id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 23 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.055 Arrest- Rolnummer: 55/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-05-04 Raadplegingen: 382 - laatst gezien 2026-06-18 06:46 Versie(s): Versie FR Fiche
- Geen schending (artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht, zoals vervangen bij artikel 233 van de wet van 7 juni 2023 « tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 en houdende diverse bepalingen inzake insolvabiliteit », in zoverre het niet toestaat dat de gefailleerde natuurlijke persoon de rechtbank verzoekt om uitspraak te doen over de kwijtschelding vooraleer de periode van drie jaar zoals vermeld in artikel XX.173, § 3, van datzelfde Wetboek is verlopen)
- Schending (artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht, zoals vervangen bij artikel 233 van de voormelde wet van 7 juni 2023, in zoverre het niet toestaat dat de gefailleerde natuurlijke persoon de rechtbank verzoekt om zich na afloop van de in artikel XX.173, § 3, van hetzelfde Wetboek vermelde periode waarin de weigering kan worden gevorderd door de curator, maar vóór de sluiting van het faillissement, uit te spreken over de kwijtschelding)
- De prejudiciële vragen behoeven voor het overige geen antwoord Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van Economisch recht, gesteld door de Ondernemingsrechtbank te Gent, afdeling Brugge. Economisch recht - Insolventie van ondernemingen - Faillissement - Verzoek tot kwijtschelding - Termijn voor het indienen van het verzoek - Gefailleerde natuurlijke persoon Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 55/2026 van 23 april 2026 Rolnummer : 8465 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht, gesteld door de Ondernemingsrechtbank te Gent, afdeling Brugge. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Joséphine Moerman en Pierre Nihoul, de rechters Michel Pâques, Danny Pieters, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter Luc Lavrysen, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 7 april 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 14 april 2025, heeft de Ondernemingsrechtbank te Gent, afdeling Brugge, de volgende prejudiciële vragen gesteld : «
- Schendt artikel XX.173, § 2 WER in de versie gewijzigd door artikel é van de wet van 7 juni 2023 tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 en houdende diverse bepalingen inzake insolvabiliteit de artikelen 10 en 11 dan wel 23 van de Grondwet door het verschil in behandeling tussen enerzijds de gefailleerde wiens faillissement wordt geopend vanaf 1 september 2023 en van wie het faillissement snel wordt gesloten en anderzijds de gefailleerde wiens faillissement wordt geopend vanaf 1 september 2023 en van wie het faillissement, onafhankelijk van zijn wil, pas naar vele jaren wordt gesloten en dit op het punt van het tijdstip waarop de kwijtschelding wordt bekomen ?
- Schendt artikel XX.173, § 2 WER in de versie het laatst gewijzigd door artikel é van de wet van 7 juni 2023 tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement 2 en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 en houdende diverse bepalingen inzake insolvabiliteit de artikelen 10 en 11 dan wel 23 van de Grondwet door het verschil in behandeling tussen enerzijds de gefailleerde wiens faillissement wordt geopend vanaf 1 september 2023 en van wie het faillissement snel wordt gesloten en anderzijds de gefailleerde wiens faillissement wordt geopend vanaf 1 september 2023 en van wie het faillissement, onafhankelijk van zijn wil, pas naar vele jaren wordt gesloten en dit op het punt van het tijdstip waarop de kwijtschelding wordt bekomen, zonder dat voorzien is in een mogelijkheid om de kwijtschelding te bekomen voorafgaandelijk aan de sluiting van het faillissement ?
- Schendt artikel XX.173, § 2 WER in de versie het laatst gewijzigd door artikel é van de wet van 7 juni 2023 tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 en houdende diverse bepalingen inzake insolvabiliteit de artikelen 10 en 11 dan wel 23 van de Grondwet, doordat de gefailleerde wiens faillissement werd geopend tussen 1 mei 2018 en 31 augustus 2023, kan genieten van een vervroegde kwijtschelding, terwijl de gefailleerde wiens faillissement werd geopend vanaf 1 september 2023, enkel en alleen de kwijtschelding bekomt bij de sluiting van het faillissement, zonder de mogelijkheid om de kwijtschelding te bekomen voorafgaandelijk aan de sluiting van het faillissement ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Steve Ronse en mr. Thomas Quintens, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 4 maart 2026 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Danny Pieters en Kattrin Jadin te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De verzoekende partij in het bodemgeschil wordt op 27 december 2023 in staat van faillissement verklaard. Op 6 januari 2025 verzoekt zij dat de Rechtbank haar de volledige kwijtschelding zou toekennen met toepassing van artikel XX.173, § 1, van het Wetboek van economisch recht. Na de zitting voert zij bijkomend aan dat het 3 ontbreken van een mogelijkheid om die kwijtschelding te verzoeken, ongrondwettig is. Daarop stelt het verwijzende rechtscollege de voormelde prejudiciële vragen. III. In rechte -A- A.
- De Ministerraad wijst erop dat de nieuwe regeling net werd ingevoerd nadat het Hof de vorige regeling ongrondwettig had verklaard. De vereiste van een formeel verzoek werd opgeheven en de kwijtschelding wordt quasi-automatisch toegekend. A.
- Ten aanzien van de eerste twee prejudiciële vragen voert de Ministerraad aan dat de omstandigheid dat er een korte, dan wel een lange periode verstrijkt tussen de opening en de sluiting van het faillissement, geen onevenredige gevolgen met zich meebrengt. Vanaf de faillietverklaring geniet de gefailleerde immers virtueel reeds de kwijtschelding. Conform de richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 « betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 (Richtlijn betreffende herstructurering en insolventie » is de termijn waarbinnen een vordering tot weigering van de kwijtschelding kan worden ingesteld immers beperkt tot een termijn van drie jaar te rekenen vanaf het ogenblik waarop het passief gekend is. Vanaf het verstrijken van die termijn is de gefailleerde natuurlijke persoon zeker dat de kwijtschelding zal worden toegekend. A.
- Ten aanzien van de derde prejudiciële vraag voegt de Ministerraad hieraan toe dat een verschil in behandeling dat het gevolg is van de toepassing van opeenvolgende regelingen, geen schending uitmaakt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.1.
- De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht, zoals vervangen door artikel é van de wet van 7 juni 2023 « tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 en houdende diverse bepalingen inzake insolvabiliteit » (hierna : de wet van 7 juni 2023). Die bepaling regelt ten aanzien van gefailleerde natuurlijke personen de kwijtschelding van restschulden. 4 B.1.
- De kwijtschelding van restschulden impliceert dat de restschulden die na de vereffening van de voor beslag vatbare goederen overblijven, gewist worden (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2407/001, pp. 89 en 97-98). De regeling van de kwijtschelding werd in 2017 ingevoerd in het kader van de hervorming van het faillissementsrecht. Bij artikel 70, eerste lid, van de wet van 11 augustus 2017 « houdende invoeging van het Boek XX ‘ Insolventie van ondernemingen ’, in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht » werd de faillissementswet van 8 augustus 1997 opgeheven, onder voorbehoud van de toepassing ervan op de faillissementsprocedures die liepen op 1 mei
- Met die hervorming van het faillissementsrecht streefde de wetgever diverse doelstellingen na, waaronder het bevorderen van « de tweede kans, die het ondernemerschap aanmoedigt en een nieuwe start mogelijk maakt » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2407/001, p. 3). Die doelstelling wordt onder meer nagestreefd met de vervanging van het stelsel van de verschoonbaarheid van de gefailleerde door het stelsel van de kwijtschelding van diens restschulden bij de sluiting van het faillissement (ibid., pp. 4 en 98). B.1.
- De wet van 7 juni 2023 strekt ertoe de richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 « betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 (Richtlijn betreffende herstructurering en insolventie » (hierna : de richtlijn (EU) 2019/1023) in het Belgisch recht om te zetten (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3231/001, p. 3). B.1.
- Vóór de wijziging ervan bij artikel é van de wet van 7 juni 2023 bepaalde artikel XX.173 van het Wetboek van economisch recht : « §
- Indien de gefailleerde een natuurlijke persoon is, zal hij ten aanzien van de schuldeisers worden bevrijd van de restschulden, onverminderd de zakelijke zekerheden gesteld door de schuldenaar of derden. De kwijtschelding heeft gevolgen voor de onderhoudsschulden van de gefailleerde noch voor de schulden voortvloeiend uit de verplichting tot herstel van de schade verbonden aan het overlijden of aan de aantasting van de lichamelijke integriteit van een persoon waaraan de gefailleerde schuld heeft. 5 §
- De kwijtschelding wordt enkel toegekend door de rechtbank op verzoek van de gefailleerde, welk verzoekschrift hij dient te voegen bij zijn aangifte van het faillissement of dient neer te leggen in het register uiterlijk drie maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis, zelfs indien het faillissement is afgesloten voor het verstrijken van die termijn. Het verzoekschrift wordt door de griffier ter kennis gebracht van de curator. Deze legt uiterlijk na één maand een verslag neer in het register over omstandigheden die kunnen aanleiding geven tot de vaststelling van kennelijk grove fouten, bedoeld in §
- Zonder de sluiting van het faillissement af te wachten en van zodra de termijn van zes maanden is verstreken, kan de gefailleerde de rechtbank verzoeken uitspraak te doen over de kwijtschelding. Op verzoek van de gefailleerde deelt de rechtbank aan deze laatste, via het register, binnen een termijn van een jaar vanaf de opening van het faillissement, de redenen mee die rechtvaardigen waarom ze zich niet over de kwijtschelding heeft uitgesproken zonder dat deze mededeling vooruitloopt op de latere beslissing inzake de kwijtschelding. De rechtbank spreekt zich uit over het verzoek tot kwijtschelding uiterlijk bij de sluiting van het faillissement of, indien het verzoek bedoeld in het eerste lid nog niet is ingediend op het ogenblik van sluiting, binnen een maand na het verzoek. Het vonnis dat de kwijtschelding van de schuldenaar beveelt wordt door de griffier ter kennis gebracht van de curator en in het register neergelegd. Het wordt door de curator bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. §
- Elke belanghebbende met inbegrip van de curator en het openbaar ministerie kan, bij verzoekschrift waarvan door de griffier wordt kennis gegeven aan de gefailleerde, vanaf de bekendmaking van het faillissementsvonnis vorderen dat de kwijtschelding slechts voor een deel wordt toegekend of volledig geweigerd bij gemotiveerde beslissing, indien de gefailleerde kennelijk grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement. Dezelfde vordering kan worden ingesteld bij wijze van derdenverzet bij verzoekschrift uiterlijk drie maanden na de publicatie van het vonnis van kwijtschelding. Wanneer de gefailleerde beoefenaar is van een vrij beroep, dan stelt de griffier diens orde of instituut in kennis door een kopie te sturen van het vonnis waarin de kwijtschelding voor een deel wordt toegekend of volledig geweigerd ». B.1.
- Bij zijn arrest nr. 62/2021 van 22 april 2021 (ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.062) heeft het Hof, in antwoord op een prejudiciële vraag, geoordeeld dat de in B.1.
- vermelde versie van artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre de gefailleerde natuurlijke persoon die niet binnen de vervaltermijn van drie maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis een verzoek tot kwijtschelding van restschulden indient, het recht op die kwijtschelding onherroepelijk verliest. Artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht werd vervolgens, bij het arrest nr. 151/2021 van 21 oktober 2021 (ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.151), vernietigd in dezelfde mate. 6 B.1.
- Bij artikel é van de wet van 7 juni 2023 werd artikel XX.173 van het Wetboek van economisch recht vervangen door een regeling waarbij de kwijtschelding in principe automatisch wordt toegekend op het moment van de sluiting van het faillissement, zonder dat de gefailleerde natuurlijke persoon een verzoek tot kwijtschelding moet indienen. Het aldus vervangen artikel XX.173 van het Wetboek van economisch recht bepaalt : « §
- Indien de gefailleerde een natuurlijke persoon is, zal hij ten aanzien van de schuldeisers worden bevrijd van de restschulden, onverminderd de zakelijke zekerheden gesteld door de schuldenaar of een derde. De kwijtschelding heeft geen gevolgen voor de onderhoudsschulden van de gefailleerde noch voor de schulden voortvloeiend uit de verplichting tot herstel van de schade verbonden aan het overlijden of aan de aantasting van de lichamelijke integriteit van een persoon waaraan de gefailleerde schuld heeft. §
- Onverminderd paragraaf 1, bevrijden de sluiting van het faillissement bedoeld in artikel XX.135 en de sluiting bedoeld in artikel XX.171 de schuldenaar van zijn restschulden. §
- Elke belanghebbende met inbegrip van de curator en het openbaar ministerie kan, bij verzoekschrift waarvan door de griffier wordt kennis gegeven aan de gefailleerde vanaf de bekendmaking van het faillissementsvonnis vorderen dat de kwijtschelding voor een deel of volledig wordt geweigerd bij met redenen omklede beslissing, indien de gefailleerde kennelijk grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement, of wetens naar aanleiding van de aangifte van het faillissement of naderhand op de vragen van de rechter-commissaris of van de curator onjuiste inlichtingen heeft verstrekt. Het recht te vorderen dat de kwijtschelding geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, vervalt na drie jaar te rekenen vanaf het ogenblik dat het recht opname te vorderen bedoeld in XX.165, derde lid, verstreken is. Dezelfde vordering kan worden ingesteld bij wijze van derdenverzet bij verzoekschrift uiterlijk drie maanden na de bekendmaking van het vonnis van sluiting van het faillissement, en voor zover deze termijn van drie jaar niet verstreken is. De door de rechtbank gedeeltelijk geweigerde kwijtschelding wordt evenredig verdeeld over alle schuldeisers zonder inachtneming van de wettige reden van voorrang. Wanneer de gefailleerde beoefenaar is van een vrij beroep, dan stelt de griffier diens orde of instituut in kennis door een kopie te sturen van het vonnis waarin de kwijtschelding voor een deel of volledig wordt geweigerd. Het vonnis dat de kwijtschelding geheel of gedeeltelijk weigert wordt door de griffier bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad ». 7 De faillissementsprocedures die werden geopend vanaf 1 september 2023 vallen krachtens de artikelen 272 en 273 van de wet van 7 juni 2023 onder het toepassingsgebied van het aldus gewijzigde artikel XX.173 van het Wetboek van economisch recht. B.1.
- Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever met die aanpassing tegemoet wou komen aan de in B.1.5 vermelde arresten van het Hof, door de vereiste van een formeel verzoek tot kwijtschelding op te heffen. Tegelijk wou de wetgever misbruiken vanwege de gefailleerde vermijden : « Dit artikel wijzigt artikel XX.173 van het WER. Om tegemoet te komen aan de arresten van het Grondwettelijk Hof wordt het stelsel van de kwijtschelding vereenvoudigd door de vereiste van een formeel verzoek tot kwijtschelding op te heffen. De gefailleerde hoeft bijgevolg de kwijtschelding niet meer te vragen, zij wordt rechtens toegekend en is het automatische gevolg van het vonnis van sluiting. Misbruiken vanwege de gefailleerde moeten wel vermeden worden en daarom wordt ook de mogelijkheid bewaard dat de curator of andere belanghebbenden zich tegen de kwijtschelding kunnen verzetten. Zij dragen de bewijslast van de redenen die wettigen dat geen of geen volledige kwijtschelding kan worden verleend » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3231/001, p. 89). Ten gronde Wat betreft de eerste twee prejudiciële vragen B.
- In de eerste twee prejudiciële vragen wordt het Hof gevraagd de bestaanbaarheid na te gaan van artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht, zoals van toepassing in het bodemgeschil, met de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in zoverre het niet voorziet in een mogelijkheid voor de gefailleerde natuurlijke persoon om nog vóór de sluiting van het faillissement een verzoek tot kwijtschelding in te dienen, waardoor gefailleerde natuurlijke personen identiek worden behandeld, ongeacht of het faillissement snel wordt gesloten dan wel lang aansleept. B.3.
- Noch de bewoordingen van de prejudiciële vragen, noch het onderzoek van de motivering van de verwijzingsbeslissing maken het voor het Hof mogelijk te begrijpen in welk opzicht de in het geding zijnde bepaling onbestaanbaar zou zijn met artikel 23 van de Grondwet. 8 B.3.
- In zoverre zij betrekking hebben op de inachtneming van artikel 23 van de Grondwet, zijn de eerste twee prejudiciële vragen niet ontvankelijk. B.4.
- De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet zich overigens ertegen dat categorieën van personen die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.4.
- In sociaal-economische aangelegenheden beschikt de wetgever in beginsel over een ruime beoordelingsvrijheid. Het Hof vermag de beleidskeuze die de wetgever heeft gemaakt en de motieven die daaraan ten grondslag liggen slechts af te keuren indien zij niet redelijk verantwoord zijn. B.5.
- De afschaffing van de vereiste van een uitdrukkelijk verzoek tot kwijtschelding, en de in principe automatische toekenning van die kwijtschelding, ten laatste op het moment van de sluiting van het faillissement, zijn pertinente maatregelen ten aanzien van de in B.1.7 vermelde doelstelling om de door het Hof in zijn arresten vastgestelde ongrondwettigheid te verhelpen. Zoals is vermeld in B.1.6, heeft de wetgever gekozen voor een systeem van in beginsel automatische kwijtschelding, waarbij een verzoek vanwege de gefailleerde niet langer vereist is, maar waarbij de sluiting van het faillissement de kwijtschelding van de restschulden met zich meebrengt, tenzij tijdig een weigering werd gevorderd. 9 Zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding bij het wetsvoorstel waarop de nieuwe regeling oorspronkelijk is gebaseerd (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3231/004, p. 7) wilde de wetgever, door de kwijtschelding pas op het moment van de sluiting van het faillissement uit te spreken, bovendien misbruiken vanwege de gefailleerde gedurende de procedure vermijden. Op grond van het nieuwe artikel XX.173, § 3, eerste lid, kan de kwijtschelding immers eveneens geweigerd worden indien de gefailleerde, naar aanleiding van de aangifte van het faillissement of naderhand op de vragen van de rechter-commissaris of van de curator, wetens onjuiste inlichtingen heeft verstrekt. De wetgever heeft zo een evenwicht willen bewaren tussen, enerzijds, de mogelijkheid voor de gefailleerde om een nieuwe activiteit op te starten, en, anderzijds, de nood om misbruiken, ook tijdens de faillissementsprocedure, te vermijden : « Daarnaast wordt in paragraaf 3 van artikel XX.173 WER een nieuwe reden ingevoegd als grond om de kwijtschelding geheel of gedeeltelijk te weigeren. Het betreft de weigering tot samenwerking met de curator en de rechter-commissaris, waarbij de schuldenaar op de vragen van de curator of de rechter-commissaris geen of onjuiste inlichtingen heeft verstrekt. De centrale idee blijft hierdoor gehandhaafd. Zij was reeds verwoord in het thans bestaande artikel XX.173 WER : de kwijtschelding is de regel, maar derden kunnen hiertegen opkomen als zij de kwijtschelding willen beletten. Ter gelegenheid van de sluiting van het faillissement komt er een controle van de kwijtschelding. De curator zal in zijn verzoek tot sluiting ook verslag moeten uitbrengen over de kwijtschelding. Hij kan bij die gelegenheid verzoeken dat de rechtbank de kwijtschelding niet of slechts gedeeltelijk toekent. Het aldus gewijzigde stelsel van de kwijtschelding van de restschulden, probeert een evenwicht te vinden tussen twee doelstellingen die samen moeten bereikt worden. Voor de gefailleerde zelf is het belangrijk dat hij vanaf de faillietverklaring een nieuwe activiteit kan starten. Daarom moet hij niet alleen kunnen genieten van de opbrengst van zijn nieuwe activiteit maar tevens een beroep kunnen doen op krediet. Dit laatste kan maar als de kredietgever weet dat de gefailleerde niet verder gebukt gaat onder restschulden. Een tweede doelstelling is te vermijden dat personen bedrieglijk zouden gebruikmaken van het faillissement om zich zonder veel inspanningen te bevrijden van hun passief. Dit vereist dat de toekenning van de kwijtschelding onder de hierboven aangehaalde omstandigheden getoetst kan worden door de rechter. [...] Aldus is het nutteloos geworden te bepalen dat de gefailleerde in een vroeg stadium de kwijtschelding kan vragen. Hij kan ervan uitgaan dat die kwijtschelding verworven is tenzij de curator of derden hiertegen opkomen. Derden kunnen weliswaar opkomen tegen de kwijtschelding op gelijk welk ogenblik maar voor de gefailleerde zelf is het onmogelijk een declaratoir van rechten te vragen dat hij bevrijd is van de restschulden terwijl de vereffening 10 nog niet beëindigd is en het mogelijk is dat een ongepast gedrag nog wordt vastgesteld » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2454/001, pp. 6-8). In het licht van voormelde doelstellingen om een evenwicht te vinden tussen de belangen van de gefailleerde en het voorkomen van misbruiken tijdens de faillissementsprocedure, is het redelijk verantwoord dat, zolang de weigering van de kwijtschelding nog mogelijk is op grond van het gedrag van de gefailleerde, het niet mogelijk is om de kwijtschelding vóór de sluiting van het faillissement vast te stellen. B.5.
- Uit artikel XX.173, § 3, tweede en derde lid, blijkt echter eveneens dat de periode waarin de weigering van de kwijtschelding door de curator kan worden gevorderd, beperkt is. Indien het vonnis van sluiting wordt uitgesproken binnen een periode van drie jaar te rekenen vanaf het ogenblik dat het recht opname te vorderen is verstreken, kan de weigering ten laatste bij wijze van derdenverzet uiterlijk drie maanden na de bekendmaking van het vonnis van sluiting van het faillissement worden gevorderd. Indien de afhandeling van het faillissement langer duurt dan de voormelde termijn van drie jaar, vervalt het recht om de weigering te vorderen, zowel tijdens de procedure als bij wijze van derdenverzet. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever, met verwijzing naar de richtlijn (EU) 2019/1023, de termijn waarin het verzoek tot weigering kan worden ingediend, heeft beperkt tot maximaal drie jaar vanaf het moment waarop het passief gekend is, om te vermijden dat de gefailleerde te lang in onzekerheid blijft over de kwijtschelding : « In realiteit geniet [de gefailleerde natuurlijke persoon] weliswaar virtueel van de kwijtschelding vanaf de faillietverklaring, maar kan steeds vrezen dat de curator, het openbaar ministerie of een derde belanghebbende het initiatief zouden nemen van een vordering tot weigering van de kwijtschelding op grond van de enge grond van grove kennelijke fout. Het ontwerp verplicht dat een vordering tot weigering van de kwijtschelding wordt ingesteld binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf het ogenblik dat het passief gekend is (dit is de termijn van één jaar bedoeld in artikel XX.165). Hoewel de termijn op grond van de exceptie voorzien in artikel 23 van de Richtlijn zou verlengd kunnen worden, leek het beter verzoenbaar met de geest van de Belgische wet en van de Richtlijn om een termijn van drie jaar op te leggen. Het is overigens weinig waarschijnlijk dat er nog nieuwe grove feiten aan het licht komen als deze termijn voorbij is. Niets belet de rechter om zijn uitspraak aan te houden. Er kan bijvoorbeeld een strafonderzoek hangende zijn waardoor het niet aangeraden is onmiddellijk te beslissen. De termijn van drie jaar geldt voor iedereen, ongeacht of de vordering is ingesteld voor de sluiting, ter gelegenheid van de sluiting of bij wege van derdenverzet na de sluiting » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3231/001, pp. 89-90). 11 Zodra de weigering van de kwijtschelding niet meer kan worden gevorderd door de curator, ongeacht het gedrag van de gefailleerde, kan niet worden ingezien waarom die gefailleerde altijd de sluiting van het faillissement zou moeten afwachten, om de gevolgen van de kwijtschelding te kunnen genieten. Dit geldt in het bijzonder in het licht van de vaststelling dat het in die gevallen per definitie gaat om procedures die al geruime tijd aan de gang zijn. Bijgevolg is de in het geding zijnde onmogelijkheid voor de gefailleerde natuurlijke persoon om na de periode waarin de weigering kan worden gevorderd door de curator, maar vóór de sluiting van het faillissement, de kwijtschelding te verkrijgen, niet redelijk verantwoord. B.
- Artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht is bijgevolg niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het niet voorziet in de mogelijkheid, voor de gefailleerde natuurlijke persoon, om de rechtbank te verzoeken om zich na afloop van de in artikel XX.173, § 3, van hetzelfde Wetboek vermelde periode waarin de weigering kan worden gevorderd door de curator, maar vóór de sluiting van het faillissement, uit te spreken over de kwijtschelding. B.7.
- Het staat aan de wetgever om de in B.5 vastgestelde lacune van artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht, weg te werken. B.7.
- Teneinde, in afwachting van dat wetgevend optreden, de rechten van de gefailleerde natuurlijke personen te waarborgen, dienen zij de mogelijkheid te hebben de rechtbank te verzoeken om zich na afloop van de in artikel XX.173, § 3, van het Wetboek van economisch recht vermelde periode waarin de weigering kan worden gevorderd door de curator, maar vóór de sluiting van het faillissement, uit te spreken over de kwijtschelding, naar analogie van de procedure zoals bepaald in artikel XX.173, § 2, tweede tot vierde lid, van hetzelfde Wetboek, vóór de vervanging ervan bij artikel é van de wet van 7 juni
- 12 Wat betreft de derde prejudiciële vraag B.8.
- De derde prejudiciële vraag heeft betrekking op een verschil in behandeling tussen de gefailleerden wier faillissement werd geopend tussen 1 mei 2018 en 31 augustus 2023 en de gefailleerden wier faillissement werd geopend vanaf 1 september
- B.8.
- Het is inherent aan een nieuwe regeling dat een onderscheid wordt gemaakt tussen personen die zijn betrokken bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de vroegere regeling vielen en personen die zijn betrokken bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de nieuwe regeling vallen. Daar het elke wetswijziging onmogelijk zou maken, schendt een dergelijk onderscheid de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Het verwijzende rechtscollege vraagt aan het Hof om de situatie van de rechtsonderhorigen van wie het faillissement onder de toepassing van de vorige regeling valt, te vergelijken met die van de rechtsonderhorigen van wie het faillissement onder de toepassing valt van artikel XX.173 van het Wetboek van economisch recht, zoals gewijzigd bij de wet van 7 juni
- Een dergelijke vergelijking kan niet leiden tot de vaststelling van een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 13 Om die redenen, het Hof zegt voor recht :
- Artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht, zoals vervangen bij artikel é van de wet van 7 juni 2023 « tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 en houdende diverse bepalingen inzake insolvabiliteit », schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het niet toestaat dat de gefailleerde natuurlijke persoon de rechtbank verzoekt om uitspraak te doen over de kwijtschelding vooraleer de periode van drie jaar zoals vermeld in artikel XX.173, § 3, van datzelfde Wetboek is verlopen.
- Artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht, zoals vervangen bij artikel é van de voormelde wet van 7 juni 2023, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het niet toestaat dat de gefailleerde natuurlijke persoon de rechtbank verzoekt om zich na afloop van de in artikel XX.173, § 3, van hetzelfde Wetboek vermelde periode waarin de weigering kan worden gevorderd door de curator, maar vóór de sluiting van het faillissement, uit te spreken over de kwijtschelding.
- De prejudiciële vragen behoeven voor het overige geen antwoord. 14 Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 23 april
- De griffier, De emeritus voorzitter, Frank Meersschaut Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.055 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.062 ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.151 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.