← België

ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.064

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.064 Arrest- Rolnummer: 64/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-06-01 Raadplegingen: 164 - laatst gezien 2026-06-18 19:00 Versie(s): Versie FR Fiche

  1. Schending (artikelen 62, achtste lid, en 65/1 van de wet van 16 maart 1968, in zoverre zij niet erin voorzien dat het afschrift van de processen-verbaal van vaststelling van de overtreding en het bevel tot betalen niet alleen aan de overtreder maar ook, in voorkomend geval, aan diens bewindvoerder over de goederen moeten worden verstuurd)
  2. De derde prejudiciële vraag behoeft geen antwoord Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen over de artikelen 62, achtste lid, en 65/1, §§ 1 en 8, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », gesteld door de correctionele rechtbank Henegouwen, afdeling Bergen. Strafrecht - Politie over het wegverkeer - Beschermde persoon - Afschrift van de processen-verbaal van vaststelling van de overtreding - Bevel tot betalen - Ontstentenis van betekening en kennisgeving aan de bewindvoerder over de goederen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 64/2026 van 21 mei 2026 Rolnummer : 8493 In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 62, achtste lid, en 65/1, §§ 1 en 8, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », gesteld door de correctionele rechtbank Henegouwen, afdeling Bergen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Joséphine Moerman, de rechters Thierry Giet, Michel Pâques, Yasmine Kherbache en Willem Verrijdt, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter Luc Lavrysen, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 20 mei 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 27 mei 2025, heeft de correctionele rechtbank Henegouwen, afdeling Bergen, de volgende prejudiciële vragen gesteld : « - Schendt artikel 62, achtste lid, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, aangezien dat artikel preciseert dat het afschrift van de processen-verbaal wordt gezonden aan de overtreders binnen een termijn van veertien dagen, te rekenen van de datum van vaststelling van de misdrijven, zonder erin te voorzien dat het ook moet worden gezonden naar de woonplaats of verblijfplaats van de bewindvoerder over de goederen, terwijl artikel 499/12 van het [oud] Burgerlijk Wetboek en artikel 145, derde lid, van het Wetboek van strafvordering erin voorzien dat betekeningen en kennisgevingen moeten worden gedaan aan de beschermde persoon maar ook aan de woonplaats of verblijfplaats van de bewindvoerder over de goederen ? - Schendt artikel 65/1, § 1, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, wanneer dat artikel in die zin wordt 2 geïnterpreteerd dat het de beroepstermijn doet lopen vanaf de tiende werkdag na de dagtekening van het bevel tot betalen die erop is vermeld, en preciseert dat het bevel tot betalen per aangetekende zending, per gerechtsbrief of overeenkomstig artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek wordt verstuurd aan de overtreder, zonder te preciseren dat het ook moet worden verstuurd naar de woonplaats of verblijfplaats van de bewindvoerder over de goederen, terwijl artikel 499/12 van het [oud] Burgerlijk Wetboek en artikel 145, derde lid, van het Wetboek van strafvordering erin voorzien dat betekeningen en kennisgevingen moeten worden gedaan aan de beschermde persoon maar ook aan de woonplaats of verblijfplaats van de bewindvoerder over de goederen ? - Schendt artikel 65/1, § 8, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, aangezien dat artikel, in die zin geïnterpreteerd dat het niet enkel van toepassing is op de ‘ overtreder ’ (met name een beschermde persoon aan wie een bevel tot betalen is verstuurd) maar ook op diens bewindvoerder over de goederen, de beroepstermijn met name vanaf de eerste daad van invordering van de geldsom door de bevoegde administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën doet lopen, zonder erin te voorzien dat die daad van invordering de wijze waarop en de termijn waarbinnen het beroep kan worden ingesteld alsook de bevoegde rechtbank moet vermelden, terwijl een dergelijke verplichting bestaat bij het versturen van het bevel tot betalen met toepassing van artikel 65/1, § 1, vierde lid [lees : derde lid], 8°, van de wet van 16 maart 1968 ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Sébastien Depré en mr. João Esteves Santos, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 1 april 2026 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Michel Pâques en Yasmine Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij een beschikking van de Vrederechter van het kanton La Louvière van 23 februari 2016 werd M.S. onbekwaam verklaard om haar goederen te beheren en werd een bewindvoerder voor haar aangesteld. M.S. heeft verschillende bevelen tot betalen ontvangen wegens verkeersmisdrijven. Vertegenwoordigd door haar bewindvoerder over de goederen, die bovendien advocaat is, stelt zij een beroep in tegen elk van die bevelen tot betalen. De Politierechtbank Henegouwen, afdeling Bergen, heeft die beroepen onontvankelijk bevonden. In hoger beroep doet M.S. voor de correctionele rechtbank Henegouwen, afdeling Bergen, gelden dat de processen- verbaal, de geldboetes, de voorstellen tot minnelijke schikking en de bevelen tot betalen niet werden verstuurd aan haar bewindvoerder. 3 De correctionele rechtbank merkt op dat artikel 499/12 van het oud Burgerlijk Wetboek en artikel 145, derde lid, van het Wetboek van strafvordering voorzien in de betekening of de kennisgeving van de akten die erin worden bedoeld aan de betrokken persoon en, in voorkomend geval, aan diens bewindvoerder, in tegenstelling tot artikel 62, achtste lid, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » (hierna : de wet van 16 maart 1968), wat de processen-verbaal betreft, en artikel 65/1 van dezelfde wet, wat de bevelen tot betalen betreft. De rechtbank merkt eveneens op dat M.S., wegens haar falende mentale gezondheidstoestand, geen kennis heeft kunnen nemen van de geldboetes, voorstellen tot minnelijke schikking en bevelen tot betalen die aan haar werden verstuurd. De rechtbank merkt bovendien op dat artikel 65/1, § 8, van de wet van 16 maart 1968 het de « overtreder » die aantoont dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van het bevel tot betalen binnen de in paragraaf 2 van hetzelfde artikel bedoelde termijn, mogelijk maakt om alsnog een beroep in te stellen binnen een termijn van vijftien dagen volgend op de dag waarop hij van dat bevel kennis heeft gekregen of volgend op de eerste daad van invordering door de administratie. Gesteld dat artikel 65/1, § 8, van de wet van 16 maart 1968 in die zin wordt geïnterpreteerd dat de term « overtreder » die het bevat, betrekking heeft op zowel de overtreder zelf als diens bewindvoerder over de goederen, kon die laatste volgens de rechtbank alsnog een beroep instellen binnen een termijn van vijftien dagen volgend op de aanmaningen. Die uitvoerbare aanmaningen tot betaling vermeldden echter geen enkele informatie over de vormen en termijnen van beroep, terwijl de bevelen tot betalen dergelijke informatie wel bevatten, overeenkomstig artikel 65/1, § 1, derde lid, 8°, van de wet van 16 maart
  3. In die context stelt de rechtbank de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. III. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste en de tweede prejudiciële vraag A.1.
  4. De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat het verwijzende rechtscollege de twee categorieën van personen die met elkaar moeten worden vergeleken, niet voldoende nauwkeurig heeft geïdentificeerd, zodat de prejudiciële vragen geen antwoord behoeven. Gesteld dat de personen met een bewindvoerder met elkaar moeten worden vergeleken, enerzijds, in geval van toepassing van artikel 499/12 van het oud Burgerlijk Wetboek of artikel 145 van het Wetboek van strafvordering en, anderzijds, in geval van toepassing van de artikelen 62 en 65/1 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » (hierna : de wet van 16 maart 1968), zijn die categorieën van personen niet vergelijkbaar. Artikel 499/12 van het oud Burgerlijk Wetboek en artikel 145 van het Wetboek van strafvordering zijn van toepassing indien de beschermde persoon wordt gedagvaard voor een rechtscollege, terwijl de procedure van het bevel tot betalen een wijze van verval van de strafvordering vormt mits een geldsom wordt betaald, maar geen gerechtelijke procedure is. A.1.
  5. De Ministerraad voert in ondergeschikte orde aan dat de prejudiciële vragen ontkennend dienen te worden beantwoord. Allereerst vloeit het verschil in behandeling voort uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden en houdt het op zich geen discriminatie in. Vervolgens berust het verschil in behandeling op een objectief criterium, in die zin dat de verplichting tot dubbele betekening enkel van toepassing is in een jurisdictioneel procedureel kader. Enerzijds is artikel 499/12 van het oud Burgerlijk Wetboek niet van toepassing in strafzaken. Anderzijds is de in artikel 145 van het Wetboek van strafvordering bedoelde vereiste van dubbele betekening enkel van toepassing op personen met een bewindvoerder die voor een strafgerecht worden gedagvaard, terwijl het proces-verbaal van vaststelling van de overtreding en het in artikel 65/1 van de wet van 16 maart 1968 bedoelde bevel tot betalen de jurisdictionele fase, met andere woorden elke dagvaarding voor de politierechtbank, voorafgaan. De Ministerraad voert vervolgens aan dat met de in artikel 62 van de wet van 16 maart 1968 bedoelde processen-verbaal van vaststelling van de overtredingen en met de in artikel 65/1 van dezelfde wet bedoelde procedure van het bevel tot betalen legitieme doelstellingen worden nagestreefd. Het beginsel van de proceseconomie verantwoordt dat de overtreder die niet ingaat op een voorstel tot minnelijke schikking, een van rechtswege uitvoerbaar bevel tot betalen ontvangt, hetgeen de procureur des Konings ervan vrijstelt een beroep te 4 doen op de strafrechter om de overtreder tot effectieve betaling te dwingen en het tegelijk mogelijk maakt de afhandeling van bepaalde verkeersstrafzaken te stroomlijnen door het opleggen van een snelle, zekere en een aan de concrete situatie aangepaste sanctie en de werklast te verminderen van de overheden die belast zijn met de vervolging en berechting van strafzaken in diezelfde aangelegenheid, zodat tijd vrijkomt voor de behandeling van complexe dossiers. Bovendien hebben die twee procedures tot doel, wat de ene betreft, verkeersonveiligheid tegen te gaan, de vaststelling van overtredingen zonder de aanwezigheid van personen mogelijk te maken, vanuit een bekommernis om preventie, en te besparen op menselijke middelen, alsook, wat de andere betreft, een doeltreffende verkeersveiligheid te waarborgen door verkeersovertredingen niet onbestraft te laten, met inachtneming van de noodzaak ervoor te zorgen dat de vervolging en de bestraffing van dergelijke overtredingen geen onaanvaardbare belasting voor justitie met zich meebrengen. De Ministerraad beklemtoont dat de bewindvoerder over de goederen, krachtens artikel 499/1, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek, de goederen van de beschermde persoon zoals « een goede huisvader » moet beheren, hetgeen inhoudt dat hij de aan de beschermde persoon gerichte brievenpost, en dus de processen-verbaal en de herinneringsbrieven en bevelen tot betalen, controleert. Te dezen werden elf processen-verbaal van vaststelling van de overtredingen verzonden aan M.S. Aangezien het bevel tot betalen een vijfde herinnering is waarbij wordt aangemaand tot betaling, betekent dat dat 55 brieven aan haar werden gericht in minder dan twee jaar tijd. Ten slotte, in het geval waarin de bewindvoerder over de goederen niet zou zijn geïnformeerd over het bestaan van het bevel tot betalen – met name omdat de beschermde persoon hem niet daarover heeft ingelicht –, blijft het steeds mogelijk om een beroep in te stellen voor de politierechtbank op grond van artikel 65/1, § 8, van de wet van 16 maart 1968, binnen een termijn van vijftien dagen. Het verschil in behandeling heeft dus geen onevenredige gevolgen voor de overtreder die de in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bedoelde waarborgen geniet. Ten aanzien van de derde prejudiciële vraag A.
  6. De Ministerraad voert aan dat de derde prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, aangezien de categorieën van personen die met elkaar moeten worden vergeleken, niet voldoende nauwkeurig worden geïdentificeerd en aangezien de situaties hoe dan ook onvoldoende vergelijkbaar zijn. De omstandigheid dat het bevel tot betalen de rechtsmiddelen vermeldt, terwijl de daad van invordering dat niet doet, vloeit voort uit de verschillende procedurele contexten waarin beide aangehaalde bepalingen van toepassing zijn. De Ministerraad voert aan dat de in het geding zijnde procedure betrekking heeft op de gedwongen tenuitvoerlegging van het bevel tot betalen, dat, indien het niet wordt betwist, een schuldvordering wordt waarvan de FOD Financiën de betaling kan eisen. De vermelding van de rechtsmiddelen heeft geen enkel belang, aangezien de in artikel 65/1, § 2, van de wet van 16 maart 1968 vastgestelde gewone beroepstermijn hoe dan ook is verstreken en aangezien de daad van invordering in beginsel niet vatbaar is voor jurisdictioneel beroep. Bij wijze van uitzondering voorziet artikel 65/1, § 8, van de wet van 16 maart 1968 erin dat, in het geval waarin wordt aangetoond dat vooraf geen kennis werd genomen van het bevel tot betalen, een buitengewone beroepstermijn ingaat na de eerste daad van invordering door de FOD Financiën. Wanneer de overtreder door een dergelijke daad wordt getroffen, moet hij noodzakelijkerwijs op korte termijn handelen. Te dezen worden in de daden van invordering die aan de bewindvoerder over de goederen van M.S. zijn verstuurd, de notitienummers van elk van de tegen haar geopende strafdossiers vermeld. De bewindvoerder beschikte dus over de noodzakelijke informatie om het in artikel 65/1, § 8, van de wet van 16 maart 1968 bedoelde beroep in te stellen en de invorderingsprocedure aldus te beëindigen. -B- Ten aanzien van de eerste en de tweede prejudiciële vraag B.
  7. Het verwijzende rechtscollege vraagt het Hof of artikel 62, achtste lid, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » (hierna : de wet van 5 16 maart 1968) bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het niet erin voorziet dat het afschrift van de processen-verbaal niet alleen aan de overtreder maar ook, in voorkomend geval, aan diens bewindvoerder over de goederen moet worden gezonden (eerste prejudiciële vraag). Het verwijzende rechtscollege vraagt het Hof eveneens of artikel 65/1, § 1, van de wet van 16 maart 1968 bestaanbaar is met de voormelde toetsingsnormen, in zoverre het de termijn van beroep tegen het bevel tot betalen doet lopen vanaf de tiende werkdag na de dagtekening van het bevel tot betalen die erop is vermeld, zonder erin te voorzien dat het bevel tot betalen niet alleen aan de overtreder maar ook, in voorkomend geval, aan diens bewindvoerder over de goederen moet worden verstuurd (tweede prejudiciële vraag). Te dezen brengt het verwijzende rechtscollege niet de geschiktheid van de betrokkene om een auto te besturen in het geding, maar is het van oordeel dat zij, rekening houdend met haar falende geestestoestand, onbekwaam is om kennis te nemen van de voormelde documenten en om de gevolgen eruit te trekken. Het verwijzende rechtscollege verzoekt het Hof om de in het geding zijnde bepalingen te vergelijken met artikel 499/12 van het oud Burgerlijk Wetboek en met artikel 145, derde lid, van het Wetboek van strafvordering, die erin voorzien dat betekeningen en kennisgevingen tegelijk aan de beschermde persoon en aan de woonplaats of verblijfplaats van de bewindvoerder moeten worden gedaan. B.
  8. Artikel 62 van de wet van 16 maart 1968 bepaalt : « De overheidspersonen die door de Koning worden aangewezen om toezicht te houden op de naleving van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, stellen de overtredingen vast door processen-verbaal die bewijskracht hebben zolang het tegendeel niet is bewezen. De vaststellingen gesteund op materiële bewijsmiddelen die door bemande automatisch werkende toestellen worden opgeleverd, hebben bewijskracht zolang het tegendeel niet is bewezen, wanneer het gaat om overtredingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten. De vaststellingen gesteund op materiële bewijsmiddelen die door onbemande automatisch werkende toestellen worden opgeleverd, hebben bewijskracht zolang het tegendeel niet bewezen is, wanneer het gaat om overtredingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten vermeld in een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit. Wanneer een overtreding werd 6 vastgesteld door onbemande automatisch werkende toestellen, wordt er melding van gemaakt in het procesverbaal. De automatisch werkende toestellen, gebruikt om toezicht te houden op de naleving van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, moeten, voor zover zij metingen uitvoeren, goedgekeurd of gehomologeerd worden, op kosten van de fabrikanten, invoerders of verdelers die de goedkeuring of homologatie aanvragen, overeenkomstig de bepalingen vastgesteld door een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, waarin bovendien bijzondere gebruiksmodaliteiten van deze toestellen kunnen worden vastgesteld. De Koning kan, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de bijzondere voorwaarden voor het gebruik, de raadpleging en de bewaring van de gegevens die door deze toestellen worden opgeleverd, vaststellen. Wanneer de Commissie geen advies heeft uitgebracht binnen de haar wettelijk voorgeschreven termijnen, wordt zij geacht akkoord te gaan. Onverminderd de bepalingen van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering, mogen de toestellen en de inlichtingen die deze toestellen verstrekken, slechts worden gebruikt voor gerechtelijke doeleinden in verband met de bestraffing van de overtredingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, begaan op de openbare weg, alsook met het oog op de regeling van het wegverkeer. Wanneer de toestellen bestemd zijn om te worden gebruikt als vaste uitrusting op de openbare weg, in afwezigheid van een bevoegd persoon, worden de plaatsing en de gebruiksomstandigheden bepaald tijdens overleg, georganiseerd door de bevoegde gerechtelijke, politionele en administratieve overheden, waaronder de wegbeheerders. De Koning bepaalt de bijzondere modaliteiten van dit overleg. De plaatsing op de openbare weg van vaste uitrustingen voor onbemand automatisch werkende toestellen, wordt uitgevoerd met instemming van de wegbeheerder. Een afschrift van die processen-verbaal wordt aan de overtreders gezonden binnen een termijn van veertien dagen, te rekenen van de datum van vaststelling van de misdrijven. Indien de overtreder geen woonplaats of vaste verblijfplaats in België heeft, mag het afschrift van het proces-verbaal vervangen worden door de informatiebrief bedoeld in artikel 5 van de richtlijn 2015/413/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 ter facilitering van de grensoverschrijdende uitwisseling van informatie over verkeersveiligheidsgerelateerde verkeersovertredingen. In geval van overtreding van de bepalingen van de reglementen die voor de voertuigen een maximumvracht voorschrijven, kunnen de hierboven genoemde ambtenaren en beambten alsook alle officieren van gerechtelijke politie, de bestuurders verplichten hun voertuigen te ontlasten van het vastgestelde overwicht. Weigert een bestuurder zulks te doen, dan wordt het voertuig op kosten en risico van de overtreder of van hen die voor hem aansprakelijk zijn, ingehouden ». Artikel 65/1 van de wet van 16 maart 1968 bepaalt : 7 « §
  9. Wanneer de in artikel 216bis, § 1, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde geldsom niet binnen de bepaalde termijn wordt betaald, kan de procureur des Konings aan de overtreder een bevel geven tot betalen van de op deze overtreding toepasselijke geldsom, verhoogd met 35 % en desgevallend met de bijdrage voor het bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders. Daarnaast wordt er ook een administratieve toeslag van 25,32 euro, zoals bedoeld in titel 4 van de programmawet van 21 juni 2021, geheven. Het bedrag van deze administratieve toeslag wordt elk jaar op 1 januari automatisch aangepast in functie van de evolutie van de consumptieprijsindex van de maand november van het voorgaande jaar. De door de overtreder verrichte betalingen worden eerst op de bijdrage voor het bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders toegerekend en daarna op deze administratieve toeslag. De procureur des Konings bepaalt op welke wijze de betaling geschiedt. De betaling moet gebeuren binnen een termijn van dertig dagen volgend op de dag van ontvangst van het bevel. Dit bevel wordt per aangetekende zending, per gerechtsbrief of overeenkomstig artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek verstuurd aan de overtreder en bevat ten minste : 1° de dagtekening; 2° de ten laste gelegde feiten en de geschonden wetsbepalingen; 3° de datum, het tijdstip en de plaats van de overtreding; 4° de identiteit van de overtreder; 5° het nummer van het proces-verbaal; 6° het bedrag van de te betalen geldsom; 7° de dag waarop de som uiterlijk moet worden betaald; 8° de wijze waarop en de termijn waarbinnen het beroep kan worden ingesteld, alsook de bevoegde politierechtbank. Het bevel tot betalen wordt geacht te zijn ontvangen de tiende werkdag na de dagtekening van het bevel tot betalen bedoeld in het derde lid, 1°. De betaling binnen deze termijn doet de strafvordering vervallen. §
  10. De persoon die het bevel tot betalen heeft ontvangen of diens advocaat kan binnen dertig dagen volgend op de dag van ontvangst van het bevel tot betalen beroep aantekenen bij de politierechtbank bevoegd volgens de plaats van de overtreding. Het beroep wordt ingesteld bij een verzoekschrift dat neergelegd wordt op de griffie van de bevoegde politierechtbank of bij een aangetekende zending of via elektronische post die aan de griffie worden verzonden. In die laatste gevallen geldt de datum van verzending van de aangetekende zending of van de elektronische post als datum waarop het verzoekschrift werd ingediend. De aangetekende zending wordt geacht te zijn verzonden de derde werkdag voor de ontvangst ervan op de griffie. 8 Op straffe van nietigheid vermeldt het verzoekschrift : 1° de naam, de voornaam en de woonplaats van de partij die beroep aantekent; 2° het nummer van het proces-verbaal of het systeemnummer dat wordt vermeld op het bevel tot betalen; 3° dat het om een beroep tegen het bevel tot betalen gaat; 4° de redenen van het beroep. Het verzoekschrift houdt keuze van woonplaats in België in, indien de verzoeker er zijn woonplaats niet heeft. Het verzoekschrift wordt ingeschreven in het daartoe bestemde register. De verjaring van de strafvordering wordt geschorst vanaf de dag dat het verzoekschrift wordt ingediend, tot de dag van het definitieve vonnis. De verzoeker wordt binnen een termijn van dertig dagen vanaf de inschrijving in het daartoe bestemde register door de griffier per gerechtsbrief, per aangetekende zending of overeenkomstig artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek opgeroepen om te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt. De griffier zendt een kopie van het verzoekschrift over aan de procureur des Konings en deelt hem de datum van de zitting mee. Het beroep maakt de zaak in zijn geheel aanhangig voor de strafrechtelijke kamer van de politierechtbank die eerst de ontvankelijkheid van het beroep beoordeelt. Indien het beroep ontvankelijk wordt verklaard, wordt het bevel tot betalen als niet bestaande beschouwd. De rechtbank beoordeelt de overtredingen die aan de grondslag liggen van het bevel tot betalen, ten gronde en maakt, indien deze bewezen worden verklaard, toepassing van de strafwet. De bij verstek veroordeelde kan tegen het vonnis in verzet komen overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 187 van het Wetboek van strafvordering. Tegen de beslissing van de politierechtbank kan hoger beroep worden ingesteld volgens de bepalingen opgenomen in het Wetboek van strafvordering. [...] §
  11. Als de overtreder aantoont dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van het bevel tot betalen binnen de in paragraaf 2 bedoelde termijn om beroep in te dienen, kan hij dit beroep alsnog indienen binnen een termijn van vijftien dagen volgend op de dag waarop hij van dit bevel kennis heeft gekregen of volgend op de eerste daad van invordering van de geldsom door of op vervolging van de bevoegde administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën. De in paragraaf 2 bedoelde bepalingen zijn van toepassing. 9 In dat geval is de verjaring van de strafvordering geschorst vanaf de dag waarop het bevel tot betalen van rechtswege uitvoerbaar is geworden tot de dag waarop de overtreder het beroep indient. [...] ». B.
  12. Artikel 499/12 van het oud Burgerlijk Wetboek bepaalt : « Betekeningen en kennisgevingen aan personen aan wie een bewindvoerder is toegevoegd, worden gedaan aan deze personen zelf en aan de woonplaats of verblijfplaats van de bewindvoerder, voor zover de betekening of de kennisgeving verband houdt met de opdracht van de bewindvoerder ». Hieruit vloeit voort dat betekeningen en kennisgevingen die verband houden met de opdracht van de bewindvoerder, moeten worden gedaan aan de beschermde persoon zelf, alsmede aan de woonplaats of verblijfplaats van de bewindvoerder. Die bepaling is enkel van toepassing in burgerlijke zaken (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-1009/010, p. 86). Artikel 145, eerste en derde lid, van het Wetboek van strafvordering bepaalt : « Dagvaardingen wegens overtreding of wegens wanbedrijf dat tot de bevoegdheid van de politierechtbank behoort, geschieden op verzoek van het openbaar ministerie of van de burgerlijke partij. [...] De betekening aan personen aan wie een bewindvoerder is toegevoegd, wordt gedaan aan die persoon en aan de woonplaats of verblijfplaats van de bewindvoerder ». Artikel 182, eerste lid, van hetzelfde Wetboek bevat een soortgelijke regel met betrekking tot de dagvaardingen voor de wanbedrijven die onder de bevoegdheid van de correctionele rechtbank vallen. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de systematische dubbele betekening van de dagvaarding voor de politierechtbank of de correctionele rechtbank wenselijk werd geacht, opdat de bewindvoerder tijdig kennis kan nemen van een strafzaak ten aanzien van de beschermde persoon, wegens de mogelijke ernstige vermogensrechtelijke gevolgen van een veroordeling (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-1009/005, pp. 125-126; Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-1009/010, pp. 85-86). 10 B.
  13. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen, waaronder het recht op toegang tot de rechter, met zich zou meebrengen. B.
  14. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden. B.
  15. Artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. Het vonnis moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd gedurende het gehele proces of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of ’s lands veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé-leven van partijen bij het proces dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer openbaarmaking de belangen van de rechtspraak zou schaden ». Het recht op toegang tot de rechter vormt een wezenlijk aspect van het recht op een eerlijk proces; dat recht wordt eveneens gewaarborgd door artikel 13 van de Grondwet en door een algemeen rechtsbeginsel. B.
  16. Zelfs een lichte verkeersovertreding vormt een strafbaar feit zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Procedures over boetes die zijn 11 opgelegd voor een verkeersovertreding, zoals in het bodemgeschil, vallen dan ook binnen de werkingssfeer van artikel 6, lid 1, van het Verdrag. B.
  17. Het recht op toegang tot de rechter is niet absoluut en kan worden onderworpen aan beperkingen, onder meer wat de ontvankelijkheidsvoorwaarden van een beroep betreft, voor zover dergelijke beperkingen de essentie van dat recht niet aantasten en voor zover zij in een evenredige verhouding staan met een legitieme doelstelling. Het recht op toegang tot de rechter wordt geschonden indien de regeling ervan niet langer de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling dient, maar veeleer een soort barrière vormt die de rechtsonderhorige verhindert dat zijn geschil ten gronde door de bevoegde rechter wordt beoordeeld (EHRM, 27 juli 2006, Efstathiou e.a. t. Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2006:0727JUD003699802, § 24; 24 februari 2009, L’Érablière A.S.B.L. t. België, ECLI:CE:ECHR:2009:0224JUD004923007, § 35). B.
  18. Teneinde het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van een beschermde persoon onder bewind te waarborgen, in overeenstemming met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dient rekening te worden gehouden met het feit dat die persoon wegens zijn gezondheidstoestand geheel of gedeeltelijk niet in staat is zonder gerechtelijke beschermingsmaatregel zijn belangen van vermogensrechtelijke of niet- vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen of dat die persoon zich in een staat van verkwisting bevindt (EHRM, 30 januari 2001, Vaudelle t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2001:0130JUD003568397, §§ 52-53). Bijzondere procedurele waarborgen kunnen dan ook vereist zijn om de belangen van beschermde personen te vrijwaren (ibid., §§ 60-61). De toekenning van dergelijke waarborgen in strafzaken is des te noodzakelijker daar een veroordeling gevolgen kan hebben voor de vermogensrechten van de beschermde persoon, rechten die de beschermingsmaatregel in burgerlijke zaken beoogt te beschermen (ibid., § 63). Minstens dient de wetgever dan ook te voorzien in bijkomende procedurele waarborgen die toelaten dat de beschermde persoon volledig geïnformeerd kan zijn over de aard en de oorzaak van de strafzaak tegen hem (ibid., § 65). Er dient eveneens in soortgelijke waarborgen te worden voorzien in het kader van procedures die een alternatief vormen voor de vervolging voor een rechtscollege en die berusten op de vaststelling van een overtreding, zoals in het geval van het bevel tot betalen. 12 B.
  19. Artikel 62, eerste lid, van de wet van 16 maart 1968 bepaalt dat de bevoegde personen bij een overtreding van die wet of van de uitvoeringsbesluiten ervan een proces-verbaal opstellen waarbij de overtreding wordt vastgesteld, dat bewijskracht heeft zolang het tegendeel niet is bewezen. Krachtens artikel 62, achtste lid, van dezelfde wet moet een afschrift van het proces-verbaal aan de overtreder worden gezonden binnen een termijn van veertien dagen vanaf de vaststelling van het misdrijf. B.
  20. Op grond van artikel 65 van de wet van 16 maart 1968 kunnen een aantal overtredingen aanleiding geven tot een voorstel tot onmiddellijke inning aan de overtreder. De som kan hetzij onmiddellijk, hetzij binnen een door de Koning bepaalde termijn worden geïnd. Artikel 8 van het koninklijk besluit van 19 april 2014 « betreffende de inning en de consignatie van een som bij de vaststelling van overtredingen inzake het wegverkeer » bepaalt dat, voor de toepassing van de procedure van inning in geval van onderschepping van de overtreder, het voor de onmiddellijke inning van een som gebruikte formulier mag worden vervangen door een proces-verbaal wanneer die som niet wordt geïnd op het ogenblik zelf van de vaststelling van de overtreding. Artikel 11 van hetzelfde koninklijk besluit bepaalt dat, in geval de overtreder niet wordt onderschept, « voor de inning van een som […] een verklarend document waarin de verschillende modaliteiten voor de betaling zijn opgenomen, naar de vermoedelijke of aangeduide overtreder [wordt] gestuurd, [...] tegelijkertijd met het afschrift van het proces-verbaal bedoeld in artikel 62, achtste lid, van [de] wet ». B.12.
  21. Wanneer de overtreder geen gevolg geeft aan het voorstel tot onmiddellijke inning en niet ingaat op een voorstel tot minnelijke schikking, kan de procureur des Konings hem een bevel tot betalen zenden krachtens artikel 65/1 van de wet van 16 maart
  22. De persoon die het bevel tot betalen heeft ontvangen of diens advocaat kan een beroep instellen bij de politierechtbank binnen 30 dagen volgend op de dag van ontvangst van het bevel tot betalen (artikel 65/1, § 2, eerste lid, van de wet van 16 maart 1968), waarbij wordt gepreciseerd dat het bevel tot betalen wordt geacht de tiende werkdag na de dagtekening van het bevel tot betalen te zijn ontvangen (artikel 65/1, § 1, vierde lid, van dezelfde wet). Wanneer de overtreder kan aantonen dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van het bevel tot betalen binnen de voormelde termijn van 30 dagen, kan hij dat beroep alsnog instellen binnen een termijn van 15 dagen « volgend op de dag waarop hij van dit bevel kennis heeft gekregen of 13 volgend op de eerste daad van invordering van de geldsom door [...] de bevoegde administratie » (artikel 65/1, § 8, eerste lid, van dezelfde wet). Krachtens artikel 65/1, § 3, van de wet van 16 maart 1968 « [kunnen de] niet-betaalde bevelen tot betalen, waartegen geen beroep is aangetekend, en die dus invorderbaar zijn, [...] door de procureur des Konings of door de door hem aangestelde parketjurist uitvoerbaar verklaard worden. De uitvoerbaarverklaring door de procureur des Konings of door de door hem aangestelde parketjurist doet de strafvordering vervallen ». Het openbaar ministerie dient dus geen beroep te doen op de strafrechter om de overtreder tot effectieve betaling te dwingen. B.12.
  23. Het bevel tot betalen is initieel ingevoerd bij de wet van 22 april 2012 « betreffende de invoering van het bevel tot betalen na inbreuken op de wetgeving inzake het wegverkeer » (hierna : de wet van 22 april 2012) en heeft tot doel « te voorkomen dat boetes onbetaald zouden blijven en de politieparketten te ontlasten » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-2074/002, p. 3) : « Het bevel tot betalen wordt na de onmiddellijke inning en eventueel de minnelijke schikking en vóór de dagvaarding voor de politierechtbank geschoven zonder dat de overtreder enig recht verliest of de bevoegdheden van de rechtbank worden ingekort » (ibid.). De parlementaire voorbereiding van de programmawet van 25 december 2016, die het bij de wet van 22 april 2012 in de wet van 16 maart 1968 ingevoegde artikel 65/1 heeft vervangen, vermeldt : « Het […] is de laatste stap in de procedure van een eventueel verval van de strafvordering tegen betaling van een som » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2208/001, p. 28). B.12.
  24. Het bevel tot betalen is in beginsel de vijfde herinnering waarbij wordt aangemaand tot betaling. « De overtreder krijgt namelijk een onmiddellijke inning, een rappel daarvan, een minnelijke schikking en opnieuw een rappel alvorens er een bevel tot betalen wordt uitgevaardigd » (ibid., p. 29). De overtreder heeft derhalve reeds op verschillende ogenblikken de kans gehad de strafvordering te doen vervallen door het betalen van de verkeersboete. 14 B.
  25. Het Hof dient te bepalen of het feit dat aan de bewindvoerder over de goederen van de overtreder geen kennis wordt gegeven van het in artikel 62 van de wet van 16 maart 1968 bedoelde proces-verbaal van vaststelling van de overtreding en van het in artikel 65/1 van dezelfde wet bedoelde bevel tot betalen, leidt tot een onevenredige beperking van de rechten van de beschermde persoon, met inbegrip van diens recht op toegang tot de rechter. B.
  26. De opdracht van de bewindvoerder over de goederen houdt weliswaar geen vertegenwoordiging van de beschermde persoon als verweerder bij de strafvordering in, aangezien artikel 185 van het Wetboek van strafvordering die vertegenwoordiging aan de advocaat voorbehoudt (Cass., 11 mei 2005, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050511.6; 13 december 2011, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111213.2). Een strafrechtelijke veroordeling kan evenwel een weerslag hebben op het vermogen van de beschermde persoon. Hetzelfde geldt voor een procedure met betrekking tot een verkeersboete, vooral indien die herhaalde malen wordt toegepast tegen de beschermde persoon, zoals in het bodemgeschil. Daaruit volgt dat in bijzondere procedurele waarborgen moet worden voorzien teneinde de effectiviteit van de rechten van de beschermde persoon te waarborgen. Door niet erin te voorzien dat kennis moet worden gegeven van het in artikel 62 van de wet van 16 maart 1968 bedoelde proces-verbaal van vaststelling van de overtreding en van het in artikel 65/1 van dezelfde wet bedoelde bevel tot betalen aan de bewindvoerder over de goederen van de beschermde persoon, voorziet de wetgever echter niet in dergelijke waarborgen. Het gebrek aan kennisgeving van die akten aan de bewindvoerder vanaf het begin van de in artikel 65 van de wet van 16 maart 1968 bedoelde procedure, met andere woorden zodra een voorstel tot onmiddellijke inning wordt gedaan aan de overtreder die een beschermde persoon is, brengt gevolgen teweeg die voor die laatstgenoemde des te onevenrediger zijn daar het bedrag van de geldboete stijgt naarmate de procedure vordert. De verplichting voor de bewindvoerder om de goederen van de beschermde persoon zoals een voorzichtig en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst, te beheren, hetgeen volgens de Ministerraad zou inhouden dat hij de aan de beschermde persoon gerichte brievenpost zou moeten controleren, biedt onvoldoende waarborgen om de rechten van de beschermde persoon, waaronder diens recht op toegang tot de rechter, te vrijwaren. 15 De omstandigheid dat het proces-verbaal van vaststelling van de overtreding en het bevel tot betalen, respectievelijk bedoeld in de artikelen 62 en 65/1 van de wet van 16 maart 1968, een eventuele jurisdictionele fase, met andere woorden elke dagvaarding voor het bevoegde strafgerecht, voorafgaan, leidt niet tot een andere conclusie. B.
  27. De artikelen 62, achtste lid, en 65/1 van de wet van 16 maart 1968 zijn niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij niet erin voorzien dat het afschrift van de processen-verbaal van vaststelling van de overtreding en het bevel tot betalen niet alleen aan de overtreder maar ook, in voorkomend geval, aan diens bewindvoerder over de goederen moeten worden verstuurd. Aangezien de vastgestelde lacunes zich bevinden in de aan het Hof voorgelegde tekst, staat het aan het verwijzende rechtscollege, wanneer het uitspraak doet over de ontvankelijkheid van beroepen die zijn ingesteld tegen bevelen tot betalen, een einde te maken aan de door het Hof vastgestelde ongrondwettigheden, aangezien die vaststellingen worden uitgedrukt in voldoende duidelijke en volledige bewoordingen om toe te laten dat de in het geding zijnde bepalingen worden toegepast met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zulks houdt in dat de beroepen tegen de bevelen tot betalen die voor dat rechtscollege zijn ingesteld, ontvankelijk worden verklaard. Het staat eveneens aan dat rechtscollege, wanneer het uitspraak doet ten gronde, overeenkomstig artikel 65/1, § 2, achtste lid, van de wet van 16 maart 1968, erover te waken dat het feit dat het proces-verbaal van vaststelling van de overtreding niet aan de bewindvoerder over de goederen van de beschermde persoon werd verstuurd vanaf het begin van de procedure, geen afbreuk doet aan de belangen van die persoon. Ten aanzien van de derde prejudiciële vraag B.
  28. Met de derde prejudiciële vraag wenst het verwijzende rechtscollege van het Hof te vernemen of artikel 65/1, § 8, van de wet van 16 maart 1968 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de 16 rechten van de mens, in zoverre dat artikel, in de interpretatie volgens welke het niet enkel van toepassing is op de overtreder maar ook op diens bewindvoerder over de goederen, in voorkomend geval, « de beroepstermijn met name vanaf de eerste daad van invordering van de geldsom door de bevoegde administratie [...] doet lopen, zonder erin te voorzien dat die daad van invordering de wijze waarop en de termijn waarbinnen het beroep kan worden ingesteld alsook de bevoegde rechtbank moet vermelden, terwijl een dergelijke verplichting bestaat bij het versturen van het bevel tot betalen met toepassing van artikel 65/1, § 1, vierde lid [lees : derde lid], 8°, van de wet van 16 maart 1968 ». B.
  29. Rekening houdend met hetgeen in B.15 is vermeld met betrekking tot de ontvankelijkheid van de beroepen die zijn ingesteld tegen de bevelen tot betalen waarvan geen kennis werd gegeven aan de bewindvoerder over de goederen van de overtreder, is het klaarblijkelijk niet langer nuttig om de derde prejudiciële vraag te beantwoorden. De derde prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. 17 Om die redenen, het Hof zegt voor recht :
  30. De artikelen 62, achtste lid, en 65/1 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij niet erin voorzien dat het afschrift van de processen-verbaal van vaststelling van de overtreding en het bevel tot betalen niet alleen aan de overtreder maar ook, in voorkomend geval, aan diens bewindvoerder over de goederen moeten worden verstuurd.
  31. De derde prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 21 mei
  32. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.064 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050511.6 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111213.2 ECLI:CE:ECHR:2001:0130JUD003568397 ECLI:CE:ECHR:2006:0727JUD003699802 ECLI:CE:ECHR:2009:0224JUD004923007 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.