← België

ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.056

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 23 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.056 Arrest- Rolnummer: 56/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-05-04 Raadplegingen: 361 - laatst gezien 2026-06-18 06:45 Versie(s): Versie FR Fiche - De prejudiciële vraag in de zaak nr. 8468 behoeft geen antwoord - Geen schending Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel 106, § 1, van het decreet van het Waalse Gewest van 23 juni 2016 « houdende wijziging van het Milieuwetboek, van het Waterwetboek en van verscheidene decreten inzake afvalstoffen en milieuvergunning » en artikel D.270 van boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, zoals gewijzigd bij artikel 46 van het decreet van het Waalse Gewest van 23 juni 2016 « houdende wijziging van het Milieuwetboek, van het Waterwetboek en van verscheidene decreten inzake afvalstoffen en milieuvergunning », gesteld door de Vrederechter van het kanton Nijvel en door de Ondernemingsrechtbank te Luik, afdeling Verviers. Leefmilieu - Bescherming van het leefmilieu - Waals Gewest - Tarifering voor water - Sanering van het huishoudelijk afvalwater - Individueel waterzuiveringssysteem - Reële kostprijs van de sanering (RKS) - Vrijstelling - Afschaffing Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 56/2026 van 23 april 2026 Rolnummers : 8468 en 8507 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 106, § 1, van het decreet van het Waalse Gewest van 23 juni 2016 « houdende wijziging van het Milieuwetboek, van het Waterwetboek en van verscheidene decreten inzake afvalstoffen en milieuvergunning » en artikel D.270 van boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, zoals gewijzigd bij artikel 46 van het decreet van het Waalse Gewest van 23 juni 2016 « houdende wijziging van het Milieuwetboek, van het Waterwetboek en van verscheidene decreten inzake afvalstoffen en milieuvergunning », gesteld door de Vrederechter van het kanton Nijvel en door de Ondernemingsrechtbank te Luik, afdeling Verviers. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Joséphine Moerman, de rechters Thierry Giet, Michel Pâques, Yasmine Kherbache en Danny Pieters, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter Luc Lavrysen, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij vonnis van 11 april 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 april 2025, heeft de Vrederechter van het kanton Nijvel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 106, § 1, van het decreet van 23 juni 2016 houdende wijziging van het Milieuwetboek, van het Waterwetboek en van verscheidene decreten inzake afvalstoffen en milieuvergunning, wat betreft de sanering en het openbare beheer van de autonome sanering, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepaling aan de verbruikers die reeds in het bezit zijn van een individueel zuiveringssysteem [en die zelf hun afvalwater saneren] de toepassing van de reële saneringskosten op dezelfde manier oplegt als aan de verbruikers die niet over een individueel zuiveringssysteem beschikken, en bijgevolg een situatie doet ontstaan waarbij personen die zich in verschillende situaties bevinden op dezelfde wijze worden behandeld ? ». 2 b. Bij vonnis van 23 juni 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 juli 2025, heeft de Ondernemingsrechtbank te Luik, afdeling Verviers, de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1. Schendt artikel D.270 van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, zoals gewijzigd bij artikel 46 van het decreet van het Waals Parlement van 23 juni 2016 houdende wijziging van het Milieuwetboek, van het Waterwetboek en van verscheidene decreten inzake afvalstoffen en milieuvergunning, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de vrijstelling van de ‘ reële kostprijs van de sanering ’ voor de bezitters van een ‘ individueel waterzuiveringssysteem ’ (IZS) schrapt en aldus, enerzijds, de personen die zelf hun afvalwater met dat IZS zuiveren en, anderzijds, de personen die dat afvalwater in de collectieve afvoersystemen lozen op identieke wijze behandelt, op basis van de afgenomen leidingwatervolumes ? 2. Schendt artikel D.270 van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, zoals gewijzigd bij artikel 46 van het decreet van het Waals Parlement van 23 juni 2016 houdende wijziging van het Milieuwetboek, van het Waterwetboek en van verscheidene decreten inzake afvalstoffen en milieuvergunning, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het leidt tot de toepassing van de ‘ reële kostprijs van de sanering ’ berekend op basis van de afgenomen leidingwatervolumes op, enerzijds, de bezitters van een IZS die ook een waterput hebben en, anderzijds, de bezitters van een IZS die geen waterput hebben; die eersten nemen geen of minder leidingwater af dan de tweeden en worden niet of minder door de maatregel getroffen, terwijl zij wel dezelfde belasting voor de gemeenschap vertegenwoordigen ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8468 en 8507 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - Jean-Louis Horlait en Sybille Hausman, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Alexis Lefebvre, advocaat bij de balie te Brussel (in de zaak nr. 8468); - de cv « in BW Association Intercommunale » en de nv « Société Publique de Gestion de l’Eau », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jean Laurent, mr. Charline Servais en mr. Simon Noppe, advocaten bij de balie te Brussel (in de zaak nr. 8468); - de nv « Domaine de l’Eau Rouge », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Elisabeth Kiehl en mr. Eric Lemmens, advocaten bij de balie Luik-Hoei (in de zaak nr. 8507); - de cv « Société wallonne des eaux », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Fatima Omari, advocate bij de balie Luik-Hoei (in de zaak nr. 8507); - de nv « Société Publique de Gestion de l’Eau », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jean Laurent, mr. Charline Servais en mr. Simon Noppe (in de zaak nr. 8507); 3 - Claude Berkenbosch, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Alain Lebrun, advocaat bij de balie Luik-Hoei (tussenkomende partij in de zaak nr. 8507); - de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Pierre Moërynck, advocaat bij de balie te Brussel. Memories van antwoord zijn ingediend door : - Jean-Louis Horlait en Sybille Hausman; - de nv « Domaine de l’Eau Rouge »; - de nv « Société Publique de Gestion de l’Eau » (in de zaak nr. 8507); - Claude Berkenbosch. Bij beschikking van 11 februari 2026 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Michel Pâques en Yasmine Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen. Ingevolge het verzoek van meerdere partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 24 februari 2026 de dag van de terechtzitting bepaald op 18 maart 2026. Op de openbare terechtzitting van 18 maart 2026 : - zijn verschenen : . mr. Ghislaine Aziz-Reynaert, advocate bij de balie te Brussel, loco mr. Alexis Lefebvre, voor Jean-Louis Horlait en Sybille Hausman; . mr. Jean Laurent, voor de cv « in BW Association Intercommunale » en de nv « Société Publique de Gestion de l’Eau »; . mr. Elisabeth Kiehl, tevens loco mr. Eric Lemmens, voor de nv « Domaine de l’Eau Rouge »; . mr. Anne-Laurence Hollanders, advocate bij de balie Luik-Hoei, tevens loco mr. Fatima Omari, voor de cv « Société wallonne des eaux »; . mr. Pierre Moërynck, voor de Waalse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers Michel Pâques en Yasmine Kherbache verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. 4 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen Zaak nr. 8468 Twee particulieren beschikken sinds 2016 over een individueel waterzuiveringssysteem op hun woonplaats, waarmee zij afvalwater kunnen behandelen. Die personen betwisten het feit dat de vrijstelling van de « reële kostprijs van de sanering », die zij tot dan toe hebben genoten omdat zij over een individueel waterzuiveringssysteem beschikken, op 1 januari 2022 werd afgeschaft. Na de verwerping van hun bezwaarschrift door de cv « in BW Association Intercommunale » hebben zij de zaak aanhangig gemaakt bij het Vredegerecht van het kanton Nijvel. De Vrederechter stelt vast dat de verbruikers die vóór 1 januari 2018 een waterzuiveringsstation hebben laten plaatsen en diegenen die dat niet hebben gedaan, op dezelfde wijze worden behandeld, in zoverre zij allen aan de toepassing van de reële kostprijs van de sanering worden onderworpen, terwijl zij zich in verschillende situaties bevinden. Bijgevolg stelt hij aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. Zaak nr. 8507 De nv « Domaine de l’Eau Rouge » baat een camping uit. Wegens de ligging ervan was een aansluiting op de collectieve riolering niet mogelijk, zodat zij over een individueel waterzuiveringssysteem beschikt. Ook zij betwist de afschaffing van de vrijstelling van de reële kostprijs van de sanering. Daartoe heeft zij de cv « Société wallonne des eaux » (SWDE) gedagvaard voor de Ondernemingsrechtbank te Luik, afdeling Verviers. De Rechtbank merkt op dat artikel 46 van het decreet van het Waalse Gewest van 23 juni 2016 « houdende wijziging van het Milieuwetboek, van het Waterwetboek en van verscheidene decreten inzake afvalstoffen en milieuvergunning » (hierna : het decreet van 23 juni 2016) een einde heeft gemaakt aan de vrijstelling van de reële kostprijs van de sanering voor de bezitters van een individueel waterzuiveringssysteem. Op grond van de door de decreetgever ingevoerde overgangsregeling konden de bezitters van een dergelijk individueel waterzuiveringssysteem de vrijstelling blijven genieten tot 31 december 2021. Het einde van de vrijstelling gaat gepaard met een tenlasteneming, door de nv « Société Publique de Gestion de l’Eau » (SPGE), van de dienst met betrekking tot het openbaar beheer van de autonome sanering. Vanaf het einde van de vrijstelling laat de SPGE een controle van de werking van het individueel waterzuiveringssysteem uitvoeren, die zij ten laste neemt. De eigenaar zorgt voor de conformiteit van dat systeem, in voorkomend geval, op basis van het tijdens de controle opgestelde verslag. De Rechtbank stelt vast dat daaruit een gelijke behandeling voortvloeit van de bezitters van een individueel waterzuiveringssysteem die zelf hun afvalwater behandelen en de personen die gebruikmaken van de collectieve afvoersystemen. Die gelijke behandeling zou niet klaarblijkelijk bestaanbaar zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, met name rekening houdend met de ontstentenis van objectieve gegevens om de evenredigheid van de maatregel te beoordelen en met de aan de bezitters van een dergelijk individueel waterzuiveringssysteem aangeboden tegenprestaties (premies, controle, ruimen van het overtollige slib). De Rechtbank merkt eveneens een gelijke behandeling op van, enerzijds, de personen die een individueel waterzuiveringssysteem en een waterput bezitten die hen van water voorziet en, anderzijds, diegenen die een individueel waterzuiveringssysteem bezitten, maar die uitsluitend leidingwater afnemen. Aangezien de reële kostprijs van de sanering wordt berekend op basis van het afgenomen watervolume, worden de personen van de eerste categorie niet – of minder – getroffen door de reële kostprijs van de sanering, terwijl de belasting voor de gemeenschap dezelfde is. De Rechtbank stelt bijgevolg aan het Hof de twee hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. 5 III. In rechte -A- Zaak nr. 8468 A.1. De verzoekende partijen voor het verwijzende rechtscollege betogen dat de in het geding zijnde bepaling twee categorieën van personen die zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze behandelt : enerzijds, de gebruikers die op een collectieve riolering zijn aangesloten en die een openbare dienst voor afvalwaterzuivering genieten, en, anderzijds, de gebruikers die hun afvalwater op autonome wijze behandelen met een erkende installatie zonder een beroep te doen op een collectieve dienst. Die gelijke behandeling is discriminerend. De verzoekende partijen voor het verwijzende rechtscollege voeren aan dat het feit dat de vrijstelling van de reële kostprijs van de sanering werd afgeschaft voor de gebruikers die in het bezit zijn van een individueel waterzuiveringssysteem, onevenredige gevolgen heeft ten aanzien van die laatstgenoemden, rekening houdend met de daadwerkelijk geleverde diensten en de door die gebruikers reeds gedane investeringen om afvalwater te zuiveren. Die gebruikers moeten een last dragen in de vorm van een heffing die gelijk is aan die voor de personen die geen individueel waterzuiveringssysteem bezitten. Die last komt boven op de kosten voor het autonome systeem, en dat zonder reële tegenprestatie, in tegenstelling tot de gebruikers die zijn aangesloten op het openbaar net en die daadwerkelijk de waterzuiveringsdienst genieten. Te dezen wordt geen enkele waterzuiveringsdienst geleverd aan de verzoekende partijen voor het verwijzende rechtscollege. Zij financieren volledig de aankoop, het onderhoud, de controles en de ruiming van hun erkende systeem. Bovendien wordt in het decreet van het Waalse Gewest van 23 juni 2016 « houdende wijziging van het Milieuwetboek, van het Waterwetboek en van verscheidene decreten inzake afvalstoffen en milieuvergunning » (hierna : het decreet van 23 juni 2016) het einde van de vrijstelling vastgesteld op 31 december 2021, zonder dat dat einde afhankelijk wordt gesteld van de doeltreffendheid van het autonoom beheer van de afvalwaterzuivering. A.2. De Waalse Regering betoogt dat de aangevoerde discriminatie niet voortvloeit uit het in het geding zijnde artikel 106, § 1, van het decreet van 23 juni 2016, aangezien dat artikel een overgangsbepaling is op grond waarvan een vrijstelling of een terugbetaling van de reële kostprijs van de sanering kan worden toegepast voor een beperkte duur, maar waarin de toepassing van de reële kostprijs van de sanering op de burgers die een individueel waterzuiveringssysteem hebben, niet wordt opgelegd. De prejudiciële vraag behoeft bijgevolg geen antwoord. De Waalse Regering voert in ondergeschikte orde aan dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord, rekening houdend met hetgeen in de parlementaire voorbereiding is uiteengezet. A.3.1. De cv « in BW Association Intercommunale » (hierna : de cv « in BW ») en de nv « Société Publique de Gestion de l’Eau » (hierna : de SPGE) voeren aan dat de prejudiciële vraag niet ontvankelijk is aangezien zij niet nuttig is voor de oplossing van het bodemgeschil. Ten eerste heeft de in het geding zijnde bepaling geen uitwerking meer. Ten tweede is zij ten goede gekomen aan de verzoekende partijen voor het verwijzende rechtscollege, die aldus tot 31 december 2021 de vrijstelling van de reële kostprijs van de sanering hebben kunnen genieten. Ten derde worden de te vergelijken categorieën van heffingsplichtigen niet duidelijk geïdentificeerd in de prejudiciële vraag. A.3.2. De cv « in BW » en de SPGE voeren in ondergeschikte orde aan dat het verschil in behandeling redelijk verantwoord is. De vrijstelling van de betaling van de reële kostprijs van de sanering, waarin oorspronkelijk was voorzien ten gunste van de personen die gebruikmaken van een individueel waterzuiveringssysteem, werd verantwoord door het feit dat die personen zelf hun individueel waterzuiveringssysteem beheerden zonder tussenkomst van de overheid. Er is evenwel vastgesteld dat dat systeem niet opportuun was aangezien tal van personen hun individueel waterzuiveringssysteem niet correct onderhielden en er geen regelmatige opvolging of controle van de individuele waterzuiveringssystemen werd verricht, noch enige controle of verificatie met betrekking tot de verwijdering van het waterzuiveringsslib. Voortaan is het beheer van de autonome sanering van afvalwater openbaar, waardoor het verantwoord is dat de reële kostprijs van de sanering wordt opgelegd aan de bezitters van een individueel waterzuiveringssysteem. Als tegenprestatie ontvangen zij premies voor de installatie van een nieuw individueel waterzuiveringssysteem en voor het herstel van een bestaand individueel waterzuiveringssysteem, een tegemoetkoming in de betaling van de kosten voor het 6 onderhoud en een waarschuwing van de SPGE wanneer slib moet worden geruimd uit het systeem, alsook de tenlasteneming door de SPGE van de factuur van de ruimer. Het is des te meer verantwoord dat personen die gebruikmaken van een individueel waterzuiveringssysteem aan de reële kostprijs van de sanering worden onderworpen, aangezien autonome sanering duurder is dan collectieve sanering. De cv « in BW » en de SPGE betogen dat de in de prejudiciële vraag vermelde heffingsplichtigen slechts één en dezelfde categorie vormen, daar zij allen de door de SPGE geleverde diensten in het kader van de openbare waterzuivering genieten. Zij betogen dat de gelijke behandeling hoe dan ook redelijk verantwoord is, rekening houdend met de mutualisering van de kosten, de solidariteit, het beginsel dat de vervuiler betaalt en de te behalen milieudoelstellingen, met name wat het in goede staat houden van de waterlichamen betreft, alsook rekening houdend met de ruime beoordelingsvrijheid waarover de decreetgever beschikt voor de invoering of de afschaffing van vrijstellingen. Die gelijke behandeling heeft geen onevenredige gevolgen voor de betrokkenen, rekening houdend met de overgangsregeling die tot 31 december 2021 van toepassing is geweest en de steunmaatregelen waardoor extra kosten kunnen worden gereduceerd. A.4. De verzoekende partijen voor het verwijzende rechtscollege antwoorden dat de in het geding zijnde bepaling geen loutere overgangsbepaling zonder actuele normatieve draagwijdte is. Zij voert een specifieke regeling in die van toepassing was tot 31 december 2021, datum waarop aan de burgers met een individueel waterzuiveringssysteem hun recht op de vrijstelling of de terugbetaling van de reële kostprijs van de sanering werd ontzegd. De in het geding zijnde bepaling vormt de directe grondslag voor de aangeklaagde gelijke behandeling. Artikel D.270 van het Waterwetboek is niet de enige pertinente grondslag voor de in het geding zijnde maatregel voor zover het geen bepaling bevat die het recht op de vrijstelling of de terugbetaling van de reële kostprijs van de sanering in de tijd beperkt. Dat tijdsaspect vloeit voort uit de wijziging die is ingevoerd bij artikel 106, § 1, van het decreet van 23 juni 2016, waarin de overgang van de vrijstellingsregeling naar een veralgemeende heffing is doorgevoerd. Zaak nr. 8507 Eerste prejudiciële vraag A.5.1. De nv « Domaine de l’Eau Rouge » betoogt dat de verbruikers van water die behoren tot de in de eerste prejudiciële vraag vermelde categorieën niet vergelijkbaar zijn, aangezien de enen hun afvalwater in de collectieve riolering lozen en bijgevolg gebruikmaken van de openbare riolering, terwijl de anderen hun afvalwater op eigen kosten zuiveren. Die verbruikers kunnen dus niet identiek worden behandeld. De nv « Domaine de l’Eau Rouge » doet gelden dat de milieudoelstelling van de hervorming niet rechtstreeks verband houdt met de afschaffing van de vrijstelling van de reële kostprijs van de sanering. Voorts verliest de formulering « reële kostprijs van de sanering » haar betekenis wanneer zij niet overeenstemt met de kosten van de waterzuivering voor de bezitters van een individueel waterzuiveringssysteem. Bovendien heeft het gecreëerde mechanisme perverse gevolgen die tegenovergesteld zijn aan het nagestreefde doel, in zoverre het de bezitter van een individueel waterzuiveringssysteem ontraadt om dat systeem te onderhouden. Tot slot is de verantwoording voor de in het geding zijnde gelijke behandeling niet op concrete gegevens gestoeld. A.5.2. De nv « Domaine de l’Eau Rouge » voert aan dat de in het geding zijnde maatregel niet noodzakelijk is rekening houdend met de aanneming van twee besluiten van de Waalse Regering van 1 december 2016 die voorzien in nieuwe nadere regels voor het onderhoud en de controle van de individuele waterzuiveringssystemen. Die maatregel is bovendien onevenredig. De controle op de werking die ten laste wordt genomen door de SPGE, is geen reële tegenprestatie voor de afschaffing van de vrijstelling, aangezien het de eigenaar is die zijn installatie zo nodig in overeenstemming moet brengen (artikel R.386, laatste lid, van het Waterwetboek). Bovendien wordt slechts een gering deel van de reële kosten gedekt door de beperkte tenlasteneming van de kosten voor de controle, de kosten voor het onderhoud (artikel R.307, § 4, van hetzelfde Wetboek) en het ruimen van slib (artikel R.307/1 van hetzelfde Wetboek). De nv « Domaine de l’Eau Rouge » beklemtoont dat de installatie- en herstelpremies, die niet gelden voor de bestaande installaties, het opgeworpen probleem niet verhelpen en dat de belastingen voor de aansluiting op de riolering nooit verschuldigd waren vóór of na de afschaffing van de vrijstelling van de reële kostprijs van de sanering. De vermelde « steun » komt overeen met hoogstens enkele honderden euro’s per jaar, wat weinig is in 7 vergelijking met de duizenden euro’s die voortaan verschuldigd zijn voor de reële kostprijs van de sanering. Voorts is het bestaan van een overgangsperiode niet pertinent om de in het geding zijnde discriminatie te verantwoorden. Tot slot hebben de bezitters van een individueel waterzuiveringssysteem niet noodzakelijk de mogelijkheid om af te zien van een dergelijke installatie. A.6. Claude Berkenbosch, tussenkomende partij in de rechtspleging voor het Hof, voert aan dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang kunnen worden gelezen met het beginsel dat de vervuiler betaalt, in zoverre de in het geding zijnde bepaling niet-vervuilers en vervuilers op dezelfde wijze behandelt wat betreft het lozen van huishoudelijk afvalwater, alsook met artikel 23 van de Grondwet, waarin het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu wordt gewaarborgd. A.7.1. De Waalse Regering merkt op dat het decreet van 23 juni 2016 het openbaar beheer van de autonome sanering van afvalwater heeft ingevoerd en dat de reële kostprijs van de sanering de verplichte tegenprestatie vormt daarvoor, hetgeen verantwoordt dat de vrijstelling van de reële kostprijs van de sanering is afgeschaft voor de personen die hun huishoudelijk afvalwater zuiveren. Bovendien ligt de hervorming in het verlengde van een beleidsnota met betrekking tot de bevordering van een geïntegreerd waterbeleid dat door de Waalse Regering werd goedgekeurd op 13 mei 2015. Die nota, die op concrete antecedenten berust (analyse door een comité van deskundigen en daarna door de SPGE), zet uiteen welke vaststellingen tot die invoering hebben geleid : de moeilijkheden betreffende de financiering van de waterzuivering, de problemen met de opvolging van de individuele waterzuiveringssystemen, het probleem met de correcte inning en toewijzing van de reële kostprijs van de sanering, enz. De Waalse Regering beklemtoont dat in artikel D.5 van het Waterwetboek het beginsel van terugwinning van de kosten van waterdiensten wordt vastgesteld. Het openbaar beheer van de autonome sanering van afvalwater vereist dat burgers worden onderworpen aan de reële kostprijs van de sanering. De Waalse Regering voert aan dat de grief volgens welke de reële kostprijs van de sanering boven op het onderhoud komt voor de exploitanten van een individueel waterzuiveringssysteem, op een verkeerde redenering berust omdat daarbij geen rekening wordt gehouden met het feit dat autonome sanering objectief gezien duurder is dan collectieve sanering, noch met het feit dat het openbaar beheer van de autonome sanering van afvalwater niet ertoe strekt de kosten van de individuele sanering in overeenstemming te brengen met die van de collectieve sanering. Artikel D.222/1 van het Waterwetboek legt enkel op dat de begrippen « mutualisering van de kosten » en « billijke afwenteling op de waterverbruikers van de zuiveringskosten » moeten worden nageleefd. De hervorming is niet beperkt tot de invoering van de reële kostprijs van de sanering, aangezien zij ook de kosten en de prestaties tussen de exploitanten en de gemeenschap herverdeelt. De Waalse Regering doet gelden dat de hervorming in haar geheel moet worden bekeken. Bepaalde kosten blijven ten laste van de exploitant wegens zijn objectief verschillende situatie (investering, lopend onderhoud, elektriciteit, herstellingen), terwijl andere kosten voortaan door de gemeenschap worden gedragen (controles, ruimingen, installatie- of herstelpremies). Om de impact van de invoering van het openbaar beheer van de autonome sanering correct te kunnen beoordelen, moet dus worden geredeneerd in termen van nettokosten van dat beheer. A.7.2. De Waalse Regering betoogt dat het onmogelijk is de prejudiciële vraag te beantwoorden. Ten eerste is de wijziging van artikel D.270 van het Waterwetboek slechts één element van een brede hervorming die in haar geheel moet worden bekeken. Op basis van het verwijzingsvonnis kan echter niet worden geïdentificeerd welke andere bepalingen moeten worden onderzocht. Ten tweede is er geen enkele aanwijzing met betrekking tot de concrete situatie van de nv « Domaine de l’Eau Rouge ». Ten derde heeft de prejudiciële vraag in werkelijkheid betrekking op uitvoeringsmaatregelen die aan de bevoegdheid van het Hof ontsnappen. De reële kostprijs van de sanering wordt niet vastgesteld bij de decretale bepalingen van het Waterwetboek. Hij wordt vastgesteld door de raad van bestuur van de SPGE en ter goedkeuring aan de Waalse Regering voorgelegd (artikel D.334bis, § 1, 1°, f), van het Waterwetboek). De Waalse Regering voert in ondergeschikte orde aan dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. A.8. De SPGE zet een argumentatie uiteen die analoog is met die welke met betrekking tot de prejudiciële vraag in de zaak nr. 8468 is uiteengezet. 8 A.9. De cv « Société wallonne des eaux » (hierna : de SWDE) zet een argumentatie uiteen die analoog is met die van de SPGE en de Waalse Regering. Zij voert aan dat de door de decreetgever ingevoerde regeling voortvloeit uit het Unierecht en dat zij betrekking heeft op de naleving van het beginsel dat de vervuiler betaalt bij de behandeling van afvalwater. De reële kostprijs van de sanering dient om het openbaar beheer van de autonome sanering van afvalwater te financieren. Naast de tegenprestaties die de gebruikers met een individueel waterzuiveringssysteem kunnen genieten, betalen zij geen belasting voor de aansluiting op de riolering. Tot slot berust de betaling van de reële kostprijs van de sanering op een solidariteitsbeginsel. A.10. De nv « Domaine de l’Eau Rouge » betoogt dat de hiervoor vermelde tegenprestaties (waaronder de premies) de invoering van strengere verplichtingen inzake onderhoud en controle van de individuele waterzuiveringssystemen compenseren en niet de afschaffing van de vrijstelling van de reële kostprijs van de sanering. Bovendien kan de door de afschaffing van de vrijstelling van de reële kostprijs van de sanering veroorzaakte discriminatie niet worden verantwoord door het feit dat autonome sanering eventueel duurder is in vergelijking met collectieve sanering. A.11. Claude Berkenbosch voert aan dat de memorie van toelichting van de hervorming in werkelijkheid niet is geobjectiveerd en hij legt een aantal cijfers met betrekking tot de kosten van zijn waterverbruik voor. A.12.1. De SPGE betoogt dat de prejudiciële vragen geen pertinentie of belang hebben met het oog op de oplossing van het bodemgeschil, aangezien de nv « Domaine de l’Eau Rouge » zich niet heeft aangesloten bij het openbaar beheer van de autonome sanering van afvalwater via een inschrijving op het SIGPAA-platform, terwijl zij daartoe verplicht is, en zij de diensten van dat openbaar beheer niet geniet. A.12.2. De SPGE beklemtoont dat de schuldenaars van de reële kostprijs van de sanering zowel betalen voor de diensten die zij rechtstreeks genieten als voor de dienstverlening aan de gemeenschap die, over het geheel genomen, wordt verricht door de overheidsinstanties die instaan voor de afvoer en behandeling van afvalwater. Bovendien hangen de bezitters van individuele waterzuiveringssystemen vast aan de kosten voor dat systeem, daar zij vanwege de ligging van hun woning of hun bedrijf niet kunnen worden aangesloten op de riolering. Het staat niet aan de SPGE of aan de decreetgever om rekening te houden met de keuzes van alle gebruikers (en met de eventuele financiële gevolgen daarvan). Voorts is het op technisch en logistiek vlak onmogelijk om alle situaties van de gebruikers te individualiseren wat de sanering van hun afvalwater betreft, aangezien eenieder kosten draagt en ontsnapt aan andere kosten. Tweede prejudiciële vraag A.13. De nv « Domaine de l’Eau Rouge » merkt op dat de reële kostprijs van de sanering wordt berekend op basis van het watervolume dat aan een gezin wordt verdeeld en niet op basis van het te saneren watervolume. Aan de personen met een waterput wordt minder water verdeeld (aangezien zij daarvoor een put hebben) en dus betalen zij een lagere reële kostprijs van de sanering, hetgeen niet redelijk verantwoord is, aangezien de kwestie van de zuivering zich na gebruik voordoet. Bovendien kiezen de gebruikers er niet voor een waterput te hebben; dat is slechts mogelijk wanneer er water aanwezig is in de ondergrond en aan de technische voorwaarden is voldaan. Daarenboven kan de installatie van regenwatertanks – met een noodzakelijkerwijs beperkte capaciteit – geen vaste bron van watervoorziening zijn die vergelijkbaar is met een waterput waardoor de gebruiker geen gebruik meer hoeft te maken van leidingwater. Tot slot kan de discriminatie niet worden verantwoord door het bestaan van een belasting ten laste van de gebruikers van een waterput. A.14. De Waalse Regering voert aan dat het onmogelijk is de tweede prejudiciële vraag te beantwoorden om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet met betrekking tot de eerste prejudiciële vraag. Bovendien is die tweede prejudiciële vraag onvolledig, voor zover : 1° zij de door de exploitant van een grondwaterwinning verschuldigde afnamebelasting niet vermeldt, 2° zij niet verduidelijkt of er rekening moet worden gehouden met het geval waarbij grondwater wordt gewonnen dat al dan niet tot drinkwater verwerkbaar is, en 3° zij de jaarlijkse belasting op het lozen van afvalwater (artikel D.258 van het Waterwetboek) die wordt geheven op afvalwater uit putten buiten beschouwing laat. Het bedrag van de belasting op de lozing is vergelijkbaar met dat van de reële kostprijs van de sanering. Daarbij komt nog in voorkomend geval en volgens de te verduidelijken hypothesen de afnamebijdrage. In de veronderstelling dat zij een antwoord behoeft, dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. A.15.1. De SPGE voert aan dat dat de tweede prejudiciële vraag niet nuttig is voor de oplossing van het bodemgeschil. Allereerst is het voor de berekening van de reële kostprijs van de sanering technisch niet mogelijk 9 om rekening te houden met het water dat wordt gesaneerd en dat afkomstig zou kunnen zijn van andere bronnen dan de openbare watervoorziening. De reële kostprijs van de sanering kan slechts op basis van de gegevens van de verbruiksmeters worden berekend. Voorts is de bezitter van een waterput met een individueel waterzuiveringssysteem onderworpen aan de voormelde belasting op de lozing van afvalwater. Tot slot had de prejudiciële vraag alle bepalingen met betrekking tot het openbaar beheer van de autonome sanering moeten beogen teneinde de grondwettigheid ervan te beoordelen. A.15.2. In ondergeschikte orde voert de SPGE aan dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. De twee in de prejudiciële vraag vermelde categorieën van heffingsplichtigen vormen, in zoverre zij beiden een beroep doen op de diensten van de SPGE in het kader van de openbare watersanering, in wezen slechts één enkele categorie. In dat kader wordt de reële kostprijs van de sanering berekend op basis van hun verbruik op de meter, hetgeen vanuit technisch en logistiek oogpunt de enige manier is om de reële kostprijs van de sanering met zekerheid te berekenen. De belasting wordt dan weer berekend op basis van de hoeveelheid water die uit de put aan de Waalse watervoorraden wordt onttrokken. Er wordt geen enkel aanzienlijk verschil in berekening toegepast op die categorieën van heffingsplichtigen naargelang er al dan niet een put bestaat. Tot slot worden de twee voormelde categorieën van heffingsplichtigen niet op identieke wijze behandeld, aangezien de bezitter van een put, niet alleen aan de reële kostprijs van de sanering, maar ook aan de belasting op het lozen van afvalwater wordt onderworpen. De SPGE voert aan dat de gelijke behandeling hoe dan ook redelijk verantwoord is. Ten eerste kan de decreetgever in fiscale aangelegenheden categorieën hanteren die de verscheidenheid van de situaties met een zekere graad van benadering opvangen. Het is onredelijk de overheid ertoe te verplichten bij de berekening van de reële kostprijs van de sanering rekening te houden met de geïndividualiseerde gegevens zoals het feit of er al dan niet een put bestaat en of er al dan niet daadwerkelijk gebruik van wordt gemaakt. Ten tweede zou het bevestigend beantwoorden van de prejudiciële vraag erop neerkomen dat de bezitters van een waterput aan een dubbele financiële bijdrage worden blootgesteld. Ten derde heeft de decreetgever in overgangsmaatregelen voorzien waardoor de heffingsplichtigen zich aan de bekritiseerde wetswijzigingen kunnen aanpassen en dat gedurende verschillende jaren. A.16. De SWDE zet een analoge argumentatie uiteen. A.17. De nv « Domaine de l’Eau Rouge » betoogt dat de bewering dat de openbare operatoren de reële kostprijs van de sanering slechts kunnen berekenen op basis van de gegevens die afkomstig zijn van de watermeters, technisch niet is bewezen. Zelfs in de veronderstelling dat die bewering bewezen zou zijn, is het enige pertinente gegeven het feit of er al dan niet enig watervolume moet worden gesaneerd. Voor de bezitters van een individueel waterzuiveringssysteem moet er echter geen watervolume worden gesaneerd. De bezitters van een put zullen dus noodzakelijkerwijs financieel gezien minder worden gestraft dan diegenen zonder put, terwijl de bezitters van een individueel waterzuiveringssysteem geen milieu-impact hebben. Voorts wordt in het verwijzingsvonnis terecht opgemerkt dat de belasting ten laste van de gebruikers van een waterput reeds wordt verantwoord door een vermindering van de « reële kostprijs van de distributie », die eveneens op basis van het afgenomen watervolume wordt berekend. Tot slot is niet bewezen dat de bezitters van een individueel waterzuiveringssysteem met een put daadwerkelijk zijn onderworpen aan een financiële bijdrage die, wat betreft het water uit een put, vergelijkbaar is met de reële kostprijs van de sanering. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.1.1. Artikel D.228 van boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt (hierna : het Waterwetboek), regelt de tarifering voor water. Die tarifering bevat, naast de reële kostprijs van de distributie (RKD), de reële kostprijs van de sanering (RKS). 10 Artikel D.228 van het Waterwetboek bepaalt : « Krachtens het principe van vervuiler-betaler wordt een eenvormige watertarifering ingevoerd die toepasselijk is op het verbruik waarvoor een mogelijkerwijs vooraf betaalbare jaarlijkse heffing per meter betaald wordt die dient voor de betaling van het voordeel gebonden aan de terbeschikkingstelling van water ongeacht of er al dan niet verbruik is. De tarifering bestaat uit drie tranches opgedeeld naar gelang van de jaarlijkse verbruiksvolumes berekend volgens onderstaande formule : Heffing : (20 x C.V.D. [lees : RKD]) + (30 x C.V.A. [lees : RKS]) Verbruik : eerste tranche van 0 tot 30 m³ : 0.5 x [RKD] tweede tranche van 30 tot 5 000 m³ : [RKD] + [RKS] derde tranche boven 5 000 m³ : (0.9 x [RKD]) + [RKS] De bijdrage in het Sociaal Waterfonds wordt op het grondgebied van het Franse taalgebied aan dit tarief toegevoegd. De [RKD] wordt door de verdeler bepaald op grond van een meerjarige en toekomstgerichte projectie uitgewerkt op basis van een gekende boekhoudtoestand en vastgesteld met inachtneming van de evaluatieregels bepaald in het geuniformiseerde boekhoudplan dat door de Regering is vastgelegd. De Regering kan de methode en de vorm van berekening van de [RKD] bepalen. De [RKS] wordt voor het gezamenlijke Waalse grondgebied door de S.P.G.E. bepaald krachtens de beheersovereenkomst die ze met de Regering gesloten heeft. Dezelfde verdeler mag slechts één enkel tarief toepassen op het grondgebied van een hydrografisch onderbekken zoals bepaald bij artikel 7. Het toegepaste tarief kan van bovenbedoelde tariefstructuur afwijken voor de jaarlijkse verbruikvolumes boven 25 000 m³ per vermindering van de coëfficiënt die op de [RKD] toegepast wordt. De distributiewaterprijs is het voorwerp van een tweejarig evaluatierapport. Dat rapport wordt na advies van het comité voor watercontrole de oneven jaren uiterlijk 31 maart door de Regering aan het Waalse Parlement overgemaakt, enerzijds, op grond van de gegevens verstrekt door de verdeler wat de [RKD] betreft, en, anderzijds, op grond van de gegevens verstrekt door de ‘ S.P.G.E. ’ wat de [RKS] betreft ». Artikel D.2, 23°, van het Waterwetboek bepaalt dat de reële kostprijs van de sanering wordt berekend per kubieke meter en de gezamenlijke kostprijs voor de sanering van het huishoudelijk afvalwater omvat. 11 B.1.2. Oorspronkelijk voorzag artikel D.270 van het Waterwetboek in een vrijstelling van de reële kostprijs van de sanering voor de personen die het huishoudelijk afvalwater dat ze voortbrengen of voor behandeling opvangen, zuiveren. Op basis van die bepaling genoten de bezitters van een individueel waterzuiveringssysteem een vrijstelling van de reële kostprijs van de sanering. B.1.3. Artikel 46 van het decreet van het Waalse Gewest van 23 juni 2016 « houdende wijziging van het Milieuwetboek, van het Waterwetboek en van verscheidene decreten inzake afvalstoffen en milieuvergunning » (hierna : het decreet van 23 juni 2016) heeft die vrijstelling afgeschaft. « In artikel D.270 van hetzelfde Boek, ingevoegd bij het decreet van 12 [december] 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden ‘ of de C.V.A. ’ geschrapt; 2° in het tweede lid worden de woorden ‘ of de C.V.A. ’ geschrapt ». B.1.4. Uit de memorie van toelichting van het decreet van 23 juni 2016 blijkt dat het feit dat de vrijstelling van de reële kostprijs van de sanering wordt afgeschaft voor de exploitanten van een individueel waterzuiveringssysteem verband houdt met de invoering van een openbaar beheer van de autonome sanering. « De voorgestelde decreetswijziging strekt ertoe in het Waalse Gewest een openbaar beheer van de autonome sanering in te voeren. Dat beheer heeft tot doel de duurzaamheid en de werking van de individuele waterzuiveringssystemen (IZS’

  1. en)te verbeteren en een passende wijze van financiële tegemoetkoming te ontwikkelen, zowel op het niveau van de investeringen als op dat van de exploitatie van de IZS’en. Aldus is het de bedoeling te zorgen voor een gecoördineerd en geüniformeerd beheer van de gezamenlijke – collectieve en autonome – sanering van het huishoudelijk afvalwater, waardoor beter kan worden voldaan aan het voorschrift van de richtlijn 2000/60/EG tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid. De voorgestelde wijzigingen volgen op de beleidsnota met betrekking tot de bevordering van een geïntegreerd waterbeleid dat door de Waalse Regering werd goedgekeurd op 13 mei 2015. Wat de vaststellingen betreft, dient te worden benadrukt dat, zelfs indien de erkende IZS’en van goede kwaliteit zijn, de opvolging ervan thans ontbreekt, zowel wat betreft het onderhoud, het ruimen van het slib als de controles. Dat veroorzaakt talrijke verstoringen in systemen die soms sterk worden gesubsidieerd. 12 In die context moet het openbaar beheer van de autonome sanering waarborgen dat de geplaatste installaties worden opgevolgd, hetzij in het kader van een stedenbouwkundige vergunning, hetzij in het kader van het in overeenstemming brengen van bestaande woningen die op sanitair of milieuvlak in prioritaire zones liggen. Gelet op de noodzaak om eerst die zones met IZS’en uit te rusten, dient het voorgestelde beheermodel (premie) te worden toegepast bij de installatie van die IZS’en. Het openbaar beheer van de autonome sanering wordt voorgesteld als een aanvulling op de openbare sanering van het afvalwater, een dienst die door de SPGE [Société Publique de Gestion de l’Eau] wordt verleend in het kader van haar beheerscontract. Op basis van de uitgebreide opdracht inzake autonome sanering om te voldoen aan de milieudoelstellingen en de specifieke budgettaire beperkingen die eigen zijn aan het Waalse Gewest, is het noodzakelijk dat de financiering van het openbaar beheer van de autonome sanering kan worden opgenomen in de RKS. De basisbeginselen van het openbaar beheer van de autonome zuivering berusten op de volgende pijlers : – de uitoefening van de bevoegdheid inzake het openbaar beheer van de autonome sanering door de SPGE met de medewerking van de erkende saneringsinstellingen; – het identificeren van de diensten die de SPGE op zich neemt, waarvan een aantal bij delegatie kunnen worden uitgeoefend door de erkende saneringsinstellingen; – het betalen van de RKS door de burgers die gebruikmaken van die diensten. De openbare sanering omvat : ‘ het geheel van de handelingen inzake de opvang van afvalwater, openbare waterzuivering en afwateringswerken als bedoeld in artikel D.217, tweede lid, met inbegrip van het afvoeren van overstromingswater naar mijnverzakkingsgebieden in zoverre dit onontbeerlijk is voor het behalen van resultaten inzake de collectieve sanering ’ (art. D.2, 4°). Hoewel de term ‘ openbare sanering ’ niet wordt gedefinieerd door het Wetboek, bestaat er een natuurlijk verband tussen ‘ openbare sanering ’ en ‘ collectieve sanering ’. In die context kan de individuele sanering, in tegenstelling tot de collectieve sanering, niet zo worden beschouwd dat zij deel uitmaakt van de openbare sanering. Dat standpunt wordt bevestigd door het feit dat het individuele waterzuiveringssysteem in alle gevallen een privé-eigendom blijft. […] In de tekst wordt het openbaar beheer van de autonome sanering eveneens gedefinieerd als een ‘ geheel van de sensibiliserings-, administratieve en financiële handelingen toegewezen aan de overheden om te zorgen voor de vlotte werking van de autonome sanering door de eigenaar of de gebruiker van de woning en om een aan de collectieve sanering gelijkwaardig milieubeschermingsniveau mogelijk te maken ’ (voorontwerp van art. D.2, 96°). Het openbaar beheer van de autonome sanering omvat bepaalde lokale diensten zoals het informeren en bewustmaken van de doelgroepen, het toekennen van premies voor de individuele waterzuiveringssystemen die daarvoor in aanmerking komen, het financieren van 13 het periodieke onderhoud van de individuele waterzuiveringssystemen of het ruimen van het overtollige slib en de tenlasteneming van de controles op de werking. Voor de financiële tegemoetkomingen wordt zoveel mogelijk een forfaitair bedrag vastgesteld om het beheer ervan gemakkelijker te maken. […] De SPGE financiert, beheert en regelt de elementen van het openbaar beheer van de autonome sanering naar het voorbeeld van de huidige opdrachten van de SPGE bij de collectieve sanering. Dat beheer omvat het toekennen van premies, het verrichten van controles, het financieren van het onderhoud en het ruimen van de IZS’en, diensten voor informatieverstrekking en lokale dienstverlening aan de burger (advies door de SPGE of de bevoegde saneringsinstellingen) maar eveneens aan andere belangrijke spelers op het gebied van sanering (de gemeenten, de architecten, de installateurs van IZS’en, …). Die diensten moeten een gelijkwaardig beschermingsniveau van het leefmilieu waarborgen, ongeacht de saneringsregeling waaronder een woning valt : autonoom of collectief. Als tegenprestatie voor de diensten met betrekking tot autonome sanering die worden ingevoerd, moet de burger de reële kostprijs van de sanering (RKS) betalen, overeenkomstig het beginsel dat de vervuiler betaalt. De nieuwe systemen die worden geïnstalleerd, zijn vanaf de inwerkingtreding van de decreetswijziging verplicht aan de RKS onderworpen. Voor woningen die reeds zijn uitgerust met een functioneel IZS, kan de exploitant tot 31 december 2021 zijn vrijstelling van de RKS behouden. Tegen die datum zal hij eveneens ervoor kunnen kiezen aan de RKS te worden onderworpen en aldus de diensten op het vlak van autonome sanering te genieten. Voor de aan de RKS onderworpen exploitant en met betrekking tot de werking van zijn IZS, wordt de financiële tegemoetkoming van de SPGE toegekend voor het onderhoud ervan, dat verplicht wordt, het ruimen van het overtollige slib, alsook de controles en opvolging van die systemen. Die tegemoetkomingen in het kader van de werking van de IZS’en hebben betrekking op elk IZS dat onder het openbaar beheer van de autonome sanering valt, ongeacht of de woning ‘ nieuw ’ of ‘ bestaand ’ is en in of buiten de prioritaire zone is gelegen. Die tegemoetkomingen zijn bedoeld om het merendeel van de kosten in verband met de werking en de opvolging van de IZS’en te dekken. Maar niet alle kosten worden gedekt; zo blijven eventuele kosten voor elektriciteit of voor de vervanging van defecte onderdelen ten laste van de particulier. Bovendien gaat het, wat de informatieverstrekking en de bescherming van het leefmilieu betreft, erom informatie te kunnen verzamelen en de burger te kunnen informeren en bewust te maken van de maatregelen die zijn genomen inzake autonome sanering. De SPGE zal die bewustmakingsacties coördineren. Informatie kan via verschillende vormen van informatiekanalen worden verstrekt door de spelers in het veld, met name de erkende saneringsinstellingen. Het gaat erom de invoering van dat systeem van gedeelde verantwoordelijkheid op het vlak van passende sanering te begeleiden en de milieu-efficiëntie ervan te waarborgen » (Parl. St., Waals Parlement, 2015-2016, nr. 484/1, pp. 4-6). 14 De parlementaire voorbereiding van het decreet van 23 juni 2016 vermeldt eveneens : « Artikel 31 Dat artikel wordt op twee punten gewijzigd. Enerzijds, wat betreft de vrijstelling van de betaling van de RKS voor de personen die huishoudelijk afvalwater dat ze voortbrengen, zuiveren (D.270). Anderzijds, wat betreft de overeenstemming tussen de belastingregelingen inzake industrieel en huishoudelijk afvalwater. Met betrekking tot de eerste wijziging wordt een einde gemaakt aan de vrijstellingsregeling, waarbij wordt voorzien in een termijn tot 31 december 2021 (cf. de overgangsbepaling in artikel 99). Vanaf het moment dat de diensten waarin wordt voorzien in het openbaar beheer van de autonome sanering zijn geleverd (ook voor de bestaande systemen), is het immers logisch dat de vrijstelling wordt beëindigd. Er dient overigens te worden opgemerkt dat de personen die thans zijn vrijgesteld, reeds diensten genieten, met name voor de behandeling van hun overtollig slib. In werkelijkheid is autonome sanering vandaag duurder dan collectieve sanering. Dat is te wijten aan de in wezen verschillende aard van de verrichtingen (en de infrastructuur) om het water te saneren. Het verschil in de diensten en dus het verschil in behandeling wordt verantwoord door objectieve verschillen in situatie. Bovendien wordt erop gewezen dat, zelfs in het geval van de personen die collectieve saneringsdiensten genieten, verschillen in behandeling kunnen blijven bestaan. Zo neemt de gemeenschap bepaalde prestaties met betrekking tot de ligging en de configuratie van de te bedienen woningen niet voor haar rekening : de installatie en de exploitatie van een station voor de opvoer van water tot aan het rioleringssysteem bijvoorbeeld zal steeds ten laste zijn van de betrokken woning(en). Dat geldt ook voor de kosten van de aansluiting op de riolering, die ten laste blijven van de eigenaars van de woningen en die sterk kunnen variëren naargelang van de verscheidenheid van de situaties die zich voordoen. De prestaties van het openbaar beheer van de autonome sanering dragen ertoe bij dat de kosten van de werking en de opvolging van de IZS’en (kosten van de controle, de bijdrage in de onderhoudskosten en het ruimen van het overtollige slib) kunnen worden gerecupereerd. Het betreft de toepassing van het beginsel van terugwinning van de kosten van waterdiensten bepaald in artikel D.5 van het Waterwetboek. Het te bereiken legitieme doel bestaat erin de toestand van de waterlichamen te handhaven of te verbeteren volgens de vastgestelde milieudoelstellingen en de in de beheersplannen gestelde prioriteiten. De personen in een zone van autonome of collectieve sanering bevinden zich in objectief verschillende situaties en worden voor de bijdrage in de terugwinning van de kosten via de RKS gelijk behandeld, hetgeen redelijk is gelet op : – de mutualisering van de kosten; – de solidariteit; 15 – het beginsel dat de vervuiler betaalt; – de milieudoelstellingen die op termijn moeten worden behaald en de handhaving van de toestand van de waterlichamen. De strikte kostprijs van het leidingwater hangt in essentie van de plaatselijke omstandigheden af : het beschermingsniveau van het grondwater, de diepte ervan, de graad van bodemvervuiling en de nabijgelegen waterlopen, het verspreide wonen, de topografische factoren, de vervoersafstanden en de kwaliteit van het beheer. Het beginsel van solidariteit en mutualisering van de kosten wordt aangehouden. Via de factuur worden de inspanningen van de producent, de SPGE en het Gewest om het geleverde product te verbeteren, gebundeld en solidair verdeeld. Er wordt opgemerkt dat die tarifering een rechtstreekse impact heeft op het economisch evenwicht op lange termijn van de passende diensten voor de milieudoelstellingen. Al die elementen brengen ons dus ertoe een einde te maken aan de vrijstellingsregeling. Het blijkt evenwel noodzakelijk om rekening te houden met het feit dat de regeling van het openbaar beheer van de autonome sanering geleidelijk aan wordt ingevoerd. Bijgevolg wordt voorzien in een overgangsbepaling (artikel 99) waarbij het voordeel van de vrijstelling tot 31 december 2021 blijft behouden, waardoor alle individuele waterzuiveringssystemen tegen die datum in orde kunnen worden gebracht en daadwerkelijk opgevolgd. Aangezien de kaderrichtlijn voorziet in het beginsel van de terugwinning van de kosten, kan die einddatum van 31 december 2021 worden afgestemd op de einddata van de kaderrichtlijn en de toekomstige derde beheersplannen. Kortom, er is dus gekozen voor het mechanisme waarbij de financiering wordt opgenomen in de RKS, die zo wordt berekend dat hij overeenstemt met de totale kostprijs van de passende diensten voor de milieudoelstellingen » (ibid., pp. 17-18). B.1.5. Daarna werd artikel D.270 van het Waterwetboek opnieuw gewijzigd bij artikel 9 van het decreet van het Waalse Gewest van 12 november 2021 « houdende wijziging van Boek II van het Milieuwetboek dat het Waterwetboek inhoudt, met het oog op de vaststelling van een kader voor de terugwinning van bemalingswater », zodat het voortaan bepaalt : « De publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen die huishoudelijk afvalwater dat ze voortbrengen of voor behandeling opvangen, zuiveren, genieten de vrijstelling of de terugbetaling van de belasting [namelijk de jaarlijkse belasting op het lozen van huishoudelijk afvalwater] onder de door de Regering bepaalde voorwaarden. De watervolumes gefactureerd aan de begunstigden van een vrijstelling of een terugbetaling van de belasting worden niet meegerekend in het verdeelde volume bedoeld in artikel D.255 ». 16 B.1.6. Het in het geding zijnde artikel 106 van het decreet van 23 juni 2016, zoals gewijzigd bij artikel 17 van het voormelde decreet van 12 november 2021, voert het overgangsmechanisme in dat wordt vermeld in de in B.1.4 aangehaalde parlementaire voorbereiding : « § 1. De publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen die huishoudafvalwater zuiveren dat ze voortbrengen of voor behandeling ontvangen en die een vrijstelling of een vergoeding van de C.V.A. genieten, kunnen er tot 31 december 2021 voor kiezen die vrijstelling of vergoeding te blijven genieten of te worden onderworpen aan de betaling van de C.V.A. onder de voorwaarden die de Regering bepaalt. De watervolumes gefactureerd aan de personen die een vrijstelling of een vergoeding van de C.V.A. genieten, worden niet meegerekend in het verdeelde volume bedoeld in artikel D.255. § 2. De Regering is bevoegd voor de bepaling van de maatregelen i.v.m. de overgangsperiode, met name : 1° de voorwaarden waaronder de zuiveringssystemen in overeenstemming worden gebracht om in aanmerking te komen voor het openbare beheer van de autonome sanering; 2° de modaliteiten om in aanmerking te komen voor de diensten van het openbare beheer van de autonome sanering; 3° de modaliteiten voor de controles, het onderhoud en de lediging van de individuele zuiveringssystemen die tijdelijk in aanmerking blijven komen voor een vrijstelling van de C.V.A. ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen B.2. De prejudiciële vragen hebben betrekking op het feit dat de vrijstelling van de reële kostprijs van de sanering door de decreetgever werd afgeschaft voor de exploitanten van een individueel waterzuiveringssysteem. B.3.1. De Waalse Regering betoogt dat de discriminatie die wordt aangevoerd in de prejudiciële vraag in de zaak nr. 8468 niet voortvloeit uit het in het geding zijnde artikel 106, § 1, van het decreet van 23 juni 2016, zodat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft. B.3.2. Artikel 106 van het decreet van 23 juni 2016 voert een overgangsmechanisme in waardoor de betrokkenen ervoor kunnen kiezen verder een vrijstelling van de reële kostprijs 17 van de sanering te genieten tot 31 december 2021 of aan de nieuwe regeling te worden onderworpen. Die bepaling schaft op zich de vrijstelling van de reële kostprijs van de sanering, welke die personen tot dan toe genoten, niet af. Aangezien de aangevoerde discriminatie niet voortvloeit uit artikel 106, § 1, van het decreet van 23 juni 2016, behoeft de prejudiciële vraag in de zaak nr. 8468 geen antwoord. B.4.1. De Waalse Regering voert bovendien aan dat de prejudiciële vragen in de zaak nr. 8507 onmogelijk kunnen worden beantwoord omdat, enerzijds, de wijziging van artikel D.270 van het Waterwetboek slechts één element is van een brede hervorming die in haar geheel moet worden bekeken en omdat, anderzijds, in het verwijzingsvonnis geen andere bepaling wordt geïdentificeerd die moet worden onderzocht. Zij beweert eveneens dat de prejudiciële vragen in werkelijkheid betrekking hebben op uitvoeringsmaatregelen die aan de bevoegdheid van het Hof ontsnappen. Daarnaast betoogt de nv « Société Publique de Gestion de l’Eau » dat die prejudiciële vragen niet nuttig zijn voor de oplossing van het bodemgeschil aangezien de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege niet de nodige stappen heeft gedaan om de in het kader van het openbaar beheer van de autonome sanering verleende diensten te genieten. B.4.2. De in de prejudiciële vragen aangevoerde ongrondwettigheid, namelijk het feit dat de vrijstelling van de reële kostprijs van de sanering is afgeschaft voor de exploitanten van een individueel waterzuiveringssysteem, vloeit wel degelijk voort uit de wijziging, bij artikel 46 van het decreet van 23 juni 2016, van artikel D.270 van het Waterwetboek. Daaruit volgt dat het Hof op de prejudiciële vragen moet antwoorden zoals zij zijn gesteld. Dat belet het Hof niet om rekening te houden met andere bepalingen dan de in het geding zijnde bepaling – los van de vraag of die door het verwijzende rechtscollege werden vermeld – om de grondwettigheid van die in het geding zijnde bepaling te beoordelen. De omstandigheid dat de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege niet de nodige stappen heeft gedaan om de in het kader van het openbaar beheer van de autonome sanering verleende diensten te genieten, heeft overigens geen weerslag op het nut van de prejudiciële vragen, waarin juist in het geding wordt gebracht of die diensten toereikend zijn. 18 Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag in de zaak nr. 8507 B.5. Het verwijzende rechtscollege stelt het Hof een vraag over de bestaanbaarheid van artikel D.270 van het Waterwetboek, zoals gewijzigd bij artikel 46 van het decreet van 23 juni 2016, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de vrijstelling van de reële kostprijs van de sanering voor de bezitters van een individueel waterzuiveringssysteem schrapt. Die maatregel houdt in dat de personen die zelf hun afvalwater met dat individueel waterzuiveringssysteem saneren, op basis van de afgenomen leidingwatervolumes, op dezelfde wijze worden behandeld als de personen die hun afvalwater in de collectieve afvoersystemen lozen, aangezien al die personen de reële kostprijs van de sanering verschuldigd zijn. Met die vraag wenst het verwijzende rechtscollege van het Hof te vernemen of die gelijke behandeling grondwettig is. B.6. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.7.1. Volgens de tussenkomende partij kunnen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang worden gelezen met het beginsel dat de vervuiler betaalt en met artikel 23 van de Grondwet. 19 B.7.2. De partijen mogen de draagwijdte van de door het verwijzende rechtscollege gestelde vragen niet wijzigen of laten wijzigen. Het onderzoek van de in het geding zijnde bepaling dient bijgevolg niet te worden uitgebreid tot de naleving van de door de tussenkomende partij beoogde normen. B.8. Uit de in B.1.4 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de afschaffing van de vrijstelling van de reële kostprijs van de sanering voor de exploitanten van een individueel waterzuiveringssysteem past in het bredere kader van de invoering van een openbaar beheer van de autonome sanering van het huishoudelijk afvalwater. Oorspronkelijk genoten de exploitanten van een individueel waterzuiveringssysteem de vrijstelling van de reële kostprijs van de sanering omdat zij zelf instonden voor de sanering van hun afvalwater. Na een aantal analysecampagnes van het bestuur werd evenwel vastgesteld dat dat systeem niet bevredigend was, gelet op het gebrek aan onderhoud van de individuele waterzuiveringssystemen en het ontbreken van enige opvolging en controle, hetgeen een aanzienlijke weerslag had op de kwaliteit van de sanering en dus op de bescherming van het leefmilieu (Parl. St., Waals Parlement, 2015-2016, nr. 484/1, p. 4; Parl. St., Waals Parlement, 2022-2023, C.R.I.C., nr. 68, p. 67). Daarom heeft de decreetgever een openbaar beheer van de autonome sanering ingevoerd. Dat beheer « heeft tot doel de duurzaamheid en de werking van de individuele waterzuiveringssystemen (IZS’
  2. en)te verbeteren en een passende wijze van financiële tegemoetkoming te ontwikkelen, zowel op het niveau van de investeringen als op dat van de exploitatie van de IZS’en. Aldus is het de bedoeling te zorgen voor een gecoördineerd en geüniformeerd beheer van de gezamenlijke – collectieve en autonome – sanering van het huishoudelijk afvalwater, waardoor beter kan worden voldaan aan het voorschrift van de richtlijn 2000/60/EG tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid » (Parl. St., Waals Parlement, 2015-2016, nr. 484/1, p. 4). Die opdracht werd toevertrouwd aan de « Société Publique de Gestion de l’Eau », die overigens reeds instaat voor de openbare sanering van het afvalwater. Het openbare beheer van de autonome sanering wordt gedefinieerd als een « geheel van de sensibiliserings-, administratieve en financiële handelingen toegewezen aan de overheden om te zorgen voor de uitvoering en de vlotte werking van de autonome sanering door de eigenaar 20 of de gebruiker van de woning en om een aan de collectieve sanering gelijkwaardig beschermingsniveau mogelijk te maken » (artikel D.2, 96°, van het Waterwetboek). Volgens de parlementaire voorbereiding van het decreet van 23 juni 2016 omvat dat beheer « bepaalde lokale diensten zoals het informeren en bewustmaken van de doelgroepen, het toekennen van premies voor de individuele waterzuiveringssystemen die daarvoor in aanmerking komen, het financieren van het periodieke onderhoud van de individuele waterzuiveringssystemen of het ruimen van het overtollige slib en de tenlasteneming van de controles op de werking » (ibid., p. 5). B.9. Uit de in B.1.4 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de exploitanten van een individueel waterzuiveringssysteem, als tegenprestatie voor de nieuwe diensten van autonome sanering die zijn ingevoerd, voortaan de reële kostprijs van de sanering moeten betalen overeenkomstig het beginsel dat de vervuiler betaalt. Zoals in B.1.6 is vermeld, werd er voorzien in een overgangsperiode voor de personen die zelf hun afvalwater met een bestaand individueel waterzuiveringssysteem saneren (artikel 106 van het decreet van 23 juni 2016). Die personen konden tot 31 december 2021 de vrijstelling van de reële kostprijs van de sanering blijven genieten. B.10. De decreetgever beschikt in sociaaleconomische aangelegenheden, zoals het waterbeleid, over een ruime beoordelingsvrijheid. In die aangelegenheden mag hij eveneens gebruikmaken van categorieën die de verscheidenheid van toestanden slechts met een zekere graad van benadering opvangen. B.11. Rekening houdend met het door de decreetgever nagestreefde doel om de kosten voor de sanering van het afvalwater af te wentelen op de verbruikers, overeenkomstig het beginsel dat de vervuiler betaalt en artikel 5 van het Waterwetboek, waarin het beginsel van terugwinning van de kosten van waterdiensten wordt vastgesteld (zie eveneens artikel 9, lid 1, van de richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 « tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid »), teneinde in fine de toestand van de waterlichamen te handhaven of te verbeteren, is het niet zonder redelijke verantwoording dat zowel de personen die zelf hun afvalwater met een individueel waterzuiveringssysteem saneren als de personen die hun afvalwater in de 21 collectieve afvoersystemen lozen, de reële kostprijs van de sanering als bestanddeel van de prijs van het verbruikte water verschuldigd zijn. De personen van die twee categorieën bevinden zich weliswaar in objectief verschillende situaties naargelang van het soort afvalwatersanering – autonoom of openbaar – waarvan ze gebruikmaken, maar in beide gevallen maken zij kosten voor de gemeenschap wat de sanering van hun afvalwater betreft. Rekening houdend met de moeilijkheid die zich zou voordoen om die saneringskosten te individualiseren en met de beginselen van mutualisering van die kosten en solidariteit waarop de reële kostprijs van de sanering berust, alsook met de mogelijkheid voor de decreetgever om gebruik te maken van categorieën die de verscheidenheid van toestanden slechts met een zekere graad van benadering opvangen, kan die decreetgever niet worden verweten dat hij de personen van de twee voormelde categorieën op dezelfde wijze aan de reële kostprijs van de sanering heeft onderworpen. B.12. Zoals in B.8 is vermeld, genieten de exploitanten van een individueel waterzuiveringssysteem bepaalde diensten (premies, controles, tenlasteneming van een deel van de kosten voor de controle, het onderhoud en het ruimen). In de memorie van toelichting van het decreet van 23 juni 2016 wordt verduidelijkt dat « die tegemoetkomingen zijn bedoeld om het merendeel van de kosten in verband met de werking en de opvolging van de IZS’en te dekken. Maar niet alle kosten worden gedekt; zo blijven eventuele kosten voor elektriciteit of voor de vervanging van defecte onderdelen ten laste van de particulier » (Parl. St., Waals Parlement, 2015-2016, nr. 484/1, p. 6). In antwoord op een parlementaire vraag heeft de Waalse minister bevoegd voor Leefmilieu eveneens verklaard dat « de SPGE met de invoering van [het openbaar beheer van de autonome sanering] eveneens financieel tegemoetkomt in het onderhoud en het ruimen van die systemen. De onderhoudskosten van de IZS’en worden met die financiële tegemoetkomingen grotendeels gedekt. Voor een gemiddeld gezin dat jaarlijks 70 m³ water verbruikt, komt de reële kostprijs van de sanering neer op een bedrag van 165,55 euro (2,365 euro/m³) voor een jaarlijkse financiële tegemoetkoming vanwege de SPGE van +/- 120 euro/jaar » (Vr. en Antw., Waals Parlement, 2021-2022, nr. 774). B.13. Rekening houdend met de voormelde tegemoetkomingen blijkt niet dat de maatregel een onevenredig nadeel berokkent aan de betrokkenen. Het feit dat de reële kostprijs van de 22 sanering boven op de andere kosten ten laste van de exploitanten van een individueel waterzuiveringssysteem komt, wordt met name verantwoord door het feit dat autonome sanering objectief gezien duurder is in vergelijking met openbare sanering en door de objectief verschillende situatie van de betrokkenen, die met name eigenaar blijven van hun installatie (Parl. St., Waals Parlement, 2015-2016, nr. 484/1, p. 5). B.14. Artikel D.270 van het Waterwetboek, zoals gewijzigd bij artikel 46 van het decreet van 23 juni 2016, is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 8507 B.15. Het verwijzende rechtscollege stelt aan het Hof een vraag over de bestaanbaarheid van artikel D.270 van het Waterwetboek, zoals gewijzigd bij artikel 46 van het decreet van 23 juni 2016, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, « in zoverre het leidt tot de toepassing van de ‘ reële kostprijs van de sanering ’ berekend op basis van de afgenomen leidingwatervolumes op, enerzijds, de bezitters van een [individueel waterzuiveringssysteem] die ook een waterput hebben en, anderzijds, de bezitters van een [individueel waterzuiveringssysteem] die geen waterput hebben; die eersten nemen geen of minder leidingwater af dan de tweeden en worden niet of minder door de maatregel getroffen, terwijl zij wel dezelfde belasting voor de gemeenschap vertegenwoordigen ». B.16. Uit de motivering van het verwijzingsvonnis blijkt dat de prejudiciële vraag betrekking heeft op de door de in het geding zijnde bepaling gecreëerde gelijke behandeling van, enerzijds, de bezitters van een individueel waterzuiveringssysteem die ook een waterput hebben en, anderzijds, de bezitters van een individueel waterzuiveringssysteem die geen waterput hebben. Aangezien de reële kostprijs van de sanering wordt berekend op basis van de afgenomen leidingwatervolumes, worden de personen van de tweede categorie meer getroffen door de reële kostprijs van de sanering dan de personen van de eerste categorie. B.17. Daar de reële kostprijs van de sanering enkel betrekking heeft op het huishoudelijk afvalwater uit de openbare watervoorziening, is het redelijk verantwoord dat die kostprijs op dezelfde manier van toepassing is op de verschillende verbruikers, in zoverre zij leidingwater 23 afnemen. De in de prejudiciële vraag vermelde verschillen in gevolgen vloeien voort uit de objectief verschillende situaties van de vergeleken categorieën van waterverbruikers. De personen die in het bezit zijn van een waterput worden, wat het door hen geloosde huishoudelijk afvalwater betreft dat afkomstig is uit die put, aan de specifieke regeling van de jaarlijkse belasting op het lozen van afvalwater onderworpen (artikel D.259, 2°, van het Waterwetboek). B.18. Artikel D.270 van het Waterwetboek, zoals gewijzigd bij artikel 46 van het decreet van 23 juni 2016, is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 24 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - De prejudiciële vraag in de zaak nr. 8468 behoeft geen antwoord. - Artikel D.270 van boek II van het Milieuwetboek dat het Waterwetboek inhoudt, zoals gewijzigd bij artikel 46 van het decreet van het Waalse Gewest van 23 juni 2016 « houdende wijziging van het Milieuwetboek, van het Waterwetboek en van verscheidene decreten inzake afvalstoffen en milieuvergunning », schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 23 april 2026. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.056 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.