← België

ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.065

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.065 Arrest- Rolnummer: 65/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-06-01 Raadplegingen: 159 - laatst gezien 2026-06-18 11:46 Versie(s): Versie FR Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 16, § 1, eerste lid, van de wet van 24 december 2020 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) », gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Verviers. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Ziekte- en invaliditeitsverzekering - Terugvordering van ten onrechte betaalde sociale uitkeringen - Verjaringstermijn - COVID-19-pandemie - Nieuwe verjaringsregeling Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 65/2026 van 21mei 2026 Rolnummer : 8512 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 16, § 1, eerste lid, van de wet van 24 december 2020 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) », gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Verviers. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Joséphine Moerman, de rechters Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter Luc Lavrysen, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 10 juli 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 juli 2025, heeft de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Verviers, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 16, § 1, eerste lid, van de wet van 24 december 2020 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II), dat artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 20 van 13 mei 2020 houdende tijdelijke maatregelen in de strijd tegen de COVID-19-pandemie en ter verzekering van de continuïteit van zorg in de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging bekrachtigt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, 2 in zoverre die artikelen de sociaal verzekerden die ten laste van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen ten onrechte verleende prestaties hebben genoten en tegen wie een vordering tot terugbetaling kan worden ingesteld verschillend behandelen, naargelang de vordering tot terugbetaling al dan niet vóór 13 maart 2020 was verjaard, waarbij de verjaringstermijn van twee jaar van de vordering tot terugbetaling gedurende meer dan één jaar wordt geschorst, indien die vordering niet was verjaard vóór 13 maart 2020 ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Pierre Slegers, mr. Margaux Kerkhofs en mr. Marie Piraux, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 1 april 2026 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Emmanuelle Bribosia en Joséphine Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege is arbeidsongeschikt en ontvangt uitkeringen van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten. Van 1 mei 2019 tot 30 april 2022 ontvangt zij uitkeringen tegen het met het tarief voor alleenstaanden gelijkgestelde tarief, terwijl het tarief voor « samenwonenden » op haar had moeten worden toegepast. Op 8 februari 2022 vordert de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten van de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege de betaling van een bedrag dat overeenstemt met het bedrag dat van 1 mei 2019 tot 30 april 2022 te veel is ontvangen. Die beslissing wordt bevestigd bij een aangetekende brief van 15 juli

  1. Op 7 september 2022 betwist de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege die beslissing door een verzoekschrift in te dienen bij de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Verviers. Voor dat rechtscollege voert zij voor de periode van 1 mei 2019 tot 8 juni 2020 de verjaring van de terugvordering van de onterecht betaalde bedragen aan. Zij is van mening dat een verjaringstermijn van twee jaar van toepassing is overeenkomstig artikel 174, 5°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, en dat de aangetekende brief van 15 juli 2022, die meer dan twee jaar na het einde van de beschouwde periode werd verzonden, de eerste verjaringstuitende handeling is. De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten doet gelden dat de verjaringstermijn van 13 maart 2020 tot 31 maart 2021 werd geschorst bij artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 20 van 13 mei 2020 « houdende tijdelijke maatregelen in de strijd tegen de COVID-19 pandemie en ter verzekering van de continuïteit van zorg in de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging » (hierna : het koninklijk besluit nr. 20). Dat koninklijk besluit werd bekrachtigd bij artikel 16, § 1, eerste lid, van de wet van 24 december 2020 « tot 3 bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID 19 (II) ». Het verwijzende rechtscollege oordeelt dat het koninklijk besluit nr. 20 een verschil in behandeling in het leven roept onder de sociaal verzekerden die ten laste van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen ten onrechte verleende prestaties hebben genoten, naargelang de vordering tot terugbetaling al dan niet vóór 13 maart 2020 was verjaard, daar de verjaringstermijn twee jaar bedroeg indien hij vóór die datum was verjaard en drie jaar en negentien dagen indien hij niet vóór die datum was verjaard. Volgens het verwijzende rechtscollege lijkt dat verschil in behandeling te berusten op een objectief criterium, maar lijkt het noch verantwoord, noch evenredig te zijn. Het verwijzende rechtscollege wijst erop dat het koninklijk besluit nr. 20 zowel de termijnen van de vordering tot betaling als die van de vordering tot terugbetaling schorst, terwijl het doel lijkt te zijn geweest de rechten van de particulieren en sociaal verzekerden te beschermen. De maatregel doet volgens dat rechtscollege afbreuk aan het recht van de sociaal verzekerden om de vordering tot terugbetaling verjaard te zien, terwijl het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit nr. 20 vermeldt dat de genomen maatregelen geen afbreuk aan de rechten van de patiënten tot gevolg kunnen hebben. Hoewel het juist is dat luidens artikel 5 van de wet van 27 maart 2020 « die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) » het doel van de machtiging aan de Koning bestond in « de goede organisatie van […] de overheid, met vrijwaring van de economische belangen van het land », oordeelt het verwijzende rechtscollege dat het feit dat de verjaringstermijn van de vordering tot terugbetaling met meer dan één jaar wordt verlengd, niet evenredig is met dat doel, daar de onverschuldigde betaling niet kan worden toegeschreven aan de sociaal verzekerde en de socialezekerheidsinstellingen dankzij de invoering van telewerk op afstand konden functioneren. Bijgevolg stelt het verwijzende rechtscollege aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.
  2. De Ministerraad voert aan dat de wet van 27 maart 2020 « die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (I) » tot doel had het België mogelijk te maken te reageren op de pandemie van het coronavirus COVID–19 en de gevolgen ervan op te vangen. Artikel 3, § 1, van die wet machtigt de Koning ertoe maatregelen te nemen teneinde « de bevoegdheid, de werking en de rechtspleging, met inbegrip van de bij wet bepaalde termijnen, van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de administratieve rechtscolleges, aan te passen teneinde de goede werking van deze instanties en in het bijzonder de continuïteit van de rechtsbedeling en hun andere opdrachten te garanderen ». De Ministerraad stelt dat het koninklijk besluit nr. 20 van 13 mei 2020 « houdende tijdelijke maatregelen in de strijd tegen de COVID-19 pandemie en ter verzekering van de continuïteit van zorg in de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging » (hierna : het koninklijk besluit nr. 20) werd genomen krachtens die wet. Hij doet gelden dat een van de overwegingen van de aanhef van het koninklijk besluit van 28 december 2020 « tot opheffing van bepaalde tijdelijke maatregelen van het koninklijk besluit nr. 20 van 13 mei 2020 houdende tijdelijke maatregelen in de strijd tegen de COVID-19-pandemie en ter verzekering van de continuïteit van zorg in de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, en van het koninklijk besluit nr. 21 van 14 mei 2020 houdende tijdelijke aanpassingen aan de vergoedingsvoorwaarden en administratieve regels in de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging ten gevolge van de COVID-19-pandemie », waarin artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 20 wordt opgeheven wat betreft de in artikel 174 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, (hierna : de wet van 14 juli 1994) bedoelde termijnen, uitdrukkelijk de terugvordering van de waarde van de ten onrechte verleende prestaties beoogt. Volgens hem kan daaruit worden afgeleid dat artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 20 betrekking had op de terugbetaling van het onverschuldigde bedrag. De Ministerraad is van mening dat dat standpunt door het Hof werd bevestigd in zijn arrest nr. 57/2025 van 3 april 2025 (ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.057, B.5.2). A.
  3. De Ministerraad brengt in herinnering dat uit het Burgerlijk Wetboek blijkt dat de persoon die ten onrechte een geldsom ontvangt, wettelijk ertoe verplicht is die som terug te geven, zonder dat een fout of een 4 bedrieglijk opzet moet worden aangetoond. Inzake sociale zekerheid kan het karakter van openbare orde van de verplichting tot teruggave worden verantwoord door het idee dat het bedrag dat ten onrechte aan een persoon werd uitbetaald, noodzakelijkerwijs ten koste van de gemeenschap of van een andere rechtmatige begunstigde werd betaald. Daaruit volgt dat met die verplichting een doelstelling van algemeen belang wordt nagestreefd. Door een verjaringstermijn van twee jaar vast te stellen voor de vorderingen tot teruggave van de prestaties die ten onrechte zijn uitbetaald ten laste van de uitkeringsverzekering of van de verzekering voor geneeskundige verzorging, brengt de wetgever een evenwicht tot stand tussen, enerzijds, de aanwezige belangen en, anderzijds, de verwachtingen van de belanghebbenden. De Ministerraad betoogt dat de wetgever om billijkheidsredenen een eenvormige verjaringstermijn van twee jaar wenste in te voeren voor zowel de vorderingen tot betaling van de prestaties in de uitkeringsverzekering en die in de verzekering voor geneeskundige verzorging – die door de begunstigden van die prestaties kunnen worden ingesteld – als voor de vorderingen tot teruggave van de door die verzekeringen ten onrechte betaalde prestaties – die door de verzekeringsinstellingen kunnen worden ingesteld. A.
  4. Hij doet gelden dat het koninklijk besluit nr. 20 werd aangenomen teneinde het hoofd te bieden aan de noodsituatie op gezondheidsvlak. De gezondheidscrisis vereiste een grondige en onmiddellijke reorganisatie van de besturen, ook van die welke zijn belast met het beheer van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. De veralgemening van het telewerk, de afwezigheden van het personeel, de beperkingen in de fysieke contacten, maar vooral de vereiste om de noodsituaties op gezondheidsvlak te beheren in een context van verminderde beschikbaarheid, hebben ertoe geleid dat de middelen van de instellingen een herbestemming kregen naar onmiddellijke prioriteiten, ten koste van de controle op onverschuldigde betalingen en terugbetalingsprocedures. A.
  5. Volgens de Ministerraad heeft het koninklijk besluit nr. 20 een schorsing van de termijnen ingevoerd voor een duur die niet a priori was vastgesteld, aangezien het per definitie onzeker was hoelang de gezondheidscrisis zou duren. De gezondheidscrisis is vergelijkbaar met overmacht. De duur van de schorsing is dus redelijkerwijs verantwoord. Hij vloeit voort uit een praktische noodzaak, die verband houdt met het feit dat het voor de betrokken besturen onmogelijk was hun opdrachten binnen de gewone termijnen uit te oefenen. Bovendien heeft het ingevoerde mechanisme de gevolgen van de verjaring slechts tijdelijk geneutraliseerd. Daarenboven schorst het koninklijk besluit nr. 20 alle in artikel 174 van de wet van 14 juli 1994 bedoelde verjaringstermijnen, ook die welke ten goede komen aan de sociaal verzekerden. Het gaat bijgevolg om een symmetrische maatregel die bedoeld is om alle rechten van de betrokken partijen op billijke wijze te vrijwaren. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.
  6. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 16, § 1, eerste lid, van de wet van 24 december 2020 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) » (hierna : de wet van 24 december 2020). Die bepaling bekrachtigt het koninklijk besluit nr. 20 van 13 mei 2020 « houdende tijdelijke maatregelen in de strijd tegen de COVID-19-pandemie en ter verzekering van de continuïteit van zorg in de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging » (hierna : het koninklijk besluit nr. 20). Dat laatste heeft uitwerking vanaf 1 maart 2020 (artikel 74). 5 B.
  7. Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 20 bepaalt : « Behoudens een tegengestelde vermelding in dit besluit of een andere wettelijke of reglementaire bepaling aangenomen na 13 maart 2020, worden de termijnen die zijn voorzien bij of krachtens de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, met uitzondering van de termijnen voorzien bij of krachtens afdeling XVI en afdeling XXII van hoofdstuk V van titel III, de titels IV, V, Vbis, hoofdstuk III van titel VI en hoofdstukken II, III en IV van titel VII van de wet, geschorst vanaf 13 maart 2020 tot een door de Koning op generieke wijze of voor sommige van die termijnen te bepalen datum ». B.
  8. Artikel 174 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna : de wet van 14 juli 1994), dat deel uitmaakt van hoofdstuk V van titel VII van die wet, bepaalt : « 1° De vordering tot betaling van prestaties der uitkeringsverzekering verjaart twee jaar na het einde van de maand waarop die uitkeringen betrekking hebben; […] 3° De vordering tot betaling van geneeskundige verstrekkingen verjaart twee jaar na het einde van de maand waarin de verzorging is verstrekt of deze prestaties al dan niet betaald werden via de derde-betalersregeling; […] 5° De vordering tot terugvordering van de waarde der ten laste van de uitkeringsverzekering ten onrechte verleende prestaties, verjaart twee jaar na het einde van de maand waarin die prestaties zijn uitbetaald; 6° De vordering tot terugvordering van de waarde der ten laste van de verzekering voor geneeskundige verzorging ten onrechte verleende prestaties, verjaart twee jaar na het einde van de maand waarin die prestaties zijn vergoed; […] ». B.
  9. Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 20 werd, wat de in artikel 174 van de wet van 14 juli 1994 bedoelde termijnen betreft, opgeheven bij artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit van 28 december 2020 « tot opheffing van bepaalde tijdelijke maatregelen van het koninklijk besluit nr. 20 van 13 mei 2020 houdende tijdelijke maatregelen in de strijd tegen de COVID-19-pandemie en ter verzekering van de continuïteit van zorg in de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, en van het koninklijk besluit nr. 21 van 6 14 mei 2020 houdende tijdelijke aanpassingen aan de vergoedingsvoorwaarden en administratieve regels in de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging ten gevolge van de COVID-19-pandemie », dat op 1 april 2021 in werking is getreden (artikel 3, tweede lid). Daaruit volgt dat de voormelde verjaringstermijn van twee jaar werd geschorst van 13 maart 2020 tot 31 maart
  10. B.5.
  11. Het koninklijk besluit nr. 20 werd genomen op grond van de wet van 27 maart 2020 « die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) » (hierna : de wet van 27 maart 2020). Die wet past in het kader van het beheer van de gezondheidscrisis ten gevolge van de COVID-19-pandemie. B.5.
  12. De artikelen 2 tot 6 van die wet bepalen : « Art.
  13. Teneinde het België mogelijk te maken te reageren op de coronavirus COVID-19 epidemie of pandemie en de gevolgen ervan op te vangen, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in artikel 5, § 1, 1° tot 8°, bedoelde maatregelen nemen. Zo nodig kunnen deze maatregelen een terugwerkende kracht hebben, die echter niet verder kan teruggaan dan 1 maart
  14. Art.
  15. De koninklijke besluiten genomen krachtens deze wet mogen geen afbreuk doen aan de koopkracht van de gezinnen en aan de bestaande sociale bescherming. Art.
  16. De koninklijke besluiten genomen krachtens deze wet mogen de bijdragen aan de sociale zekerheid, de belastingen, de taksen en rechten, niet aanpassen, opheffen, wijzigen of vervangen, inzonderheid de grondslag, het tarief en de belastbare verrichtingen. Art.
  17. §
  18. Met het oog op de in artikel 2, eerste lid, bedoelde doelstellingen, kan de Koning maatregelen nemen om : […] 4° de continuïteit van de economie, de financiële stabiliteit van het land en de marktwerking te garanderen alsook de consument te beschermen; 5° aanpassingen door te voeren in het arbeidsrecht en het socialezekerheidsrecht, met het oog op de bescherming van de werknemers en van de bevolking, de goede organisatie van de 7 ondernemingen en de overheid, met vrijwaring van de economische belangen van het land en de continuïteit van de kritieke sectoren; 6° de bij of krachtens de wet bepaalde termijnen te schorsen of te verlengen volgens de door Hem bepaalde termijnen; 7° met naleving van de fundamentele beginselen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht en met inachtneming van de rechten van verdediging van de rechtszoekenden, de goede werking van de rechterlijke instanties en in het bijzonder de continuïteit van de rechtsbedeling te verzekeren door voor zowel burgerlijke als strafzaken : […] - de organisatie van de bevoegdheid en de rechtspleging aan te passen, met inbegrip van de bij de wet bepaalde termijnen; […] §
  19. De besluiten bedoeld in de eerste paragraaf mogen de geldende wettelijke bepalingen opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen, zelfs inzake aangelegenheden die de Grondwet uitdrukkelijk aan de wet voorbehoudt. […] Art.
  20. […] Met uitzondering van het advies van de Raad van State, kunnen de besluiten bedoeld in artikel 5, § 1, 2° tot 8°, worden uitgevaardigd zonder dat de wettelijk of reglementair voorgeschreven adviezen, voorafgaandelijk worden ingewonnen. Zo nodig kunnen die adviezen worden ingewonnen binnen een kortere termijn dan de wettelijk of reglementair voorgeschreven termijn ». Artikel 7, tweede lid, van de wet van 27 maart 2020 bepaalt dat « de in artikel 5, § 1, 1° tot 8° bedoelde besluiten […] bij wet [worden] bekrachtigd binnen een termijn van een jaar vanaf hun inwerkingtreding ». Ten gronde B.
  21. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van artikel 16, § 1, eerste lid, van de wet van 24 december 2020 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het verwijzende rechtscollege verzoekt het Hof zich uit te spreken over het verschil in behandeling onder de sociaal verzekerden die ten laste van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen ten onrechte verleende prestaties hebben genoten, naargelang de 8 tegen hen ingestelde vordering tot terugbetaling al dan niet was verjaard vóór de datum vanaf welke artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 20 de termijnen schorst die met name in artikel 174 van de wet van 14 juli 1994 worden bedoeld, namelijk 13 maart
  22. B.
  23. Hoewel de wetgever bij het vaststellen van de verjaringsregels over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt, dient hij bij het vaststellen van die regels de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in acht te nemen. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.8.
  24. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie verzet zich niet ertegen dat de wetgever terugkomt op zijn oorspronkelijke doelstellingen om er andere na te streven. In het algemeen trouwens moet de overheid haar beleid kunnen aanpassen aan de wisselende vereisten van het algemeen belang. B.8.
  25. Het is inherent aan een nieuwe regeling dat een onderscheid wordt gemaakt tussen personen die betrokken zijn bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de vroegere regeling vallen en personen die betrokken zijn bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de nieuwe regeling vallen. Een dergelijk onderscheid maakt op zich geen schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet uit. Elke wetswijziging zou onmogelijk worden, indien zou worden aangenomen dat een nieuwe bepaling die grondwetsartikelen zou schenden om de enkele reden dat zij de toepassingsvereisten van de vroegere regeling wijzigt. 9 B.
  26. De vergelijking in de prejudiciële vraag van, enerzijds, de situatie van de sociaal verzekerden ten aanzien van wie de vordering tot terugbetaling van de ten laste van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen ten onrechte verleende prestaties was verjaard vóór 13 maart 2020 met, anderzijds, die van de sociaal verzekerden ten aanzien van wie die vordering niet was verjaard vóór die datum, is niet pertinent. De situatie van de personen van de eerste categorie vloeit voort uit de toepassing van artikel 174 van de wet van 14 juli 1994, zoals het van toepassing was vóór de inwerkingtreding van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 20, terwijl de situatie van de personen van de tweede categorie voortvloeit uit de invoering van een nieuwe verjaringsregeling, zij het tijdelijk, bij artikel 1 van het koninklijk besluit nr.
  27. De vergelijking in de prejudiciële vraag heeft bijgevolg betrekking op situaties die zijn geregeld door bepalingen die op verschillende tijdstippen van toepassing zijn. Zij behoren niet - anders zou iedere wijziging van de wetgeving onmogelijk worden - tot die welke moeten worden onderzocht om na te gaan of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.
  28. Bijgevolg is artikel 16, § 1, eerste lid, van de wet van 24 december 2020 bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 16, § 1, eerste lid, van de wet van 24 december 2020 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 21 mei
  29. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.065 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.057 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.