id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 23 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.054 Arrest- Rolnummer: 54/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-05-04 Raadplegingen: 453 - laatst gezien 2026-06-18 20:04 Versie(s): Versie FR Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 2.2.6.0.7 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Fiscaal recht - Vlaams Gewest - Verkeersbelasting - Plug-inhybridevoertuigen - Vrijstelling - Voorwaarden - Datum van de inschrijving Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 54/2026 van 23 april 2026 Rolnummer : 8451 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 2.2.6.0.7 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit emeritus voorzitter Luc Lavrysen, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, voorzitter Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 20 maart 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 3 april 2025, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 2.2.6.0.7 VCF de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet in samenhang gelezen met de algemene beginselen van rechtszekerheid en van de rechten van verdediging en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in de interpretatie dat de vrijstelling, die verleend wordt inzake verkeersbelasting voor plug-in hybride voertuigen met een maximale CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer indien het voertuig tegen uiterlijk 31 december 2020 is ingeschreven, verloren gaat terwijl het verzoek tot inschrijving tijdig vóór 31 december 2020 aan de bevoegde dienst van de DIV (Repertorium van het Directoraat-Generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid) werd overgemaakt per aangetekende zending, zijnde een mogelijkheid die aan de belastingplichtige geboden wordt, doch de effectieve inschrijving door de DIV, zijnde een omstandigheid waarop belastingplichtige geen vat heeft, pas wordt verricht na het verstrijken van de termijn van 31 december 2020 ? Dit mede in overweging nemende dat indien een verzoek tot inschrijving via de website WebDIV gebeurt, de andere mogelijkheid die wordt geboden aan de belastingplichtige, de inschrijving onmiddellijk of daags nadien reeds ingaat ». 2 Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de bv « Coene Consult », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Serge Carton, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Bart Martel en mr. Kristof Caluwaert, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 4 maart 2026 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Sabine de Bethune en Thierry Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De bv « Coene Consult », eisende partij voor het verwijzende rechtscollege, kocht een voertuig dat op 23 november 2020 werd ingeschreven met een niet-gepersonaliseerde nummerplaat. Vervolgens wenste de eisende partij om professionele redenen een gepersonaliseerde nummerplaat te verkrijgen, die werd aangevraagd bij aangetekende brief van 22 december 2020 en werd toegekend op 4 januari 2021. Een aanslag in de verkeersbelasting van 508,90 euro werd op 17 mei 2021 gevestigd voor het aanslagjaar 2021. Bij aangetekend schrijven van 3 juni 2021 diende de eisende partij een bezwaarschrift in om de aanslag te annuleren, aangezien het gaat om een plug-inhybridevoertuig. Bij beslissing van 27 augustus 2021 werd het bezwaarschrift afgewezen, omdat het plug-inhybridevoertuig heringeschreven werd na 31 december 2020 door dezelfde persoon op een nieuwe nummerplaat en er geen sprake is van overmacht. Het verwijzende rechtscollege stelt vast dat artikel 2.2.6.0.7 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, zoals gewijzigd bij het Vlaamse programmadecreet van 18 december 2020 bij de begroting 2021, met ingang van 1 januari 2021, in een blijvende vrijstelling voorziet voor plug- inhybridevoertuigen met een maximale CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer, op voorwaarde dat het ging om een voertuig dat uiterlijk op 31 december 2020 werd ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Wegvervoer en Verkeersveiligheid. Vóór die wijziging was de inschrijving uiterlijk tegen 31 december 2020 ook al impliciet vereist. De verkeersbelasting is immers maar verschuldigd vanaf de inschrijving van het voertuig bij de Dienst voor Inschrijvingen van Voertuigen (DIV) overeenkomstig artikel 2.2.2.0.1, § 2, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit. Voorts stelt het verwijzende rechtscollege vast dat de eisende partij niet voldoet aan de voorwaarden van de overgangsregeling ingevoerd bij de voormelde wijziging van artikel 2.2.6.0.7 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit, aangezien de nodige gegevens niet tijdig aan de Vlaamse administratie werden bezorgd. Het verwijzende rechtscollege is van oordeel dat de aanvraag van de nieuwe gepersonaliseerde nummerplaat moet worden beschouwd als een nieuwe zelfstandige inschrijving. Voor de vrijstelling van de verkeersbelasting dient daarom te worden gekeken naar de inschrijving naar aanleiding van de toekenning van de nieuwe nummerplaat. Overeenkomstig artikel 2.2.2.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit doet de inschrijving in het 3 repertorium de belastingplicht ontstaan, waarbij het niet relevant is of hetzelfde voertuig voordien al, zelfs namens dezelfde eigenaar, was ingeschreven en terug uitgeschreven. Uit artikel 2.2.6.0.7 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit volgt vervolgens dat niet het verzoek tot inschrijving maar wel de inschrijvingsdatum van het voertuig bij de DIV geldt om te bepalen of de vrijstelling van de verkeersbelasting al dan niet van toepassing is. Het verwijzende rechtscollege is van oordeel dat het mogelijk strijdig is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie dat het verlies van de vrijstelling afhankelijk wordt gesteld van de handeling van een overheidsdienst, waarop de belastingplichtige geen vat heeft, en die laatste erop moet vertrouwen dat de overheidsdienst tijdig het nodige doet. Rekening houdend met het verzoek van de eisende partij en verwijzend naar de arresten van het Hof nrs. 95/2020 (ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.095) en 63/2021 (ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.063), acht het verwijzende rechtscollege het noodzakelijk om aan het Hof de hiervoor weergegeven vraag te stellen. III. In rechte -A- A.1. De bv « Coene Consult », de eisende partij in het bodemgeschil, stelt dat artikel 2.2.6.0.7 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit zoals van toepassing tot en met 31 december 2020, geen expliciete voorwaarde vermeldde met betrekking tot de datum van inschrijving van het voertuig bij de Dienst voor Inschrijvingen van Voertuigen (DIV). De concrete toepassing van de vrijstelling werd dus afhankelijk gesteld van de lezing van de fiscale administratie, die ten onrechte impliciet een inschrijvingsvoorwaarde veronderstelde. Bij het Vlaamse programmadecreet van 18 december 2020 bij de begroting 2021 werd artikel 2.2.6.0.7 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit gewijzigd en werd uitdrukkelijk de voorwaarde toegevoegd dat de vrijstelling slechts geldt indien het voertuig uiterlijk op 31 december 2020 werd ingeschreven in het repertorium van de DIV. Daarmee werd de toepassingsvoorwaarde voor de vrijstelling afhankelijk gemaakt van een administratief tijdstip dat niet noodzakelijk samenvalt met het ogenblik van het verzoek tot inschrijving. A.2.1. De bv « Coene Consult » verzoekt het verwijzende rechtscollege een prejudiciële vraag te stellen omdat zij van oordeel is dat de in het geding zijnde bepaling ongrondwettig is. Zij diende op 22 december 2020 een aanvraag in tot herinschrijving van een voertuig via aangetekende zending. Vanaf dat ogenblik had zij geen enkele invloed op het tijdstip van verwerking. De inschrijving werd buiten haar wil om pas op 4 januari 2021 effectief uitgevoerd door de administratie. Andere belastingplichtigen daarentegen die op datzelfde moment hun aanvraag via WebDIV indienden, kregen wel het voordeel van de vrijstelling toegekend. De situatie van die categorie van belastingplichtigen en die van de bv « Coene Consult » zijn feitelijk en juridisch vergelijkbaar, doch worden zij anders behandeld op basis van een zuiver procedureel criterium dat buiten de wil van de burger ligt. A.2.2. Vooreerst streeft de in het geding zijnde bepaling legitieme doelen na, namelijk het fiscaal stimuleren van milieuvriendelijke voertuigen binnen een afgebakend tijdskader, het streven naar rechtszekerheid en de afsluitbaarheid van tijdelijke fiscale gunstmaatregelen. De wijze waarop dit doel wordt nagestreefd, waarbij het voordeel vervalt bij niet-tijdige administratieve verwerking, ondermijnt echter net de rechtszekerheid en is strijdig met het vertrouwensbeginsel. A.2.3. Een onderscheid gebaseerd op het toeval van administratieve verwerkingstijd, afhankelijk van de gekozen indieningswijze, mist elke objectieve en redelijke verantwoording en is niet pertinent in het licht van de nagestreefde doelstelling. Zowel de belastingplichtige die zijn aanvraag op 22 december 2020 via WebDIV doet, als diegene die op diezelfde dag een aangetekende brief verstuurt, handelt tijdig en met het oog op rechtsgevolgen binnen de wettelijke termijn. Evenmin kan het verlies van de vrijstelling gerechtvaardigd worden, zoals de Vlaamse Regering stelt, door de zogezegde vrije keuze van de belastingplichtige. Het behoort tot de plicht van de Vlaamse decreetgever om ervoor te zorgen dat elke wettelijk toegelaten keuze die relevant is voor de fiscale vrijstelling gelijkwaardige rechtsgevolgen oplevert. A.2.4. Ter ondersteuning verwijst de bv « Coene Consult » naar de arresten van het Hof nrs. 95/2020 (ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.095) en 63/2021 (ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.063), waarbij de belastingplichtige, net zoals in de onderhavige zaak, tijdig en correct handelt binnen de wettelijk bepaalde termijnen via een aangetekende zending. De in het geding zijnde bepaling druist fundamenteel in tegen de logica van de voormelde 4 arresten, namelijk dat het de datum is van de handeling gesteld door de burger, en niet de willekeurige snelheid van verwerking door de overheid, die bepalend moet zijn voor de fiscale rechten van belastingplichtigen. In tegenstelling tot wat de Vlaamse Regering beweert, gingen de voormelde arresten niet enkel over termijnen ter vrijwaring van de rechten van verdediging binnen een geschillencontext, maar bovenal over het principe dat belastingplichtigen nooit het slachtoffer mogen worden van administratieve vertragingen waarop ze geen vat hebben. A.2.5. Volgens de bv « Coene Consult » tracht de Vlaamse Regering verkeerdelijk de ongelijke behandeling en rechtsonzekerheid te rechtvaardigen op grond van de federale bevoegdheid inzake de procedure tot voertuiginschrijvingen. De bevoegdheid van de Vlaamse decreetgever om vrijstellingen en modaliteiten van de verkeersbelasting te regelen, houdt evenzeer de grondwettelijke plicht in dat de gestelde criteria die leiden tot fiscale gevolgen, voldoende duidelijk, voorspelbaar en rechtvaardig zijn. Als blijkt dat een criterium, zoals de effectieve datum van inschrijving, in werkelijkheid aanleiding geeft tot willekeurige verschillen in behandeling, draagt de decreetgever de verantwoordelijkheid om maatregelen te treffen teneinde die ongrondwettige gevolgen te voorkomen of te corrigeren. Bovendien heeft de Vlaamse decreetgever zelf ervoor gekozen om zich te baseren op het ogenblik van de effectieve inschrijving in het repertorium van de DIV, terwijl er perfect andere objectieve, heldere en rechtvaardige criteria ter beschikking stonden. Zo had de decreetgever ervoor kunnen kiezen om zich te baseren op de datum van indiening van het verzoek tot inschrijving. A.3. De Vlaamse Regering stelt dat de verkeersbelasting op autovoertuigen een gewestelijke belasting is, maar dat de federale overheid bevoegd is gebleven voor de inschrijving en inverkeerstelling van een voertuig. Omdat plug-inhybridevoertuigen transitietechnologieën zijn, beperkte de decreetgever de vrijstelling op de verkeersbelasting voor plug-inhybridevoertuigen met een maximale CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer in de tijd. Die vrijstelling werd daardoor ook niet verlengd voor voertuigen die werden ingeschreven vanaf 1 januari 2021. Uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag en de verwijzingsbeslissing blijkt dat enkel artikel 2.2.6.0.7, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit in het geding is, in zoverre die bepaling de toekenning van die vrijstelling van de verkeersbelasting verbindt aan de inschrijving van het voertuig tegen uiterlijk 31 december 2020. A.4.1. De Vlaamse Regering ziet niet in hoe de in het geding zijnde bepaling in strijd zou kunnen zijn met het fiscaal gelijkheidsbeginsel en het algemeen beginsel van rechtszekerheid. Het is een volstrekt legitieme beleidskeuze van de decreetgever om te bepalen dat plug-inhybridevoertuigen met een maximale CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer tijdelijk vrijgesteld worden van de verkeersbelasting, meer bepaald door enkel een vrijstelling te verlenen indien het voertuig uiterlijk 31 december 2020 wordt ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid. Aangezien de decreetgever streeft naar zero emissie en dergelijke voertuigen beschouwd werden als een overgangstechnologie richting zuiver elektrische voertuigen, is het pertinent en redelijk verantwoord van de decreetgever om het marktaandeel van die milieuvriendelijke technologieën te (trachten
- te)vergroten met een tijdelijke vrijstellingsregeling van de verkeersbelasting. A.4.2. Voorts is het pertinent en redelijk verantwoord om de datum van inschrijving van het voertuig te hanteren als objectief onderscheidingscriterium om te bepalen of een plug-inhybride nog in aanmerking komt voor de vrijstelling. De Vlaamse Regering benadrukt dat de verkeersbelasting wordt geheven op basis van de gegevens die worden verstrekt door de DIV, aangezien de inschrijving van voertuigen op federaal niveau geregeld wordt. De voormelde arresten nrs. 95/2020 en 63/2021 gingen over de betwisting van een belasting en zijn dan ook niet relevant. In deze zaak is er geen sprake van een termijn om het recht van verdediging van de belastingplichtige te vrijwaren. De gevolgen die verbonden zijn aan het overschrijden van de in het geding zijnde termijn, namelijk het verloren gaan van de belastingvrijstelling, zijn van een geheel andere orde dan de gevolgen van de betwiste maatregelen in de aangehaalde arresten. Bovendien kan de decreetgever niet weten wanneer de DIV aangetekende zendingen met een verzoek tot inschrijving zou ontvangen en kan hij evenmin ingrijpen op de procedure tot inschrijving. A.4.3. Dat geen rekening wordt gehouden met de datum van het verzoek tot inschrijving volgt overigens niet uit de in het geding zijnde bepaling, maar uit artikel 16, § 5, van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 « betreffende de inschrijving van voertuigen ». De vaststelling dat een verzoek tot inschrijving via de website van de DIV sneller verwerkt wordt, houdt evenmin verband met de in het geding zijnde bepaling. Het feit dat de eisende partij in het bodemgeschil geen vrijstelling kan genieten, is het gevolg van de wijze waarop de inschrijving van een voertuig in de praktijk verloopt, rekening houdend met de geldende federale regelgeving en met de keuze van de belastingplichtige om een verzoek tot inschrijving pas op 22 december 2020 via aangetekende zending over te maken aan de DIV. 5 A.4.4. De decreetgever heeft voorts voorzien in een overgangsregeling om de continuïteit te waarborgen en voldoende rechtszekerheid te bieden voor de belastingplichtige. De decreetgever heeft dan ook geen afbreuk gedaan aan het belang van belastingplichtigen om in staat te zijn de rechtsgevolgen van hun handelingen te voorzien. A.5. De Vlaamse Regering is van oordeel dat het algemeen beginsel van de rechten van verdediging niet van toepassing is op de in het geding zijnde bepaling. Dat beginsel is enkel van toepassing in een litigieuze context in procedures met een repressief doel. De in het geding zijnde bepaling zet daarentegen louter uiteen wanneer belastingplichtigen een vrijstelling van een verkeersbelasting voor bepaalde voertuigen kunnen genieten. A.6. Tot slot stelt de Vlaamse Regering dat geen sprake kan zijn van enige onevenredige inperking van het eigendomsrecht en verwijst zij hierbij naar haar uiteenzetting met betrekking tot het fiscaal gelijkheidsbeginsel. -B- B.1.1. Het verwijzende rechtscollege wenst te vernemen of artikel 2.2.6.0.7 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de algemene beginselen van rechtszekerheid en de rechten van verdediging en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in de interpretatie dat de vrijstelling van de verkeersbelasting voor plug-inhybridevoertuigen met een maximale CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer ingeschreven uiterlijk op 31 december 2020, niet wordt toegekend wanneer de aanvraag tot inschrijving via een aangetekende brief bij de post werd overhandigd vóór het verstrijken van de termijn, maar de inschrijving door de Dienst voor Inschrijvingen van Voertuigen (DIV) pas erna wordt verricht. Dit zou tot gevolg hebben dat de vrijstelling van verkeersbelasting afhankelijk wordt gesteld van de tijdige handeling van de bevoegde overheid, waarop de belastingplichtige geen vat heeft. Bovendien zou hierdoor een verschil in behandeling ontstaan naargelang een belastingplichtige de inschrijving van een voertuig digitaal of via aangetekende brief aanvraagt. B.1.2. Uit de verwijzingsbeslissing kan worden afgeleid dat de zaak voor het verwijzende rechtscollege betrekking heeft op een voertuig dat werd besteld vóór 12 oktober 2020 en ingeschreven na 31 december 2020, maar dat niet werd voldaan aan de voorwaarde bepaald in de overgangsregeling om vóór 15 januari 2021 aan de Vlaamse administratie de nodige gegevens te bezorgen. Het Hof beperkt zijn onderzoek van de prejudiciële vraag tot die hypothese. 6 B.2.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Artikel 172 van de Grondwet is een bijzondere toepassing van dat beginsel in fiscale zaken. Het beginsel van gelijkheid en niet discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.2.2. Krachtens artikel 172, tweede lid, van de Grondwet kan de wetgever vrijstelling of vermindering van belasting toekennen. Het behoort tot de beoordelingsvrijheid van de wetgever om, wanneer hij een belasting heft, de vrijstellingen en de modaliteiten daarvan te bepalen. De wetgever kan evenwel, zonder het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie te schenden, geen vrijstellingen of verminderingen van belasting verlenen aan sommige belastingplichtigen en ze weigeren aan anderen die met hen vergelijkbaar zijn, indien dat verschil in behandeling niet objectief en redelijk verantwoord is. B.2.3. Het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk is en verbiedt de wetgever om zonder objectieve en redelijke verantwoording afbreuk te doen aan het belang van de rechtsonderhorigen om in staat te zijn de rechtsgevolgen van hun handelingen te voorzien. B.2.4. Noch in de prejudiciële vraag, noch in de motivering van de verwijzingsbeslissing wordt aangegeven in welk opzicht de in het geding zijnde bepaling onbestaanbaar zou zijn met de voormelde grondwetsbepalingen, in samenhang gelezen met het algemeen beginsel van de rechten van verdediging en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In die mate is de prejudiciële vraag niet ontvankelijk. 7 B.3.1. De verkeersbelasting ontstaat ten aanzien van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die vermeld is of vermeld moet zijn op het inschrijvingsbewijs zolang een voertuig op naam van die persoon is ingeschreven of ingeschreven moet zijn in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid (artikel 2.2.2.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit). De verkeersbelasting ontstaat dus vanaf de inschrijving van het voertuig. B.3.2. Voor bepaalde categorieën van voertuigen verleent de decreetgever een vrijstelling van de jaarlijkse verkeersbelasting (artikelen 2.2.6.0.1 tot 2.2.6.0.7 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit). B.4.1. Artikel 2.2.6.0.7 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit, zoals ingevoerd bij artikel 114 van het Vlaamse decreet van 18 december 2015 « houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 », voorzag in een tijdelijke vrijstelling van verkeersbelasting tot en met 31 december 2020 voor plug-inhybridevoertuigen met een maximale CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer. Met een uitdovende vrijstellingsregeling beoogde de decreetgever die overgangstechnologie tijdelijk te stimuleren op weg naar zero-emissievoertuigen (Parl. St., Vlaams Parlement, 2015-2016, nr. 544/2, p. 16, en nr. 544/14, p. 9 en 11). B.4.2. Artikel 2.2.6.0.7 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit is gewijzigd bij artikel 55 van het Vlaamse programmadecreet van 18 december 2020 bij de begroting 2021, dat in werking trad op 1 januari 2021. De in het geding zijnde bepaling, zoals van toepassing op het bodemgeschil, luidt dus als volgt : « Er wordt op volgende voertuigen die uiterlijk op 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid geen belasting geheven op : 1° voertuigen waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas; 2° plug-in hybride voertuigen met een maximale CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer. De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voertuigen, die na 31 december 2020 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat- generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden : 8 1° het wegvoertuig werd voor 12 oktober 2020 besteld; 2° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2021, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat :
- a)hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
- b)de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuurlijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maatschappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid. Een plug-in hybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig. Het eerste lid, 1°, is alleen van toepassing op de volgende voertuigen van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten : 1° de wegvoertuigen die vóór 1 juli 2017 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid; 2° de wegvoertuigen die na 30 juni 2017 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid en waarvan het belastbaar vermogen 11 fiscale paardenkracht niet te boven gaat; 3° de lichte vrachtauto's, de lijkwagens, en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6. Het eerste lid, 2°, is alleen van toepassing op de wegvoertuigen, de lichte vrachtauto’s, de lijkwagens, en de alleenrijdende trekkers als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6, van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten ». B.4.3. Om de continuïteit te waarborgen, heeft de decreetgever de vrijstelling van de jaarlijkse verkeersbelasting behouden voor plug-inhybridevoertuigen met een maximale 9 CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer die reeds waren ingeschreven vóór 1 januari 2021 (Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 513/1, p. 42). B.4.4. Daarenboven heeft de decreetgever voorzien in een overgangsregeling voor voertuigen die werden besteld vóór 12 oktober 2020, maar pas zijn ingeschreven na 31 december 2020. Om de vrijstelling te genieten, moest de belastingplichtige een kopie van de bestelbon en een formulier bezorgen aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie vóór 15 januari 2021. Die overgangsregeling wordt als volgt verantwoord in de parlementaire voorbereiding : « Teneinde voldoende rechtszekerheid te bieden voor de belastingplichtige, voorziet deze bepaling in een overgangsregeling voor voertuigen die worden besteld vóór 12 oktober 2020, maar pas worden ingeschreven na 31 december 2020. Dit is de eerste werkdag na de principiële goedkeuring van voorliggend (ontwerp van) decreet door de Vlaamse Regering. Vanaf deze datum was de belastingplichtige op de hoogte van de nieuwe regelgeving ter zake, waarover uitgebreid bericht werd in de pers. Daarnaast is dit het ogenblik waarop de beslissingen van de Vlaamse Regering worden gepubliceerd op de website. Zoals de Raad van State terecht opmerkt, zou een belastingplichtige die vanaf 12 oktober nog een dergelijk voertuig aankoopt op de hoogte moeten zijn van deze overgangsregeling en zal hij kunnen inschatten, bijvoorbeeld op basis van een contractueel bepaalde leveringstermijn, of hij het gewenste voordeel al dan niet nog zal kunnen genieten. Een persoon die een voertuig vóór deze datum wenste te kopen, kon deze inschatting niet maken. Dit verantwoordt dan ook dat laatstgenoemde van een overgangsregeling kan genieten. Op deze manier wordt er ook beantwoord aan de vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof inzake overgangsregelingen, die stelt dat een verschil in behandeling bij een overgangsregeling, redelijk moet zijn verantwoord en niet op buitensporige wijze afbreuk mag doen aan het vertrouwensbeginsel. Met voormelde aanpassing wordt derhalve een gevolg gegeven aan de opmerking van de Raad van State in haar advies in dat verband. De belastingplichtige kan er in dat geval voor opteren om alsnog onder het toepassingsgebied van de vrijstelling te vallen. Daarvoor dienen er twee voorwaarden cumulatief te worden vervuld : 1° het voertuig dient effectief vóór 12 oktober 2020 te zijn besteld door de belastingplichtige; 2° de belastingplichtige bezorgt een kopie van de bestelbon aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie vóór 15 januari 2021. Daarnaast bezorgt hij ook een formulier, dat door de Vlaamse administratie werd afgeleverd. Dit formulier dient de belastingplichtige te ondertekenen en bevat de volgende gegevens :
- a)hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke persoon, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting 10 en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
- b)de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuurlijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maatschappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid. Indien de belastingplichtige verkiest om onder de vrijstelling te vallen en de nodige formaliteiten vervult, is deze keuze definitief en onherroepbaar » (ibid., pp. 42-43). B.5. Bijgevolg kan niet worden gesteld dat belastingplichtigen in de in het geding zijnde hypothese de vrijstelling van jaarlijkse verkeersbelasting voor plug-inhybridevoertuigen wordt ontzegd doordat ze niet in de mogelijkheid waren eventuele door de bevoegde overheid veroorzaakte vertragingen bij de inschrijving van het voertuig te voorspellen. Zoals blijkt uit de in B.4.4 geciteerde parlementaire voorbereiding, beoogt de overgangsregeling rechtszekerheid te bieden ten aanzien van belastingplichtigen wier voertuig werd besteld vóór 12 oktober 2020, maar pas werd ingeschreven na 31 december 2020. Die belastingplichtigen konden alsnog een vrijstelling van de jaarlijkse verkeersbelasting genieten als zij tijdig de nodige documenten bezorgden aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. Hieruit vloeit voort dat de belastingplichtigen in de in het geding zijnde hypothese in staat waren de rechtsgevolgen van hun handelingen te voorzien. Voorts wordt hiermee tegemoetgekomen aan een mogelijk verschil in verwerkingstijd dat zou kunnen ontstaan doordat de aanvraag tot inschrijving digitaal of via aangetekende zending is ingediend. B.6. Artikel 2.2.6.0.7 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit is bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het algemeen beginsel van rechtszekerheid. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 2.2.6.0.7 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 schendt niet de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het algemeen beginsel van rechtszekerheid. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 23 april 2026. De griffier, De emeritus voorzitter, Frank Meersschaut Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.054 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.095 ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.063 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div