en de provinciale en gemeentelijke instellingen van openbaar nut openstelt, mag, naar gelang van het geval, slechts worden vastgesteld door : het Medisch expertisecentrum arbeidsgeschiktheid van het Bestuur van de medische expertise van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu; de Militaire Commissies voor geschiktheid en reform, voor de militairen; de Geneeskundige Dienst van HR Rail, voor de beambten van HR Rail; de Commissie voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten, voor de leden van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus; Evenwel, voor de personeelsleden van de provinciën en de gemeenten, de commissiën van openbare onderstand, de provinciale en gemeentelijke instellingen van openbaar nut, die op de datum van inwerkingtreding van deze wet bij contract verbonden zijn met een verzekeringsorganisme dat geheel of gedeeltelijk de last van de pensioenen op zich neemt, zal de ongeschiktheid voortspruiten uit de beslissing van de door dit organisme aangewezen geneeskundige instanties. §
- De administratieve, of gerechtelijke beslissing of die uitgaande van enige andere overheid bevoegd tot het benoemen tot een ambt dat een recht op pensioen ten laste van een in § 2, eerste lid, vermelde macht kan doen ontstaan, die de betrokkene in tijdelijke 21 arbeidsongeschiktheid stelt, heeft uitwerking op de eerste dag van de maand die volgt op die gedurende welke de in eerste aanleg gewezen beslissing van het bevoegd medisch overheidsorgaan aan de betrokkene bekend werd gemaakt wanneer het een beslissing betreft waartegen geen hoger beroep is ingesteld, of wanneer deze, na beroep, is bevestigd of op de eerste dag van de maand die volgt op die gedurende welke de beslissing van het medisch overheidsorgaan van hoger beroep aan de betrokkene bekend werd gemaakt wanneer deze de beslissing in eerste aanleg gewezen te niet doet. In de gevallen waarin de titularis van een ambt, ten gevolge van bijzondere omstandigheden, dat ambt voort is blijven uitoefenen, zonder daarbij de wet te overtreden, mag de beslissing tot tijdelijke in arbeidsongeschiktheidsstelling echter geen uitwerking hebben op een datum vóór die waarop de betrokkene in feite opgehouden heeft zijn ambt uit te oefenen. Dit geldt eveneens indien het een persoon betreft die beroep heeft ingesteld tegen een beslissing van lichamelijke ongeschiktheid en aan wie door de overheid waarvan hij afhangt, geen verbod werd opgelegd om zijn ambt voort te zetten, zonder dat de tijdelijke in arbeidsongeschiktheidsstelling later mag zijn dan de eerste dag van de maand die volgt op de bekendmaking aan de betrokkene van de in beroep gewezen beslissing. De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op de leden van het leger. § 3/
- De beslissing van Medex tot tijdelijke schorsing van de betaling van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren heeft uitwerking op de eerste dag van de maand die volgt op die gedurende welke de in eerste aanleg gewezen beslissing van Medex aan de gerechtigde bekend werd gemaakt wanneer het een beslissing betreft waartegen geen hoger beroep is ingesteld of wanneer deze, na beroep, is bevestigd. De beslissing van Medex tot definitieve stopzetting van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid heeft uitwerking op de eerste dag van de zevende maand die volgt op die gedurende welke de in eerste aanleg gewezen beslissing van Medex aan de gerechtigde bekend werd gemaakt wanneer het een beslissing betreft waartegen geen hoger beroep is ingesteld of wanneer deze, na beroep, is bevestigd. In afwijking van het tweede lid, heeft de beslissing van Medex tot definitieve stopzetting van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid, voor de personeelsleden van het onderwijs, uitwerking op de 1e oktober die volgt op de dag waarop deze beslissing overeenkomstig het tweede lid uitwerking zou krijgen, op voorwaarde dat die beslissing door Medex aan de gerechtigde bekend werd gemaakt in de loop van de maanden januari, februari of juni tot en met december. Voor de toepassing van het derde lid worden onder ‘ personeelsleden van het onderwijs ’ begrepen : de personeelsleden bedoeld in artikel 77 van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen, de vastbenoemde of daarmee gelijkgestelde leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van het niet-universitair gemeenschapsonderwijs en de leerondersteuners. In afwijking van het tweede en derde lid, heeft de beslissing van Medex tot definitieve stopzetting van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid, genomen overeenkomstig paragraaf 1/6, vierde lid, voor het personeelslid bedoeld in paragraaf 1/5, tweede lid, 1° of 2°, uitwerking op de eerste dag van de twaalfde maand die volgt op die gedurende welke de in eerste aanleg gewezen beslissing van Medex aan de gerechtigde bekend werd gemaakt wanneer het een beslissing betreft waartegen geen hoger beroep is ingesteld of wanneer deze, na beroep, is 22 bevestigd. In afwachting van de uitwerking van de voormelde beslissing wordt de betaling van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren van de gerechtigde geschorst vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die gedurende welke de voormelde beslissing aan de gerechtigde bekend werd gemaakt. Voor de gerechtigde die, op de eerste dag van de maand die volgt op die gedurende welke de in het vijfde lid bedoelde beslissing van Medex aan hem werd bekendgemaakt, de leeftijd van 36 jaar heeft bereikt zonder op die dag te leeftijd van 50 jaar te hebben bereikt, wordt de in het vijfde lid bedoelde twaalfde maand vervangen door de achttiende maand. Voor de gerechtigde die, op de eerste dag van de maand die volgt op die gedurende welke de in het vijfde lid bedoelde beslissing van Medex aan hem werd bekendgemaakt, de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt, wordt de in het vijfde lid bedoelde twaalfde maand vervangen door de vierentwintigste maand. Indien het in het vijfde lid bedoelde personeelslid, vooraleer de in het vijfde lid bedoelde beslissing van Medex uitwerking krijgt, zijn in § 1/5, tweede lid, 1° of 2°, bedoelde activiteit wordt beëindigd wegens ontslag vanwege zijn werkgever of hij die activiteit moet staken wegens lichamelijke ongeschiktheid, kan het personeelslid de intrekking van de voormelde beslissing vragen aan Medex. In geval van intrekking van die beslissing wordt de schorsing van de betaling van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren van het personeelslid opgeheven vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin het personeelslid zijn aanvraag tot intrekking heeft ingediend, op voorwaarde dat hij vanaf dat ogenblik verzaakt aan elke uitkering waarop hij aanspraak kan maken uit hoofde van de die hem voor zijn in § 1/5, tweede lid, 1° of 2°, bedoelde activiteit. Het hoger beroep ingesteld tegen een in deze paragraaf bedoelde beslissing van Medex schorst de uitwerking ervan niet. § 3/
- Uiterlijk in de loop van de laatste 15 kalenderdagen die voorafgaan aan de datum waarop de beslissing van Medex tot definitieve stopzetting van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid uitwerking krijgt, onderzoekt Medex of de werkgever, na hem kennis te hebben gegeven van zijn beslissing, het personeelslid passende functies heeft aangeboden. De werkgever bezorgt hiertoe aan Medex tijdig een verslag waarvan de inhoud door de Koning wordt bepaald. Indien het personeelslid passende functies werden aangeboden en bij de definitieve stopzetting van zijn tijdelijke arbeidsongeschiktheid het werk hervat heeft of wedertewerkgesteld is, wordt zijn tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren stopgezet vanaf de datum waarop de beslissing van Medex tot definitieve stopzetting van zijn tijdelijke arbeidsongeschiktheid uitwerking krijgt. Indien het personeelslid passende functies werden aangeboden maar na de definitieve stopzetting van zijn tijdelijke arbeidsongeschiktheid het werk niet hervat heeft of niet wedertewerkgesteld is, wordt zijn tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren stopgezet vanaf de datum waarop de beslissing van Medex tot definitieve stopzetting van zijn tijdelijke arbeidsongeschiktheid uitwerking krijgt. De betrokkene wordt in dat geval ambtshalve onderworpen aan de verzekering tegen werkloosheid, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapsverzekering, met toepassing van de artikelen 7 tot en met 12, van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen of van de artikelen 14 tot en met 18 23 van de wet van 6 februari 2003 houdende sociale bepalingen voor militairen die terugkeren naar het burgerleven. Indien het personeelslid na de definitieve stopzetting van zijn tijdelijke arbeidsongeschiktheid geen passende functies aangeboden werden of indien zijn werkgever het in het eerste lid bedoelde verslag niet tijdig en volledig aan Medex heeft toegestuurd, wordt de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren van het personeelslid stopgezet vanaf de datum waarop de beslissing van Medex tot definitieve stopzetting van zijn tijdelijke arbeidsongeschiktheid uitwerking krijgt. Het personeelslid bevindt zich vanaf die datum in een bezoldigde administratieve stand bepaald in de rechtspositieregeling die van toepassing is op de personeelscategorie waartoe hij behoort. Het vierde lid is eveneens van toepassing indien de werkgever passende functies heeft aangeboden waarvan er één door het personeelslid werd aanvaard, maar deze laatste het werk pas hervat heeft of wedertewerkgesteld werd na de datum waarop de beslissing van Medex tot definitieve stopzetting van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid uitwerking heeft gekregen. Het personeelslid blijft in dat geval in de bezoldigde administratieve stand bedoeld in het vierde lid, tot op de datum van zijn werkhervatting of wedertewerkstelling. Indien het in het vierde of vijfde lid bedoelde personeelslid gedurende ten hoogste 60 opeenvolgende kalendermaanden in tijdelijke arbeidsongeschiktheid werd geplaatst, moet zijn werkgever, in afwijking van het vierde en vijfde lid, dit personeelslid in een bezoldigde administratieve stand plaatsen die op alle vlakken gelijkgesteld is met dienstactiviteit. § 3/
- De bepalingen van paragraaf 3/2 zijn niet van toepassing op de personeelsleden bedoeld in paragraaf 1/6, vierde lid, die een activiteit aanvatten zoals bedoeld in paragraaf 1/5, tweede lid, 1° of 2°. §
- Indien de betrokkene die ongeschikt verklaard werd, zonder een aanvraag om tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren in te dienen, overlijdt binnen één jaar te rekenen vanaf de datum waarop zijn tijdelijke arbeidsongeschiktheid overeenkomstig paragraaf 3 van dit artikel is ingegaan, wordt de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering hem vanaf die datum ambtshalve toegekend en worden de achterstallen bij zijn nalatenschap gevoegd. Indien de betrokkene die ambtshalve op rust gesteld werd overeenkomstig artikel 83 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen of artikel 82 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten, zonder een pensioenaanvraag in te dienen, overlijdt binnen één jaar te rekenen vanaf de datum waarop zijn pensioen, mits het indienen van een tijdige aanvraag, had kunnen ingaan, wordt het pensioen hem vanaf die datum ambtshalve toegekend en worden de achterstallen bij zijn nalatenschap gevoegd ». B.2.
- In het kader van de hervorming die zij doorvoert, wijzigt de wet van 18 mei 2024 ook verschillende andere wetten en besluiten (artikelen 2 en 10 tot 37 van de wet van 18 mei 2024). 24 B.2.
- Artikel 39 van de wet van 18 mei 2024 regelt de inwerkingtreding van de wet, die naargelang van de beoogde bepalingen wordt vastgesteld op 1 januari 2025 of 1 januari
- De artikelen 40 en 41 van de wet van 18 mei 2024 bevatten overgangsbepalingen. Ten aanzien van de omvang van de beroepen B.3.
- Het Hof bepaalt de omvang van de beroepen tot vernietiging aan de hand van de inhoud van de verzoekschriften en in het bijzonder op basis van de uiteenzetting van de middelen. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de bepalingen waartegen daadwerkelijk grieven zijn gericht. Het Hof kan alleen die bepalingen vernietigen en, in voorkomend geval, de bepalingen die onlosmakelijk zijn verbonden met de bepalingen die moeten worden vernietigd. B.3.
- Uit de uiteenzetting van de middelen blijkt dat de grieven die door de verzoekende partijen zijn geformuleerd in de zaken nrs. 8390 en 8391, zijn gericht tegen de wijzigingen die in artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 zijn aangebracht bij de artikelen 4 tot 9 van de wet van 18 mei 2024, in zoverre die bepalingen de regeling van het pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid vervangen door een nieuwe regeling van tijdelijke arbeidsongeschiktheid. In de zaak nr. 8390 klagen de verzoekende partijen eveneens aan dat artikel 2 van de wet van 18 mei 2024 de bedienaars van erediensten uitsluit van het toepassingsgebied van die wet. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die bepalingen. Indien het Hof evenwel een of meer middelen gegrond zou achten, zouden andere bepalingen van de wet van 18 mei 2024 kunnen worden vernietigd indien zou blijken dat zij onlosmakelijk verbonden zijn met de bovenvermelde bepalingen. 25 Ten aanzien van de middelen Wat betreft het eerste middel in de zaak nr. 8390 en het eerste middel in de zaak nr. 8391 B.
- Het eerste middel in de zaak nr. 8390 is afgeleid uit de schending van de artikelen 35 en 143 van de Grondwet, van artikel 87, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980), van het beginsel van federale loyauteit en van het evenredigheidsbeginsel. Het eerste middel in de zaak nr. 8391 is afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels, in het bijzonder van artikel 87, § 3, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, en van het beginsel van federale loyauteit dat is gewaarborgd bij artikel 143 van de Grondwet. B.5.
- Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is het Hof bevoegd om uitspraak te doen op de beroepen tot vernietiging van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, wegens schending van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten en wegens schending van de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en van de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet. B.5.
- Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. B.5.
- Artikel 35 van de Grondwet bepaalt : « De federale overheid is slechts bevoegd voor de aangelegenheden die de Grondwet en de wetten, krachtens de Grondwet zelf uitgevaardigd, haar uitdrukkelijk toekennen. 26 De gemeenschappen of de gewesten zijn, ieder wat hem betreft, bevoegd voor de overige aangelegenheden onder de voorwaarden en op de wijze bepaald door de wet. Deze wet moet worden aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid. Overgangsbepaling De wet bedoeld in het tweede lid bepaalt de dag waarop dit artikel in werking treedt. Deze dag kan niet voorafgaan aan de dag waarop het nieuw in titel III van de Grondwet in te voegen artikel in werking treedt dat de exclusieve bevoegdheden van de federale overheid bepaalt ». De wet bedoeld in het tweede lid van artikel 35 van de Grondwet is nog niet aangenomen. Die grondwetsbepaling is dus nooit in werking getreden, zodat het Hof niet bevoegd is om zich uit te spreken over de naleving ervan. In zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 35 van de Grondwet, is het eerste middel in de zaak nr. 8390 niet ontvankelijk. B.5.
- In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, maakt het feit dat het eerste middel in de zaak nr. 8390 is afgeleid uit de schending van artikel 35 van de Grondwet en dat het in die mate niet ontvankelijk is, dat middel voor het overige niet vaag. Het verzoekschrift in de zaak nr. 8390 zet voldoende uiteen in welk opzicht de bestreden bepalingen artikel 87, § 3, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, het beginsel van federale loyauteit dat is gewaarborgd bij artikel 143, § 1, van de Grondwet, en het evenredigheidsbeginsel zouden schenden. B.5.
- In de uiteenzettingen van hun middelen beroepen de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8390 en 8391 zich eveneens op artikel 107, tweede lid, van de Grondwet en voeren zij aan dat de bestreden bepalingen inbreuk maken op de bevoegdheid die bij die grondwetsbepaling aan de Koning is verleend. Het Hof is niet bevoegd om rechtstreeks na te gaan of de bestreden bepalingen artikel 107, tweede lid, van de Grondwet schenden. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8390 en 8391 voeren die grondwetsbepaling niet aan in samenhang met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In zoverre zij afgeleid zijn uit de schending van artikel 107, tweede lid, van de Grondwet, zijn het eerste middel in de zaak nr. 8390 en het eerste middel in de zaak nr. 8391 niet ontvankelijk. 27 B.5.
- Aangezien de verzoekende partijen doen blijken van het vereiste belang om de vernietiging van de bestreden bepalingen te vorderen, dienen zij daarenboven niet te doen blijken van een belang bij het middel. B.
- Het Hof onderzoekt eerst of de bestreden bepalingen inbreuk maken op de bevoegdheid die bij artikel 87, § 3, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 aan de gemeenschappen en de gewesten wordt verleend. B.7.
- Artikel 87, § 3, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt : « De Gemeenschappen en de Gewesten stellen de regeling vast die betrekking heeft op het administratief en geldelijk statuut van hun vast, tijdelijk en hulppersoneel, met uitzondering van de pensioenregeling. Inzake de pensioenregeling is hun personeel onderworpen aan de wettelijke en statutaire regelen die van toepassing zijn op het vast, tijdelijk en hulppersoneel van het Rijk ». B.7.
- Bij artikel 87, § 3, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 wordt, sinds de vervanging ervan bij artikel 12, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1988 tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, aan de gemeenschappen en de gewesten de bevoegdheid toegewezen om de regeling vast te stellen die betrekking heeft op het administratief en geldelijk statuut van hun vast, tijdelijk en hulppersoneel, met uitzondering van de pensioenregeling, waarvoor de regels van het Rijkspersoneel van toepassing zijn (Parl. St., Kamer, B.Z. 1988, nr. 516/1, p. 28). De bevoegdheid van de gemeenschappen en de gewesten om het administratief en geldelijk statuut van hun vast, tijdelijk en hulppersoneel vast te stellen, is verbonden met hun hoedanigheid van werkgever van de personeelsleden die tot de diensten van hun regeringen behoren. B.7.
- Artikel 42 van de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming heeft de autonomie van de gemeenschappen en de gewesten uitgebreid wat de personeelsstatuten betreft door een einde te maken aan de toepassing van rechtswege, op de 28 personeelsleden van de gemeenschappen en de gewesten, van de algemene beginselen inzake het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren, zoals vastgesteld bij een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit. De bijzondere wetgever wilde « de gemeenschappen en gewesten volledig bevoegd […] maken voor het administratief en geldelijk statuut van hun personeel, met uitzondering van de pensioenregeling » (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-2232/1, p. 176). B.
- Krachtens artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 12°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 is alleen de federale overheid bevoegd voor de sociale zekerheid, die onder meer de aangelegenheid van de pensioenen en die van de regeling inzake arbeidsongeschiktheid omvat. B.
- In haar advies over het voorontwerp dat ten grondslag ligt aan de wet van 18 mei 2024, merkte de afdeling wetgeving van de Raad van State op dat niet duidelijk vaststond of de nieuwe regeling van tijdelijke arbeidsongeschiktheid voor ambtenaren zou kunnen worden verbonden aan de bevoegdheid van de federale overheid inzake pensioenen, dan wel of die nieuwe regeling zou moeten worden beschouwd als een onderdeel van het administratief statuut en de bezoldigingsregeling en bijgevolg, wat betreft het personeel bedoeld in artikel 87, § 3, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, zou vallen onder de bevoegdheid van de gemeenschappen en de gewesten (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3968/001, pp. 92-94). In antwoord op die opmerking vermeldt de parlementaire voorbereiding dat de invoering van de nieuwe regeling inzake tijdelijke arbeidsongeschiktheid voor ambtenaren « noodzakelijk is voor de uitoefening van eigen materiële bevoegdheden, in het bijzonder voor de regeling van de pensioenen van de overheidssector », binnen de context van de afschaffing van de regeling van het pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid. Volgens de memorie van toelichting van de wet van 18 mei 2024 zou het, hoewel de federale overheid op grond van haar bevoegdheid inzake pensioenen « kan overgaan tot een hervorming, of zelfs afschaffing, van het huidige stelsel van het definitief ziektepensioen voor ambtenaren », « ondenkbaar [zijn], zowel ten aanzien van de deelstaten als ten aanzien van de betrokken ambtenaren, dat een afschaffing zou gebeuren zonder een alternatieve bescherming te voorzien binnen de sociale zekerheid ». Tot 29 slot en nog steeds volgens de memorie van toelichting heeft de nieuwe regeling geen « onevenredige impact op de deelstatelijke bevoegdheden » (ibid., pp. 7-9). B.
- In zoverre de bestreden bepalingen de regeling van het pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid opheffen, vallen zij onder de bevoegdheid van de federale overheid inzake pensioenen. B.
- De nieuwe regeling van tijdelijke arbeidsongeschiktheid voor ambtenaren wordt in wezen gekenmerkt, enerzijds, door de regelmatige opvolging van de medische situatie van de ambtenaar die tijdelijk arbeidsongeschikt is verklaard, met het oog op een werkhervatting door de betrokken ambtenaar zodra hij weer arbeidsgeschikt is (zie in het bijzonder artikel 117, § 1, § 1/5, § 1/6, § 2, § 3, § 3/1 en § 3/2, van de wet van 14 februari 1961, zoals gewijzigd bij de wet van 18 mei 2024), en, anderzijds, door de ontvangst, door de betrokken ambtenaar, van een vervangingsinkomen (tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren) tijdens de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid (zie in het bijzonder artikel 117, § 1/1, § 1/2, § 1/3, § 1/4, § 1/6 en § 3/1, van de wet van 14 februari 1961, zoals gewijzigd bij de wet van 18 mei 2024). Gelet op die kenmerken kon de federale overheid immers een arbeidsongeschiktheidsregeling invoeren voor de ambtenaren, zonder dat die bevoegdheid beperkt is tot de federale ambtenaren. De wetgever heeft het, ook ten aanzien van de ambtenaren van de gewesten en gemeenschappen, aangewezen kunnen achten een dergelijke regeling in te voeren ter vervanging van de door hem opgeheven regeling van het pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid. In zoverre sommige bestreden bepalingen de weerslag van een periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid op het rustpensioen regelen (zie in het bijzonder artikel 117, § 1/2, § 1/3, § 1/7 en § 1/8, van de wet van 14 februari 1961, zoals gewijzigd bij de wet van 18 mei 2024), vallen zij onmiskenbaar onder de bevoegdheid van de federale overheid inzake pensioenen. B.
- Uit het voorgaande volgt dat de bestreden bepalingen geen inbreuk maken op de bevoegdheid die bij artikel 87, § 3, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 aan de gemeenschappen en de gewesten is verleend. 30 B.13.
- Het Hof dient nog na te gaan of de bestreden bepalingen het beginsel van federale loyauteit, gewaarborgd bij artikel 143, § 1, van de Grondwet, schenden. B.13.
- Artikel 143, § 1, van de Grondwet bepaalt : « Met het oog op het vermijden van de belangenconflicten nemen de federale Staat, de gemeenschappen, de gewesten en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, in de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden, de federale loyauteit in acht ». De inachtneming van de federale loyauteit veronderstelt dat, wanneer zij hun bevoegdheden uitoefenen, de federale overheid en de deelentiteiten het evenwicht van de federale constructie in haar geheel niet verstoren. De federale loyauteit betreft meer dan de loutere uitoefening van bevoegdheden : zij geeft aan in welke geest dat moet geschieden. Het beginsel van federale loyauteit verplicht elke wetgever erover te waken dat de uitoefening van zijn eigen bevoegdheid de uitoefening, door de andere wetgevers, van hun bevoegdheden niet onmogelijk of overdreven moeilijk maakt. B.14.
- Te dezen voegt de inaanmerkingneming van het evenredigheidsbeginsel niets toe aan die van het beginsel van federale loyauteit. B.14.
- Artikel 117, § 1, eerste lid, van de wet van 14 februari 1961, zoals vervangen bij de wet van 18 mei 2024, bepaalt dat een ambtenaar in tijdelijke arbeidsongeschiktheid kan worden gesteld « onder voorbehoud van andersluidende statutaire bepalingen ». Daaruit volgt dat de statutaire bepalingen inzake de situatie van medisch arbeidsongeschikte ambtenaren, die door de gemeenschappen en de gewesten worden aangenomen op grond van hun bevoegdheid bedoeld in artikel 87, § 3, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, prioritair van toepassing zijn ten opzichte van de regeling van tijdelijke arbeidsongeschiktheid voor ambtenaren (zie Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3968/001, p. 13). Voor het overige impliceert het feit dat de tenuitvoerlegging van de wet van 18 mei 2024 de gemeenschappen en de gewesten mogelijk ertoe brengt het statuut van hun personeel te wijzigen (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3968/001, pp. 5 en 48; Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3968/002, pp. 4, 5 en 15-16), niet dat die wet de uitoefening, door de gemeenschappen en de gewesten, van hun bevoegdheid bedoeld in artikel 87, § 3, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 onmogelijk of overdreven moeilijk zou maken. 31 B.14.
- Zonder dat het noodzakelijk is te bepalen of te dezen het beginsel van federale loyaliteit al dan niet een voorafgaand overleg met de deelentiteiten vereiste, volstaat te dezen de vaststelling dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 18 mei 2024 blijkt dat een dergelijk overleg heeft plaatsgevonden (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3968/001, p. 9; Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3968/002, pp. 3, 16 en 20). B.14.
- Tot slot, in zoverre de verzoekende partijen in de zaak nr. 8390 de gevolgen van de bestreden bepalingen voor het statuut van het spoorwegpersoneel bekritiseren, dient te worden vastgesteld dat die grief neerkomt op kritiek op de gevolgen van de bestreden bepalingen voor de uitoefening van een andere federale bevoegdheid. Een dergelijke grief staat los van de kwestie van de inachtneming van de federale loyauteit. Het is derhalve niet nodig om de door de Ministerraad opgeworpen exceptie volgens welke die grief voor het eerst in de memorie van antwoord zou zijn geformuleerd en bijgevolg niet ontvankelijk zou zijn, te onderzoeken. B.
- Het eerste middel in de zaak nr. 8390 en het eerste middel in de zaak nr. 8391 zijn niet gegrond. Wat betreft het tweede middel in de zaak nr. 8390 B.
- Het tweede middel in de zaak nr. 8390 is afgeleid uit de schending van artikel 23, derde lid, 1° en 2°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 12 van het herziene Europees Sociaal Handvest en met artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. De verzoekende partijen doen gelden dat de bestreden bepalingen, zonder redelijke verantwoording, het beschermingsniveau van het recht op sociale zekerheid en van het recht op een billijke beloning in aanzienlijke mate verminderen. B.17.
- Artikel 23 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. 32 Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten inzonderheid : 1° het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid in het raam van een algemeen werkgelegenheidsbeleid dat onder meer gericht is op het waarborgen van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil, het recht op billijke arbeidsvoorwaarden en een billijke beloning, alsmede het recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen; 2° het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale, geneeskundige en juridische bijstand; […] ». B.17.
- Artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten bepaalt : « De Staten die partij zijn bij dit Verdrag erkennen het recht van een ieder op sociale zekerheid, daarbij inbegrepen sociale verzekering ». B.17.
- Artikel 12 van het herziene Sociaal Europees Handvest bepaalt : « Teneinde de onbelemmerde uitoefening van het recht op sociale zekerheid te waarborgen, verplichten de Partijen zich :
- een stelsel van sociale zekerheid in te voeren of in stand te houden;
- het stelsel van sociale zekerheid te houden op een bevredigend peil, dat tenminste gelijk is aan het peil dat vereist is voor de bekrachtiging van de Europese Code betreffende de sociale zekerheid;
- te streven naar een geleidelijke verhoging van de sociale zekerheidsnormen;
- stappen te ondernemen, door het sluiten van passende bilaterale en multilaterale overeenkomsten of door andere middelen, en met inachtneming van de in zulke overeenkomsten neergelegde voorwaarden ter waarborging van : a) een gelijke behandeling van de onderdanen van andere Partijen en de eigen onderdanen wat betreft rechten op het gebied van sociale zekerheid, met inbegrip van het behoud van uitkeringen uit hoofde van de socialezekerheidswetgeving, ongeacht eventuele verplaatsingen van de beschermende [lees : beschermde] personen tussen de grondgebieden van de Partijen; b) de verlening, handhaving en het herstel van rechten op sociale zekerheid, onder andere door het samentellen van tijdvakken van verzekering of tewerkstelling der betrokkenen overeenkomstig de wetgeving van elk der Partijen ». 33 B.17.
- Artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en artikel 12 van het herziene Europees Sociaal Handvest erkennen het recht op sociale zekerheid op een wijze die gedeeltelijk analoog is met artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet. De door die bepalingen verstrekte waarborgen vormen in die mate een onlosmakelijk geheel. B.17.
- Artikel 23 van de Grondwet bevat een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate vermindert zonder redelijke verantwoording. B.18.
- Ten eerste voeren de verzoekende partijen in essentie aan dat de bestreden bepalingen, in zoverre zij het definitief pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid afschaffen, zonder redelijke verantwoording het beschermingsniveau van het recht op sociale zekerheid aanzienlijk verminderen voor ambtenaren van wie de gezondheidstoestand zodanig is dat zij het werk nooit meer zullen kunnen hervatten. B.18.
- Onder de gelding van de wetgeving die voorafging aan de wet van 18 mei 2024, mocht een vroegtijdig pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid « definitief » worden toegekend indien de bevoegde medische instantie oordeelde dat de ambtenaar « definitief ongeschikt [was] om op een regelmatige wijze zijn functies of andere functies ingevolge wedertewerkstelling of wederbenuttiging […] in een ander ambt dat beter met zijn lichamelijke geschiktheid [overeenkwam], te vervullen » (artikel 117, § 1, eerste lid, van de wet van 14 februari 1961, zoals het van toepassing was vóór de vervanging ervan bij de wet van 18 mei 2024). In de andere gevallen was in principe bepaald dat het vroegtijdig pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid tijdelijk werd toegekend voor een maximumduur van twee jaar en dat gedurende die periode ten minste één nieuw medisch onderzoek moest plaatsvinden. Het tijdelijk pensioen werd definitief, onder meer wanneer de betrokken ambtenaar bij het verstrijken van de voormelde periode van twee jaar niet opnieuw in dienst was genomen of niet wedertewerkgesteld of wederbenuttigd kon worden (artikel 117, § 1, eerste tot vierde lid, van de wet van 14 februari 1961, zoals het van toepassing was vóór de vervanging ervan bij de wet van 18 mei 2024). 34 B.18.
- Volgens de regeling die werd ingevoerd bij de wet van 18 mei 2024, mag een ambtenaar in tijdelijke arbeidsongeschiktheid worden gesteld wanneer de bevoegde medische instantie vaststelt dat hij « voor onbepaalde tijd ongeschikt is om op een regelmatige wijze zijn functies te vervullen » (artikel 117, § 1, eerste lid, van de wet van 14 februari 1961, zoals vervangen bij de wet van 18 mei 2024). Een ambtenaar die in tijdelijke arbeidsongeschiktheid is gesteld, wordt medisch opgevolgd door Medex, dat ook een periodieke herevaluatie uitvoert. Een medische herevaluatie dient steeds plaats te vinden binnen de termijn die werd vastgesteld bij de vorige ongeschiktverklaring en die minimaal zes maanden en maximaal vijf jaar bedraagt (artikel 117, § 1, derde tot vijfde lid, van de wet van 14 februari 1961, zoals vervangen bij de wet van 18 mei 2024). In de memorie van toelichting van de wet van 18 mei 2024 wordt beklemtoond dat Medex « het personeelslid daartoe niet noodzakelijk [hoeft] op te roepen voor een medisch onderzoek » en dat « rekening houdend met de aard van de ongeschiktheid en de graad van het verlies aan zelfredzaamheid […] Medex de evaluatie ook [kan] uitvoeren op basis van de stukken in het medisch dossier van het personeelslid (bijvoorbeeld in het geval van een ongeneeslijke degeneratieve aandoening) » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3968/001, p. 12). Tot slot kan de beslissing van Medex om de tijdelijke arbeidsongeschiktheid definitief te beëindigen, krachtens artikel 117, § 1/6, derde lid, van de wet van 14 februari 1961, zoals ingevoegd bij de wet van 18 mei 2024, in principe « uitsluitend gemotiveerd worden op grond van de lichamelijke geschiktheid van het personeelslid om op een regelmatige wijze zijn functies opnieuw te vervullen ». Uit die bepalingen blijkt dat, zolang Medex bij elke medische herevaluatie – die in voorkomend geval op basis van stukken uit het medisch dossier kan worden verricht – vaststelt dat de arbeidsongeschiktheid aanhoudt, de betrokken ambtenaar tijdelijk arbeidsongeschikt blijft, mogelijk totdat hij op rust wordt gesteld (zie artikel 117, § 1/7, van de wet van 14 februari 1961, zoals ingevoegd bij de wet van 18 mei 2024). Zolang de betrokken ambtenaar tijdelijk arbeidsongeschikt is, ontvangt hij de overeenkomstige uitkering, die in principe op dezelfde wijze wordt berekend als een rustpensioen (artikel 117, § 1/1, derde lid, van de wet van 14 februari 1961, zoals ingevoegd bij de wet van 18 mei 2024). Daaruit volgt dat de bestreden bepalingen het beschermingsniveau van het recht op sociale zekerheid niet in aanzienlijke mate verminderen voor ambtenaren van wie de gezondheidstoestand zodanig is dat zij nooit meer het werk zullen kunnen hervatten. 35 B.19.
- Ten tweede voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 8390 aan dat voorheen het definitief pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid werd toegekend na afloop van een lange periode van tijdelijke ongeschiktheid gedurende welke de ambtenaar zijn wedde genoot en bijdroeg voor zijn pensioen, terwijl, in het kader van de nieuwe regeling van de wet van 18 mei 2024, de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid sneller ingaat en in principe niet in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het pensioen of van een eventuele volgende tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. B.19.
- Gesteld dat de verzoekende partijen, wanneer zij verwijzen naar de periode voorafgaand aan de toekenning van het pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid, doelen op het ziekteverlof waarin de verschillende statuten kunnen voorzien, dient te worden vastgesteld dat de bestreden bepalingen geen wijziging aanbrengen in de statutaire bepalingen betreffende het ziekteverlof. De statutaire bepalingen die de situatie van medisch arbeidsongeschikte ambtenaren regelen, zoals die met betrekking tot het ziekteverlof, zijn prioritair van toepassing ten opzichte van de regeling van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid voor ambtenaren (artikel 117, § 1, eerste lid, van de wet van 14 februari 1961, zoals vervangen bij de wet van 18 mei 2024). Daaruit volgt dat, op dat punt, de door de verzoekende partijen aangevoerde eventuele vermindering van het beschermingsniveau van het recht op sociale zekerheid en van het recht op een billijke beloning niet volgt uit de bestreden bepalingen, maar eventueel zou volgen uit een wijziging van de betrokken statutaire bepalingen door de bevoegde overheden. B.19.
- Voor het overige dient te worden opgemerkt dat voorheen, in de regeling van het pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid (artikel 117, § 1, vijfde lid, van de wet van 14 februari 1961, zoals het van toepassing was vóór de vervanging ervan bij de wet van 18 mei 2024), het definitief pensioen berekend bleef « op de grondslagen die [bestonden] op het ogenblik van de toekenning van het tijdelijk pensioen ». « Indien de gerechtigde op het tijdelijk pensioen daadwerkelijk opnieuw in dienst [werd] genomen gedurende ten minste een jaar », werd de periode van het tijdelijk pensioen evenwel in aanmerking genomen « voor de toekenning en de berekening van een nieuw pensioen », waarbij werd gepreciseerd dat « het bedrag van dit laatste pensioen […] niet lager [mocht] zijn dan dat van het tijdelijk pensioen, berekend op grond van de op de ingangsdatum van het nieuwe pensioen van kracht zijnde weddeschalen ». 36 Voortaan is bepaald, wat de nieuwe regeling van tijdelijke arbeidsongeschiktheid voor ambtenaren betreft (artikel 117, § 1/2 en § 1/3, van de wet van 14 februari 1961, zoals ingevoegd bij de wet van 18 mei 2024), dat « de perioden van tijdelijke arbeidsongeschiktheid […] in aanmerking [worden] genomen voor de opening van het recht op een pensioen » (artikel 117, § 1/2, eerste lid). Die perioden worden evenwel in principe niet in aanmerking genomen « voor de berekening van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren, noch voor de berekening van het bedrag van een pensioen of voor het vaststellen van de referentiewedde die als grondslag dient voor de berekening van een van beide » (artikel 117, § 1/2, eerste lid). Bij wijze van uitzondering op dat beginsel « worden de perioden van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, in chronologische volgorde en naar rata van 1/60e van de referentiewedde per jaar dienst, voor ten hoogste 24 maanden in aanmerking genomen voor de berekening van het bedrag van het pensioen en, in voorkomend geval, van elke op die perioden van tijdelijke arbeidsongeschiktheid volgende nieuwe tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren, op voorwaarde dat de gerechtigde, na de definitieve stopzetting van zijn tijdelijke arbeidsongeschiktheid en vóór elke volgende nieuwe periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, gedurende ten minste één jaar werkelijke diensten verstrekt » (artikel 117, § 1/2, tweede lid). Evenzo wordt, indien een tijdelijk pensioen is toegekend op basis van de vroegere regeling, de periode ervan in aanmerking genomen « voor de opening van het recht op een pensioen en voor de berekening van het bedrag van het pensioen en van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren, indien de gerechtigde na dat tijdelijk pensioen gedurende ten minste één jaar werkelijke diensten heeft verstrekt » (artikel 117, § 1/2, derde lid). Tot slot « [worden] pensioenaanspraakverlenende diensten die tijdens een periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid worden verstrekt naar aanleiding van een werkhervatting of wedertewerkstelling », zonder dat de periode van die diensten een jaar moet bedragen, « in aanmerking genomen voor het rustpensioen dat erop volgt en, in voorkomend geval, voor elke tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren die, na de definitieve stopzetting van de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid waarin de diensten werden verstrekt, wordt toegekend tijdens een volgende periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid » (artikel 117, § 1/3). Uit het voorgaande volgt dat de bestreden bepalingen die de manier regelen waarop de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid al dan niet in aanmerking wordt genomen voor het pensioen of voor een eventuele volgende tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, het 37 beschermingsniveau van het recht op sociale zekerheid niet in aanzienlijke mate verminderen in vergelijking met de vroegere bepalingen betreffende het pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid. B.20.
- Tot slot voeren de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord aan dat de bestreden bepalingen de spoorwegpersoneelsleden en hun rechthebbenden tal van voordelen ontnemen die worden geboden door het statuut van het spoorwegpersoneel. In hun memorie van antwoord voeren zij verder nog aan dat de regeling van vóór de wet van 18 mei 2024 de betrokken ambtenaar toeliet om definitief het pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid te genieten, zelfs wanneer hij het werk hervatte. B.20.
- Het staat niet aan de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord de middelen, zoals door henzelf omschreven in het verzoekschrift, te wijzigen of uit te breiden. Bezwaren die, zoals te dezen, in een memorie van antwoord worden aangebracht maar die verschillen van die welke in het verzoekschrift zijn geformuleerd, zijn dan ook nieuwe middelen en zijn onontvankelijk. B.
- Het tweede middel in de zaak nr. 8390 is niet gegrond. Wat het derde middel in de zaak nr. 8390 betreft B.
- Het derde middel in de zaak nr. 8390 is afgeleid uit de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie dat is gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat het uit drie onderdelen bestaat. Eerste onderdeel B.
- In het eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een ongerechtvaardigd verschil in behandeling doen ontstaan onder de ambtenaren 38 die een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering genieten en/of hun rechthebbenden, naargelang die ambtenaren al dan niet overleden zijn gedurende de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid. B.
- Krachtens artikel 117, § 1/1, tweede lid, van de wet van 14 februari 1961, zoals ingevoegd bij de wet van 18 mei 2024, wordt de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering in principe gelijkgesteld met een rustpensioen. Volgens de memorie van toelichting van de wet van 18 mei 2024 heeft die gelijkstelling, wanneer de betrokken ambtenaar gedurende de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid komt te overlijden, onderstaande gevolgen voor het overlevingspensioen : « Ook op het vlak van de overlevingspensioenen heeft de gelijkstelling van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren met een rustpensioen gevolgen. In geval van overlijden, zal de gerechtigde op een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, voor het overlevingspensioen van zijn rechtverkrijgenden, niet beschouwd worden als overleden tijdens zijn loopbaan maar wel als overleden na het verkrijgen van een rustpensioen. Zo bijvoorbeeld zal een ambtenaar die vanaf de leeftijd van 40 jaar in tijdelijke arbeidsongeschiktheid werd gesteld met een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren en die op de leeftijd van 46 jaar overlijdt, voor de berekening van het overlevingspensioen van zijn echtgenote beschouwd worden als zijnde gepensioneerd vanaf de leeftijd van 40 jaar, ondanks het feit dat de statutaire band met zijn werkgever nog niet verbroken was op het ogenblijk van zijn overlijden. Indien de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren is ingegaan vóór de leeftijd van 60 jaar van het personeelslid, zal de voordeliger berekeningswijze van het overlevingspensioen (zoals bepaald in artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen) toegepast worden voor zijn rechtverkrijgenden. Het overlevingspensioen volgend op een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren zal dus in alle gevallen (