← België

ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.051

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 23 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.051 Arrest- Rolnummer: 51/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-05-04 Raadplegingen: 367 - laatst gezien 2026-06-18 06:07 Versie(s): Versie FR Fiche Schending (artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, b), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, in zoverre die bepaling niet toelaat dat de verklaring tot toekenning van de Belgische nationaliteit aan een kind dat in het buitenland is geboren, wordt afgelegd wanneer de Belgische ouder, die in het buiteland is geboren, binnen de termijn van vijf jaar na de geboorte van dat kind is overleden zonder die verklaring te hebben afgelegd) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, b), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Publiek recht - Nationaliteit - Toekenning op basis van de Belgische nationaliteit van de vader of van de moeder - Voorwaarden - Kind geboren in het buitenland - Belgische ouder geboren in het buitenland - Verklaring tot toekenning van de Belgische nationaliteit aan het kind - Termijn van vijf jaar na de geboorte van het kind - Belgische ouder die binnen de termijn van vijf jaar na de geboorte van het kind is overleden Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 51/2026 van 23 april 2026 Rolnummer : 8427 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, b), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Joséphine Moerman, de rechters Thierry Giet, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter Luc Lavrysen, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 22 januari 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 11 februari 2025, heeft de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 8, § 1, [eerste lid,] 2°, b), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de artikelen 3 en 7 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in zoverre het, zonder rekening te houden met de specifieke omstandigheden van de situatie van het kind noch met zijn belang in concreto, niet de mogelijkheid biedt om de Belgische nationaliteit toe te kennen aan een kind geboren uit een Belgische ouder die in de loop van de termijn van vijf jaar na de geboorte is overleden zonder de bij dat artikel vereiste verklaring te hebben ondertekend, terwijl de Belgische nationaliteit, op grond van dat artikel, wordt toegekend of kan worden toegekend aan kinderen die zich bevinden in een situatie die in alle opzichten vergelijkbaar is, zij het dat hun Belgische ouders, daar zij in leven zijn, de voormelde verklaring hebben afgelegd of nog kunnen afleggen ? ». 2 Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - F.C., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jean-Baptiste Farcy, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jennifer Duval en mr. Clémence Lecomte, advocates bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 4 maart 2026 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Emmanuelle Bribosia en Joséphine Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil R.K., geboren op 6 september 1982 in Turkije, verwerft de Belgische nationaliteit op 27 september 2006, na gedurende meer dan vijf jaar op voortdurende wijze op het Belgische grondgebied te hebben verbleven. In 2011 keert zij terug naar Turkije, waar zij op 11 november 2014 een kind ter wereld brengt van wie de vader, F.C., de Turkse nationaliteit heeft. Zij legt voor dat kind een verklaring tot toekenning van de Belgische nationaliteit af op grond van artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, b), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, zodat dat kind Belg is. Op 11 maart 2016 brengen R.K. en F.C. hun tweede kind, A.C., ter wereld. R.K. overlijdt op 26 mei 2016, alvorens de nodige demarches voor de toekenning van de Belgische nationaliteit aan haar kind te hebben aangevat. F.C. neemt contact op met het consulaat-generaal van België te Istanbul om te vragen dat de Belgische nationaliteit aan A.C wordt toegekend. Die vraag wordt verworpen, om de reden dat enkel de Belgische ouder de in artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, b), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit beoogde verklaring kan ondertekenen. F.C. betwist die weigering in zijn eigen naam en in naam van A.C. voor de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, het verwijzende rechtscollege. Hij vraagt, in ondergeschikte orde, dat aan het Hof een vraag wordt gesteld over de bestaanbaarheid van artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, b), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit met de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet. Na de door de verzoeker gesuggereerde vraag te hebben geherformuleerd, stelt het verwijzende rechtscollege aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1.1. In hoofdorde doet de Ministerraad gelden dat de prejudiciële vraag niet nuttig is voor de oplossing van het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil. Het verwijzende rechtscollege stelt in de verwijzingsbeslissing immers vast dat er geen enkel begin van bewijs bestaat dat R.K. tot de in artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, b), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit beoogde verklaring zou zijn overgegaan indien zij niet 3 was overleden vóór het verstrijken van de termijn van vijf jaar waarin bij die bepaling is voorzien. Ongeacht het antwoord van het Hof zou het verwijzende rechtscollege zich dus niet op enig feitelijk element kunnen baseren om vast te stellen dat R.K. de wil had een dergelijke verklaring af te leggen, en dus om de Belgische nationaliteit aan A.C. toe te kennen, wetende dat de wil van de Belgische ouder bepalend is in het mechanisme waarin bij de in het geding zijnde bepaling is voorzien. A.1.2. De eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege zijn van mening dat het bestaan van een begin van bewijs dat de Belgische ouder de in het geding zijnde verklaring zou hebben afgelegd indien hij niet zou zijn overleden, losstaat van de door het verwijzende rechtscollege gestelde vraag. Een dergelijk begin van bewijs werd reeds gelijkgesteld met de in de in het geding zijnde bepaling beoogde verklaring, met name door een vonnis van de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 12 augustus 2022, en heeft de toekenning van de Belgische nationaliteit aan een in het buitenland geboren kind dus mogelijk gemaakt, ondanks het feit dat zijn Belgische ouder is overleden alvorens die verklaring af te leggen. De prejudiciële vraag heeft precies betrekking op een situatie waarin de Belgische ouder vóór zijn overlijden niet de demarches heeft ondernomen voor de toekenning van de Belgische nationaliteit aan zijn kind, zodat het rechtscollege waarvoor de zaak aanhangig is gemaakt die demarches niet kan gelijkstellen aan een verklaring tot toekenning van de Belgische nationaliteit. A.2.1. De Ministerraad merkt vooraf op dat het verwijzende rechtscollege het Hof verzoekt de situatie van het in het buitenland geboren kind van wie de Belgische ouder die in het buitenland is geboren niet is overleden en gedurende vijf jaar dus de toekenning van de Belgische nationaliteit kan vragen, te vergelijken met die van het in het buitenland geboren kind van wie de in het buitenland geboren Belgische ouder is overleden tijdens die termijn van vijf jaar zonder de in de in het geding zijnde bepaling beoogde verklaring te hebben afgelegd. Het in de prejudiciële vraag aangevoerde verschil in behandeling steunt dus op feitelijke omstandigheden en vindt zijn oorsprong niet in de in het geding zijnde bepaling. A.2.2. In de veronderstelling dat het verschil in behandeling zijn oorsprong in de in het geding zijnde bepaling vindt, doet de Ministerraad gelden dat die laatste de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. Hij beklemtoont ten eerste de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever om de voorwaarden voor de toekenning van de Belgische nationaliteit te regelen. In zoverre de in het geding zijnde bepaling erin voorziet dat de in het buitenland geboren kinderen, die in het buitenland verblijven en geboren zijn uit een Belgische ouder die zelf in het buitenland is geboren, in principe geen Belg zijn, behalve indien de Belgische ouder de verklaring tot toekenning van de Belgische nationaliteit aflegt, streeft zij overigens de legitieme doelstelling na de toekenning van de Belgische nationaliteit enkel te waarborgen aan in het buitenland geboren kinderen indien zij een voldoende effectieve band met België hebben. De vereiste dat de Belgische ouder – en niemand anders – een verklaring aflegt, is bovendien pertinent ten aanzien van die doelstelling. Door het overlijden van die ouder verdwijnt de band die het kind met België had, zodat de wetgever redelijkerwijs vermocht te oordelen dat geen enkele andere persoon die verklaring kan afleggen. Het kind geboren in het buitenland uit een Belgische ouder die is overleden alvorens de in artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, b), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit beoogde verklaring te hebben kunnen afleggen, wordt overigens niet elke mogelijkheid ontzegd om de Belgische nationaliteit toegekend te krijgen of die te verkrijgen, mogelijkheid die bijvoorbeeld de artikelen 12 of 12bis van hetzelfde Wetboek bieden. A.2.3. De Ministerraad zet uiteen dat de in het geding zijnde bepaling artikel 22bis van de Grondwet evenmin schendt. Hoewel die grondwetsbepaling de verplichting oplegt het hoger belang van het kind in aanmerking te nemen bij elke beslissing die het betreft, kan daaruit niet een absolute voorrang ervan op elke andere overweging worden afgeleid, zoals het Hof reeds heeft geoordeeld. Artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, b), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit houdt voldoende rekening met het hoger belang van het kind door slechts in een loutere verklaring, zijnde een minieme administratieve formaliteit, te voorzien opdat de Belgische nationaliteit aan het kind kan worden toegekend. Bovendien houdt het Wetboek van de Belgische nationaliteit ook rekening met het hoger belang van het kind door te voorzien in de toekenning van de Belgische nationaliteit aan het kind geboren in het buitenland uit een Belgische ouder – zonder enige verklaring – indien het geen enkele andere nationaliteit bezit. Voor het overige beklemtoont de Ministerraad dat de betrokkenen de mogelijkheid hebben om een zaak bij de familierechtbank aanhangig te maken om de toekenning van de Belgische nationaliteit aan het kind geboren in het buitenland uit een Belgische ouder te vragen, met toepassing van artikel 572bis van het Gerechtelijk Wetboek. Dat rechtscollege zal bij zijn beslissing, in voorkomend geval, rekening kunnen houden met het hoger belang van het kind om het de Belgische nationaliteit toe te kennen. A.3.1. De eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege doen gelden dat uit de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling blijkt dat zij een dubbele doelstelling heeft : enerzijds, een 4 effectieve band van het in het buitenland geboren kind met de Belgische maatschappij eisen, in de vorm van een door de Belgische ouder afgelegde verklaring en, anderzijds, het belang van het kind om de Belgische nationaliteit toegekend te krijgen, beschermen, ook wanneer de Belgische ouder vóór de geboorte van het kind overlijdt. (artikel 8, § 2, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit). Als het belang van het kind moet worden beschermd wanneer zijn Belgische ouder vóór zijn geboorte overlijdt, moet dat logischerwijs ook worden beschermd wanneer zijn Belgische ouder vóór zijn vijfde verjaardag overlijdt. Daaruit volgt dat het wel degelijk de in het geding zijnde bepaling is, en niet loutere feitelijke omstandigheden, die een verschil in behandeling doet ontstaan tussen twee vergelijkbare categorieën van kinderen geboren in het buitenland uit een Belgische ouder, die zelf in het buitenland is geboren, naargelang die Belgische ouder al dan niet overlijdt binnen de termijn van vijf jaar waarin is voorzien om de verklaring tot toekenning van de Belgische nationaliteit af te leggen. Volgens de eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege is dat verschil in behandeling niet redelijk verantwoord, want het heeft onevenredige gevolgen voor de kinderen van wie de Belgische ouder vóór het verstrijken van de termijn van vijf jaar overlijdt. De in het geding zijnde bepaling brengt immers een absolute onmogelijkheid met zich mee voor het kind om de Belgische nationaliteit toegekend te krijgen, temeer daar dat kind niet meer de mogelijkheid heeft om die nationaliteit « door nationaliteitskeuze » te verkrijgen overeenkomstig de artikelen 13 en 14 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, die in 2012 werden opgeheven. A.3.2. De eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege beklemtonen ook dat de rechtspraak meermaals de voorwaarde van de termijn van vijf jaar heeft versoepeld door de verlenging ervan in diverse omstandigheden toe te staan. Een gelijkaardige versoepeling van de bij de in het geding zijnde bepaling vastgestelde regel bestaat evenwel niet in het geval waarin de Belgische ouder overlijdt, hetgeen in strijd is met de vereisten van het recht van de Europese Unie, aangezien de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie vereist dat de lidstaten in concreto de evenredigheid beoordelen van een maatregel die de verwerving van de nationaliteit van de betrokken lidstaat – en dus van het Europese burgerschap – belet of het verlies daarvan met zich meebrengt. De ontstentenis van elke mogelijkheid om de individuele omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen voor de toekenning van de Belgische nationaliteit aan het kind geboren in het buitenland uit een Belgische ouder die is overleden zonder de in artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, b), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit beoogde verklaring te hebben afgelegd, schendt dus de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, gelezen in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de voorwaarden waaronder de Belgische nationaliteit wordt toegekend aan een kind geboren in het buitenland uit een Belgische ouder die zelf in het buitenland is geboren. Artikel 8, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit bepaalt : « Belg zijn : […] 2° het kind geboren in het buitenland : 5

  1. a)uit een Belgische ouder geboren in België of in gebieden onder Belgische soevereiniteit of onder Belgisch bestuur;
  2. b)uit een Belgische ouder die, binnen een termijn van vijf jaar na de geboorte, een verklaring heeft afgelegd waarin hij verzoekt om toekenning van de Belgische nationaliteit aan zijn kind;
  3. c)uit een Belgische ouder, op voorwaarde dat het kind geen andere nationaliteit bezit of behoudt tot de leeftijd van achttien jaar of zijn ontvoogding voor die leeftijd ». B.1.2. Met toepassing van die bepaling wordt aan de kinderen geboren in het buitenland uit een Belgische ouder van rechtswege de Belgische nationaliteit toegekend indien hun ouder zelf in België is geboren of indien zij, bij ontstentenis van die toekenning, geen enkele andere nationaliteit bezitten (artikel 8, § 1, eerste lid, 2°,
  4. a)en c), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit). Indien hun Belgische ouder zelf in het buitenland is geboren en zij een andere nationaliteit bezitten, vindt de toekenning van de Belgische nationaliteit daarentegen enkel plaats indien die ouder binnen een termijn van vijf jaar na de geboorte een verklaring in die zin aflegt (het in het geding zijnde artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, b), van hetzelfde Wetboek). B.1.3. De in artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, b), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit bepaalde termijn van vijf jaar binnen welke de ouder de verklaring tot toekenning van de Belgische nationaliteit moet afleggen, is een vervaltermijn, zodat hij bij een rechterlijke beslissing kan worden verlengd wanneer een geval van overmacht de Belgische ouder heeft belet die na te leven (Hof van Beroep te Brussel, 24 oktober 2019, 2019/FQ/3, § 7). B.1.4. Bij een vonnis van 12 augustus 2022 heeft de Franstalige familierechtbank te Brussel geoordeeld dat artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, b), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit in geen enkele vereiste voorziet wat betreft de vorm die de verklaring tot toekenning van de Belgische nationaliteit moet aannemen, zodat elementen uit het dossier die ondubbelzinnig aantonen dat de overleden Belgische ouder van een in het buitenland geboren kind de wil had om de toekenning van de Belgische nationaliteit aan zijn kind te vragen en daartoe demarches had ondernomen, kunnen worden gelijkgesteld met een verklaring tot toekenning in de zin van die bepaling (R.G. nr. 21/6856/A). B.1.5. Uit de bewoordingen van de in het geding zijnde bepaling valt af te leiden dat enkel de Belgische ouder van het in het buitenland geboren kind de in artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, b), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit bedoelde verklaring tot toekenning van de 6 Belgische nationaliteit kan afleggen. Als hij dat niet zelf doet, door keuze, door onwetendheid of door nalatigheid, kan een derde – met inbegrip van de andere ouder van het in het buitenland geboren kind – die verklaring niet in zijn plaats afleggen. B.2.1. De in het geding zijnde bepaling heeft tot doel « een willekeurige toekenning van de Belgische nationaliteit omwille van het automatische karakter van de wet te voorkomen » en zij « vereist derhalve een verklaring om de band met België te constateren » (Parl. St., Kamer, 1983-1984, nr. 756/21, p. 101). Bovendien heeft de in het geding zijnde bepaling niet tot doel « een recht aan een van de ouders toe te kennen doch wel de belangen te vrijwaren van het kind wiens gezin een reële band met België kan hebben » (ibid., p. 102). De parlementaire voorbereiding van de wet van 28 juni 1984 « betreffende sommige aspecten van de toestand van de vreemdelingen en houdende invoering van het Wetboek van de Belgische nationaliteit », waarvan artikel 13 het Wetboek van de Belgische nationaliteit invoert, preciseert over artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, van hetzelfde Wetboek : « [Dat] artikel verleent eveneens de Belgische nationaliteit aan alle kinderen geboren in het buitenland uit een Belgische ouder geboren in België of in gebieden onder Belgische soevereiniteit of onder Belgisch bestuur, uit een Belgische ouder die, op het tijdstip van de geboorte van het kind in het buitenland verblijft doch een werkelijk band met België heeft behouden. Bijvoorbeeld een vrouw kan bevallen in het buitenland gedurende een studieverblijf, een reis, of nog als zij er verblijft omdat zijzelf of haar echtgenoot aldaar een openbare of particuliere beroepswerkzaamheid uitoefent voor rekening van de Belgische Staat of van een instelling waarvan de werkzaamheid van bijzonder belang is voor de Belgische economie of voor de cultuur van een van onze Gemeenschappen. Aangezien het bestaan van zulke werkelijke band evenwel in veel gevallen onzeker kan blijven zolang het niet werd vastgesteld naar aanleiding van een gerechtelijke vordering, werd het wenselijker geacht, overeenkomstig de suggestie van de Raad van State, een verklaring binnen een bepaalde termijn te eisen, vooral daar het ontvangen van een dergelijke verklaring voor de autoriteiten minder last met zich brengt dan de controles die zij zouden moeten verrichten indien die formaliteit niet het enige bewijsmiddel van bedoelde band zou zijn » (Parl. St., Kamer, 1983-1984, nr. 756/1, pp. 19-20). B.2.2. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt eveneens dat de wetgever de eerder overwogen optie om te eisen dat de Belgische ouder het bewijs moet leveren dat op het tijdstip van de geboorte van het kind hijzelf of zijn echtgenoot een effectieve band had met de Belgische samenleving, heeft verlaten naar aanleiding van de volgende opmerking van de afdeling wetgeving van de Raad van State : 7 « Het valt te betwijfelen of de regeling in de ontworpen § 1, eerste lid, 2°, b, een geschikt middel is om het oogmerk van de Regering te bereiken. Het begrip ‘ feitelijke nationaliteit ’ of ‘ feitelijke band ’ wordt in het internationaal recht gebruikt, hetzij als een aanvullende voorwaarde opdat een Staat diplomatieke bescherming biedt aan een persoon die de nationaliteit ervan bezit (arrest Nottebohm van het Internationaal Gerechtshof, 6 april 1955, C.I.J., Recueil, 1955, blz. 5), hetzij een nationaliteitenconflict te beslechten (Verdrag van ’s Gravenhage van 12 april 1930 nopens zekere vragen betreffende wetsconflicten inzake nationaliteit, artikel 5). In deze twee gevallen wordt echter ten aanzien van het feitelijkheidsgegeven aangenomen dat de nationaliteit volgens de wetgeving van de bevoegde staat is vastgesteld en is die feitelijkheid geen voorwaarde voor de toekenning zelf van die nationaliteit. Bovendien lijkt het moeilijk samen te gaan met de rechtszekerheid dat de Belgische nationaliteit uit kracht van afstamming van rechtswege slechts zou worden toegekend nadat is nagegaan of een zo vage voorwaarde als het bestaan van ‘ een effectieve band met de Belgische samenleving ’ is vervuld. Indien een zodanige vereiste wordt behouden, zal de administratieve overheid uiteraard genoodzaakt zijn de feiten die een belanghebbende aanvoert, te toetsen, zich over hun relevantie uit te spreken en vele situaties in het onzekere te laten zolang er naar aanleiding van een rechtsgeding geen regeling voor is getroffen. Daarom ook is het gebruik van het begrip effectieve band, behoudens betere formulering, niet laakbaar als dat begrip behoort tot de voorwaarden voor een nationaliteitsverkrijging die niet van rechtswege, maar alleen aan het einde van een gerechtelijke inwilligingsprocedure (art. 14, derde lid, en 16, § 2, tweede lid, van het ontworpen Wetboek) of uit kracht van een naturalisatiewet (art. 19, tweede lid, van het ontworpen Wetboek) bewerkstelligd wordt. De Raad van State suggereert, de gemachtigden van de Minister zijn het daarmee eens, dat het bewijs van de feitelijke band met België in de onderstelling die in § l , 2°, b, voormeld is geformuleerd, uitsluitend zou blijken uit de verklaring die de Belgische ouder van het in het buitenland geboren kind heeft afgelegd gedurende de minderjarigheid van dat kind en binnen een bij de geboorte ingaande termijn die gevoeglijk op vijf jaar bepaald kan worden. De belanghebbende van zijn kant kan, als zijn Belgische ouder heeft nagelaten, een zodanige verklaring af te leggen, aan de omstandigheid dat hij in het buitenland uit een Belgische ouder is geboren, een motief voor verkrijging van de Belgische nationaliteit door nationaliteitskeuze ontlenen (art. 13, 2°, van het ontworpen Wetboek) » (ibid., pp. 35-36). Ten gronde B.3. Het Hof wordt met de prejudiciële vraag verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 3 en 7 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, doordat die bepaling niet voorziet in de mogelijkheid om, rekening houdend met de specifieke omstandigheden en met het hoger belang van het kind, de Belgische nationaliteit toe 8 te kennen aan een kind geboren in het buitenland uit een Belgische ouder die zelf in het buitenland is geboren, wanneer die ouder binnen de termijn van de vijf jaar na de geboorte is overleden zonder de nodige verklaring tot toekenning van de Belgische nationaliteit af te leggen, terwijl het kind dat zich in dezelfde situatie bevindt, maar van wie de Belgische ouder niet is overleden, wel op eenvoudige verklaring de Belgische nationaliteit kan verkrijgen binnen die termijn. B.4. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het aan het verwijzende rechtscollege voorgelegde geschil betrekking heeft op het geval waarin de Belgische ouder binnen de termijn van vijf jaar na de geboorte van het betrokken kind is overleden en waarbij het voor het rechtscollege waarbij de zaak aanhangig is gemaakt niet mogelijk is om uit het dossier de wil van de overleden Belgische ouder af te leiden. Het Hof beperkt het onderzoek van de prejudiciële vraag tot die hypothese. Bijgevolg moet de exceptie van de Ministerraad, die aanvoert dat de vraag niet nuttig is voor de oplossing van het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil omdat dat rechtscollege sowieso niet zou kunnen vaststellen wat de wil van de overleden Belgische ouder was, worden verworpen. B.5.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 9 B.5.2. Artikel 22bis van de Grondwet bepaalt : « Elk kind heeft recht op eerbiediging van zijn morele, lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit. Elk kind heeft het recht zijn mening te uiten in alle aangelegenheden die het aangaan; met die mening wordt rekening gehouden in overeenstemming met zijn leeftijd en zijn onderscheidingsvermogen. Elk kind heeft recht op maatregelen en diensten die zijn ontwikkeling bevorderen. Het belang van het kind is de eerste overweging bij elke beslissing die het kind aangaat. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen deze rechten van het kind ». Artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt : « 1. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging. 2. De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn welzijn, rekening houdende met de rechten en plichten van zijn ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk zijn voor het kind, en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen. 3. De Staten die partij zijn, waarborgen dat de instellingen, diensten en voorzieningen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor of de bescherming van kinderen voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde normen, met name ten aanzien van de veiligheid, de gezondheid, het aantal personeelsleden en hun geschiktheid, alsmede bevoegd toezicht ». Zowel artikel 22bis, vierde lid, van de Grondwet als artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind verplichten alle instellingen die maatregelen nemen betreffende kinderen om in de eerste plaats het belang van het kind in aanmerking te nemen in de procedures die op het kind betrekking hebben. Artikel 22bis, vijfde lid, van de Grondwet geeft de bevoegde wetgever de opdracht te waarborgen dat het belang van het kind de eerste overweging is. Hoewel het belang van het kind de eerste overweging vormt, heeft het geen absoluut karakter. Bij de afweging van de verschillende op het spel staande belangen neemt dat van het kind echter een bijzondere plaats in wegens zijn kwetsbaarheid. 10 B.5.3. Artikel 7 van het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt : « 1. Het kind wordt onmiddellijk na de geboorte ingeschreven en heeft vanaf de geboorte het recht op een naam, het recht een nationaliteit te verwerven en, voor zover mogelijk, het recht zijn ouders te kennen en door hen te worden verzorgd. 2. De Staten die partij zijn, waarborgen de verwezenlijking van deze rechten in overeenstemming met hun nationale recht en hun verplichtingen krachtens de desbetreffende internationale akten op dit gebied, in het bijzonder wanneer het kind anders staatloos zou zijn ». B.5.4. Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ’s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». B.6. Bij het bepalen van de voorwaarden waaronder de Belgische nationaliteit kan worden toegekend, beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid. Wanneer de door de wetgever gemaakte keuzes leiden tot een verschil in behandeling, dient het Hof evenwel na te gaan of dat verschil op een redelijke verantwoording berust. B.7.1. Met de prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht de situaties te vergelijken van twee categorieën van kinderen geboren in het buitenland uit een Belgische ouder die zelf in het buitenland is geboren : enerzijds, de kinderen van wie de Belgische ouder niet vóór hun vijfde verjaardag is overleden, die de Belgische nationaliteit toegekend kunnen krijgen op basis van een verklaring tot toekenning van de Belgische nationaliteit afgelegd door die ouder binnen die termijn, en, anderzijds, de kinderen van wie de Belgische ouder vóór hun vijfde verjaardag is overleden, die niet de Belgische nationaliteit toegekend kunnen krijgen indien de ouder, toen die nog leefde, geen verklaring tot toekenning van de Belgische nationaliteit heeft afgelegd of demarches in die zin heeft ondernomen. 11 B.7.2. De twee voormelde categorieën van kinderen zijn vergelijkbaar, aangezien het kinderen betreft die in het buitenland zijn geboren uit een Belgische ouder die zelf in het buitenland is geboren, aan wie de Belgische nationaliteit niet van rechtswege wordt toegekend. B.7.3. Zoals in B.2.1 is vermeld, streeft de in het geding zijnde bepaling een dubbel doel na : enerzijds, voorkomen dat de Belgische nationaliteit wordt toegekend aan kinderen die in het buitenland zijn geboren terwijl geen enkele effectieve band hen met België verbindt en, anderzijds, de belangen waarborgen van het kind van wie de familie effectieve banden met België heeft. Die doelstellingen zijn legitiem. B.7.4. Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het feit dat de Belgische ouder van het in het buitenland geboren kind al dan niet binnen de termijn van vijf jaar na de geboorte is overleden zonder de in artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, b), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit beoogde verklaring te hebben afgelegd of demarches in die zin te hebben ondernomen. B.8. Als de Belgische ouder van het in het buitenland geboren kind binnen de termijn van vijf jaar na de geboorte is overleden zonder de verklaring tot toekenning van de Belgische nationaliteit te hebben afgelegd, laat de in het geding zijnde bepaling niet toe dat een andere persoon, met inbegrip van de andere ouder van het kind, die verklaring aflegt. Bijgevolg kan dat in het buitenland geboren kind niet de Belgische nationaliteit toegekend krijgen, ook al zou die toekenning in zijn belang kunnen zijn. B.9. Het kind geboren in het buitenland uit een Belgische ouder die ook in het buitenland is geboren en die binnen de termijn van vijf jaar na de geboorte is overleden zonder de in artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, b), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit beoogde verklaring te hebben afgelegd, heeft geen enkele andere mogelijkheid om de Belgische nationaliteit te verkrijgen op grond van het feit dat het uit een Belgische ouder is geboren. De mogelijkheid om de Belgische nationaliteit te verkrijgen door nationaliteitskeuze, waarnaar het in B.2.2 vermelde advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State verwijst, werd immers geschrapt bij de wet van 4 december 2012 « tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit teneinde het verkrijgen van de Belgische nationaliteit migratieneutraal te maken ». Vóór die schrapping maakten de artikelen 13 en 14 van het 12 Wetboek van de Belgische nationaliteit het een kind geboren in het buitenland uit een Belgische ouder mogelijk om de Belgische nationaliteit te verkrijgen door middel van een loutere verklaring die werd afgelegd tussen 18 en 22 jaar, op voorwaarde dat het bewees dat het werkelijke banden met België had behouden, zelfs indien het er nooit had verbleven. B.10.1. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, ontdoet het overlijden van de Belgische ouder het kind niet van elke effectieve band met België, met name wanneer andere familieleden Belg zijn. B.10.2. In dat verband dient te worden opgemerkt dat de wetgever, bij artikel 8, § 2, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, het belang heeft willen beschermen van het uit een Belgische ouder geboren kind om de Belgische nationaliteit toegekend te krijgen wanneer die Belgische ouder vóór zijn geboorte overlijdt. Daarentegen heeft hij niet het geval overwogen waarin de Belgische ouder binnen vijf jaar na de geboorte overlijdt, zonder de in de in het geding zijnde bepaling beoogde verklaring te hebben afgelegd. B.11.1. Uit het voorgaande vloeit voort dat het in het geding zijnde verschil in behandeling onevenredige gevolgen heeft voor de kinderen geboren in het buitenland uit een Belgische ouder die zelf in het buitenland is geboren en die binnen de termijn van vijf jaar na de geboorte is overleden zonder de in artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, b), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit beoogde verklaring te hebben afgelegd. Die kinderen wordt immers elke mogelijkheid ontzegd om de Belgische nationaliteit toegekend te krijgen op basis van de nationaliteit van hun Belgische ouder die binnen vijf jaar na de geboorte is overleden zonder de in de in het geding zijnde bepaling beoogde verklaring tot toekenning van de Belgische nationaliteit te hebben afgelegd, hetgeen niet bestaanbaar is met artikel 22bis van de Grondwet. B.11.2. De omstandigheid dat het kind geboren in het buitenland uit een Belgische ouder die zelf in het buitenland is geboren en die binnen de termijn van vijf jaar na de geboorte is overleden zonder de in de in het geding zijnde bepaling beoogde verklaring te hebben afgelegd, met toepassing van de artikelen 12bis, 17 of 19 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit nog steeds de Belgische nationaliteit kan verkrijgen, heeft geen invloed op die vaststelling. 13 Een dergelijke verkrijging van de Belgische nationaliteit kan immers pas plaatsvinden indien de vreemdeling de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt (artikel 12bis, § 1, 1°, a), 2°, a), 3°, a), 4°, a), en 5°, a), 17 en 19, § 1, eerste lid, 1°, en § 2, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit) en voldoet aan de bij artikel 7bis van het Wetboek vastgestelde verblijfsvoorwaarde, hetgeen erop neerkomt dat aan het in het buitenland verblijvende kind elke mogelijkheid wordt ontzegd om de Belgische nationaliteit te verwerven. Bovendien, zelfs indien het in België zou komen verblijven na zijn geboorte in het buitenland, zou het kind die nationaliteit niet kunnen verkrijgen vóór de leeftijd van achttien jaar. Die mogelijkheden om de Belgische nationaliteit te verkrijgen, houden dus hoe dan ook geen rekening met het feit dat een van de ouders van het kind Belg was op het ogenblik van de geboorte van dat kind. B.12. Artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, b), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit is niet bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, in zoverre die bepaling niet toelaat dat de verklaring tot toekenning van de Belgische nationaliteit aan een kind dat in het buitenland is geboren, wordt afgelegd wanneer de Belgische ouder, die in het buiteland is geboren, binnen de termijn van vijf jaar na de geboorte van dat kind is overleden zonder die verklaring te hebben afgelegd. B.13. Het staat aan de wetgever om die ongrondwettigheid te verhelpen. In afwachting van het optreden van de wetgever staat het aan de rechtscolleges en de bevoegde overheden om een einde te maken aan de gevolgen van de in B.12 vastgestelde ongrondwettigheid, aangezien die vaststelling in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen is uitgedrukt. 14 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, b), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit schendt de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, in zoverre die bepaling niet toelaat dat de verklaring tot toekenning van de Belgische nationaliteit aan een kind dat in het buitenland is geboren, wordt afgelegd wanneer de Belgische ouder, die in het buiteland is geboren, binnen de termijn van vijf jaar na de geboorte van dat kind is overleden zonder die verklaring te hebben afgelegd. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 23 april 2026. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.051 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.