← België

ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.047

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 16 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.047 Arrest- Rolnummer: 47/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-04-27 Raadplegingen: 393 - laatst gezien 2026-06-18 06:42 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 17 mei 2024 « over dierenwelzijn », ingesteld door de vzw « Offerfeest » en Abdelkader Alami en door de vzw « Offerfeest ». Bescherming en welzijn van dieren - Vlaams Gewest - Toegelaten methodes voor het slachten van dieren - Slachtingen voorgeschreven door de ritus van een eredienst - Alternatieve bedwelmingsmethoden Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 47/2026 van 16 april 2026 Rolnummers : 8405 en 8407 In zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 17 mei 2024 « over dierenwelzijn », ingesteld door de vzw « Offerfeest » en Abdelkader Alami en door de vzw « Offerfeest ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Joséphine Moerman en Pierre Nihoul, de rechters Michel Pâques, Danny Pieters, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter Luc Lavrysen, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging Bij twee verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 31 december 2024 en 2 januari 2025 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 3 en 6 januari 2025, zijn beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 17 mei 2024 « over dierenwelzijn » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 juli 2024; erratum in het Belgisch Staatsblad van 12 augustus 2024) ingesteld respectievelijk door de vzw « Islamitisch Offerfeest Antwerpen » (thans : de vzw « Offerfeest »), Adbelkader Alami en Saïd Mdaouchi, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Anthony Poppe, advocaat bij de balie te Gent, en door de vzw « Islamitisch Offerfeest Antwerpen » (thans : de vzw « Offerfeest »). Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8405 en 8407 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : 2 - de vzw « Global Action in the Interest of Animals » (GAIA), bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Anthony Godfroid, advocaat bij de balie van Antwerpen (tussenkomende partij); - de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Xavier Drion, advocaat bij de balie Luik-Hoei; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jean-François De Bock en mr. Joy Moens, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8405 hebben een memorie van antwoord ingediend. Memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de Waalse Regering; - de Vlaamse Regering. Bij op 13 mei 2025 ter post aangetekende brief heeft de verzoekende partij in de zaak nr. 8407 aan het Hof laten weten dat ze afstand van geding doet. Bij beschikking van 28 januari 2026 heeft het Hof, na rechter Willem Verrijdt, verslaggever ter vervanging van rechter-verslaggever Danny Pieters, wettig verhinderd, en rechter-verslaggeefster Kattrin Jadin te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen. Bij op 5 februari 2026 ter post aangetekende brief heeft de raadsman van de verzoekende partijen in de zaak nr. 8405 aan het Hof laten weten dat Saïd Mdaouchi, de derde verzoekende partij, overleden is. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 11 februari 2026 de dag van de terechtzitting bepaald op 4 maart 2026. Op de openbare terechtzitting van 4 maart 2026 : - zijn verschenen : . Abdelkader Alami, verzoekende partij in de zaak nr. 8405, in eigen persoon; . mr. Anthony Godfroid, voor de tussenkomende partij; . mr. Xavier Drion, voor de Waalse Regering; . mr. Jean-François De Bock, tevens loco mr. Joy Moens, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers Danny Pieters en Kattrin Jadin verslag uitgebracht; 3 - zijn de voornoemde partijen gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de zaak nr. 8407 A.1. De verzoekschriften in de zaak nr. 8405 en 8407 werden beiden ingediend in naam van de vzw « Islamitisch Offerfeest Antwerpen ». De advocaten in de zaak nr. 8407 hebben aan het Hof laten weten dat zij de verzoekende partij niet langer vertegenwoordigen, en dat het verzoekschrift in de zaak nr. 8407 per vergissing werd ingediend. Ten aanzien van de zaak nr. 8405 Wat betreft de ontvankelijkheid A.2.1. De Vlaamse Regering betwist de ontvankelijkheid van het beroep. Artikel 36, § 2, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 17 mei 2024 « over dierenwelzijn » is inhoudelijk niet gewijzigd ten opzichte van artikel 15 van de wet van 14 augustus 1986 « betreffende de bescherming en het welzijn der dieren » (hierna : de wet van 14 augustus 1986). Artikel 84 van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn heeft voor runderen, andere dan kalveren, dezelfde inhoud als artikel 45ter van de wet van 14 augustus 1986. Er is niet opnieuw wetgevend opgetreden. Bijgevolg is het beroep laattijdig ten aanzien van de voormelde bepalingen. A.2.2. Wat betreft artikel 39, § 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn, betwist de Vlaamse Regering het belang van de eerste verzoekende partij bij de vernietiging ervan. Het statutair doel van de eerste verzoekende partij is specifiek gericht op slachtingen volgens een religieuze ritus in een erkend slachthuis of een tijdelijke erkende slachtplaats, terwijl artikel 39, § 3, betrekking heeft op thuisslachtingen. A.2.3. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8405 wijzen erop dat artikel 39, § 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn wel degelijk de context en de modaliteiten van religieuze slachtingen bepaalt en dus raakt aan het statutair doel van de eerste verzoekende partij. Wat betreft het eerste middel A.3.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8405 leiden een eerste middel af uit de schending, door artikel 36, § 2, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn, van de artikelen 19 en 21 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 10 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest), met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 18 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Zij klagen aan dat de bestreden bepaling het slachten van alle betrokken dieren, uitgezonderd runderen, onderwerpt aan een voorafgaande bedwelming. Voor ritueel slachten moet die bedwelming omkeerbaar zijn, maar geen enkel slachthuis in Vlaanderen, of zelfs in België, voert een dergelijke omkeerbare bedwelming uit. Bijgevolg kan die optie niet worden meegenomen in de beoordeling van de proportionaliteit, wat nochtans het geval was bij de beoordeling door het Hof in zijn arrest nr. 117/2021 van 30 september 2021 (ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.117). De decreetgever heeft echter zes jaar later de oorspronkelijke bepaling uitdrukkelijk bevestigd, in de wetenschap dat geen enkel slachthuis in Vlaanderen een omkeerbare bedwelming toepast bij het slachten van schapen, geiten of pluimvee. De elektrische verdoving die wél wordt toegepast, kan niet als omkeerbaar worden beschouwd in de zin van het voormelde arrest. 4 De decreetgever heeft evenmin enige moeite gedaan om te waarborgen dat er werkelijk mogelijkheden waren om de religieuze slachtingen correct te laten verlopen, noch om de huidige praktijken te controleren. A.3.2. Volgens de Vlaamse Regering heeft het middel betrekking op de uitvoering van de bestreden bepaling. Het Hof is bijgevolg niet bevoegd om het middel te behandelen. In ondergeschikte orde voert de Vlaamse Regering aan dat het middel niet gegrond is. Er zijn wel degelijk twee slachthuizen in Vlaanderen waar met elektronarcose wordt bedwelmd. Ook worden jaarlijks tijdelijke slachtvloeren erkend, waar eveneens elektronarcose wordt toegepast. Het middel mist bijgevolg feitelijke grondslag. De verzoekende partijen staven niet hun bewering dat de toegepaste elektronarcose niet omkeerbaar is. De Vlaamse Regering wijst erop dat de verzoekende partijen als enigen een beroep indienden, terwijl er een veel groter aantal verzoekende partijen betrokken was bij de beroepen tegen de oorspronkelijke invoering van het verbod op onverdoofd slachten. Dat wijst volgens de Vlaamse Regering erop dat de beschikbare omkeerbare bedwelming wel degelijk haar doel bereikt. A.3.3. De Waalse Regering benadrukt dat de beschikbare bedwelmingsmethodes, en specifiek het gebruik van elektronarcose als omkeerbare bedwelmingsmethode, niet gewijzigd is sinds het tijdstip waarop de oorspronkelijke bepaling werd aangenomen. Het zijn deze bestaande methodes die in overweging werden genomen door zowel het Grondwettelijk Hof, het Hof van Justitie van de Europese Unie als het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, die allen hebben geoordeeld dat de in A.3.1 vermelde normen niet zijn geschonden. Er is dan ook geen aanleiding om in casu anders te oordelen. Wat betreft het tweede middel A.4.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8405 leiden een tweede middel af uit de schending, door artikel 39, § 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn, van de artikelen 19 en 21 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 10 van het Handvest, met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 18 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. In essentie voeren zij aan dat ook bij thuisslachting een omkeerbare bedwelming niet mogelijk is, aangezien er geen enkel omkeerbaar elektrisch verdovingsmiddel op de markt is voor particulieren. De thuisslachting kan dus niet als een alternatief worden beschouwd voor het feit dat geen enkel slachthuis een slachting met omkeerbare bedwelming aanbiedt. Zeker met betrekking tot het Offerfeest maakt dat een schending uit van de vrijheid van godsdienst, aangezien het slachten zelf daarvoor cruciaal is, waardoor de invoer van halalvlees niet als alternatief kan worden beschouwd. A.4.2. Volgens de Vlaamse Regering mist het middel feitelijke grondslag. Er zijn wel degelijk manuele elektrische bedwelmingstangen beschikbaar, die zowel op tijdelijke slachtingsvloeren als bij thuisslachting kunnen worden gebruikt. De thuisslachting is bovendien een uitzondering, die enkel toegelaten is om te voldoen aan de behoeften van het huisgezin. Bijgevolg vallen slachtingen met het oog op herverdeling, zoals het geval is bij het Offerfeest, niet onder het toepassingsgebied van de bestreden bepaling. Voor dat Offerfeest worden dan ook jaarlijks tijdelijke slachtvloeren ingericht. A.4.3. De Waalse Regering voert bijkomend aan dat de tweede en derde verzoekende partij, die niet over het vereiste attest beschikken om thuisslachtingen uit te voeren, geen belang hebben bij de vernietiging van de bestreden bepaling. Wat betreft het derde middel A.5.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8405 leiden een derde middel af uit de schending, door artikel 84 van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn, van de artikelen 19 en 21 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 10 van het Handvest, met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 18 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Zij klagen aan dat, doordat die bepaling toelaat dat de bedwelming na het kelen wordt toegepast, moslims in Vlaanderen geen runderen kunnen slachten overeenkomstig hun religieuze riten. A.5.2. De Vlaamse Regering benadrukt, met verwijzing naar de parlementaire voorbereiding, dat het gebruik van het penschiettoestel onmiddellijk na de keelsnede (post-cut stunning) garandeert dat het dier ongeschonden is op het moment van het slachten en dat het sterft door verbloeding. Die methode werd, hoewel zij een ernstige 5 inbreuk op het dierenwelzijn vormt, net toegelaten als overgangsmaatregel vanwege de praktische moeilijkheden bij het omkeerbaar bedwelmen van volwassen runderen, moeilijkheden die zich niet of minder stellen bij kalveren. Het derde middel is bijgevolg niet gegrond. A.5.3. De Waalse Regering voert aan dat de verzoekende partijen geen enkel element aanvoeren dat ertoe leidt de bestaande rechtspraak van het Hof in vraag te stellen. Ten aanzien van de memorie van tussenkomst van de vzw « Global Action in the Interest of Animals » (GAIA) A.6.1. De vzw « Global Action in the Interest of Animals » (GAIA) sluit zich aan bij de argumenten van de Vlaamse Regering en vraagt het Hof om de beroepen tot vernietiging te verwerpen. A.6.2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8405 betwisten het belang van die vzw bij de tussenkomst, aangezien de bestreden bepalingen in de praktijk het dierenwelzijn niet bevorderen. -B- Ten aanzien van de zaak nr. 8407 B.1. Bij brief van 13 mei 2025 stellen de advocaten die het verzoekschrift in de zaak nr. 8407 hebben ingediend, het Hof in kennis van het feit dat zij, op het moment van het indienen van dat verzoekschrift, niet langer over een mandaat beschikken om namens de vzw « Islamitisch Offerfeest Antwerpen » een beroep tot vernietiging in te dienen bij het Hof. Bijgevolg dient het beroep in de zaak nr. 8407 voor onbestaand te worden gehouden. De memorie van tussenkomst van de vzw « Global Action in the Interest of Animals » is bijgevolg niet ontvankelijk in zoverre zij betrekking heeft op de zaak nr. 8407. Ten aanzien van de zaak nr. 8405 Wat betreft het overlijden van de derde verzoekende partij B.2. Bij een schrijven van 5 februari 2026 is het Hof in kennis gesteld van het overlijden van Saïd Mdaouchi, de derde verzoekende partij in de zaak nr. 8405. Artikel 96 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 bepaalt : 6 « Indien, vóór de sluiting van de debatten, een belanghebbende die een beroep tot vernietiging heeft ingesteld […] komt te overlijden, wordt de rechtspleging voortgezet zonder dat er grond is tot hervatting van het rechtsgeding ». Bijgevolg wordt de rechtspleging voortgezet. Wat betreft de middelen in de zaak nr. 8405 B.3.1. Het beroep in de zaak nr. 8405 is gericht tegen de artikelen 36, § 2, 39, § 3, en 84 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 17 mei 2024 « over dierenwelzijn » (hierna : de Vlaamse Codex Dierenwelzijn). De decreetgever beoogde met de Vlaamse Codex Dierenwelzijn te voorzien in een samenhangend, alomvattend en sluitend wettelijk kader voor het Vlaamse dierenwelzijnsbeleid (Parl. St., Vlaams Parlement, 2023-2024, nr. 2030/1, p. 3). De doelstellingen van de nieuwe Codex zijn dan ook : het samenbrengen van de bestaande regelgeving en het toevoegen van nieuwe regelgeving (Parl. St., Vlaams Parlement, 2023-2024, nr. 2030/7, p. 5) waarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de bestaande beschermingsmaatregelen, maar wel een vooruitgang ter zake wordt nagestreefd (ibid.). De Vlaamse Codex Dierenwelzijn vervangt in dat opzicht de wet van 14 augustus 1986 « betreffende de bescherming en het welzijn der dieren » (hierna : de wet van 14 augustus 1986), aangezien de gewesten sinds 1 juli 2014 bevoegd zijn voor het dierenwelzijn (artikel 6, § 1, XI, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980). Vlaanderen wil met die Codex voortrekker worden binnen Europa op het vlak van dierenwelzijn (ibid.). B.3.2. Artikel 36 van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn bepaalt : « § 1. Een gewerveld dier wordt alleen gedood na voorafgaande bedwelming. Alleen een persoon die daarvoor de nodige kennis en bekwaamheid heeft, kan een gewerveld dier doden. Dat gebeurt volgens de voor het dier minst pijnlijke, snelste en meest selectieve methode. In afwijking van het eerste lid kan een gewerveld dier in de volgende gevallen zonder voorafgaande bedwelming worden gedood : 1° in geval van overmacht; 2° bij jacht of visvangst; 7 3° in het kader van de bestrijding van schadelijke organismen. § 2. Als dieren worden geslacht volgens speciale methoden die vereist zijn voor religieuze riten, kan de bedwelming omkeerbaar zijn en is de dood van het dier dan niet het gevolg van de bedwelming ». De parlementaire voorbereiding verduidelijkt dat het gaat om een bepaling die vrijwel identiek is aan artikel 15 van de wet van 14 augustus 1986 : « Artikel 36 bepaalt onder welke voorwaarden en door wie gewervelde dieren mogen gedood worden. Kernprincipe is dat het lijden hierbij tot het minimum moet herleid worden, waarbij dieren niet gedood mogen worden zonder voorafgaand bedwelmd te zijn. Dit principe geldt ongeacht of de dieren gedood of geslacht worden en ongeacht of het gaat om een slachting volgens speciale methoden die vereist zijn voor religieuze riten of niet. Uitzondering op dit principe van voorafgaande bedwelming geldt enkel in drie specifieke, limitatief opgesomde gevallen :

  1. a)in geval van overmacht;
  2. b)bij jacht of visvangst;
  3. c)in het kader van de bestrijding van schadelijke organismen. Deze bepaling is vrijwel identiek aan het artikel 15 van de Dierenwelzijnswet, met dien verstande dat de omkeerbare bedwelming nu enkel een optie is en geen verplichting meer naar aanleiding van de religieuze slachtingen, en zorgt voor een continuïteit van het huidig rechtskader en de huidige praktijk. Deze versie van het artikel 15 werd ingevoerd middels het decreet van 7 juli 2017 en doorstond inmiddels zowel de toets van het Europees Hof van Justitie (middels het arrest met nr. C-426/16 van 17 december 2020) als het Grondwettelijk Hof (middels het arrest met nr. 117/2021 van 30 september 2021). Er werd door deze Hoven bevestigd dat het bestreden decreet zowel in overeenstemming is met Verordening (EG) nr. 1099/2009, als met de vrijheid van godsdienst, met het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat, met het recht op arbeid en op vrije keuze van beroepsarbeid, met de vrijheid van ondernemen en het vrij verkeer van goederen en van diensten, en met het gelijkheidsbeginsel. Het Grondwettelijk Hof benadrukte hierbij tevens dat artikel 15, § 2, van de Dierenwelzijnswet in die zin dient te worden begrepen dat het voorziet, als tegemoetkoming aan de joodse en islamitische gelovigen, in een alternatieve verdovingsmethode, zonder zich op enige wijze uit te spreken over de inhoud en de strekking van religieuze voorschriften bij het slachten van dieren. Deze lezing is uiteraard ook van toepassing op het ontworpen artikel 36, § 2 » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2023-2024, nr. 2030/1, pp. 43-44). B.3.3. Artikel 39, § 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn bepaalt : « Het doden en slachten van schapen, geiten en varkens voor particulier huishoudelijk verbruik buiten een erkend slachthuis of een op grond van paragraaf 2 erkende inrichting is verboden. Het eerste lid is niet van toepassing op : 8 1° landbouwers als vermeld in artikel 2, 7°, van het decreet van 22 december 2006 tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid; 2° personen die in het bezit zijn van een getuigschrift van vakbekwaamheid afgeleverd door het departement én over een verdovingsinstrument beschikken. Het getuigschrift van vakbekwaamheid wordt verkregen door een opleiding over het slachten of doden van dieren te volgen en door te slagen voor een onafhankelijk examen. De opleiding wordt verzorgd door een opleidingsinstituut of een andere persoon die aantoonbare expertise heeft in het domein van dierenwelzijn bij het slachten en doden, op basis van een cursus die het departement heeft goedgekeurd. De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen van het getuigschrift van vakbekwaamheid, de te volgen opleiding over het slachten of doden van dieren, het examen en van het verdovingsinstrument ». De parlementaire voorbereiding licht die bepaling toe als volgt : « Paragraaf 3 voert een verbod in op zogenaamde thuisslachtingen van grotere landbouwhuisdieren. Het verbod is niet van toepassing op landbouwers en evenmin op personen die in het bezit zijn van een getuigschrift van vakbekwaamheid afgeleverd door het Departement én over een verdovingsinstrument beschikken. Dieren die bestemd zijn voor de slacht moet zoveel mogelijk pijn, lijden en stress bespaard worden. Ze moeten op een diervriendelijke manier behandeld worden en moeten voor de slacht verdoofd worden volgens een methode die toegelaten is volgens de Europese wetgeving. Dit kan door gebruik te maken van een penschiettoestel of een elektrisch bedwelmingstoestel. Het correct hanteren van deze toestellen vergt de nodige kennis en vaardigheid. Voor de voedselveiligheid moet ook de hygiëne verzekerd kunnen worden. Een slachting gaat daarenboven ook gepaard met een grote hoeveelheid bloed en ander dierlijk afval dat op de juiste manier verwijderd moet worden. Dit alles maakt dat het nagenoeg onmogelijk is om een slachting door particulieren thuis correct uit te voeren volgens alle wettelijke voorwaarden en dit zonder een voorafgaande kwalitatieve opleiding over het slachten of doden van dieren te hebben gevolgd. Slachtingen door particulieren worden daarom in de regel uitgevoerd in een erkend slachthuis of op een erkende tijdelijke slachtplaats. Het verbod is zoals gezegd van toepassing op de grotere landbouwhuisdieren, met name op schapen, geiten en varkens, en dus niet op het slachten van pluimvee, konijnen en hazen. Runderen en paarden maken eveneens geen deel uit van het verbod, gezien de wet van 5 september 1952 ‘ betreffende de vleeskeuring en de vleeshandel ’ het thuisslachten van deze dieren reeds verbiedt. Bij pluimvee, konijnen en hazen gaat het om kleinere dieren, waar verwacht wordt dat het slachten en doden minder complex is dan bij grote dieren. Grote dieren zijn moeilijker te hanteren met als gevolg dat er een groter risico op dierenwelzijnsschendingen zijn. Dit artikel treedt in werking op datum van inwerkingtreding van huidig decreet, met uitzondering van diegenen die zich beroepen op de uitzondering vermeld in artikel 39, § 3, tweede lid, 2° die de tijd krijgen tot 1 januari 2026 om het getuigschrift van vakbekwaamheid te behalen. (cf. artikel 86, 6°) » (ibid., pp. 46-47). 9 B.3.4. Artikel 84 van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn bepaalt : « In afwijking van artikel 36 kan de bedwelming bij runderen, andere dan kalveren die geslacht worden volgens speciale methoden die vereist zijn voor religieuze riten, tijdelijk onmiddellijk na het kelen plaatsvinden, en dat tot op de datum waarop de Vlaamse Regering bepaalt dat omkeerbare bedwelming voor de voormelde diersoort praktisch toepasbaar is ». De parlementaire voorbereiding vermeldt dat die bepaling nagenoeg identiek is aan artikel 45ter van de wet van 14 augustus 1986 : « Artikel 84 bepaalt dat de bedwelming bij runderen andere dan kalveren die geslacht worden volgens speciale methoden die vereist zijn voor religieuze riten, tijdelijk onmiddellijk na het kelen mag plaatsvinden, tot op de datum dat de Vlaamse Regering bepaalt dat omkeerbare bedwelming voor deze diersoort praktisch toepasbaar is. Deze bepaling is identiek aan artikel 45ter van de Dierenwelzijnswet, met dien verstande dat rekening wordt gehouden met het feit dat voor kalveren de verplichte voorafgaande bedwelming intussen definitief is geworden, en dit bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 2019 ‘ betreffende het slachten van kalveren ’. Middels dit besluit werd bepaald dat de datum waarop de omkeerbare bedwelming voor de kalveren praktisch toepasbaar is, 1 januari 2020 is. Uit onderzoek is verder gebleken dat ook voor volwassen runderen omkeerbare bedwelming praktisch toepasbaar kan zijn. Vooraleer de omkeerbare bedwelmingstechniek in Vlaanderen als wettelijk alternatief kan geïntroduceerd worden voor volwassen runderen, wordt in één of meerdere slachthuizen onderzocht of deze techniek op punt staat in onze praktijkomstandigheden en voor onze landbouwrassen » (p. 63). B.3.5. Bij zijn arrest nr. 117/2021 van 30 september 2021 (ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.117) heeft het Hof, ten aanzien van de voormelde artikelen 15 en 45ter van de wet van 14 augustus 1986, zoals gewijzigd bij het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 juli 2017 « houdende wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, wat de toegelaten methodes voor het slachten van dieren betreft », geoordeeld dat « de beperkingen die het bestreden decreet stelt aan de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst door een voorafgaande bedwelming toe te laten die omkeerbaar is en niet tot de dood van het dier kan leiden, indien het doden het voorwerp uitmaakt van bijzondere slachtmethodes voorgeschreven door de ritus van een eredienst, beantwoorden aan een dwingende maatschappelijke behoefte en evenredig zijn met de nagestreefde wettige doelstelling om het dierenwelzijn te bevorderen ». Het Hof heeft bijgevolg geoordeeld dat die bepalingen geen onverantwoorde beperking van de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst inhouden. 10 Het Hof oordeelde : « B.22.1. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt eveneens dat de decreetgever, zich ervan bewust zijnde dat het bestreden decreet raakt aan de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, heeft gezocht naar een evenwicht tussen, enerzijds, de door hem nagestreefde doelstelling betreffende het bevorderen van het dierenwelzijn en, anderzijds, het eerbiedigen van de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst : ‘ Dat neemt echter niet weg dat gestreefd wordt naar een evenwicht tussen de bescherming van het dierenwelzijn en de vrijheid van godsdienst. Zowel de joodse als de islamitische ritus vereisen een maximale uitbloeding van het dier. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat de vrees dat bedwelming een negatieve invloed zou hebben op de uitbloeding, ongegrond is. Daarnaast vereisen beide riten dat het dier ongeschonden en gezond is op het moment van het slachten en dat het sterft ten gevolge van het bloedverlies. Zoals werd uiteengezet in punt 1.4.2 is elektronarcose een omkeerbare of reversibele (niet-lethale) bedwelming, waarbij het dier, als het niet gekeeld wordt, na korte tijd opnieuw bij bewustzijn zal komen en geen negatieve effecten van de bedwelming zal ondervinden. Wordt het dier onmiddellijk na de bedwelming gekeeld, dan zal het overlijden louter als gevolg van het bloedverlies. Daarmee rekening houdend, kan de conclusie in het rapport van de heer Vanthemsche bijgetreden worden. Die conclusie luidt dat de toepassing van omkeerbare, niet-lethale verdoving bij de praktijk van ritueel slachten, een proportionele maatregel is die de geest van ritueel slachten in het kader van de vrijheid van godsdienst respecteert en maximaal rekening houdt met het welzijn van de betrokken dieren. Een verplicht gebruik van elektronarcose voor slachtingen volgens speciale methoden die vereist zijn voor religieuze riten, doet dan ook op zijn minst niet op onevenredige wijze afbreuk aan de vrijheid van godsdienst ’ (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr. 1213/1, p. 16). B.22.2. Het decreet van 7 juli 2017 verbiedt niet de rituele slachting als dusdanig, maar raakt niettemin aan de specifieke rituele daad van het slachten, door te vereisen dat die rituele handeling pas wordt gesteld nadat het dier op omkeerbare wijze is bedwelmd. Aldus wordt de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst slechts beperkt in de mate waarin die rituele daad verband houdt met de door het bestreden decreet nagestreefde doelstelling van bescherming van het dierenwelzijn. B.22.3. Om zoveel als mogelijk tegemoet te komen aan de bekommernissen van de betrokken religieuze gemeenschappen (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr. 1213-1, pp. 15-16), bepaalt artikel 3, § 2, van het decreet van 7 juli 2017 dat de bedwelming omkeerbaar is en niet tot de dood van het dier mag leiden, indien het doden het voorwerp uitmaakt van bijzondere slachtmethodes, voorgeschreven door de ritus van een eredienst (artikel 15, § 2, van de wet van 14 augustus 1986, zoals vervangen bij artikel 3 van het bestreden decreet). B.22.4. Hoewel volgens de verzoekende partijen die alternatieve verdovingsmethode niet beantwoordt aan de religieuze voorschriften van de joodse en islamitische geloofsgemeenschappen of van minstens een deel ervan, een opvatting waarvan het Hof de 11 juistheid niet vermag te onderzoeken, kan die tegemoetkoming wel in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de evenredigheid van de beperking op de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst. In dat verband heeft het Hof van Justitie geoordeeld : ‘ Aangaande ten slotte de evenredigheid van de inmenging in de vrijheid van godsdienstbelijdenis die voortvloeit uit het decreet dat in het hoofdgeding aan de orde is, heeft de Vlaamse wetgever zich luidens de in punt 13 van dit arrest aangehaalde voorbereidende werkzaamheden voor dat decreet ten eerste gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek dat heeft aangetoond dat de vrees dat de bedwelming een negatieve invloed zou hebben op de uitbloeding, ongegrond is. Bovendien blijkt uit deze werkzaamheden dat elektronarcose een omkeerbare, niet-letale bedwelmingsmethode is, zodat het dier, indien het onmiddellijk na bedwelming wordt gekeeld, uitsluitend als gevolg van het bloedverlies sterft. Door bij rituele slachtingen een voorafgaande bedwelming op te leggen die omkeerbaar is en niet tot de dood van het dier kan leiden, heeft de Vlaamse wetgever zich tevens willen laten leiden door overweging 2 van verordening nr. 1099/2009, in het licht waarvan artikel 4 van die verordening – in zijn geheel genomen – moet worden gelezen en waarin in wezen wordt verklaard dat er bij voorkeur gebruik moet worden gemaakt van de optimale geoorloofde methode voor het doden, om de dieren vermijdbare pijn, spanning of lijden te besparen wanneer het dankzij de aanzienlijke wetenschappelijke vooruitgang mogelijk is hun lijden bij het doden te verminderen ’ (HvJ, grote kamer, 17 december 2020, C-336/19, Centraal Israëlitisch Consistorie van België e.a., punten 75 en 76). B.22.5. Het Hof van Justitie oordeelde ook dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, net als het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, een levend instrument is dat moet worden geïnterpreteerd in het licht van de huidige levensomstandigheden en de opvattingen die vandaag de dag in democratische staten heersen, zodat er rekening moet worden gehouden met de ontwikkeling van de waarden en opvattingen in de lidstaten, zowel op maatschappelijk als op normatief gebied. Volgens het Hof kan het dierenwelzijn, een waarde waaraan de hedendaagse democratische samenlevingen sinds enkele jaren steeds meer belang hechten, in het licht van de maatschappelijke ontwikkelingen in grotere mate in aanmerking worden genomen in het kader van het ritueel slachten en aldus mede rechtvaardigen dat een regeling als in het bestreden decreet evenredig is (HvJ, grote kamer, 17 december 2020, C-336/19, Centraal Israëlitisch Consistorie van België e.a., punt 77). […] B.31.4. Aangezien die bepaling louter de mogelijkheid biedt om gebruik te maken van de techniek van de omkeerbare bedwelming bij het slachten van dieren in het kader van een religieuze rite, kan ze niet in die zin worden geïnterpreteerd dat ze zou definiëren wat de speciale slachtmethoden moeten zijn die vereist zijn voor religieuze riten. Een dergelijke interpretatie zou niet verzoenbaar zijn met de plicht tot neutraliteit en onpartijdigheid van de decreetgever ten aanzien van de legitimiteit van de religieuze overtuigingen of de manier waarop ze tot uiting worden gebracht. Het bestaan van verschillende stromingen binnen de joodse en islamitische geloofsgemeenschap over de na te leven religieuze voorschriften bij ritueel slachten heeft geen invloed op die vaststelling. Artikel 15, § 2, van de wet van 14 augustus 1986, zoals vervangen bij artikel 3 van het bestreden decreet, dient aldus in die zin te worden begrepen dat het voorziet, als tegemoetkoming aan de joodse en islamitische 12 gelovigen, in een alternatieve verdovingsmethode, zonder zich op enigerwijze uit te spreken over de inhoud en de strekking van religieuze voorschriften bij het slachten van dieren. Hetzelfde geldt voor artikel 45ter van de wet van 14 augustus 1986, zoals vervangen bij artikel 5 van het bestreden decreet, dat bepaalt dat de bedwelming bij runderen die geslacht worden volgens speciale methoden die vereist zijn voor religieuze riten, tijdelijk onmiddellijk na het kelen plaatsvindt, en dit tot op de datum dat de Vlaamse Regering bepaalt dat omkeerbare bedwelming voor die diersoorten praktisch toepasbaar is ». B.4.1. Het eerste middel is afgeleid uit de schending, door artikel 36, § 2, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn, van de artikelen 19 en 21 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 10 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 18 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Het tweede middel is afgeleid uit de schending, door artikel 39, § 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn, van voormelde referentienormen. Het derde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 84 van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn, van dezelfde referentienormen. B.4.2. Uit de uiteenzetting van de middelen blijkt dat zij gebaseerd zijn op de veronderstelling dat er momenteel geen alternatieve bedwelmingsmethoden beschikbaar zijn die aan de vereisten van de voormelde rechtspraak van het Hof voldoen, noch in de slachthuizen (eerste middel), noch voor thuisslachtingen (tweede middel), noch ten aanzien van runderen (derde middel). Uit die uiteenzetting blijkt echter eveneens dat de verzoekende partijen erkennen dat momenteel in sommige slachthuizen elektronarcose en post-cut stunning wordt toegepast, en dat er toestellen beschikbaar zijn om ook tijdens thuisslachtingen elektronarcose en post-cut stunning toe te passen. Uit de in B.2.5 vermelde motieven van het arrest van het Hof nr. 117/2021 blijkt dat het gaat om dezelfde alternatieve bedwelmingsmethoden die het Hof in dat arrest in overweging heeft genomen. B.4.3. De middelen zijn gebaseerd op een verkeerd uitgangspunt en zijn dus niet gegrond. Er is bijgevolg geen aanleiding om de excepties met betrekking tot de ontvankelijkheid te onderzoeken. 13 Om die redenen, het Hof verwerpt de beroepen. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 16 april 2026. De griffier, De emeritus voorzitter, Frank Meersschaut Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.047 Gerelateerde publicatie(
  4. s)citeert: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.117 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.