← België

ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.060

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.060 Arrest- Rolnummer: 60/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-06-01 Raadplegingen: 156 - laatst gezien 2026-06-18 11:47 Versie(s): Versie FR Fiche

  1. Schending (artikel 142, § 4, van de programmawet van 27 december 2021, in zoverre het bepaalt dat, voor het bepalen van de noemer van de ratio bedoeld in artikel 140, tweede lid, van dezelfde programmawet, de totale tewerkstelling wordt berekend op basis van het aantal voltijdse equivalente werknemers)
  2. Geen schending, voor het overige (artikelen 139 tot 144 van dezelfde programmawet ) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 139 tot 148 van de programmawet van 27 december 2021, gesteld door de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Responsabiliseringsbijdrage van de werkgevers inzake invaliditeit - Toepassingsgebied - Berekening van de instroom in invaliditeit Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 60/2026 van 21 mei 2026 Rolnummer : 8420 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 139 tot 148 van de programmawet van 27 december 2021, gesteld door de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Joséphine Moerman, de rechters Michel Pâques, Danny Pieters, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter Luc Lavrysen, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 15 januari 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 23 januari 2025, heeft de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : «
  3. Schenden de artikelen 139 tot 148 van de programmawet van 27 december 2021 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij voorzien in een identieke behandeling van : - de werkgever die aan de responsabiliseringsbijdrage is onderworpen om reden van intredes in invaliditeit waarvoor hij niet verantwoordelijk is; - de werkgever die aan de responsabiliseringsbijdrage is onderworpen om reden van intredes in invaliditeit waarvoor hij rechtstreeks of onrechtstreeks verantwoordelijk is ?
  4. Schenden de artikelen 139 tot 148 van de programmawet van 27 december 2021 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij een verschil in behandeling instellen tussen : - de werkgever die niet is onderworpen aan de responsabiliseringsbijdrage; 2 - de werkgever die is onderworpen aan de responsabiliseringsbijdrage om reden van intredes in invaliditeit waarvoor hij niet verantwoordelijk is ?
  5. Schendt artikel 140 van de programmawet van 27 december 2021 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het een verschil in behandeling instelt tussen : - de werkgevers die gedurende het jaar waarin kwartaal Q-1 valt gemiddeld minder dan 50 werknemers tewerkstellen, die van de responsabiliseringsbijdrage zijn vrijgesteld; - de werkgevers die gedurende dezelfde periode gemiddeld 50 werknemers of meer tewerkstellen, die niet van de responsabiliseringsbijdrage zijn vrijgesteld ?
  6. Schendt artikel 143 van de programmawet van 27 december 2021 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het eenzelfde berekeningswijze vaststelt voor de responsabiliseringsbijdrage wanneer zij van toepassing is, hetgeen leidt tot een identieke behandeling van : - de werkgevers die de bijdrage verschuldigd zijn en van wie het aantal intredes in invaliditeit net boven de bij de programmawet van 27 december 2021 vastgelegde drempel ligt; - de werkgevers die de bijdrage verschuldigd zijn en van wie het aantal intredes in invaliditeit hoog is, waarbij die identieke behandeling bovendien tot gevolg heeft dat de werkgevers met een hoog aantal intredes in invaliditeit een responsabiliseringsbijdrage zullen betalen op basis van lagere bijdrageplichtige lonen ?
  7. Schenden de artikelen 139 tot 148 van de programmawet van 27 december 2021 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het stelsel ongunstig is voor de werkgevers die deeltijdse werknemers tewerkstellen aangezien : - dat stelsel rekening houdt met alle intredes in invaliditeit van de werknemers, zonder een onderscheid te maken tussen de VTE’s en de deeltijdse werknemers; - het rekening houdt met de VTE’s om het totale aantal werknemers te bepalen, zodat de deeltijdse werknemers worden beschouwd als voltijdse werknemers wanneer zij in invaliditeit treden (teller), maar als deeltijdse werknemers bij het bepalen van het totale aantal werknemers (noemer); - het de werkgevers uitsluit die bepaalde drempels, uitgedrukt in het aantal werknemers en niet in het aantal VTE’s, niet bereiken, namelijk de werkgevers die minder dan 50 werknemers tewerkstellen en de werkgevers bij wie het aantal intredes in invaliditeit niet meer dan drie werknemers bedraagt, zodat de deeltijdse werknemers worden gelijkgesteld met VTE’s en een werkgever die meer deeltijdse werknemers tewerkstelt die drempels sneller zal bereiken ?
  8. Schenden de artikelen 139 tot 148 van de programmawet van 27 december 2021 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij leiden tot een gelijke behandeling van : 3 - de werkgevers die meerdere activiteiten uitoefenen (met onderscheiden NACE-codes) en diegenen die een enkele activiteit uitoefenen, door slechts de NACE-code van de hoofdactiviteit in aanmerking te nemen; - de werkgevers die slechts één technische bedrijfseenheid hebben en diegenen die er meerdere hebben, door geen onderscheid te maken tussen de invaliditeitsgraden binnen de technische bedrijfseenheden ?
  9. Schendt artikel 140, eerste lid, van de programmawet van 27 december 2021 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het een verschil in behandeling instelt tussen : - de werkgevers die vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, die aan de responsabiliseringsbijdrage zijn onderworpen; - de werkgevers die niet vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, die daarvan zijn vrijgesteld ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de vzw « Le Rouveroy », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Thomas Cambier en mr. Manon Martin, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Pierre Slegers, mr. Margaux Kerkhofs en mr. Marie Piraux, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 18 maart 2026 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Kattrin Jadin en Danny Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De vzw « Le Rouveroy » is actief in de zorgsector in de ruime zin van het woord. Bij beslissingen van 19 juni 2023 en van 20 december 2023 vordert de RSZ van die vzw de betaling van de responsabiliseringsbijdrage bedoeld in de artikelen 139 tot 148 van de programmawet van 27 december 2021 (« Responsabiliseringsbijdrage werkgevers inzake invaliditeit »), respectievelijk voor een bedrag van 7 369,42 euro en voor een bedrag van 8 329,41 euro. De vzw « Le Rouveroy » betwist die beslissingen voor het verwijzende rechtscollege en vraagt dat meerdere prejudiciële vragen aan het Hof worden gesteld. Het verwijzende rechtscollege weigert om sommige van die vragen te stellen, omdat het die vragen kennelijk ongegrond of niet pertinent acht voor de oplossing van het 4 geschil. Het is daarentegen van mening dat de andere voorgestelde prejudiciële vragen moeten worden gesteld, in voorkomend geval met herformulering. Wat in het bijzonder de zevende prejudiciële vraag betreft, legt het verwijzende rechtscollege niet de nadruk op de statutaire personeelsleden maar op de contractuele personeelsleden van openbare werkgevers die niet aan de in het geding zijnde bijdrage zijn onderworpen. Het verwijzende rechtscollege stelt bijgevolg aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. III. In rechte -A- Ten aanzien van alle prejudiciële vragen A.1.
  10. De Ministerraad voert aan dat alle prejudiciële vragen in werkelijkheid betrekking hebben op de interne samenhang van het in de artikelen 139 tot 148 van de programmawet van 27 december 2021 bedoelde stelsel van de « responsabiliseringsbijdrage [van de] werkgevers inzake invaliditeit ». Na te hebben herinnerd aan de logica van het stelsel inzake arbeidsongevallen en die van het stelsel inzake beroepsziekten, doet hij gelden dat de in het geding zijnde bepalingen in eenzelfde logica passen. De wetgever wil volgens hem, op basis van de rol van elk van de betrokken actoren, het maatschappelijke risico dat wordt gevormd door de langdurige afstand tot de arbeidsmarkt aanpakken. Hij merkt op dat, in het kader van dat beleid, de in het geding zijnde bijdrage betrekking heeft op de rol van de werkgevers. Hij betoogt dat responsabiliseringsbijdragen reeds in andere domeinen werden ingevoerd en dat dergelijke maatregelen volgens de rechtspraak van het Hof toelaatbaar zijn in zoverre zij een legitiem doel nastreven. Hij doet gelden dat de in het geding zijnde bijdrage te dezen ertoe strekt de re-integratie van langdurig zieken op het werk te bevorderen en het stelsel van de uitkeringsverzekering te bestendigen, en dat die doelstellingen legitiem zijn. A.1.
  11. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat de prejudiciële vragen niet ertoe strekken het doel van de wetgever om de re-integratie van langdurig zieken te bevorderen opnieuw in het geding te brengen, maar dat zij betrekking hebben op de nadere regels die werden aangenomen om dat doel te bereiken. Ten aanzien van de eerste en de tweede prejudiciële vraag A.2.
  12. De Ministerraad merkt op dat de eerste prejudiciële vraag betrekking heeft op de vraag of de « verantwoordelijkheid » van de wetgever in de intredes in invaliditeit van zijn werknemers al dan niet in aanmerking zou moeten worden genomen. Volgens de Ministerraad berust die prejudiciële vraag op een verkeerd uitgangspunt, aangezien de in het geding zijnde bijdrage niet ertoe strekt de werkgevers te straffen maar hen te responsabiliseren als leden van de werkgeversgemeenschap. Nog steeds volgens hem gaat het om een maatschappelijke responsabilisering van werkgevers die in die hoedanigheid een rol spelen in de tewerkstelling van werknemers. Hij voert aan dat de individuele verantwoordelijkheid van de werkgever in de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid geen verband houdt met het doel van de in het geding zijnde maatregel. Hij leidt daaruit af dat de twee in die prejudiciële vraag beoogde categorieën van werkgevers zich niet in verschillende situaties bevinden ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen, zodat de gelijke behandeling van die twee categorieën niet discriminerend is. Hij beklemtoont dat de « verantwoordelijkheid » van de werkgever te dezen geen pertinent criterium van onderscheid kan zijn, aangezien de invaliditeit niet wordt bepaald op grond van de verantwoordelijkheid van de werkgever, maar op grond van de toestand van de werknemer (artikelen 93 en 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994). Hij voegt eraan toe dat de keuze voor het criterium van de invaliditeit geenszins onredelijk is. Dezelfde argumentatie geldt voor de tweede prejudiciële vraag. A.2.
  13. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat het onderzoek van de eerste en de tweede prejudiciële vraag tot een vaststelling van ongrondwettigheid leidt. Zij merkt op dat de in het geding zijnde bijdrage tot doel heeft de ondernemingen waarvan de arbeidsomstandigheden een abnormaal aantal intredes in invaliditeit tot gevolg hebben en die geen maatregelen nemen om de arbeidsongeschikte werknemers opnieuw te doen werken voordat zij in invaliditeit belanden, te sensibiliseren, te responsabiliseren of zelfs te bestraffen. Volgens haar gaat het niet enkel erom de werkgeversgemeenschap te responsabiliseren op maatschappelijk vlak, 5 maar ook om bepaalde werkgevers te bestraffen wegens hun zogenaamde verantwoordelijkheid in een bovenmaats aantal intredes in invaliditeit (hetgeen zowel de kwestie van de oorzaak van de ongeschiktheid als die van de re- integratie dekt). Nog steeds volgens haar zou de responsabilisering van de werkgever dus verband moeten houden met de oorzaak van de invaliditeit, maar dat is echter niet waarin de in het geding zijnde bepalingen voorzien. Zij merkt aldus op dat de in het geding zijnde bepalingen elke invaliditeit beogen, ongeacht de oorzaak ervan, en geen enkele beoordelingsvrijheid aan de administratieve overheid laten. Zij voegt eraan toe dat, terwijl de drempel van 50 werknemers moet toelaten te voorkomen dat werkgevers worden aangesproken voor intredes in invaliditeit waarvoor zij niet verantwoordelijk zijn en te vermijden dat de statistieken worden vertekend, het in het geding zijnde stelsel nochtans niet toelaat de oorzaak van de invaliditeit in aanmerking te nemen, noch vertekening van die statistieken uit te sluiten (aangezien slechts drie intredes in invaliditeit kunnen volstaan opdat de in het geding zijnde bijdrage verschuldigd is). De in het geding zijnde bepalingen discrimineren volgens haar bijgevolg de werkgevers die aan de responsabiliseringsbijdrage zijn onderworpen wegens invaliditeiten waarvan de oorzaak losstaat van het beleid van de onderneming. Nog steeds volgens haar brengt zulks eveneens andere specifieke discriminaties met zich mee :

(1)het is discriminerend om niet alleen de invaliditeiten als gevolg van ziektes, maar ook de invaliditeiten als gevolg van ongevallen of uitzonderlijke omstandigheden te beogen,
(2)het is discriminerend om niet alleen de ziektes die voorkomen na de aanwerving van de werknemer, maar ook de ziektes die verband houden met een vooraf bestaande toestand te beogen (hetgeen de werkgevers ontmoedigt om werknemers met een hoger risico op arbeidsongeschiktheid aan te werven) en
(3)het is discriminerend dat de in het geding zijnde bijdrage aan een werkgever kan worden opgelegd wegens invaliditeiten waarvan hij de exacte oorzaak niet kent. Ten aanzien van de derde prejudiciële vraag A.3.
  1. Wat de in artikel 140 van de programmawet van 27 december 2021 bedoelde drempel van 50 werknemers betreft, brengt de Ministerraad in herinnering dat de wetgever in socio-economische aangelegenheden over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt. Hij merkt op dat een dergelijke drempel eveneens in verschillende reglementeringen van sociaal recht (op Belgisch en Europees niveau), alsook in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wordt gebruikt. De drempel van 50 werknemers strekt volgens hem ertoe te vermijden dat de kleine ondernemingen een buitensporige last moeten dragen. Hij besluit daaruit dat die drempel niet discriminerend is. A.3.
  2. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat de drempel van 50 werknemers ertoe strekt te voorkomen dat werkgevers die die drempel niet overschrijden, worden gestraft wegens invaliditeiten waarop zij geen vat hebben. Zij beklemtoont dat de werkgevers welke die drempel overschrijden, ook aan dat risico worden blootgesteld maar dat de wetgever daaraan voorbijgaat. Zij verwijst in dat verband naar haar argumentatie met betrekking tot de eerste en de tweede prejudiciële vraag. Zij besluit daaruit dat de in het geding zijnde bepaling discriminerend is. Ten aanzien van de vierde prejudiciële vraag A.4.
  3. De Ministerraad voert allereerst aan dat de vierde prejudiciële vraag betrekking heeft op artikel 143 van de programmawet van 27 december 2021, terwijl zij in werkelijkheid betrekking zou moeten hebben op artikel 140 van die wet. Volgens hem volstaat die vaststelling om, in antwoord op die prejudiciële vraag, te besluiten dat zulks niet ongrondwettig is. Hij doet vervolgens gelden dat de in die prejudiciële vraag vergeleken situaties niet verschillend zijn, aangezien het het criterium van de bovenmaatse instroom van werknemers in invaliditeit is dat van toepassing is. Wanneer de instroom in invaliditeit hoger is dan het dubbele van de gemiddelde instroom in dezelfde activiteitensector en hoger is dan het drievoud van de instroom in invaliditeit van de private sector in het algemeen, kan die instroom volgens de Ministerraad redelijkerwijs als bovenmaats worden aangemerkt. Hij beklemtoont dat, wanneer er sprake is van een dergelijke bovenmaatse instroom, de bijdrage dus verschuldigd is en wordt berekend op grond van de bijdrageplichtige lonen, zonder dat de omvang van die bovenmaatse instroom van belang is. Hij voert ten slotte aan dat de ondernemingen met een hoog aantal werknemers in invaliditeit daardoor geen bijdrage zullen betalen die wordt berekend op grond van een lager algemeen loon. A.4.
  4. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege doet allereerst gelden dat artikel 143 van de programmawet van 27 december 2021 de pertinente bepaling is, aangezien de vierde prejudiciële vraag betrekking heeft op de berekeningswijze van de in het geding zijnde bijdrage. Zij merkt vervolgens op dat het bedrag van de in het geding zijnde bijdrage wordt berekend op grond van de bijdrageplichtige lonen ten laste van de werkgever, 6 hetgeen losstaat van de instroom in invaliditeit. Volgens haar is het discriminerend dat, wat de berekening van de in het geding zijnde bijdrage betreft, de betrokken werkgevers op dezelfde wijze worden behandeld, ongeacht de omvang van de instroom in invaliditeit. Zij voegt eraan toe dat het loon van de in invaliditeit getreden werknemers niet in aanmerking wordt genomen in die berekening, zodat de bijdrage daalt naarmate het aantal intredes in invaliditeit stijgt. Zij voert aan dat de berekeningswijze van de in het geding zijnde bijdrage strijdig is met het responsabiliseringsdoel en dat zij onevenredig en discriminerend is. Zij voegt eraan toe dat het contraproductief is om de werkgevers die meer werknemers tewerkstellen en die hen beter betalen, strenger te bestraffen. Zij bekritiseert ten slotte dat er geen onderscheid wordt gemaakt dat is gebaseerd op de technische bedrijfseenheden. Ten aanzien van de vijfde prejudiciële vraag A.5.
  5. Wat de drempel van 50 werknemers betreft, verwijst de Ministerraad allereerst naar zijn argumentatie met betrekking tot de derde prejudiciële vraag. Hij doet vervolgens gelden dat het redelijk verantwoord is het aantal werknemers en niet het aantal voltijdsequivalenten in aanmerking te nemen, aangezien de in het geding zijnde bijdrage het welzijn en de wedertewerkstelling van werknemers beoogt en dat het risico op invaliditeit en de kans om te werken per persoon en niet per arbeidseenheid moeten worden bekeken. Volgens de Ministerraad laat niets toe ervan uit te gaan dat een werkgever die deeltijdse werknemers tewerkstelt meer risico loopt om met een hoger aantal werknemers in invaliditeit te worden geconfronteerd. A.5.
  6. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege merkt op dat de in het geding zijnde bepalingen, voor de berekening van de instroom in invaliditeit bij een werkgever, stellen dat het aantal in invaliditeit getreden werknemers moet worden gedeeld door het totale aantal voltijdse equivalente werknemers. Het feit dat enkel de noemer rekening houdt met het begrip « voltijdsequivalenten » doet volgens haar een discriminatie ontstaan in het nadeel van de werkgevers die meer deeltijdse werknemers tewerkstellen (zoals doorgaans het geval is in de zorgsector, waartoe zij behoort). Zij voegt eraan toe dat de drempel van 50 tewerkgestelde werknemers en de drempel van drie in invaliditeit getreden werknemers evenmin rekening houden met het begrip « voltijdsequivalenten », zodat de werkgevers die meer deeltijdse werknemers tewerkstellen die drempels sneller bereiken en bijgevolg worden gediscrimineerd. Volgens haar volgt daaruit eveneens een discriminatie in het nadeel van deeltijdse werknemers, hetgeen in strijd is met de wet van 5 maart 2002 « betreffende het beginsel van non- discriminatie ten gunste van deeltijdwerkers » en met de richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 « betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid ». Aangezien de deeltijdarbeid hoofdzakelijk vrouwen betreft, brengt zulks eveneens een discriminatie op grond van geslacht met zich mee, hetgeen in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en met de wet van 10 mei 2007 « ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen ». Zij voegt eraan toe dat, hoewel een impactstudie vereist was bij de wet van 15 december 2013 « houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging » en bij de wet van 12 januari 2007 « strekkende tot controle op de toepassing van de resoluties van de wereldvrouwenconferentie die in september 1995 in Peking heeft plaatsgehad en tot integratie van de genderdimensie in het geheel van de federale beleidslijnen », de programmawet van 27 december 2021 niet aan een dergelijke studie werd onderworpen, waardoor de bekritiseerde discriminatie wordt versterkt. Wat betreft de bewering van de Ministerraad volgens welke het doel erin zou bestaan rekening te houden met werknemers als personen, is de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege ten slotte van mening dat het om een intentieverklaring gaat, die de voormelde discriminaties niet verhelpt. Ten aanzien van de zesde prejudiciële vraag A.6.
  7. De Ministerraad doet gelden dat het bepalen van de toepasselijke criteria een opportuniteitskeuze van de wetgever is. Met verwijzing naar de rechtspraak van het Hof beklemtoont hij dat het eigen is aan een algemene en abstracte norm dat zij geen onderscheid maakt tussen alle mogelijk denkbare situaties. Volgens de Ministerraad is het criterium van de NACE-code niet onredelijk en wordt het eveneens in het Sociaal Strafwetboek gebruikt. Nog steeds volgens hem is het pertinent om de NACE-code van de hoofdactiviteit van de werkgever in aanmerking te nemen, aangezien het a priori die activiteit is die de werknemers van die werkgever het meest bezighoudt. Hij besluit daaruit dat de in het geding zijnde bepalingen niet discriminerend zijn. A.6.
  8. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege doet allereerst gelden dat, teneinde de prejudiciële vraag te beantwoorden, het niet volstaat de beoordelingsvrijheid van de wetgever aan te voeren. Zij merkt vervolgens op dat, volgens de in het geding zijnde bepalingen, de werkgevers die verschillende activiteiten uitoefenen enkel worden ingedeeld in de NACE-categorie van hun hoofdactiviteit. Volgens haar leidt zulks tot een discriminatie in het nadeel van die werkgevers, aangezien de in de sector van de nevenactiviteit tewerkgestelde 7 werknemers worden gelijkgesteld met de in de sector van de hoofdactiviteit tewerkgestelde werknemers, terwijl de gemiddelde instroom in invaliditeit aanzienlijk kan variëren van sector tot sector. Zij voegt eraan toe dat de in het geding zijnde bepalingen de werkgevers met meerdere technische bedrijfseenheden discrimineren, aangezien die bepalingen, in tegenstelling tot de NACE-nomenclatuur, geen onderscheid maken op grond van dat criterium. Zij doet ten slotte gelden dat de in het geding zijnde indeling niet voorzienbaar is en dat zij niet op een transparante en objectieve wijze is tot stand gekomen. Ten aanzien van de zevende prejudiciële vraag A.7.
  9. De Ministerraad verwijst allereerst, wat betreft het begrip « werkgever » in de zin van de wet van 5 december 1968 « betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités » (hierna : de wet van 5 december 1968), naar het arrest van het Hof nr. 59/2019 van 8 mei 2019 (ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.059). Hij doet vervolgens gelden dat de wet van 5 december 1968 van toepassing is op de private sector. Daaruit volgt volgens hem dat de zevende prejudiciële vraag kennelijk niet nuttig is voor de oplossing van het bodemgeschil, aangezien zij op de verkeerde interpretatie berust volgens welke de wet van 5 december 1968 niet alleen van toepassing zou zijn op de private sector, maar ook op de publieke sector wat de contractuele personeelsleden betreft. Wat betreft het onderscheid dat de in het geding zijnde bepalingen tussen de werkgevers uit de private sector en die uit de publieke sector maken, verwijst de Ministerraad in ondergeschikte orde naar de arresten van het Hof nrs. 64/2001 (ECLI:BE:GHCC:2001:ARR.064) en 40/2002 (ECLI:BE:GHCC:2002:ARR.040). Hij merkt vervolgens op dat de keuze voor een verwijzing naar de wet van 5 december 1968 om het toepassingsgebied van een bijdrage te bepalen, niet volkomen nieuw is. Hij voert aan dat de zevende prejudiciële vraag in werkelijkheid betrekking heeft op de opportuniteit van een dergelijke keuze, waarover het Hof zich niet dient uit te spreken. Hij doet ten slotte gelden dat de categorieën van werkgevers die niet onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 vallen, werkgevers zijn die reeds « geresponsabiliseerd » zijn op het vlak van wedertewerkstelling of waarvan de werknemers, van nature, niet onder de in het geding zijnde responsabiliseringsmaatregel kunnen vallen. Hij besluit daaruit dat het redelijk verantwoord is dat die werkgevers niet aan de in het geding zijnde bijdrage zijn onderworpen. A.7.
  10. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege doet allereerst gelden dat de bewering van de Ministerraad volgens welke het verwijzende rechtscollege de wet van 5 december 1968 verkeerdelijk zou hebben geïnterpreteerd, onjuist is en geen weerslag heeft op de prejudiciële vraag zoals zij is gesteld. Zij voert vervolgens aan dat het in het licht van het responsabiliseringsdoel niet redelijk verantwoord is dat de overgrote meerderheid van de publieke werkgevers (die niet onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 vallen) worden bevoordeeld door het feit dat zij niet zijn onderworpen aan de in het geding zijnde bijdrage, noch aan enig soortgelijk stelsel voor de publieke werkgevers die contractuele personeelsleden tewerkstellen. Zij merkt in het bijzonder op dat die uitsluiting van publieke werkgevers ertoe leidt dat ongeveer een derde van de zorgsector van het in het geding zijnde stelsel is vrijgesteld. Zij beklemtoont ten slotte dat de Ministerraad niet aangeeft welk stelsel de publieke werkgevers reeds zou responsabiliseren op het vlak van wedertewerkstelling, wetende dat het niet kan gaan om het stelsel dat van toepassing is op de werkgevers die statutaire personeelsleden tewerkstellen, aangezien die categorie van werkgevers niet in de zevende prejudiciële vraag wordt behandeld. Volgens haar bestaat er geen dergelijk responsabiliseringsstelsel voor de in die vraag beoogde publieke werkgevers. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.
  11. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de « responsabiliseringsbijdrage [van de] werkgevers inzake invaliditeit », bedoeld in de artikelen 139 tot 148 van de programmawet van 27 december 2021, zoals respectievelijk gewijzigd bij de wet van 20 november 2022 8 « houdende diverse bepalingen inzake responsabilisering van de werkgevers inzake invaliditeit en inzake alternatieve financiering van de sociale zekerheid » (hierna : de wet van 20 november 2022) en bij de wet van 21 december 2023 « tot wijziging van de programmawet van 27 december 2021, wat de responsabiliseringsbijdrage inzake invaliditeit verschuldigd door bepaalde werkgevers betreft » (hierna : de wet van 21 december 2023). B.2.
  12. De in het geding zijnde bijdrage is verschuldigd door de werkgevers die onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 « betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités » (hierna : de wet van 5 december 1968) vallen, die ten minste 50 werknemers tewerkstellen en die ten opzichte van hun activiteitensector en de algemene private sector een bovenmaatse instroom van werknemers in invaliditeit hebben, dat wil zeggen de werknemers van wie de arbeidsongeschiktheid voortduurt na de periode van primaire ongeschiktheid van een jaar. Die bijdrage past in het kader van verschillende maatregelen die ertoe strekken « de reïntegratie van langdurig zieken op het werk en de arbeidsmarkt [te] bevorderen » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2349/001, pp. 121-122). Zij heeft meer in het bijzonder tot doel « ondernemingen met een substantieel afwijkende instroom in de langdurige arbeidsongeschiktheid (invaliditeit) [te responsabiliseren]. Afwijkend ten opzichte van zowel het sectorgemiddelde als het globale gemiddelde in de private sector ». Een dergelijke afwijking is immers een indicator dat « er binnen de onderneming zowel iets mis is met de organisatie van het werk als van ontoereikende inspanningen om mensen met een aandoening terug te re- integreren alvorens zij in de langdurige arbeidsongeschiktheid belanden » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2349/007, pp. 6-7). De in het geding zijnde bijdrage heeft aldus tot doel « structurele afwijkingen te heroriënteren » en niet « toevallige afwijkingen ten opzichte van het sector- of algemeen gemiddelde, die kunnen te wijten zijn aan een samenloop van omstandigheden, te sanctioneren » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2349/001, p. 123). Met andere woorden, « het doel van deze maatregel [is] niet […] om zo veel mogelijk bijdragen te innen maar om te sensibiliseren en de wijze van omgang met zieke werknemers bij te sturen » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2349/007, pp. 7-8). B.2.
  13. Artikel 139 van de programmawet van 27 december 2021 bevat verschillende definities : 9 « Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder : 1° ‘ werkgever ’ : de werkgevers en de personen die hiermee worden gelijkgesteld bedoeld in artikel 1, § 1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; 2° ‘ invaliditeit ’ : de periode van arbeidsongeschiktheid bedoeld in artikel 93 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994; 3° ‘ primaire arbeidsongeschiktheid ’ : het tijdvak van arbeidsongeschiktheid bedoeld in artikel 87 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994; 4° ‘ kwartaal Q ’ : het kwartaal waarin de invaliditeit een aanvang neemt; 5° ‘ kwartaal Q-1 ’ : het kwartaal voorafgaand aan kwartaal Q; 6° ‘ kwartaal Q-4 ’ : het vierde kwartaal voorafgaand aan kwartaal Q; 7° ‘ refertekwartalen ’ : kwartaal Q en de drie kwartalen voorafgaand aan kwartaal Q; 8° ‘ referteperiode ’ : de periode bestaande uit het vierde kwartaal van het voorlaatste jaar (n-2) en het eerste, tweede en derde kwartaal van het vorig jaar (n-1) ». B.2.
  14. De artikelen 140 tot 144 van de programmawet van 27 december 2021 stellen de voorwaarden vast waaronder de in het geding zijnde bijdrage verschuldigd is en regelen de berekeningswijze en de inning ervan. Artikel 140 van de programmawet van 27 december 2021, zoals gewijzigd bij de wet van 20 november 2022, bepaalt : « Een trimestriële responsabiliseringsbijdrage is verschuldigd door de werkgevers die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités met een bovenmaatse instroom van werknemers in invaliditeit, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk. Onder bovenmaatse instroom in de invaliditeit wordt verstaan : het gemiddelde van de verhoudingen tussen de intredes in invaliditeit in kwartaal Q en elk der drie voorafgaande kwartalen ten opzichte van de totale tewerkstellingen in elk der overeenstemmende kwartalen van het voorafgaande kalenderjaar ligt zowel X maal hoger dan bij ondernemingen behorende tot dezelfde activiteitensector als Y maal hoger dan bij de algemene private sector, bepaald overeenkomstig artikel
  15. De responsabiliseringsbijdrage is verschuldigd wanneer bij de werkgever in de refertekwartalen minstens drie werknemers in invaliditeit zijn getreden. De Koning kan, bij in 10 Ministerraad overlegd besluit, het aantal tijdens de refertekwartalen in invaliditeit getreden werknemers, verhogen of verlagen. In afwijking van het eerste lid, zijn van deze bijdrage vrijgesteld de werkgevers van de beschutte werkplaatsen en de maatwerkbedrijven behorende tot het paritair comité voor de beschutte werkplaatsen, de sociale werkplaatsen en de maatwerkbedrijven. In afwijking van het eerste lid, zijn van deze bijdrage vrijgesteld de werkgevers die gedurende het jaar waarin kwartaal Q-1 valt, gemiddeld minder dan 50 werknemers tewerkstelden, berekend op grond van het gemiddeld aantal tewerkgestelde werknemers tijdens de referteperiode zoals bepaald bij artikel
  16. Voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk wordt geen rekening gehouden met werkgevers die gedurende het jaar waarin kwartaal Q-1 valt, gemiddeld minder dan 50 werknemers tewerkstelden, berekend op grond van het gemiddeld aantal tewerkgestelde werknemers tijdens de referteperiode zoals bepaald bij artikel 141 ». Artikel 141 van de programmawet van 27 december 2021 bepaalt : « Om het gemiddeld aantal tewerkgestelde werknemers tijdens de referteperiode te berekenen, wordt het totaal van de op het einde van elk kwartaal van de referteperiode aangegeven werknemers, gedeeld door het aantal kwartalen waarvoor de werkgever, aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, werknemers aangegeven heeft die onderworpen zijn aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Indien op de dag waarop de in het eerste lid bedoelde berekening gebeurt, een of meer aangiftes die betrekking hebben op de referteperiode ontbreken bij de Rijksdienst, wordt voor het ontbrekende tijdvak het rekenkundig gemiddelde van het op de ingediende aangiften voorkomende aantal werknemers genomen. Indien de werkgever voor de bedoelde referteperiode geen aangiftes moet overmaken aan de Rijksdienst, wordt voor de bepaling van het gemiddelde verwezen naar het aantal werknemers tewerkgesteld op de laatste dag van het kwartaal waarbinnen de eerste tewerkstelling volgend op de referteperiode plaatsgreep ». Artikel 142 van de programmawet van 27 december 2021, zoals vervangen bij de wet van 20 november 2022, bepaalt : « §
  17. De verhouding van de instroom van werknemers in invaliditeit ten opzichte van ondernemingen behorende tot dezelfde activiteitensector in kwartaal Q wordt bepaald aan de hand van de eerste vier cijfers van de NACE-classificatie van economische activiteit voor wat betreft de hoofdactiviteit van de werkgever, wanneer en voor zover er met ten minste tien werkgevers met dezelfde eerste vier cijfers van de NACE-classificatie kan worden vergeleken. Indien de bepaling aan de hand van dezelfde eerste vier cijfers van de NACE-classificatie minder dan tien vergelijkingspunten oplevert, wordt de in het eerste lid bedoelde verhouding 11 bepaald ten opzichte van ten minste tien werkgevers aan de hand van de eerste drie cijfers van de NACE-classificatie voor wat betreft de hoofdactiviteit van de werkgever. Indien de bepaling aan de hand van dezelfde eerste drie cijfers van de NACE-classificatie minder dan tien vergelijkingspunten oplevert, wordt de in het eerste lid bedoelde verhouding bepaald ten opzichte van ten minste tien werkgevers aan de hand van de eerste twee cijfers van de NACE-classificatie voor wat betreft de hoofdactiviteit van de werkgever. Indien de bepaling aan de hand van dezelfde eerste twee cijfers van de NACE-classificatie minder dan tien vergelijkingspunten oplevert, wordt, in afwijking van artikel 140, tweede lid, voor het bepalen van de bovenmaatse instroom in invaliditeit, geen rekening gehouden met de verhouding van de instroom van werknemers in invaliditeit ten opzichte van ondernemingen behorende tot dezelfde activiteitensector. In voorkomend geval wordt de bovenmaatse instroom in invaliditeit enkel bepaald ten opzichte van de ondernemingen in de algemene private sector. §
  18. Voor het bepalen van de verhouding van de instroom van werknemers in invaliditeit ten opzichte van ondernemingen in de algemene private sector in kwartaal Q, wordt rekening gehouden met alle werkgevers die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. §
  19. Voor het bepalen van de bovenmaatse instroom in invaliditeit en van het aantal in invaliditeit getreden werknemers wordt geen rekening gehouden met werknemers die op de datum van aanvang van de invaliditeit beschikken over de toelating tot werkhervatting bedoeld in artikel 100, § 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli
  20. §
  21. Voor het bepalen van de totale tewerkstelling bij de werkgever gedurende de met de refertekwartalen overeenstemmende kwartalen van het voorafgaande kalenderjaar wordt rekening gehouden met het aantal voltijdse equivalente werknemers tewerkgesteld bij de werkgever gedurende deze kwartalen die op de laatste dag van kwartaal Q-4 ten minste drie achtereenvolgende jaren zonder onderbreking bij de betreffende werkgever tewerkgesteld zijn. Eén voltijds equivalente werknemer komt overeen met de voltijdse tewerkstelling van één werknemer gedurende de betreffende kwartalen waarbij de aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aangegeven dagen normale werkelijke arbeid, de dagen wettelijke vakantie, de dagen bijkomende vakantie, de dagen vakantie krachtens algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst en de dagen tijdelijke werkloosheid in rekening worden gebracht. §
  22. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de criteria en de nadere regels voor de vaststelling van de bovenmaatse instroom van werknemers in invaliditeit nader bepalen, met inbegrip van de factoren ‘ X ’ en ‘ Y ’ bedoeld in artikel 140, tweede lid ». Artikel 143 van de programmawet van 27 december 2021 bepaalt : « §
  23. De trimestriële responsabiliseringsbijdrage bedraagt 0,625 % van de aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aangegeven bijdrageplichtige lonen van kwartaal Q-1 en wordt vastgesteld op basis van de gegevens inzake instroom in invaliditeit meegedeeld door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. 12 Voor de werknemers voor wie de sociale zekerheidsbijdragen worden berekend op het loon, vermeerderd met 8 %, ingevolge artikel 19, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, houdt men voor de toepassing van het eerste lid rekening met het loon aan 108 %. Voor de berekening van de responsabiliseringsbijdrage wordt geen rekening gehouden met de bedragen die verschuldigd zijn onafhankelijk van het aantal effectief gewerkte dagen tijdens het aangiftekwartaal, andere dan de bedragen die betrekking hebben op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. §
  24. Voor de berekening van de responsabiliseringsbijdrage wordt voor wat betreft de instroom van werknemers in invaliditeit rekening gehouden met de meerderjarige werknemers die op de datum van de aanvang van de primaire arbeidsongeschiktheid de leeftijd van 55 jaar nog niet hebben bereikt en die op dat ogenblik gedurende ten minste drie achtereenvolgende jaren zonder onderbreking bij de betreffende werkgever tewerkgesteld zijn. §
  25. De Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, kan de berekeningswijze en nadere modaliteiten inzake berekening en inning van de responsabiliseringsbijdrage nader bepalen ». Artikel 144 van de programmawet van 27 december 2021 bepaalt : « De trimestriële responsabiliseringsbijdrage wordt door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid berekend en via een debetbericht samen met de bijdragen voor het tweede kwartaal volgend op kwartaal Q (Q+2) geïnd. De bepalingen van het algemene stelstel van de sociale zekerheid voor werknemers, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de termijnen inzake de betaling, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de Rijksdienst, zijn van toepassing ». Wat betreft de in artikel 140, tweede lid, van de programmawet van 27 december 2021 bedoelde factoren « X » en « Y » om te bepalen of de instroom in invaliditeit bovenmaats is, blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat het de bedoeling van de wetgever was dat de waarde van factor « X », die op de sectoriele vergelijking van toepassing is, kleiner is dan die van factor « Y », die op de vergelijking met de algemene private sector van toepassing is (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2349/001, p. 123). Die factoren werden respectievelijk vastgelegd op twee (factor « X ») en op drie (factor « Y ») bij het koninklijk besluit van 13 december 2022 « tot uitvoering van artikel 142, § 5, van de programmawet van 27 december 2021 ». 13 B.2.
  26. Artikel 145 van de programmawet van 27 december 2021 stelt dat de werkgevers van wie de situatie ongunstig evolueert, hiervan proactief door de RSZ op de hoogte worden gehouden. Het bepaalt : « De werkgevers wiens gemiddelde instroom van werknemers in invaliditeit ongunstig evolueert, worden hiervan proactief door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op de hoogte gehouden. De Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, kan de nadere regels van de in het eerste lid bedoelde proactieve mededelingen nader bepalen ». Op grond van die bepaling heeft de Koning het koninklijk besluit van 19 december 2022 « tot uitvoering van artikel 145 van de programmawet van 27 december 2021 betreffende de proactieve mededeling aan werkgevers wiens gemiddelde instroom van werknemers in invaliditeit ongunstig evolueert » genomen. B.2.
  27. Artikel 146 van de programmawet van 27 december 2021, zoals gewijzigd bij de wet van 21 december 2023, bepaalt de categorieën van persoonsgegevens die worden verwerkt met het oog op de berekening en inning van de in het geding zijnde bijdrage en met het oog op de voormelde proactieve informatie. B.2.
  28. Artikel 147 van de programmawet van 27 december 2021, zoals gewijzigd bij de wet van 20 november 2022, regelt de aanwending van de opbrengsten van de in het geding zijnde bijdrage. Het bepaalt : « §
  29. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid stort de opbrengst van de in artikel 143 bedoelde bijdrage aan het Fonds voor bestaanszekerheid van de paritaire comités of paritaire subcomités waaronder de werkgever ressorteert in de mate en onder de voorwaarden zoals bepaald in de paragrafen 2 tot
  30. §
  31. De gestorte opbrengsten zijn bestemd voor preventieve maatregelen inzake gezondheid en veiligheid op het werk en/of maatregelen inzake duurzame herinschakeling van langdurig zieken. De bevoegde paritaire comités of paritair subcomités sluiten over deze inspanningen een collectieve arbeidsovereenkomst af. In deze collectieve arbeidsovereenkomst worden de instellingen aangeduid die belast zijn met de besteding en het gebruik van de gelden voor de inspanningen bedoeld in het eerste lid. Deze instellingen moeten opgericht zijn volgens de bepalingen van de wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor bestaanszekerheid. 14 §
  32. Het beheersorgaan van het Fonds maakt elk jaar een verslag op over de responsabiliseringsbijdrage. Dit verslag bevat minstens : - het bedrag dat werd ontvangen van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid; - de lijst van maatregelen die werden genomen in het kader van dit artikel; - de aanwending van de middelen. Het in het eerste lid bedoelde verslag wordt jaarlijks, samen met het verslag bedoeld in artikel 13 van de wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor bestaanszekerheid, overgemaakt aan de voorzitter van het bevoegd paritair (sub)comité die ze onmiddellijk voorlegt aan het paritair (sub)comité. De voorzitter van het paritair (sub)comité bezorgt vervolgens onmiddellijk een afschrift van dit verslag aan de griffie van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. §
  33. De Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepaalt de nadere regelen en voorwaarden inzake : - de storting van de bijdrage door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan de betrokken Fondsen; - de bestemming van de opbrengsten die door de voormelde Rijksdienst niet kunnen worden overgemaakt aan een Fonds voor bestaanszekerheid; - de inhoud van het evaluatieverslag, het financieel overzicht en hun neerleggingstermijnen. §
  34. De Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, duidt de ambtenaren aan die toezicht houden op de naleving van de voorwaarden en de verplichtingen van dit artikel ». Op grond van die bepaling heeft de Koning het koninklijk besluit van 1 oktober 2023 « tot uitvoering van artikel 147, § 4 en § 5, van de programmawet van 27 december 2021 betreffende de responsabiliseringsbijdrage » genomen. B.2.
  35. De artikelen 147/1 tot 147/3 van de programmawet van 27 december 2021, zoals ingevoegd bij de wet van 21 december 2023, voorzien in specifieke bepalingen voor de werkgevers van wie de hoofdactiviteit « uitzendbureaus » of « algemene reiniging van gebouwen » betreft. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege niet onder het toepassingsgebied van die bepalingen valt. 15 B.2.
  36. Het in het geding zijnde stelsel is in werking sinds 1 januari 2022 en is van toepassing op de periodes van invaliditeit die vanaf die datum een aanvang hebben genomen (artikel 148 van de programmawet van 27 december 2021; zie ook artikel 4 van de wet van 20 november 2022 en artikel 6 van de wet van 21 december 2023). B.2.
  37. De artikelen 147/1 tot 147/3 van de programmawet van 27 december 2021 werden gewijzigd bij de artikelen 3 tot 5 van de wet van 14 januari 2026 « houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken » (hierna : de wet van 14 januari 2026), die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2025 (artikel 14 van de wet van 14 januari 2026) . De artikelen 139 tot 148 van de programmawet van 27 december 2021 worden vanaf 1 april 2026 opgeheven bij artikel 26 van de wet van 19 december 2025 « tot uitvoering van een versterkt terug naar werkbeleid in geval van arbeidsongeschiktheid » (hierna : de wet van 19 december 2025). Die wet voert een nieuw stelsel in voor de « solidariteitsbijdrage [van de] werkgevers inzake primaire arbeidsongeschiktheid » (artikelen 17 tot 24). Die bepalingen van de wet van 14 januari 2026 en van de wet van 19 december 2025 zijn ratione temporis niet van toepassing op het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil. Ten aanzien van de prejudiciële vragen Wat betreft de eerste en de tweede prejudiciële vraag B.3.
  38. De eerste prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van de artikelen 139 tot 148 van de programmawet van 27 december 2021 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepalingen de betrokken werkgevers op dezelfde wijze behandelen, ongeacht of ze al dan niet verantwoordelijk zijn voor de intredes in invaliditeit van hun werknemers,. Aangezien de in het geding zijnde gelijke behandeling voortvloeit uit de artikelen 139 tot 144 van de programmawet van 27 december 2021, beperkt het Hof zijn onderzoek tot die bepalingen. 16 B.3.
  39. Uit de bewoordingen van de tweede prejudiciële vraag en de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat die vraag betrekking heeft op de bestaanbaarheid van de artikelen 139 tot 148 van de programmawet van 27 december 2021 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepalingen een verschil in behandeling doen ontstaan tussen werkgevers naargelang zij wel of geen bovenmaatse instroom van werknemers in invaliditeit hebben. Enkel de eerste categorie van werkgevers zijn ‒ voor zover eveneens aan alle andere voorwaarden is voldaan ‒ aan de in het geding zijnde bijdrage onderworpen, zelfs indien zij niet verantwoordelijk zijn voor de instroom in invaliditeit van hun werknemers. Aangezien het in het geding zijnde verschil in behandeling voortvloeit uit de artikelen 139 tot 144 van de programmawet van 27 december 2021, beperkt het Hof zijn onderzoek tot die bepalingen. B.3.
  40. Het Hof onderzoekt die twee prejudiciële vragen samen, gelet hun onderlinge samenhang. B.
  41. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 17 B.
  42. Het in de tweede prejudiciële vraag beoogde verschil in behandeling berust op de vraag of de instroom van werknemers in invaliditeit al dan niet bovenmaats is, en zulks overeenkomstig de in de in het geding zijnde bepalingen bedoelde berekeningsregels. Dat verschil in behandeling berust bijgevolg op een objectief criterium van onderscheid. B.
  43. Zoals uit de in B.2.1 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt, past de in het geding zijnde bijdrage binnen de doelstelling om langdurige arbeidsongeschiktheden te voorkomen en het daaruit voortvloeiende verwijderd zijn van de arbeidsmarkt te bestrijden. Zodoende strekt zij ertoe de werkgevers bij wie het aantal intredes in invaliditeit structureel te hoog is in vergelijking met de sectorgebonden en algemene gemiddelden, financieel verantwoordelijk te maken, zodat zij de manier waarop zij hiermee omgaan bijsturen. Die doelstellingen zijn legitiem. B.7.
  44. In sociaaleconomische aangelegenheden beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid om de maatregelen te bepalen die moeten worden aangenomen om de door hem vastgestelde doelstellingen te bereiken. B.7.
  45. De wetgever kan daarenboven geen rekening houden met de bijzonderheden van elk gegeven geval. Hij moet gebruik kunnen maken van categorieën die, noodzakelijkerwijs, de verscheidenheid van toestanden slechts met een zekere graad van benadering opvangen. B.
  46. Ten aanzien van de in B.6 vermelde doelstellingen, is de betaling van een responsabiliseringsbijdrage door de werkgevers die een bovenmaatse instroom van werknemers in invaliditeit hebben, een pertinente maatregel. In het licht van die doelstellingen vermocht de wetgever redelijkerwijs gebruik te maken van het criterium van de intrede in invaliditeit, aangezien, zoals uit de in B.2.1 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt, een te hoge instroom in invaliditeit een indicator kan zijn dat er binnen de betrokken onderneming iets schort aan de organisatie van het werk en dat de inspanningen die worden gedaan om haar werknemers in arbeidsongeschiktheid te re-integreren niet toereikend zijn. B.9.
  47. De wetgever heeft bovendien in verschillende maatregelen voorzien die gericht zijn op de werkgevers die de in het geding zijnde bijdrage verschuldigd zijn. 18 B.9.
  48. Ten eerste is de in het geding zijnde bijdrage niet verschuldigd door de werkgevers die minder dan 50 werknemers tewerkstellen (artikelen 140, vijfde lid, en 141 van de programmawet van 27 december 2021). In antwoord op een opmerking van de afdeling wetgeving van de Raad van State over de verantwoording van die vrijstelling (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2349/001, pp. 268-269), vermeldt de parlementaire voorbereiding dat « in zeer kleine ondernemingen […] het toepassen van de formule intrede invaliditeit/volume VTE », waarin artikel 140, tweede lid, van de programmawet van 27 december 2021 voorziet, « tot ratio’s [zou] kunnen leiden waarbij ook werkgevers met medewerkers waarvan de invaliditeit voortvloeit uit aandoeningen waarop het beleid van de onderneming geen of nauwelijks impact heeft toch een responsabiliseringsbijdrage verschuldigd zouden zijn » (ibid., p. 124). « Om de beoogde doelstelling te bereiken, namelijk ‘ werkgevers‒uitschieters ’ waarvan de instroom in de invaliditeit van hun medewerkers (deels) te wijten is aan de werksituatie te sensibiliseren, is [bijgevolg] een [zekere] schaalgrootte nodig teneinde geen statistische vertekening te hebben » (ibid.). B.9.
  49. Ten tweede wordt in meerdere waarborgen voorzien in het kader van de berekeningen met betrekking tot de intredes in invaliditeit. De in het geding zijnde bepalingen verduidelijken ten eerste de categorieën van werknemers die in aanmerking worden genomen. Overeenkomstig artikel 143, § 2, van de programmawet van 27 december 2021, « wordt […] rekening gehouden met de meerderjarige werknemers die op de datum van de aanvang van de primaire arbeidsongeschiktheid de leeftijd van 55 jaar nog niet hebben bereikt en die op dat ogenblik gedurende ten minste drie achtereenvolgende jaren zonder onderbreking bij de betreffende werkgever tewerkgesteld zijn ». Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat het feit dat het in het geding zijnde stelsel de werknemers die 55 jaar of ouder zijn niet in aanmerking neemt, tot doel heeft de ondernemingen niet te ontmoedigen die werknemers aan te werven of in dienst te houden, omdat zij statistisch gezien wegens hun leeftijd sneller ziek kunnen worden (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2349/007, p. 7; Kamer, 2022-2023, DOC 55-2927/003, p. 12; Kamer, 2023-2024, DOC 55-3660/002, p. 9). Het vereiste van minstens drie jaar anciënniteit strekt, enerzijds, ertoe te vermijden dat bij de aanwerving van werknemers met een zwakker gezondheidsprofiel wordt gefilterd en, anderzijds, dat de werkgever niet verantwoordelijk 19 wordt gehouden voor het gezondheidsverleden van een werknemer die recent in dienst is getreden (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2349/007, p. 7; Kamer, 2022-2023, DOC 55- 2927/003, p. 12; Kamer, 2023-2024, DOC 55-3660/002, p. 9). Ten slotte wordt krachtens artikel 142, § 3, van de programmawet van 27 december 2021, « geen rekening gehouden met werknemers die op de datum van aanvang van de invaliditeit beschikken over de toelating tot werkhervatting bedoeld in artikel 100, § 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 ». Wat de berekening van de instroom in invaliditeit betreft, houdt artikel 140, tweede lid, van de programmawet van 27 december 2021 vervolgens rekening met « het voortschrijdend gemiddelde van vier kwartalen », zodat « eventuele incidentele afwijkingen tijdens één kwartaal ‒ die kunnen te wijten zijn aan een samenloop van omstandigheden ‒ uitgevlakt [worden] » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2349/001, p. 122). Opdat de instroom in invaliditeit bij een werkgever als bovenmaats wordt aangemerkt, moet die instroom zowel een bepaalde factor (X) in vergelijking met de werkgevers van dezelfde activiteitensector als een andere factor (Y) in vergelijking met de werkgevers van de algemene private sector overschrijden. In antwoord op een opmerking van de afdeling wetgeving van de Raad van State (ibid., pp. 267-268), wordt in de memorie van toelichting bij de programmawet van 27 december 2021 beklemtoond dat de cumulatie van die voorwaarden toelaat, enerzijds, rekening te houden met eventuele eigenheden van de betrokken sector door een eerste vergelijking uit te voeren met de werknemers van dezelfde sector en, anderzijds, de werkgevers die behoren tot sectoren met een score die hoger is dan het algemene gemiddelde te sensibiliseren en ertoe aan te zetten om meer richting dat gemiddelde te evolueren (ibid., pp. 123-124). Het cascadesysteem waarin artikel 142, § 1, van de programmawet van 27 december 2021 voorziet, waarborgt daarnaast dat enkel tot de sectorale vergelijking wordt overgegaan als er minstens tien vergelijkingspunten zijn, hetgeen ertoe strekt « statistische anomalieën » te ontwijken (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-2927/003, p. 13). De in het geding zijnde bijdrage is ten slotte enkel verschuldigd wanneer minstens drie werknemers bij de betrokken werkgever in invaliditeit zijn getreden in de refertekwartalen (artikel 140, derde lid, van de programmawet van 27 december 2021), en zulks teneinde « geen statistische vertekening te hebben » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-2927/001, p. 7). 20 B.
  50. Het in het geding zijnde stelsel berust bovendien op een « knipperlichtaspect », in die zin dat een signaal aan de werkgever wordt gegeven « wanneer een kritische grens wordt bereikt over de uitstroom van het personeel naar de langdurige arbeidsongeschiktheid. Op basis daarvan kan de werkgever dan de nodige actie ondernemen » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2349/007, p. 34). Artikel 145 van de programmawet van 27 december 2021 bepaalt aldus dat de werkgevers van wie de situatie ongunstig evolueert, daarvan proactief door de RSZ op de hoogte worden gehouden, zodat zij « tijdig een signaal […] ontvangen teneinde zo mogelijk bij te sturen » (ibid., p. 7), met name door « meer inspanningen te doen inzake re- integratie van de werknemers die tijdens de eerstvolgende maanden eveneens in de langdurige arbeidsongeschiktheid dreigen terecht te komen » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2349/001, p. 123). Krachtens datzelfde aspect heeft de wetgever eveneens voor een kwartaalbijdrage geopteerd, omdat hij van mening was dat « het signaaleffect » ervan sterker is dan dat van een jaarlijkse bijdrage (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2349/007, p. 7). B.
  51. Gelet op zijn ruime beoordelingsvrijheid en op het feit dat hij de verscheidenheid aan toestanden slechts met een zeker graad van benadering kan opvangen, vermocht de wetgever redelijkerwijs te oordelen dat de voorgaande maatregelen het mogelijk maken om zich, in het licht van de nagestreefde doelstellingen, op gepaste wijze te richten tot de werkgevers die de in het geding zijnde bijdrage moeten betalen. De wetgever vermocht redelijkerwijs te oordelen dat niet erin moest worden voorzien dat elke betrokken werkgever van die bijdrage kan worden vrijgesteld wanneer hij aantoont dat hij niet verantwoordelijk is voor de intredes in invaliditeit van zijn werknemers, noch dat ter zake beoordelingsvrijheid aan de administratieve overheid moest worden toegekend. Bovendien voorziet artikel 140, vierde lid, van de programmawet van 27 december 2021 in een vrijstelling voor « de werkgevers van de beschutte werkplaatsen en de maatwerkbedrijven behorende tot het paritair comité voor de beschutte werkplaatsen, de sociale werkplaatsen en de maatwerkbedrijven ». B.
  52. Het blijkt ten slotte niet dat het bedrag van de in het geding zijnde bijdrage, zoals vastgesteld bij artikel 143, § 1, van de programmawet van 27 december 2021, een onevenredige last zou zijn voor de betrokken werkgevers. 21 B.13.
  53. Uit het voorgaande volgt dat de in de eerste prejudiciële vraag beoogde gelijke behandeling redelijk verantwoord is, zonder dat het noodzakelijk is te bepalen of de betrokken werkgevers zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden. B.13.
  54. Uit het voorgaande volgt eveneens dat het in de tweede prejudiciële vraag beoogde verschil in behandeling redelijk verantwoord is. B.
  55. Het onderzoek van de eerste en de tweede prejudiciële vraag leidt niet tot een vaststelling van niet-bestaanbaarheid van de artikelen 139 tot 144 van de programmawet van 27 december 2021 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Wat betreft de derde prejudiciële vraag B.
  56. De derde prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van artikel 140 van de programmawet van 27 december 2021 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepaling een verschil in behandeling doet ontstaan tussen de werkgevers die minder dan 50 werknemers tewerkstellen en de werkgevers die 50 of meer werknemers tewerkstellen : de werkgevers die die drempel niet bereiken zijn vrijgesteld van de in het geding zijnde bijdrage. Aangezien het in het geding zijnde verschil in behandeling voortvloeit uit artikel 140, vijfde lid, van de programmawet van 27 december 2021, beperkt het Hof zijn onderzoek tot die bepaling. B.
  57. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op een objectief criterium van onderscheid, namelijk het feit of de werkgever al dan niet de drempel van 50 tewerkgestelde werknemers bereikt. B.
  58. Het is eigen aan een drempel een verschil in behandeling tot stand te brengen tussen de personen die de drempel bereiken en diegenen die de drempel niet bereiken. In het licht van de in B.6 vermelde doelstellingen die de in het geding zijnde bijdrage nastreeft, vermocht de wetgever redelijkerwijs een drempel van 50 werknemers vast te leggen, 22 rekening houdend met hetgeen in B.9.2 is vermeld, met zijn ruime beoordelingsvrijheid en met het feit hij de verscheidenheid van toestanden slechts met een zekere graad van benadering kan opvangen. B.
  59. Ten slotte heeft het in het geding zijnde stelsel, rekening houdend met hetgeen in B.9.3 tot B.12 is vermeld, geen onevenredige gevolgen voor de werkgevers die 50 of meer werknemers tewerkstellen. B.
  60. Het onderzoek van de derde prejudiciële vraag leidt niet tot een vaststelling van niet- bestaanbaarheid van artikel 140, vijfde lid, van de programmawet van 27 december 2021 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Wat betreft de vierde prejudiciële vraag B.
  61. De vierde prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van artikel 143 van de programmawet van 27 december 2021 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepaling, bij de berekening van de in het geding zijnde bijdrage, de werkgevers die die bijdrage verschuldigd zijn op dezelfde wijze behandelt, ongeacht het aantal in invaliditeit getreden werknemers. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, vloeit die gelijke behandeling daadwerkelijk voort uit artikel 143 van de programmawet van 27 december 2021, en meer bepaald uit paragraaf 1 ervan, dat de berekeningswijze van de in het geding zijnde bijdrage regelt. Het Hof beperkt bijgevolg zijn onderzoek tot artikel 143, § 1, van de programmawet van 27 december
  62. B.
  63. Zoals in B.9 tot B.11 is vermeld, heeft de wetgever in verschillende maatregelen voorzien die het mogelijk maken zich, in het licht van de nagestreefde doelstellingen, op gepaste wijze te richten tot de werkgevers die de in het geding zijnde bijdrage verschuldigd zijn. De wetgever vermocht redelijkerwijs te bepalen dat, zodra die bijdrage verschuldigd is, het bedrag ervan niet op basis van het aantal in invaliditeit getreden werknemers moet worden berekend, maar als een percentage van de bijdrageplichtige lonen. Gesteld dat die 23 berekeningswijze tot gevolg heeft dat de werkgevers met een hoger aantal intredes in invaliditeit een bijdrage verschuldigd zijn die op basis van een lager bedrag wordt berekend, zou de in het geding zijnde bepaling niet zonder redelijke verantwoording zijn. B.
  64. Zoals in B.12 is vermeld, blijkt ten slotte niet dat het bedrag van de in het geding zijnde bijdrage een onevenredige last zou zijn voor de betrokken werkgevers. B.
  65. Uit het voorgaande volgt dat de in de vierde prejudiciële vraag beoogde gelijke behandeling redelijk verantwoord is, zonder dat het noodzakelijk is te bepalen of de betrokken werkgevers zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden. B.
  66. Het onderzoek van de vierde prejudiciële vraag leidt niet tot een vaststelling van niet-bestaanbaarheid van artikel 143, § 1, van de programmawet van 27 december 2021 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Wat betreft de vijfde prejudiciële vraag B.25.
  67. De vijfde prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van de artikelen 139 tot 148 van de programmawet van 27 december 2021 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Uit de bewoordingen van die prejudiciële vraag en uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat aan het Hof een vraag wordt gesteld over het indirecte verschil in behandeling tussen de werkgevers die voltijdse werknemers tewerkstellen en de werkgevers die deeltijdse werknemers tewerkstellen, in zoverre de in het geding zijnde bepalingen voor de tweede categorie van werkgevers een ongunstige behandeling ten gevolge zouden hebben. Het verwijzende rechtscollege interpreteert de in het geding zijnde bepalingen in die zin dat
(1)wat de instroom in invaliditeit betreft, de ratio wordt berekend door rekening te houden, in de teller, met het aantal individuele in invaliditeit getreden werknemers en, in de noemer, met de totale tewerkstelling uitgedrukt in voltijdsequivalenten (artikelen 140, tweede lid, en 142, § 4, van de programmawet van 27 december 2021),
(2)de drempel van 50 werknemers wordt berekend op basis van het aantal individuele werknemers die door de betrokken werkgever worden tewerkgesteld (artikelen 140, vijfde lid, en 141 van de programmawet van 27 december 2021) en
(3)de drempel van drie in invaliditeit getreden werknemers in de refertekwartalen wordt 24 berekend op basis van het aantal individuele in invaliditeit getreden individuele werknemers bij de betrokken werkgever (artikel 140, derde lid, van de programmawet van 27 december 2021). Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de voormelde bepalingen, namelijk de artikelen 140, tweede, derde en vijfde lid, 141 en 142, § 4, van de programmawet van 27 december
  1. Het Hof onderzoekt de prejudiciële vraag in de interpretatie die het verwijzende rechtscollege aan de in het geding zijnde bepalingen geeft. B.25.
  2. Volgens de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege zijn de in het geding zijnde bepalingen niet bestaanbaar met de richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 « betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid », noch met de wet van 5 maart 2002 « betreffende het beginsel van non-discriminatie ten gunste van deeltijdwerkers », noch met de wet van 15 december 2013 « houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging », noch met de wet van 12 januari 2007 « strekkende tot controle op de toepassing van de resoluties van de wereldvrouwenconferentie die in september 1995 in Peking heeft plaatsgehad en tot integratie van de genderdimensie in het geheel van de federale beleidslijnen », noch met de wet van 10 mei 2007 « ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen » en evenmin met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij vrouwen discrimineren. Een partij voor het Hof vermag de draagwijdte van de door het verwijzende rechtscollege gestelde prejudiciële vraag niet te wijzigen of te laten wijzigen. Het komt aan het verwijzende rechtscollege toe te oordelen welke prejudiciële vraag hij aan het Hof dient te stellen en daarbij de omvang van de saisine te bepalen. Zoals in B.25.1 is vermeld, heeft de prejudiciële vraag enkel betrekking op de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij een indirect verschil in behandeling doen ontstaan tussen de werkgevers die voltijdse werknemers tewerkstellen en de werkgevers die deeltijdse werknemers tewerkstellen. Het Hof onderzoekt de prejudiciële vraag zoals zij aldus wordt gesteld. 25 B.
  3. In het licht van de in B.6 vermelde doelstellingen die de in het geding zijnde bijdrage nastreeft, vermocht de wetgever redelijkerwijs te oordelen dat rekening diende te worden gehouden met de individuele werknemers, ongeacht hun arbeidsregime. Het voorkomen van langdurige arbeidsongeschiktheden en de re-integratie op het werk betreffen immers elke individuele werknemer. Het is bijgevolg redelijk verantwoord dat rekening wordt gehouden met de individuele werknemers, en niet met het percentage voltijdsequivalenten,
(1)om de teller van de ratio met betrekking tot de instroom in invaliditeit te bepalen,
(2)om te bepalen of de drempel van 50 tewerkgestelde werknemers is bereikt en
(3)om te bepalen of de drempel van drie in invaliditeit getreden werknemers in de refertekwartalen is bereikt. In het licht van de nagestreefde doelstellingen, is het daarentegen niet redelijk verantwoord dat de noemer van de ratio met betrekking tot de instroom in invaliditeit wordt bepaald op basis van de totale tewerkstelling uitgedrukt in voltijdsequivalenten. In zoverre artikel 142, § 4, van de programmawet van 27 december 2021 bepaalt dat de noemer, in tegenstelling tot de teller, wordt bepaald op basis van het aantal voltijdsequivalenten, leidt het ertoe dat de werkgevers die deeltijdse werknemers tewerkstellen zonder redelijke verantwoording worden benadeeld. Op dat punt is het in de vijfde prejudiciële vraag beoogde indirecte verschil in behandeling niet redelijk verantwoord. B.
  1. Artikel 142, § 4, van de programmawet van 27 december 2021 is niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat, voor het bepalen van de noemer van de radio bedoeld in artikel 140, tweede lid, van dezelfde programmawet, de totale tewerkstelling wordt berekend op basis van het aantal voltijdse equivalente werknemers. Voor het overige leidt het onderzoek van de vijfde prejudiciële vraag niet tot een vaststelling van niet-bestaanbaarheid van de artikelen 140, tweede, derde en vijfde lid, en 141 van de programmawet van 27 december 2021 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Wat betreft de zesde prejudiciële vraag B.
  2. De zesde prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van de artikelen 139 tot 148 van de programmawet van 27 december 2021 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepalingen twee gelijke behandelingen doen ontstaan. Ten 26 eerste behandelen die bepalingen de werkgevers die slechts één activiteit uitoefenen en de werkgevers die verschillende activiteiten uitoefenen, op dezelfde wijze, in zoverre enkel de NACE-code van de hoofdactiviteit in aanmerking wordt genomen. Ten tweede maken die bepalingen geen onderscheid naargelang de technische bedrijfseenheid en behandelen zij de werkgevers die slechts één bedrijfseenheid hebben en de werkgevers die er meerdere hebben, bijgevolg op dezelfde wijze. Aangezien die gelijke behandelingen voortvloeien uit de artikelen 139 tot 144 van de programmawet van 27 december 2021, beperkt het Hof zijn onderzoek tot die bepalingen. B.
  3. Zoals in B.11 is vermeld, vermocht de wetgever redelijkerwijs te oordelen dat de in B.9.1 tot B.10 vermelde maatregelen het mogelijk maken om zich, in het licht van de nagestreefde doelstellingen, op gepaste wijze te richten tot de werkgevers die de in het geding zijnde bijdrage moeten betalen. De wetgever vermocht redelijkerwijs te oordelen dat enkel de NACE-code van de hoofdactiviteit van de werkgever in aanmerking moest worden genomen, zelfs wanneer de werkgever verschillende activiteiten uitoefent en dat geen onderscheid moest worden gemaakt naargelang de technische bedrijfseenheid. B.
  4. Zoals in B.12 is vermeld, blijkt ten slotte niet dat het bedrag van de in het geding zijnde bijdrage een onevenredige last zou zijn voor de betrokken werkgevers. B.
  5. Uit het voorgaande volgt dat de in de zesde prejudiciële vraag beoogde gelijke behandelingen redelijk verantwoord zijn, zonder dat het noodzakelijk is te bepalen of de betrokken werkgevers zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden. B.
  6. Het onderzoek van de zesde prejudiciële vraag leidt niet tot een vaststelling van niet- bestaanbaarheid van de artikelen 139 tot 144 van de programmawet van 27 december 2021 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Wat betreft de zevende prejudiciële vraag B.
  7. De zevende prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van artikel 140, eerste lid, van de programmawet van 27 december 2021 met de artikelen 10 en 11 27 van de Grondwet, in zoverre die bepaling een verschil in behandeling doet ontstaan tussen de werkgevers naargelang zij al dan niet onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 vallen. Enkel de eerste categorie van werkgevers zijn onderworpen aan het stelsel van de in het geding zijnde bijdrage. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, heeft het verwijzende rechtscollege de wet van 5 december 1968 niet in die zin geïnterpreteerd dat die wet van toepassing zou zijn op de werkgevers van de publieke sector wat hun contractuele personeelsleden betreft. Hoewel de werkgevers die niet onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 vallen ‒ die het grootste deel van de werkgevers van de publieke sector omvatten ‒ niet zijn onderworpen aan het stelsel van de in het geding zijnde bijdrage noch voor hun statutaire personeelsleden, noch voor hun contractuele personeelsleden, blijkt uit de motieven van de verwijzingsbeslissing dat de prejudiciële vraag in het bijzonder betrekking heeft op het feit dat dat stelsel niet van toepassing is op die werkgevers wat hun contractuele personeelsleden betreft. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over het verschil in behandeling dat daaruit voortvloeit ten opzichte van de werkgevers die onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 vallen, die wel aan het stelsel van de in het geding zijnde bijdrage zijn onderworpen. Het Hof onderzoekt in die zin de prejudiciële vraag, die niet klaarblijkelijk onnuttig is voor de oplossing van het bodemgeschil. B.
  8. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op een objectief criterium van onderscheid, namelijk het feit of de werkgever al dan niet onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 valt. B.
  9. Aangezien de opbrengsten van de in het geding zijnde bijdrage in beginsel worden gestort aan het Fonds voor bestaanszekerheid van de paritaire comités of paritaire subcomités waaronder de werkgevers ressorteren (artikel 147, § 1, van de programmawet van 27 december 2021) en aangezien de preventie- of re-integratiemaatregelen waarvoor die opbrengsten bestemd zijn, het voorwerp moeten uitmaken van een collectieve arbeidsovereenkomst (artikel 147, § 2, van de programmawet van 27 december 2021), vermocht de wetgever redelijkerwijs het in het geding zijnde stelsel te beperken tot de werkgevers die onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 vallen. 28 B.
  10. Ten slotte heeft het in het geding zijnde stelsel, rekening houdend met hetgeen in B.9.1 tot B.12 is vermeld, geen onevenredige gevolgen voor de werkgevers die onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 vallen. B.
  11. Het onderzoek van de zevende prejudiciële vraag leidt niet tot een vaststelling van niet-bestaanbaarheid van artikel 140, eerste lid, van de programmawet van 27 december 2021 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 29 Om die redenen, het Hof zegt voor recht :
  12. Artikel 142, § 4, van de programmawet van 27 december 2021 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat, voor het bepalen van de noemer van de ratio bedoeld in artikel 140, tweede lid, van dezelfde programmawet, de totale tewerkstelling wordt berekend op basis van het aantal voltijdse equivalente werknemers.
  13. Voor het overige schenden de artikelen 139 tot 144 van dezelfde programmawet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 21 mei
  14. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.060 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2001:ARR.064 ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.059 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.