← België

ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.067

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.067 Arrest- Rolnummer: 67/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-06-01 Raadplegingen: 151 - laatst gezien 2026-06-18 11:46 Versie(s): Versie FR Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 97, § 1, tweede lid, van de wet van 17 mei 2006 « betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten », gesteld door het Hof van Cassatie. Strafrechtspleging - Strafuitvoering - Beslissing met betrekking tot de strafuitvoeringsmaatregel genomen door de strafuitvoeringsrechter op het kabinet - Cassatieberoep - Aanvangspunt van de termijn Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 67/2026 van 21 mei 2026 Rolnummer : 8594 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 97, § 1, tweede lid, van de wet van 17 mei 2006 « betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten », gesteld door het Hof van Cassatie. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Joséphine Moerman, de rechters Thierry Giet, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter Luc Lavrysen, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 26 november 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 3 december 2025, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 97, § 1, tweede lid, van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de veroordeelde die voor de strafuitvoeringsrechtbank verschijnt in het kader van een verzoek om een strafuitvoeringsmaatregel te verkrijgen, wordt geïnformeerd over de datum van de uitspraak van het vonnis, waardoor hij het aanvangspunt van de termijn om een cassatieberoep in te stellen kan kennen, terwijl de veroordeelde niet dezelfde informatie krijgt wanneer hij een dergelijk verzoek indient bij de strafuitvoeringsrechter, voor wie hij niet verschijnt ? ». Memories zijn ingediend door : 2 - M.D., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Nicolas Crutzen, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Evrard de Lophem, mr. Sébastien Depré en mr. Megi Bakiasi, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 18 maart 2026 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Michel Pâques en Yasmine Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil M.D. zit een gevangenisstraf uit. Op 27 juni 2025 dient hij een verzoek om elektronisch toezicht en een verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling in bij de strafuitvoeringsrechter. Bij een op 22 oktober 2025 uitgesproken vonnis verwerpt de rechter die twee verzoeken. Geen enkele terechtzitting heeft plaatsgevonden vóór de uitspraak van het vonnis en de datum van die uitspraak werd niet meegedeeld aan M.D., noch aan zijn raadsman. Op 23 oktober 2025 wordt een afschrift van het vonnis elektronisch verstuurd naar de raadsman van M.D. Die stelt op 28 oktober 2025 een cassatieberoep in tegen dat vonnis. Het Hof van Cassatie merkt op dat het cassatieberoep, krachtens artikel 97, § 1, tweede lid, van de wet van 17 mei 2006 « betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten », moet worden ingesteld binnen een termijn van vijf dagen, te rekenen vanaf de uitspraak van het vonnis. Daaruit volgt dat het cassatieberoep in beginsel onontvankelijk is. In die context stelt het Hof van Cassatie de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.

  1. Volgens M.D., eisende partij in cassatie, worden de gedetineerden die afhangen van de strafuitvoeringsrechter, gediscrimineerd ten opzichte van de gedetineerden voor wie de strafuitvoeringsrechtbank bevoegd is. In het eerste geval, wanneer de zaak op het kabinet wordt behandeld, hebben de betrokken personen geen enkel idee van het ogenblik waarop het vonnis zal worden gewezen, aangezien er geen terechtzitting is en aangezien de datum van uitspraak niet wordt meegedeeld. Aan de gedetineerde wordt dan in de gevangenis kennisgegeven van de beslissing en de raadsman ontvangt het vonnis via e-mail. Indien die laatste met vakantie is en de gedetineerde hem niet onmiddellijk kan bereiken, is het onmogelijk om een cassatieberoep in te stellen binnen de termijn van vijf dagen. In het tweede geval, daarentegen, verschijnen de betrokken personen voor de strafuitvoeringsrechtbank. Zij weten vanaf de sluiting van de debatten op welke datum het vonnis zal worden gewezen en beschikken over een volledige termijn van vijf dagen om het cassatieberoep al dan niet in te stellen. 3 De eisende partij in cassatie beklemtoont dat de vaststelling van de datum van de uitspraak van het vonnis als aanvangspunt van de termijn om het cassatieberoep in te stellen, in plaats van de datum van de kennisgeving ervan, voortvloeit uit de wet van 6 februari 2009 « tot wijziging van artikel 97 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten ». Die wijziging had tot doel de rechtszekerheid te waarborgen en een uniform aanvangspunt van de termijn voor cassatieberoep vast te stellen, teneinde problemen met het bewijzen van de ontvangst van de kennisgeving door de gedetineerde te voorkomen. Bij wijze van compensatie werd de termijn voor cassatieberoep van 24 uur naar 15 dagen verlengd, teneinde de gedetineerde en zijn advocaat voldoende tijd te laten om het dossier te onderzoeken en te beoordelen of het opportuun is om een cassatieberoep in te stellen. Bij het aannemen van de voormelde wet van 6 februari 2009 was het enige beoogde geval dat waarbij de gedetineerde voor de strafuitvoeringsrechtbank verschijnt en dus de datum van de uitspraak van tevoren kent. De eisende partij in cassatie voert aan dat de behandeling van het dossier op het kabinet en de onmogelijkheid om de datum van uitspraak van het vonnis van tevoren te kennen, hoe dan ook een geval van overmacht uitmaken. A.
  2. De Ministerraad voert aan dat de in het geding zijnde bepaling in duidelijke bewoordingen is opgesteld en dat zij het de beklaagde mogelijk maakt zijn verweer te organiseren door vanaf het begin van de procedure de termijn voor cassatieberoep te kennen die van toepassing is wanneer het vonnis wordt gewezen op tegenspraak, met dien verstande dat de afwezigheid van de beklaagde bij de uitspraak het vonnis niet zijn tegensprekelijke karakter ontneemt. Te dezen kon de eisende partij in cassatie haar cassatieberoep instellen binnen de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde termijn. Haar raadsman, die speciaal is opgeleid voor cassatie in strafzaken, heeft het vonnis ontvangen, waarin de datum van de uitspraak ervan wordt vermeld. De premisse waarop de prejudiciële vraag berust, met betrekking tot de mogelijkheid of onmogelijkheid voor de betrokken veroordeelde om het aanvangspunt van de termijn om een cassatieberoep in te stellen te kennen, is bijgevolg verkeerd. De niet- ontvankelijkheid van het cassatieberoep vloeit te dezen niet voort uit de in het geding zijnde bepaling, maar uit de verkeerde berekening, door de eisende partij in cassatie, van de termijn die van toepassing is om het cassatieberoep in te stellen. Voor het overige, hoewel het cassatieberoep binnen vijf dagen moet worden ingesteld, kunnen de redenen ervoor nog worden uiteengezet in een memorie die binnen een nieuwe termijn van vijf dagen moet worden ingediend. -B- B.
  3. Artikel 97, § 1, tweede lid, van de wet van 17 mei 2006 « betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten » (hierna : de wet van 17 mei 2006) bepaalt dat, voor de in artikel 96 van dezelfde wet bedoelde beslissingen die zijn gewezen door de strafuitvoeringsrechter en de strafuitvoeringsrechtbank, de veroordeelde het cassatieberoep instelt binnen een termijn van vijf dagen, te rekenen van de uitspraak van het vonnis. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van artikel 97, § 1, tweede lid, van de wet van 17 mei 2006 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, « in zoverre de veroordeelde die voor de strafuitvoeringsrechtbank verschijnt in het kader van een verzoek om een strafuitvoeringsmaatregel te verkrijgen, wordt geïnformeerd over de datum van de uitspraak van het vonnis, waardoor hij het aanvangspunt van de termijn om een cassatieberoep in te 4 stellen kan kennen, terwijl de veroordeelde niet dezelfde informatie krijgt wanneer hij een dergelijk verzoek indient bij de strafuitvoeringsrechter, voor wie hij niet verschijnt ». B.2.
  4. Volgens het verwijzende rechtscollege wordt de veroordeelde die voor de strafuitvoeringsrechtbank verschijnt, ter terechtzitting geïnformeerd over de datum van uitspraak van het vonnis. Dit wordt niet betwist. Die veroordeelde zou het aanvangspunt van de termijn om een cassatieberoep in te stellen dus kunnen kennen. Omgekeerd, bij gebrek aan een terechtzitting, wordt de veroordeelde wiens zaak op het kabinet wordt behandeld door de strafuitvoeringsrechter, niet van tevoren geïnformeerd over de datum van uitspraak, zodat hij het aanvangspunt van diezelfde termijn om een cassatieberoep in te stellen niet zou kennen. In beide gevallen beschikt de veroordeelde echter over een termijn van vijf dagen om een cassatieberoep in te stellen tegen het vonnis, te rekenen van de uitspraak ervan. B.2.
  5. Hoewel de vraag formeel zo wordt voorgesteld dat zij betrekking heeft op een gelijke behandeling, blijkt uit de motieven van de verwijzingsbeslissing dat aan het Hof in werkelijkheid een vraag wordt gesteld over het verschil in behandeling onder de veroordeelden in het kader van het verkrijgen van een strafuitvoeringsmaatregel, naargelang het verzoek op het kabinet wordt behandeld door de strafuitvoeringsrechter dan wel of voor dat verzoek een terechtzitting plaatsvindt, aangezien enkel de veroordeelde die voor de strafuitvoeringsrechtbank verschijnt, het aanvangspunt van de termijn kent om een cassatieberoep in te stellen. Immers, de veroordeelde wiens verzoek op het kabinet door de rechter wordt behandeld, wordt pas over de beslissing geïnformeerd op het ogenblik dat hij daadwerkelijk kennisneemt van het vonnis dat hem met toepassing van artikel 46, § 1, eerste lid, van de wet van 17 mei 2006 binnen 24 uur bij aangetekende zending ter kennis wordt gebracht. Het Hof onderzoekt de vraag in die zin. B.
  6. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. 5 Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
  7. In de oorspronkelijke versie ervan bepaalde artikel 97, § 1, tweede lid, van de wet van 17 mei 2006 dat de veroordeelde het cassatieberoep diende in te stellen binnen een termijn van 24 uur, te rekenen van de dag van de kennisgeving van het vonnis bij gerechtsbrief, waarbij werd gepreciseerd dat de cassatiemiddelen moesten worden voorgesteld in een memorie die ten laatste op de vijfde dag na de datum van het cassatieberoep moest toekomen op de griffie van het Hof van Cassatie. B.5.
  8. De wet van 6 februari 2009 « tot wijziging van artikel 97 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten » heeft vervolgens de verplichting opgelegd dat de verklaring van cassatieberoep voortaan door een advocaat moet worden ondertekend, teneinde het aantal cassatieberoepen te verminderen die door het Hof van Cassatie onontvankelijk werden bevonden. De verplichting voor de gedetineerde om een beroep te doen op de diensten van een advocaat heeft geleid tot het verlengen van de termijn om het cassatieberoep in te stellen tot vijftien dagen, waarbij de termijn van 24 uur ontoereikend werd geacht om te beoordelen of een cassatieberoep opportuun is (Parl. St., Senaat, 2007-2008, nr. 4-497/4, pp. 3-4). B.5.
  9. Die wet heeft ook de datum van kennisgeving van het vonnis vervangen door de datum van uitspraak van het vonnis als aanvangspunt van de termijn om het cassatieberoep in te stellen. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de keuze voor de uitspraak van het vonnis als aanvangspunt van de termijn voor cassatieberoep strekt tot « de gelijkschakeling van de aanvangsdatum met deze bepaald in de wet op de internering, en [ertoe strekt] aldus de rechtszekerheid te waarborgen » (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-497/7, p. 2; Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1407/003, pp. 9-10). 6 B.
  10. Bij artikel 192 van de wet van 5 februari 2016 « tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie » heeft de wetgever de termijn waarover de veroordeelde beschikt om het cassatieberoep in te stellen, verminderd tot vijf dagen. In de parlementaire voorbereiding van die wet wordt die vermindering verantwoord als volgt : « De cassatietermijn van vijftien dagen waarover de veroordeelde beschikt heeft tot gevolg dat de uitvoering van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit gedurende die termijn niet kan plaatsvinden. De termijn wordt in de praktijk dan ook als te lang ervaren. Het artikel komt hieraan tegemoet door de termijn te verkorten tot vijf dagen » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1418/001, p. 144; zie eveneens Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1418/005, p. 135). B.
  11. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk de omstandigheid dat aan de beslissing met betrekking tot de strafuitvoeringsmaatregel al dan niet een terechtzitting voorafgaat. Bovendien, zoals in B.5.2 is vermeld, strekt het aanvangspunt van de termijn voor cassatieberoep ertoe de verschillende termijnen die in de strafprocedure van toepassing zijn, te uniformeren en de rechtszekerheid te verbeteren. Dat zijn legitieme doelstellingen. B.
  12. Het Hof moet nog onderzoeken of het voormelde criterium pertinent is ten aanzien van de nagestreefde doelstellingen. B.9.
  13. Wanneer, zoals te dezen, de beslissing met betrekking tot de strafuitvoeringsmaatregel wordt genomen ingevolge een uitsluitend schriftelijke rechtspleging door de strafuitvoeringsrechter op het kabinet, is het ten aanzien van het nagestreefde doel van rechtszekerheid niet pertinent om het aanvangspunt van de termijn voor cassatieberoep te doen ingaan op het ogenblik van de uitspraak. Aangezien de veroordeelde dat aanvangspunt pas a posteriori kent op het ogenblik van de kennisgeving bij aangetekende zending, geniet hij in de feiten nooit de termijn van vijf dagen waarin de wetgever voorziet. In het licht van de korte duur van de oorspronkelijke termijn van het cassatieberoep en de omstandigheid dat de veroordeelde een vrijheidsstraf uitzit, kan niet worden aanvaard dat hij slechts over een 7 ingekorte termijn beschikt om te beoordelen of het aangewezen is een cassatieberoep in te stellen, waarvoor bijstand van zijn advocaat vereist is. B.9.
  14. Die vaststelling wordt niet gewijzigd door de omstandigheid dat met toepassing van artikel 97, § 1, tweede lid, derde zin, van de wet van 17 mei 2006, de veroordeelde over een bijkomende termijn van vijf dagen, te rekenen van het cassatieberoep, beschikt om de griffie van het Hof van Cassatie een memorie toe te zenden waarin zijn cassatiemiddelen zijn opgenomen. Of het aangewezen is om het cassatieberoep in te stellen, wordt in ieder geval beoordeeld in het licht van de cassatiemiddelen, ook al moeten zij in het stadium van het instellen van het cassatieberoep nog niet worden geformaliseerd. B.
  15. Bijgevolg is artikel 97, § 1, tweede lid, van de wet van 17 mei 2006 niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aangezien de vaststelling van de lacune is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen die toelaten de in het geding zijnde bepaling toe te passen met inachtneming van die toetsingsnormen, staat het, in afwachting van het optreden van de wetgever, aan het Hof van Cassatie een einde te maken aan die ongrondwettigheid. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 97, § 1, tweede lid, van de wet van 17 mei 2006 « betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 21 mei
  16. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.067 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.