id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 13 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.059 Arrest- Rolnummer: 59/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-05-25 Raadplegingen: 209 - laatst gezien 2026-06-18 11:37 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de artikelen 88 tot 216 van de programmawet van 18 juli 2025, ingesteld door Alain Martin. Voorafgaande rechtspleging - Beroep tot vernietiging - Klaarblijkelijke niet-ontvankelijkheid Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 59/2026 van 13 mei 2026 Rolnummer : 8630 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 88 tot 216 van de programmawet van 18 juli 2025, ingesteld door Alain Martin. Het Grondwettelijk Hof, beperkte kamer, samengesteld uit voorzitter Pierre Nihoul en de verslaggeefsters rechter Emmanuelle Bribosia en voorzitster Joséphine Moerman, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 januari 2026 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29 januari 2026, heeft Alain Martin een beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 88 tot 216 van de programmawet van 18 juli 2025 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 juli 2025). Op 10 februari 2026 hebben de rechters-verslaggeefsters Emmanuelle Bribosia en Joséphine Moerman, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarin wordt vastgesteld dat het beroep tot vernietiging klaarblijkelijk niet ontvankelijk is. Geen enkele memorie werd ingediend. De bepalingen van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 2 II. In rechte -A- A.
- Het beroep tot vernietiging is gericht tegen de artikelen 88 tot 216 van de programmawet van 18 juli
- Die bepalingen vormen hoofdstuk 1 van titel 5 van die programmawet, dat betrekking heeft op de werkloosheidsreglementering. A.
- De verzoekende partij voert aan dat de bestreden bepalingen afbreuk doen aan het recht op sociale zekerheid en sociale bijstand, gewaarborgd in artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, alsook aan het beginsel van niet-retroactiviteit van de wetten, gewaarborgd in artikel 1.2 van het Burgerlijk Wetboek. A.3.
- In hun conclusies die met toepassing van artikel 71 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof zijn genomen, hebben de rechters-verslaggeefsters geoordeeld dat zij het Hof zouden kunnen verzoeken een arrest te wijzen waarin wordt vastgesteld dat het beroep tot vernietiging klaarblijkelijk niet ontvankelijk is. A.3.
- De rechters-verslaggeefsters hebben vastgesteld dat de verzoekende partij geen enkele precisering verschaft over haar statuut en over de wijze waarop de bestreden bepalingen op haar van toepassing zouden zijn. Zij voert geen enkel element aan dat haar belang zou verantwoorden. A.
- Geen enkele memorie met verantwoording werd ingediend. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.
- De verzoekende partij vordert de vernietiging van de artikelen 88 tot 216 van de programmawet van 18 juli
- B.
- Die bepalingen vormen hoofdstuk 1 van titel 5 van de programmawet van 18 juli
- Zoals het opschrift van dat hoofdstuk aangeeft, brengen die bepalingen wijzigingen aan in de « werkloosheidsreglementering ». Afdeling 1 van dat hoofdstuk 1, die de artikelen 88 en 89 bevat, wijzigt de besluitwet van 28 december 1944 « betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ». De artikelen 90 tot 191 van de programmawet van 18 juli 2025, die afdeling 2 van het voormelde hoofdstuk vormen, strekken ertoe het koninklijk besluit van 25 november 1991 « houdende de werkloosheidsreglementering » te wijzigen. De artikelen 192 tot 206 van de programmawet van 18 juli 2025, die afdeling 3 van het voormelde hoofdstuk vormen, strekken ertoe het ministerieel besluit van 26 november 1991 « houdende toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering » te wijzigen. De artikelen 207 tot 216 3 van dezelfde wet, die afdeling 4 van hetzelfde hoofdstuk vormen, regelen de inwerkingtreding van dat hoofdstuk en bevatten overgangsbepalingen. Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt; bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar. B.
- De verzoekende partij verschaft geen enkele precisering over haar statuut en over de wijze waarop de bestreden bepalingen op haar van toepassing zouden zijn. Zij voert geen enkel element aan dat haar belang verantwoordt. B.
- Het beroep tot vernietiging is klaarblijkelijk niet ontvankelijk. 4 Om die redenen, het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 13 mei
- De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.059 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div