id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.061 Arrest- Rolnummer: 61/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-06-01 Raadplegingen: 158 - laatst gezien 2026-06-18 11:47 Versie(s): Versie FR Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 101, 103 en 181 van het Sociaal Strafwetboek en de artikelen 41bis en 43bis van het Strafwetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon. Strafrecht - Sociaal strafrecht - Inbreuken op de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling (Dimona-aangifte) - Sanctie - Verplichte vermenigvuldiging van de strafrechtelijke geldboete met het aantal betrokken werknemers Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 61/2026 van 21 mei 2026 Rolnummer : 8461 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 101, 103 en 181 van het Sociaal Strafwetboek en de artikelen 41bis en 43bis van het Strafwetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit emeritus voorzitter Luc Lavrysen, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, voorzitter Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 10 april 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 11 april 2025, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon, de volgende prejudiciële vragen gesteld : «
- Schenden de artikelen 103, 181, § 1, voorlaatste lid en 181, § 2, voorlaatste lid van het Sociaal Strafwetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend protocol bij het EVRM en artikel 6.1 EVRM, het algemeen grondwettelijkrechtsbeginsel van de scheiding tussen de machten en het beginsel van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de daarbij horende rechterlijke vrijheid, in zover het de strafrechter ertoe verplicht (en hem of haar niet de keuzevrijheid geeft) om de strafrechtelijke geldboete van niveau 4 bij de in artikel 181 bedoelde onachtzaamheidsmisdrijven te vermenigvuldigen met het aantal betrokken werknemers (te dezen 188 en dus een minimumgeldboete op te leggen van 902.400 euro), zonder dat de vermenigvuldigde geldboete meer mag bedragen dan het honderdvoud van de maximumgeldboete (te dezen 5.600.000 euro dan wel 4.800.000 euro), zelfs wanneer in feite en in concreto moet worden vastgesteld dat de verplichte multiplicator niet is aangepast aan de ernst van de feiten en de gevolgen ervan, het aantal betrokken werknemers te dezen gelegenheidswerknemers zijn en dus geen indicatie geven over de (in feite beperkte) financiële 2 draagkracht van de beklaagde en zelfs wanneer de rechter in de feitelijke omstandigheden niet over enige mogelijkheid beschikt de geldboete op een andere wijze te matigen ?
- Schenden de artikelen 41bis en 43bis van het Strafwetboek en de artikelen 101, 103, en 181 van het Sociaal Strafwetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend protocol bij het EVRM en artikel 6.1 EVRM, in zoverre het de strafrechter ertoe verplicht bij de betrokkenheid van 188 werknemers bij inbreuken van sanctieniveau 4 ten aanzien van een rechtspersoon een minimumgeldboete op te leggen met toepassing van een multiplicator van 188, zonder de mogelijkheid om deze straf te milderen teneinde de veroordeelde geen onredelijk zware straf op te leggen, daar waar de strafrechter zulks wel vermag bij het opleggen van een bijzondere verbeurdverklaring conform art. 43bis Sw. ?
- Schenden de artikelen 41bis van het Strafwetboek en de artikelen 101, 103, en 181 van het Sociaal Strafwetboek de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend protocol bij het EVRM en artikel 6.1 EVRM, in zoverre het de strafrechter ertoe verplicht bij de betrokkenheid van 188 werknemers bij inbreuken van sanctieniveau 4 ten aanzien van een rechtspersoon een minimumgeldboete op te leggen met toepassing van een multiplicator van 188, zonder de mogelijkheid om deze straf te milderen teneinde de veroordeelde geen onredelijk zware straf op te leggen, wanneer die straf dermate afbreuk doet aan de financiële toestand van een onderneming aan wie ze wordt opgelegd ?
- Schenden de artikelen 101, 103, en 181 van het Sociaal Strafwetboek en artikel 41bis van het Strafwetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre deze artikelen aan de strafrechter niet toestaan om geen toepassing te maken van de bij wet voorziene multiplicator wanneer een rechtspersoon schuldig wordt bevonden aan een inbreuk met sanctieniveau 4, terwijl diezelfde strafrechter geen toepassing dient te maken van enige multiplicator wanneer hetzelfde aantal inbreuken wordt vastgesteld ten aanzien van 1 werknemer ? ». Memories zijn ingediend door : - de beklaagden in het bodemgeschil, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Steven Renette, mr. Philip Daeninck en mr. Nuh Alkis, advocaten bij de balie van Limburg; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jürgen Vanpraet, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen. De beklaagden in het bodemgeschil hebben ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 18 maart 2026 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Sabine de Bethune en Thierry Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. 3 Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Drie natuurlijke personen en vier rechtspersonen, die actief zijn in de fruitteelt, worden vervolgd voor inbreuken op de regelgeving inzake de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, zoals bepaald in artikel 181 van het Sociaal Strafwetboek. Die zogenaamde Dimona-aangifte (déclaration immédiate/onmiddellijke aangifte) is het elektronische bericht waarmee de werkgever iedere indiensttreding en uitdiensttreding van een werknemer aangeeft bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. De inbreuken betreffen in hoofdzaak de annulering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling na het einde van de kalenderdag waarop die betrekking heeft, zoals strafbaar gesteld door artikel 181, § 1, eerste lid, 3°, van het Sociaal Strafwetboek (188 personen tewerkgesteld met schending van die bepaling). Met toepassing van de artikelen 101 en 181 van het Sociaal Strafwetboek vordert het arbeidsauditoraat voor elk van de beklaagden de minimumstraffen, namelijk een geldboete van 600 euro voor de natuurlijke personen en, met toepassing van artikel 41bis van het Strafwetboek, een geldboete van 3 000 euro voor de rechtspersonen. Vermenigvuldigd met het aantal werknemers (x188) en verhoogd met de opdeciemen (x8) komt dat neer op een geldboete van 902 400 euro voor elk van de natuurlijke personen en een geldboete van 4 512 000 euro voor elk van de rechtspersonen. Het arbeidsauditoraat stemt evenwel in met het uitstel van tenuitvoerlegging van de straf ten belope van 90 % van de uitgesproken geldboeten. Het verwijzende rechtscollege stelt vast dat de vermelde geldboeten het honderdvoud van de maximumgeldboete, bedoeld in artikel 103, tweede lid, van het Sociaal Strafwetboek, niet overschrijden. Alvorens uitspraak te doen, stelt het de vier hiervoor weergegeven vragen aan het Hof. III. In rechte -A- A.
- De beklaagden in het bodemgeschil zijn van oordeel dat de prejudiciële vragen bevestigend moeten worden beantwoord. In hun memorie van antwoord voegen zij daaraan toe dat naar hun mening ook het legaliteitsbeginsel in strafzaken is geschonden. Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, voeren zij aan dat de wetgever, met de invoering van het Sociaal Strafwetboek, een evenwichtige, coherente en proportionele bestraffing beoogde, waarbij hij rekening wenste te houden met het onderscheid tussen een werkgever die te goeder trouw een onachtzaamheidsmisdrijf begaat en een werkgever die te kwader trouw is en bedrieglijk handelt. De beklaagden in het bodemgeschil betogen dat zij tot de eerste categorie behoren. De omvang van de in het geding zijnde minimumgeldboeten is evenwel een bijzonder zware aanslag op het eigendomsrecht van de natuurlijke en rechtspersonen en doet afbreuk aan het recht op het ongestoord genot van de eigendom, zoals gewaarborgd bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Dat geldt in het bijzonder wanneer uit de feitelijke en concrete omstandigheden blijkt dat de verplichte vermenigvuldiging van de geldboeten met het aantal betrokken werknemers niet is aangepast aan de ernst van de feiten en de gevolgen ervan en wanneer het om gelegenheidswerknemers gaat die bijgevolg geen indicatie geven over de financiële draagkracht van de werkgever. In die omstandigheden is ook het recht op een eerlijk proces niet gewaarborgd. Het feit dat een rechter uitstel of opschorting van straf kan geven, zou aan die vaststelling geen afbreuk doen, aangezien een beklaagde die te goeder trouw handelt, daarvoor niet in aanmerking zou komen. Bovendien zou de minimumstraf ook met een uitstel of opschorting onevenredig blijven. 4 Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, verwijzen de beklaagden in het bodemgeschil naar de rechtspraak van het Hof waaruit blijkt dat artikel 43, eerste lid, van het Strafwetboek op discriminerende wijze afbreuk doet aan het eigendomsrecht in zoverre het de rechter ertoe verplicht de verbeurdverklaring uit te spreken van de zaak die heeft gediend om een misdaad of wanbedrijf te plegen behoudens wanneer die straf onevenredig is. De wetgever heeft die bepaling, en ook artikel 43bis van hetzelfde Wetboek, vervolgens aangepast. Het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling van personen aan wie een bijzondere verbeurdverklaring wordt opgelegd en personen aan wie een geldboete met toepassing van de vermenigvuldigingsregel wordt opgelegd, zou niet redelijk verantwoord zijn. Wat de derde prejudiciële vraag betreft, verwijzen de beklaagden in het bodemgeschil naar wat ten aanzien van de vorige vragen is uiteengezet. Wat de vierde prejudiciële vraag betreft, zijn zij van oordeel dat het aantal betrokken werknemers geen redelijk verantwoord criterium van onderscheid is. Wanneer een werkgever dezelfde inbreuk honderd keer (opzettelijk) begaat ten aanzien van dezelfde werknemer, zal de geldboete worden vermenigvuldigd met factor één. Wanneer hij de inbreuk één keer begaat (uit onachtzaamheid) ten aanzien van honderd werknemers, zal de geldboete worden vermenigvuldigd met factor honderd. Ook de financiële draagkracht van de werkgever is geen pertinent criterium om hem zwaarder te straffen voor dezelfde inbreuk. In de fruitteelt kan het met name gaan om kleine familiebedrijven met slechts enkele voltijdse werknemers, die echter in de oogsttijd een beroep doen op een groot aantal seizoenwerkers of dagloners. A.
- Naar het oordeel van de Ministerraad dienen de prejudiciële vragen ontkennend te worden beantwoord. De wetgever beschikt over een ruime beoordelingsvrijheid om de omvang van de geldboete te bepalen en om de rechter in bepaalde aangelegenheden tot gestrengheid te dwingen. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat de wetgever in het sociaal strafrecht de geldboete met het aantal betrokken werknemers mag vermenigvuldigen om aldus de straf af te stemmen op de ernst en de gevolgen van de vastgestelde feiten, alsook dat de wetgever over een ruime beleidsvrijheid beschikt om al dan niet te opteren voor een individualisering van de straffen. Het bedrag van de geldboete voor inbreuken op de Dimona-aangifte wordt enkel vermenigvuldigd met het aantal werknemers waarvoor een inbreuk is vastgesteld en dus niet met het totale aantal werknemers die in dienst zijn. De Ministerraad leidt daaruit af dat de wettelijk bepaalde minimumsanctie na toepassing van de vermenigvuldigingsregel niet kennelijk onredelijk is. De regel geldt voor alle werknemers, ongeacht de duur van de tewerkstelling, zodat er geen sprake is van een ongelijke behandeling. Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, merkt de Ministerraad voorts op dat de wetgever bij het bepalen van de minimum- en maximumstraf reeds rekening heeft gehouden met het feit dat het om onachtzaamheidsmisdrijven gaat. Dat blijkt uit het feit dat het « wetens en willens » plegen van de inbreuken een verzwarende factor vormt bij het bepalen van de strafmaat en aanleiding kan geven tot het opleggen van bijkomende sancties (artikelen 110/1, 106 en 107 van het Sociaal Strafwetboek). Anders dan de prejudiciële vraag lijkt te suggereren, laat de wetgever met de minimum- en maximumstraf een ruime marge aan de rechter om de strafmaat te individualiseren rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak. Bovendien kan de rechter, indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, de geldboete verminderen tot een bedrag onder het wettelijk minimum, waarbij het evenwel niet lager mag zijn dan 40 % van het voorgeschreven minimumbedrag (artikel 110 van het Sociaal Strafwetboek). Daarnaast kan de rechter de strafsanctie individualiseren door een uitstel van tenuitvoerlegging van de opgelegde straf toe te laten met toepassing van de wet van 29 juni 1964 « betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie ». De tweede en derde prejudiciële vraag verwijzen naar artikel 41bis van het Strafwetboek, dat betrekking heeft op de conversie van vrijheidsstraffen naar geldboeten ten aanzien van rechtspersonen. Aangezien die bepaling enkel die conversie regelt, ziet de Ministerraad niet in op welke wijze die bepaling de toetsingsnormen zou kunnen schenden. De tweede prejudiciële vraag verwijst ook naar artikel 43bis van het Strafwetboek. Het verwijzingsvonnis maakt evenwel geen melding van een bijzondere verbeurdverklaring, zodat er geen reden is om die bepaling te toetsen. Zij heeft een ander voorwerp en een andere finaliteit dan de strafsancties in het Sociaal Strafwetboek die in het geding zijn. De bijzondere verbeurdverklaring heeft tot doel, enerzijds, om de vermogensvoordelen te ontnemen die uit het misdrijf zijn voortgekomen en, anderzijds, om de slachtoffers schadeloos te stellen. Wat de vierde prejudiciële vraag betreft, voegt de Ministerraad nog eraan toe dat het aantal betrokken werknemers een indicatie vormt van de financiële draagkracht van de rechtspersoon, wat het Hof in zijn rechtspraak heeft bevestigd. De omstandigheid dat de ondernemingen in het bodemgeschil vaker andere werknemers zouden tewerkstellen, is in dat opzicht niet relevant. De wetgever mag opteren voor een eenvoudig en uniform stelsel van bestraffing dat geldt voor alle rechtspersonen ongeacht de sector waarin de inbreuk wordt 5 begaan. Strafwetten hebben immers een algemeen karakter en zijn van toepassing op uiteenlopende situaties, wat de duidelijkheid en rechtszekerheid ten goede komt. -B- B.
- De prejudiciële vragen hebben betrekking op de strengheid van de straf die van toepassing is voor bepaalde sociale misdrijven, in het bijzonder door de vermenigvuldiging van de geldboete met het aantal betrokken werknemers waarin het Sociaal Strafwetboek voorziet. In het geding zijn de artikelen 101, 103 en 181 van het Sociaal Strafwetboek, vóór de wijziging ervan bij de wetten van 3 mei 2024 « houdende bepalingen betreffende sekswerk onder arbeidsovereenkomst » en 15 mei 2024 « houdende wijziging van het sociaal strafrecht en diverse arbeidsrechtelijke bepalingen », en de artikelen 41bis en 43bis van het Strafwetboek, vóór de opheffing ervan bij artikel 35 van de wet van 29 februari 2024 « tot invoering van boek I van het Strafwetboek ». B.2.
- Artikel 101 van het Sociaal Strafwetboek voorziet in vier sanctieniveaus, naargelang van de ernst van de inbreuk. Zoals van toepassing in het bodemgeschil, bepaalt dat artikel : « De inbreuken bedoeld in Boek 2 worden bestraft met een sanctie van niveau 1, niveau 2, niveau 3 of niveau
- De sanctie van niveau 1 bestaat uit een administratieve geldboete van 10 tot 100 euro. De sanctie van niveau 2 bestaat uit hetzij een strafrechtelijke geldboete van 50 tot 500 euro, hetzij een administratieve geldboete van 25 tot 250 euro. De sanctie van niveau 3 bestaat uit hetzij een strafrechtelijke geldboete van 100 tot 1 000 euro, hetzij een administratieve geldboete van 50 tot 500 euro. De sanctie van niveau 4 bestaat uit hetzij een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6 000 euro of uit een van die straffen alleen, hetzij een administratieve geldboete van 300 tot 3 000 euro ». B.2.
- Artikel 103 van het Sociaal Strafwetboek voorziet in een maximumbedrag van de geldboete wanneer die vermenigvuldigd wordt met het aantal betrokken werknemers. Zoals van toepassing in het bodemgeschil, bepaalt dat artikel : 6 « Wanneer de geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers, kandidaat-werknemers, kinderen, stagiairs of zelfstandigen, geldt de regel zowel voor de strafrechtelijke als voor de administratieve geldboete. De vermenigvuldigde geldboete mag niet meer dan het honderdvoud van de maximumgeldboete bedragen ». B.2.
- Artikel 181 van het Sociaal Strafwetboek bestraft bepaalde inbreuken op de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling door werkgevers (de zogenaamde Dimona-aangifte) met een sanctie van niveau 4 en het voorziet ook in de vermelde vermenigvuldiging van de strafrechtelijke geldboete met het aantal betrokken werknemers. Zoals van toepassing in het bodemgeschil, bepaalt dat artikel : « §
- Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels : 1° de gegevens die opgelegd zijn door voormeld koninklijk besluit van 5 november 2002 niet elektronisch heeft meegedeeld aan de instelling belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze, uiterlijk op het tijdstip waarop de werknemer zijn prestaties aanvat, en uiterlijk op de eerste werkdag die volgt op de beëindiging van de aangegeven tewerkstelling; 2° de wijziging van de gegevens inzake arbeidstijd bedoeld in de artikelen 5bis, § 2, 2°, en 6, 6°, 2°, van voormeld koninklijk besluit van 5 november 2002, namelijk van het tijdstip van het einde van de prestatie, niet heeft meegedeeld aan de instelling die belast is met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen, uiterlijk op het einde van de kalenderdag waarop ze betrekking hebben, wanneer de werknemer zijn prestaties vroeger beëindigt dan voorzien; 3° een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling geannuleerd heeft na het einde van de kalenderdag waarop deze betrekking heeft of, als de aangifte sloeg op een periode die twee kalenderdagen of meer bestrijkt, deze geannuleerd heeft na de eerste kalenderdag van de prestatie die was voorzien. Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers. Wanneer de inbreuk wetens en willens is gepleegd, kan de rechter bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken. §
- Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 7 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, wanneer een gelegenheidswerknemer wordt tewerkgesteld voor een langere dagelijkse periode dan deze aangekondigd in de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling die in het begin van de dag wordt gedaan, de wijziging van de gegevens inzake arbeidstijd bedoeld in de artikelen 5bis, § 2, 2°, en 6, 6°, 2°, van voormeld koninklijk besluit van 5 november 2002, namelijk van het tijdstip van het einde van de prestatie, niet heeft meegedeeld aan de instelling die belast is met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen, uiterlijk binnen de periode van acht uur die volgt op het in de initiële aangifte voorziene einduur, of wanneer het initieel aangekondigde einduur tussen twintig en vierentwintig uur valt, uiterlijk om acht uur ’s morgens van de volgende kalenderdag. Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers. Wanneer de inbreuk wetens en willens is gepleegd, kan de rechter bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken ». B.2.
- Artikel 41bis van het Strafwetboek regelt de omzetting van de straffen waarin is voorzien voor natuurlijke personen, naar straffen die kunnen worden toegepast op rechtspersonen. Zoals van toepassing in het bodemgeschil, bepaalt dat artikel : « §
- De geldboeten toepasselijk op misdrijven gepleegd door rechtspersonen, zijn : in criminele en correctionele zaken : - wanneer de wet op het feit levenslange vrijheidsstraf stelt : geldboete van tweehonderdveertig duizend euro tot zevenhonderdtwintigduizend euro; - wanneer de wet op het feit vrijheidsstraf en geldboete stelt, of een van de straffen alleen: geldboete van minimum vijfhonderd euro vermenigvuldigd met het getal van de maanden van de minimumvrijheidsstraf, doch niet lager dan de minimumgeldboete op het feit gesteld; met als maximum tweeduizend euro vermenigvuldigd met het getal van de maanden van de maximumvrijheidsstraf, doch niet lager dan het dubbele van de maximumgeldboete op het feit gesteld; - wanneer de wet op het feit enkel geldboete stelt : geldboete met minimum en maximum als door de wet op het feit gesteld; in politiezaken : - geldboete van vijfentwintig euro tot tweehonderdvijftig euro. §
- Voor het bepalen van de straf bedoeld in § 1 zijn de bepalingen van Boek I van toepassing ». B.2.
- Artikel 43bis van het Strafwetboek heeft betrekking op de bijzondere verbeurdverklaring. Zoals van toepassing in het bodemgeschil, bepaalt dat artikel : 8 « Bijzondere verbeurdverklaring toepasselijk op de zaken bedoeld in artikel 42, 3°, kan door de rechter in elk geval worden uitgesproken, maar slechts voorzover zij door de procureur des Konings schriftelijk wordt gevorderd. Indien de zaken bedoeld in het eerste lid en de zaken die gediend hebben of bestemd waren om het misdrijf te plegen niet kunnen worden gevonden in het vermogen van de veroordeelde, raamt de rechter de geldwaarde ervan en heeft de verbeurdverklaring betrekking op een daarmee overeenstemmend bedrag. […] De rechter vermindert zo nodig het bedrag van de in artikel 42, 3°, bedoelde vermogensvoordelen of van de in het tweede lid bedoelde geldwaarde om de veroordeelde geen onredelijk zware straf op te leggen ». B.
- De prejudiciële vragen hebben betrekking op de strafrechtelijke geldboeten bedoeld in de vermelde bepalingen. Met toepassing van die bepalingen vordert het arbeidsauditoraat in het hoofdgeding de minimumstraffen (sanctie van niveau 4), zijnde een geldboete van 600 euro voor de beklaagde natuurlijke personen en een geldboete van 3 000 euro voor de beklaagde rechtspersonen, vermenigvuldigd met het aantal werknemers (x188) en verhoogd met de opdeciemen (x8), wat neerkomt op een geldboete van 902 400 euro voor elk van de beklaagde natuurlijke personen en van 4 512 000 euro voor elk van de beklaagde rechtspersonen. B.
- Het verwijzende rechtscollege wenst in wezen van het Hof te vernemen of de in het geding zijnde bepalingen verenigbaar zijn met het beginsel van de evenredigheid van de straf, zoals dat met name voortvloeit uit het recht op een behoorlijke rechtsbedeling en het recht op eerbiediging van de eigendom, meer bepaald in zoverre zij voorzien in een verplichte vermenigvuldiging van de strafrechtelijke geldboete met het aantal betrokken werknemers. De in de eerste prejudiciële vraag vermelde beginselen voegen niets toe aan die toetsing. De beklaagden in het bodemgeschil betwisten ook dat de in het geding zijnde bepalingen verenigbaar zijn met het beginsel van de wettigheid van de straf. De partijen voor het Hof kunnen de draagwijdte van de prejudiciële vragen evenwel niet wijzigen of uitbreiden. 9 De eerste prejudiciële vraag heeft betrekking op de geldboete voor natuurlijke personen, de tweede en derde vraag hebben betrekking op de geldboete voor rechtspersonen. De vierde prejudiciële vraag heeft betrekking op de geldboete voor beide categorieën. Aangezien alle prejudiciële vragen betrekking hebben op de verplichte vermenigvuldiging en ervan uitgaan dat de strafrechter de wettelijk bepaalde geldboeten niet kan milderen, onderzoekt het Hof ze gezamenlijk. B.
- De verplichte vermenigvuldiging van de strafrechtelijke geldboete vloeit voort uit artikel 181, § 1, derde lid, en § 2, tweede lid, van het Sociaal Strafwetboek. Uit de parlementaire voorbereiding van die bepaling blijkt dat de wetgever inbreuken op de zogenaamde Dimona-aangifte, gelet op de zware gevolgen inzake sociale zekerheid, beoogde te bestraffen naargelang van de ernst ervan (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1666/001 en DOC 52-1667/001, p. 264). Hij beoogde daarnaast een eenduidige vermenigvuldigingsregel voor de inbreuken op het sociaal recht in te voeren : « Het gaat om de invoering van één formule die toepasselijk is op de inbreuken op het sociaal strafrecht die op exhaustieve wijze zijn omschreven, zodat het sociaal strafrecht duidelijker en overzichtelijker wordt » (ibid., p. 61). B.
- Onder voorbehoud dat hij geen maatregel mag nemen die onredelijk is, vermag de democratisch gekozen wetgever het repressief beleid zelf vast te stellen en aldus de beoordelingsbevoegdheid van de rechter uit te sluiten. De wetgever heeft meermaals geopteerd voor de individualisering van straffen door, wat de strengheid van de straf betreft, de rechter de keuze te laten en het hem mogelijk te maken rekening te houden met de omstandigheden van de zaak. Het staat evenwel aan de wetgever te oordelen of het wenselijk is de rechter te dwingen tot gestrengheid wanneer een inbreuk het algemeen belang schaadt, vooral in een aangelegenheid die, zoals te dezen, aanleiding geeft tot een aanzienlijke schade aan de sociaaleconomische orde. B.
- Het Hof dient de redelijkheid van de in het geding zijnde bepalingen te beoordelen in het licht van het recht op een behoorlijke rechtsbedeling, gewaarborgd bij artikel 6, lid 1, van 10 het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en het recht op eerbiediging van de eigendom, gewaarborgd bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag. B.
- Het beginsel van de evenredigheid van de strafrechtelijke sancties, dat onderdeel is van het recht op een behoorlijke rechtsbedeling, impliceert dat de door de rechter uitgesproken sanctie in een redelijke verhouding moet staan tot het misdrijf dat ermee wordt bestraft, rekening houdend met de elementen van de zaak. Zoals het Hof reeds eerder heeft geoordeeld, kunnen hoge geldboeten van dien aard zijn dat zij daarenboven afbreuk doen aan het recht op het ongestoord genot van eigendom, dat gewaarborgd is bij artikel 1 van het voormelde Eerste Aanvullend Protocol (arrest nr. 81/2007 van 7 juni 2007, ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.081, B.9.3). Een geldboete die is vastgesteld op een vermenigvuldiging van de betrokken werknemers zou, in bepaalde gevallen, dermate afbreuk kunnen doen aan de financiële toestand van de persoon aan wie ze is opgelegd dat ze een onevenredige maatregel zou kunnen vormen ten aanzien van het ermee nagestreefde wettige doel en een schending inhouden van het recht op de eerbiediging van de eigendom. Een bepaling die de rechter niet in staat stelt een schending van die bepaling te vermijden, schendt het recht op een behoorlijke rechtsbedeling dat wordt gewaarborgd in artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.9.
- Allereerst heeft de wetgever, anders dan in het voormelde arrest nr. 81/2007 het geval was, voorzien in een minimum- en een maximumgeldboete. Tegelijk heeft hij, in artikel 103 van het Sociaal Strafwetboek, bepaald dat de vermenigvuldigde geldboete niet meer dan het honderdvoud van de maximumgeldboete mag bedragen. Daarmee beoogde hij te vermijden dat de geldboete astronomische hoogtes zou bereiken (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1666/001 en DOC 52-1667/001, p. 66). Met het conversiemechanisme, bepaald in artikel 41bis van het Strafwetboek, beoogde de wetgever te vermijden dat natuurlijke personen strenger gestraft zouden kunnen worden dan rechtspersonen. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt eveneens dat de wetgever met die bepaling een zo groot mogelijk parallellisme nastreefde tussen de straffen voor natuurlijke personen en die voor rechtspersonen, rekening houdend met de onmogelijkheid om aan die laatsten een vrijheidsstraf op te leggen (Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1-1217/1, pp. 7-8). 11 B.9.
- Voorts vordert het arbeidsauditoraat in het bodemgeschil, zoals vermeld in B.3, de minimumstraffen die zouden neerkomen op een geldboete van 902 400 euro voor elk van de beklaagde natuurlijke personen en van 4 512 000 euro voor elk van de beklaagde rechtspersonen. Zoals het Hof eerder heeft opgemerkt, kan volgens een andere uitlegging, wat de beklaagde rechtspersonen betreft, het aantal werknemers in rekening worden gebracht vooraleer het conversiemechanisme van artikel 41bis van het Strafwetboek wordt toegepast (arrest nr. 84/2022 van 23 juni 2022, ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.084, B.3.3). Volgens die uitlegging bedraagt de minimumgeldboete voor de beklaagde rechtspersonen in het bodemgeschil 902 400 euro, zoals voor de beklaagde natuurlijke personen, hetgeen beantwoordt aan het door de wetgever nagestreefde parallellisme tussen de straffen voor natuurlijke personen en die voor rechtspersonen. B.9.
- Bovendien beschikt het verwijzende rechtscollege, anders dan in het vermelde arrest nr. 81/2007 het geval was, over de mogelijkheid tot individualisering van de straf. Indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, kan het de geldboete verminderen tot een bedrag onder het wettelijk minimum, waarbij het evenwel niet lager mag zijn dan 40 % van het voorgeschreven minimumbedrag (artikel 110 van het Sociaal Strafwetboek). Daarnaast kan het de strafsanctie individualiseren door een uitstel van tenuitvoerlegging van de opgelegde straf toe te laten met toepassing van de wet van 29 juni 1964 « betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie » (arrest nr. 84/2022, voormeld). Uit het verwijzingsvonnis blijkt overigens dat het arbeidsauditoraat instemt met het uitstel van tenuitvoerlegging van de straf ten belope van 90 % van de uitgesproken geldboeten. B.
- In de tweede prejudiciële vraag vermeldt het verwijzende rechtscollege nog het in B.2.5 aangehaalde artikel 43bis van het Strafwetboek, op grond waarvan de rechter, inzake de bijzondere verbeurdverklaring, zo nodig het bedrag van de in artikel 42, 3°, bedoelde vermogensvoordelen of van de in het tweede lid bedoelde geldwaarde kan verminderen « om de veroordeelde geen onredelijk zware straf op te leggen ». 12 Uit hetgeen voorafgaat, blijkt evenwel dat de mogelijkheden tot individualisering van de straf het verwijzende rechtscollege eveneens in staat stellen om de veroordeelde geen onredelijk zware straf op te leggen. B.
- In de vierde prejudiciële vraag vermeldt het verwijzende rechtscollege nog dat het geen toepassing dient te maken van de vermenigvuldigingsregel wanneer meerdere inbreuken op de Dimona-aangifte worden vastgesteld ten aanzien van een enkele werknemer, terwijl het daarvan wel toepassing dient te maken wanneer eenzelfde inbreuk op de Dimona-aangifte wordt vastgesteld ten aanzien van meerdere werknemers. De invoering van de verplichte vermenigvuldiging van de strafrechtelijke geldboete inzake inbreuken op de Dimona-aangifte met het aantal betrokken werknemers, teneinde de straf aan te passen aan de ernst van de feiten, behoort tot de beoordelingsvrijheid van de wetgever. Ten aanzien van de in B.5 vermelde doelstelling om een eenduidige vermenigvuldigingsregel in te voeren, is het niet zonder redelijke verantwoording dat de wetgever heeft gekozen voor een criterium dat slechts op vereenvoudigende en benaderende wijze overeenstemt met de werkelijkheid. B.
- De in het geding zijnde bepalingen doen niet op discriminerende wijze afbreuk aan het beginsel van de evenredigheid van de strafrechtelijke sancties. 13 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 101, 103 en 181 van het Sociaal Strafwetboek, vóór de wijziging ervan bij de wetten van 3 mei 2024 « houdende bepalingen betreffende sekswerk onder arbeidsovereenkomst » en 15 mei 2024 « houdende wijziging van het sociaal strafrecht en diverse arbeidsrechtelijke bepalingen », en de artikelen 41bis en 43bis van het Strafwetboek, vóór de opheffing ervan bij artikel 35 van de wet van 29 februari 2024 « tot invoering van boek I van het Strafwetboek », schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 21 mei
- De griffier, De emeritus voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.061 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.081 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.084 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div