← België

ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.068

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.068 Arrest- Rolnummer: 68/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-06-08 Raadplegingen: 127 - laatst gezien 2026-06-18 11:47 Versie(s): Versie FR Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 14 maart 2024 « tot instelling van het Wetboek van het beheer van de ondergrondse rijkdommen », ingesteld door de vzw « Bürgerinitiative für Habitat- und Umweltschutz » en anderen. Leefmilieu - Bescherming van het leefmilieu - Waals Gewest - Beheer van de ondergrondse rijkdommen - Exploitatie van ondergrondse rijkdommen - Omvang van het eigendomsrecht - Bevoegdheidverdelende regels - Regeling van exclusieve vergunningen - Erfdienstbaarheden van openbaar nut - Delegatie aan de uitvoerende macht Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 68/2026 van 28 mei 2026 Rolnummer : 8419 In zake : het beroep tot vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 14 maart 2024 « tot instelling van het Wetboek van het beheer van de ondergrondse rijkdommen », ingesteld door de vzw « Bürgerinitiative für Habitat- und Umweltschutz » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Joséphine Moerman, de rechters Thierry Giet, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter Luc Lavrysen, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 20 januari 2025 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 22 januari 2025, is beroep tot vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 14 maart 2024 « tot instelling van het Wetboek van het beheer van de ondergrondse rijkdommen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 juli 2024, erratum in het Belgisch Staatsblad van 25 juli 2024) ingesteld door de vzw « Bürgerinitiative für Habitat- und Umweltschutz », Myriam Elisabeth Schrouff, Marc Wintgens en Thomas Opuszynski, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Michel Delnoy, mr. Zoé Vrolix, mr. Maxime de Brogniez en mr. Martin Lauwers, advocaten bij de balie Luik-Hoei. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Philippe Schaffner, advocaat bij de balie te Brussel; 2 - de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Pierre Moërynck, advocaat bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 1 april 2026 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep A.1.

  1. De eerste verzoekende partij zet uiteen dat zij een vereniging zonder winstoogmerk is met als statutair doel de bescherming van het leefmilieu op het grondgebied van de gemeenten Kelmis en Plombières en in de aangrenzende gemeenten. De tweede tot de vierde verzoekende partij zijn natuurlijke personen van wie de woonplaats of het landbouwbedrijf in de nabijheid van oude mijngangen ligt. De vier verzoekende partijen zetten uiteen dat het decreet van het Waalse Gewest van 14 maart 2024 « tot instelling van het Wetboek van het beheer van de ondergrondse rijkdommen » (hierna : het decreet van 14 maart 2024) is aangenomen met het oogmerk de exploratie en de exploitatie van de ondergrondse rijkdommen te bevorderen, en dat het het statutair doel van de eerste verzoekende partij en de situatie van de drie andere verzoekende partijen kan raken. Zij vorderen bijgevolg de vernietiging van het decreet van 14 maart 2024 in zijn geheel of, op zijn minst, van de artikelen D.II.1, D.VI.1, D.VI.3, D.VI.4, D.VI.5, D.VI.12 tot D.VI.54, D.VII.1, D.VII.2, D.VII.3, D.VII.9, D.VII.10 en D.XII.13 van het Wetboek van het beheer van de ondergrondse rijkdommen (hierna : het Wetboek), dat bij artikel 1 van het voormelde decreet in het Milieuwetboek is ingevoegd. A.1.
  2. De ontvankelijkheid van het beroep wordt niet betwist. Ten gronde Wat betreft het eerste middel A.2.
  3. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending van de artikelen 35 en 39 van de Grondwet en van artikel 6 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Zij klagen aan dat het decreet van 14 maart 2024 de omvang van het eigendomsrecht preciseert, door de draagwijdte ervan op het vlak van de diepte mathematisch te beperken, terwijl de definitie van het eigendomsrecht onder de residuaire bevoegdheid van de federale overheid valt, welke die bevoegdheid heeft uitgeoefend door artikel 3.63 van het Burgerlijk Wetboek aan te nemen. Volgens de verzoekende partijen moet uit die bepaling worden afgeleid dat de diepte van het eigendomsrecht geval per geval moet worden bepaald. Zij besluiten daaruit dat de Waalse decreetgever, doordat hij de diepte tot waar het eigendomsrecht zich uitstrekt, vaststelt op twintig meter, afbreuk heeft gedaan aan de bevoegdheid van de federale wetgever inzake eigendomsrecht. 3 A.2.
  4. De Ministerraad deelt het standpunt van de verzoekende partijen. Hij is van mening dat het Waalse Gewest de diepte van het eigendomsrecht niet op abstracte en mathematische wijze op twintig meter kon bepalen zonder de in het middel bedoelde bepalingen te schenden. Hij merkt op dat de Waalse decreetgever het gebruik van impliciete bevoegdheden niet heeft vermeld tijdens de parlementaire voorbereiding van het decreet van 14 maart
  5. Hij verwijst ten slotte naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State met betrekking tot een vroegere versie van de tekst van het decreet (advies nr. 64.927/4 van 30 januari 2019) en is van mening dat dat advies van toepassing blijft ondanks de aanneming van artikel 3.63 van het Burgerlijk Wetboek. Hij is van mening dat het decreet van 14 maart 2024, doordat het eenzijdig bij wege van decreet de volle eigendom van de ondergrondse rijkdommen dieper dan twintig meter aan het Waalse Gewest toekent, afbreuk doet aan de essentie zelf van het eigendomsrecht. De Ministerraad voegt eraan toe dat, indien het eerste middel gegrond zou worden verklaard, het decreet van 14 maart 2024 in zijn geheel zou moeten worden vernietigd, omdat de algemene economie ervan in het geding zou worden gebracht. Hij is in ondergeschikte orde van mening dat op zijn minst de artikelen D.I.1, D.I.2 en D.VII.1 tot D.VII.9 van het Wetboek moeten worden vernietigd. A.3.
  6. De Waalse Regering doet gelden dat het decreet van 14 maart 2024 en het Wetboek dat het instelt, het eigendomsrecht niet omschrijven maar het gebruik ervan regelen, zodat er geen sprake kan zijn van een schending van de bevoegdheden van de federale wetgever. Zij herinnert eraan dat de verticale omvang van de eigendom krachtens artikel 3.63 van het Burgerlijk Wetboek functioneel is. Zij zet uiteen dat in de parlementaire voorbereiding van die bepaling wordt aangegeven dat de verticale omvang moet worden bepaald naargelang van de bestemming en de toestand van de grond, rekening houdend met de exploitatiemogelijkheden ervan. Zij preciseert dat het Waalse Gewest niet de eigenaar van de ondergrondse rijkdommen is, aangezien die rijkdommen behoren tot « het gemeenschappelijk erfgoed van zijn inwoners » (artikel D.I.1, § 1, eerste lid, van het Wetboek), en het Gewest ze enkel beheert. De Waalse Regering verleent in die context exclusieve exploratie- en exploitatierechten op die rijkdommen, door middel van exclusieve vergunningen, die in de zin van de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 « betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s » als programma’s worden beschouwd. A.3.
  7. De Waalse Regering is van mening dat de decreetgever, doordat hij eist dat de houder van een exclusieve vergunning de voor hem nodige zakelijke rechten verwerft voor de eerste twintig meter diepte, de grens van het eigendomsrecht niet op twintig meter vaststelt en het eigendomsrecht geenszins regelt. A.4.
  8. De verzoekende partijen leiden uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 14 maart 2024 af dat de Waalse decreetgever het Burgerlijk Wetboek beoogde uit te voeren door een algemene en abstracte grens van het grondeigendomsrecht te bepalen. Zij zijn van mening dat de vaststelling van een dieptegrens niet onder het beheer van het gebruik van de ondergrond valt, maar de definitie zelf van het eigendomsrecht raakt, aangezien die vaststelling de door dat recht toegekende bevoegdheden en de omvang ervan in de diepte regelt. Zij doen gelden dat de bewering van de Waalse Regering volgens welke het decreet het gebruik van de eigendom regelt zonder het te omschrijven, verkeerd is aangezien, enerzijds, de gedifferentieerde regeling naargelang van de door het decreet bepaalde diepte duidelijk inhoudt dat er sprake is van een abstracte en mathematische grens waaronder het eigendomsrecht noodzakelijkerwijs is beperkt, en aangezien, anderzijds, die regeling de derden die geen eigenaar van de oppervlakte zijn, toelaat om zich bepaalde ondergrondse rijkommen toe te eigenen. A.4.
  9. De Ministerraad deelt het standpunt van de verzoekende partijen. Hij is van mening dat de argumentatie van de Waalse Regering de ingevoerde regeling uiteenzet, maar de kritiek niet weerlegt. A.
  10. De Waalse Regering repliceert dat het middel voortvloeit uit een verkeerde lezing van het decreet van 14 maart 2024, dat geen mathematische grens voor het eigendomsrecht vaststelt. Zij bevestigt dat de omvang van het eigendomsrecht relatief blijft, overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Zij preciseert dat het noodzakelijk is om een onderscheid te maken tussen de eigendom van de grond en de eigendom van de ondergrondse rijkdommen, waarop het tweede middel betrekking heeft. Zij geeft in dat verband aan dat de eigendom van de oppervlakte niet noodzakelijkerwijs tot die van de ondergrond leidt, in het licht van de in het Burgerlijk Wetboek vastgelegde regels die bepalen dat de eigenaar van de grond slechts eigenaar van de ondergrond is die zich loodrecht onder zijn perceel bevindt in zoverre die ondergrond een nut voor hem heeft. Zij voegt eraan toe dat het feitelijk de eerste twintig meter zijn die het meest nuttig kunnen zijn voor de eigenaar van de oppervlakte. 4 Wat betreft het tweede middel A.6.
  11. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending van artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Zij herinneren eraan dat het eigendomsrecht inhoudt dat elke beperking van dat recht moet berusten op een voldoende precieze, voorzienbare en vastgestelde wettelijke grondslag en dat aan geen enkele categorie van personen lasten mogen worden opgelegd die zwaarder zijn dan die welke een particulier mogelijkerwijs moet dragen in het algemeen belang. A.6.
  12. De verzoekende partijen zetten uiteen dat het decreet van 14 maart 2024 het mogelijk maakt exploratie- en exploitatievergunningen te verlenen die, enerzijds, de exclusieve toe-eigening inhouden van de ondergrondse rijkdommen ten behoeve van de houders ervan en, anderzijds, de mogelijkheid inhouden om de grond te bezwaren met een wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut voor een exploratie of een exploitatie tussen twintig en honderd meter diepte. Zij leiden daaruit af dat het decreet van 14 maart 2024 het eigendomsrecht beperkt van de eigenaars van gronden met ondergrondse rijkdommen. Zij doen gelden dat artikel D.VI.12 van het Wetboek in geen enkel kader voorziet om de gebieden te bepalen waarop de vergunningsaanvragen betrekking kunnen hebben. Zij voegen eraan toe dat het in artikel D.III.1 bedoelde strategische plan voor de ondergrond wordt opgesteld door de Waalse Regering zelf, en dat het kader voor haar optreden dienaangaande bijzonder lacunair is, aangezien de decretale bepalingen het niet mogelijk maken de gebieden te identificeren waarvoor exploratie- of exploitatievergunningen kunnen worden verleend. Zij leiden daaruit af dat de Waalse Regering vergunningen kan afgeven die leiden tot een eigendomsoverdracht van de ondergrondse rijkdommen die zich onder de gronden van derden bevinden, zonder dat de wijze waarop de betrokken gronden worden bepaald voldoende decretaal wordt afgebakend. A.6.
  13. De verzoekende partijen zien niet in hoe de regeling inzake exclusieve exploratie- of exploitatievergunningen een doel van algemeen belang zou kunnen nastreven, aangezien de exclusiviteit van de rijkdommen wordt vastgesteld ten behoeve van de vergunninghouders, die privaatrechtelijke rechtspersonen kunnen zijn. Zij merken op dat het decreet bepaalt dat het openbaar nut wordt verondersteld, wat betreft de exploraties en exploitaties dieper dan honderd meter onder de grond, om reden dat het genot van het bovengrondse goed niet wordt belemmerd door de exploratie of de exploitatie op die diepte. De verzoekende partijen zijn echter van mening, enerzijds, dat uit een afwezigheid van overlast aan de oppervlakte niet kan worden afgeleid dat de ondergrondse exploitatie van openbaar nut is en, anderzijds, dat het onjuist is te beweren dat er geen gevolgen zijn aan de oppervlakte. Zij geven als voorbeeld de hypothese waarin een eigenaar zijn onroerend goed geothermisch zou willen verwarmen, een techniek waarbij de ondergrond wordt gebruikt op een diepte tussen honderd en vijfhonderd meter. A.6.
  14. De verzoekende partijen zijn ten slotte van mening dat het decreet van 14 maart 2024 niet evenredig is, in zoverre het niet beantwoordt aan het criterium van geschiktheid, noch aan het criterium van noodzakelijkheid of dat van evenredigheid in de strikte zin. Zij zijn van mening dat de exclusieve toe-eigening van de ondergrondse rijkdommen door sommigen, zonder enig voordeel voor de gemeenschap, het niet mogelijk maakt die rijkdommen als gemeenschappelijk erfgoed en in het algemeen belang te beheren. Zij voegen eraan toe dat het decreet a fortiori niet noodzakelijk kan zijn om dat doel te verwezenlijken en dat het niet als evenredig ermee kan worden beschouwd. A.7.
  15. De Waalse Regering brengt in herinnering dat artikel D.III.1, § 1, van het Wetboek erin voorziet dat een strategisch plan wordt opgesteld voor de ondergrondse rijkdommen, waarin het beheer van die rijkdommen wordt vastgesteld naargelang van de behoeften van het Gewest. Zij preciseert dat het aan de Regering staat te waken over de samenhang van dat strategisch plan met het nationaal exploitatieplan vastgelegd in de verordening (EU) 2024/1252 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 « tot vaststelling van een kader om een veilige en duurzame voorziening van kritieke grondstoffen te waarborgen, en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 168/2013, (EU) 2018/858, (EU) 2018/1724 en (EU) 2019/1020 ». Het strategisch plan heeft een programmatische dimensie met de definitie van de nagestreefde doelstellingen en de toegekende middelen, een ruimtelijke dimensie met de identificatie van afzettingen, en een planificatieve dimensie met de bepaling van de niet-beschikbare gebieden. Het plan heeft niet tot doel een bindende planning vast te leggen, behalve wat de niet-beschikbare gebieden betreft. De Waalse Regering is van mening dat daaruit blijkt dat het Wetboek een afdoend kader biedt voor de afgifte van exclusieve vergunningen. A.7.
  16. De Waalse Regering is van mening dat het middel, in zoverre het een eigendomsoverdracht aanklaagt, theoretisch is aangezien, ten eerste, de rijkdommen, door de diepte waarop zij zich bevinden, niet onder de draagwijdte van de bevoegdheden van de eigenaar van de oppervlakte vallen; aangezien, ten tweede, zelfs in de 5 veronderstelling dat de eigenaar kan beweren de rijkdommen te kunnen bereiken, zij niet nodig zouden zijn voor de uitoefening van diens bevoegdheden omdat zij, wegens hun insluiting vlak onder het individuele perceel, geenszins economisch rendabel zouden zijn; aangezien, ten derde, de eigenaar van de oppervlakte zich die rijkdommen enkel zou kunnen toe-eigenen door exploitant ervan te worden, op voorwaarde dat hij houder is van een exclusieve exploitatievergunning, hetgeen illusoir is. De Waalse Regering voegt eraan toe dat de kwestie van de eigendomsoverdracht, voor zover zij zich voordoet, op geldige wijze wordt afgebakend. A.7.
  17. De Waalse Regering herinnert ook eraan dat het decreet van 14 maart 2024 een doel van algemeen belang nastreeft, aangezien de ondergrondse stoffen behoren tot het gemeenschappelijk erfgoed van de inwoners en het Gewest ze in het algemeen belang beheert. Het decreet voert een systeem in waarin de exploitant wordt belast met de plicht om de ondergrondse rijkdommen te exploiteren ten behoeve van de economie, de industrie en de inwoners van het Gewest. Zij preciseert dat de procedure voor de afgifte van exclusieve vergunningen geschiedt via een mededinging die het mogelijk maakt zich ervan te vergewissen dat de kandidaat over voldoende technische en financiële middelen beschikt. A.7.
  18. De Waalse Regering is van mening dat de regeling inzake wettelijke erfdienstbaarheden van openbaar nut volledig verantwoord is, aangezien het, wegens de aard van de exploratie- en exploitatieactiviteiten, onvermijdelijk is dat zij zich uitstrekken tot andermans grond. Zij verwijst eveneens naar haar uitleg in antwoord op het derde middel. A.8.
  19. De verzoekende partijen zetten uiteen dat exclusieve exploratievergunningen kunnen worden verkregen zelfs indien het strategisch plan van de ondergrond niet is aangenomen. Aangezien de houder van de exploratievergunning krachtens artikel D.VI.31, eerste lid, van het Wetboek het recht heeft over de exploratieproducten te beschikken, kan een eigendomsoverdracht van de ondergrondse rijkdommen plaatsvinden zonder dat een strategisch plan van de ondergrond is aangenomen. Zij verwijzen overigens eveneens naar artikel D.VII.9 van het Wetboek, krachtens hetwelk de plaatsing, door de houder van een exploratievergunning, van installaties op een diepte van meer dan honderd meter ten voordele van die laatste een erfdienstbaarheid creëert waarvan het openbaar nut automatisch is. Zij besluiten dat de exclusieve exploratievergunning een eigendomsoverdracht van de ondergrondse rijkdommen mogelijk maakt, terwijl het strategisch plan van de ondergrond geenszins de wettelijke grondslag ervan is. Zij beklemtonen ten slotte dat de aanvraag voor een exclusieve exploitatievergunning kan worden ingediend vóór de aanneming van het strategisch plan, wanneer die aanvraag volgt op de uitvoering van een exclusieve exploratievergunning die aanleiding heeft gegeven tot een eindverslag dat aan de ambtenaar is uitgebracht. A.8.
  20. De verzoekende partijen zijn van mening dat de Waalse Regering, door te betogen dat het middel theoretisch is, in werkelijkheid het belang bij het middel betwist. Zij doen dienaangaande gelden dat, wanneer het belang bij het beroep niet wordt betwist, geen belang bij elk middel moet worden aangetoond. A.9.
  21. De Waalse Regering is van mening dat de draagwijdte van het middel, zoals het is geformuleerd, beperkt is tot de hypothese waarin de eigenaar van de oppervlakte ook de eigenaar van de ondergrond is, en dus tot de hypothese waarin de ondergrond overeenkomstig het Burgerlijk Wetboek nuttig is voor die eigenaar. Zij is van mening dat de verzoekende partijen de toe-eigening van de ondergrondse rijkdommen door een derde enkel kunnen aanklagen indien zij nuttig zijn voor de eigenaar van de oppervlakte die zich loodrecht erboven bevindt, wat veronderstelt dat hij over een exclusieve exploratie- en exploitatievergunning beschikt. Zij herhaalt dat die mogelijkheid theoretisch is. Zij is overigens van mening dat de verzoekende partijen slechts het opleggen van een erfdienstbaarheid van openbaar nut kunnen aanklagen indien de ondergrond voor de eigenaar van de oppervlakte een nut heeft voor andere elementen dan de rijkdommen. Zij beklemtoont in dat verband dat de gevallen van mededinging tussen een houder van een exclusieve vergunning en een eigenaar van de oppervlakte bijzonder beperkt zijn. A.9.
  22. De Waalse Regering preciseert dat het strategisch plan zal worden opgesteld op grond van verschillende andere bestaande plannen, waaronder de strategie voor de bevordering van diepe geothermie en het nationaal exploratieplan. Zij is van mening dat het hypothetisch is dat een exclusieve exploitatievergunning zou worden verleend voordat een strategisch plan is aangenomen en brengt in herinnering dat het strategisch plan als programma dient, maar niet ertoe strekt een wettelijke grondslag te vormen voor de afgifte van exclusieve exploratievergunningen. 6 Wat betreft het derde middel A.10.
  23. De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het decreet van 14 maart 2024 meerdere onverantwoorde verschillen in behandeling en gelijke behandelingen teweegbrengt. A.10.
  24. De verzoekende partijen voeren ten eerste aan dat artikel D.VII.3 van het Wetboek de houders van exploratie- en exploitatievergunningen voor de ondergrond tussen twintig en honderd meter diepte, die een wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut genieten voor de plaatsing van installaties en bouwwerken, en de houders van andere soorten vergunningen, die geen dergelijke erfdienstbaarheid genieten, verschillend behandelt, aangezien de eerstgenoemden ertoe zijn gemachtigd maatregelen tot afbraak van de in overtreding aangebrachte bouwwerken of beplantingen zonder rechterlijke machtiging uit te voeren, terwijl de laatstgenoemden zich tot een rechter moeten wenden om te laten vaststellen dat hun rechten zijn geschonden. Zij zijn van mening dat de begunstigden van die wettelijke erfdienstbaarheden van openbaar nut aldus buitensporige bevoegdheden hebben waarvan de noodzaak niet is aangetoond. De verzoekende partijen zijn van mening dat artikel D.VII.3 van het Wetboek eveneens een verschil in behandeling creëert tussen, enerzijds, de eigenaars van goederen die worden bezwaard met een wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut die is gevestigd om een exclusieve exploratie- en exploitatievergunning uit te voeren en, anderzijds, de eigenaars van goederen die niet door een dergelijke erfdienstbaarheid worden bezwaard, aangezien de bouwwerken en beplantingen die de eerstgenoemden in overtreding hebben aangebracht, op eenzijdige beslissing van de houder van de erfdienstbaarheid kunnen worden afgebroken, terwijl de laatstgenoemden kunnen rekenen op de voorafgaande tussenkomst van een rechter. Zij doen gelden dat de bestreden maatregel geenszins wordt verantwoord in de parlementaire voorbereiding. In de veronderstelling dat het nagestreefde doel erin bestaat de wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut op korte termijn te doen naleven, merken zij op dat de parlementaire voorbereiding niet toelaat te begrijpen hoe dat doel tot gevolg heeft dat aan de betrokken eigenaars de rechterlijke controle wordt ontzegd die voorafgaat aan de afbraak van hun goed door een privaatrechtelijk persoon. Zij zijn van mening dat die maatregel niet noodzakelijk is, aangezien een vordering zoals in kortgeding die openstaat voor de begunstigde van de erfdienstbaarheid, hetzelfde doel had kunnen bereiken. A.10.
  25. De verzoekende partijen doen ten tweede gelden dat artikel D.VI.5 van het Wetboek een verschil in behandeling teweegbrengt tussen natuurlijke personen en rechtspersonen ‒ twee categorieën in vergelijkbare situaties ‒, in zoverre de eerstgenoemden worden uitgesloten van de mogelijkheid om een exclusieve exploitatievergunning te verkrijgen. Zij merken op dat het doel van dat verschil in behandeling en de eventuele verantwoording ervan niet zijn geïdentificeerd. A.10.
  26. De verzoekende partijen klagen ten derde aan dat de artikelen D.VII.2 en D.VII.9 van het Wetboek een gelijke behandeling in het leven roepen van de gronden waarvan de toestand en bestemming het mogelijk maken de ondergrond op meer dan twintig meter diepte te gebruiken en van de gronden waarvan de toestand en bestemming een dergelijk gebruik niet mogelijk maken. Zij halen in dat verband het voorbeeld aan van een eigenaar van wie de ondergrond de mogelijkheid biedt om ondiepe geothermie aan te wenden, maar die de ondergrond daarvoor niet mag gebruiken omdat die laatste wordt bezwaard met een wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut voor de exploitatie van de rijkdommen door een derde, in het kader van een exclusieve vergunning. Hoewel zij op dezelfde wijze worden behandeld, ondergaan de vergeleken eigenaars de nadelen niet op dezelfde manier, doordat de eerstgenoemden hun grond niet zelf kunnen gebruiken. De verzoekende partijen zijn van mening dat niet voldoende rekening wordt gehouden met de bestemming van de grond in het kader van de vergoeding voor de vestiging van de erfdienstbaarheid, in zoverre zulks de gelijke behandeling van verschillende situaties niet tenietdoet. Zij zijn van mening dat het doel om de exploratie of de exploitatie van de ondergrond op een diepte tussen twintig en honderd meter mogelijk te maken, geenszins eraan in de weg staat dat de eigen kenmerken van de gronden waarop de erfdienstbaarheid rust, in aanmerking worden genomen. A.11.
  27. Wat betreft de door artikel D.VII.3 van het Wetboek veroorzaakte verschillen in behandeling, is de Waalse Regering van mening dat de door de verzoekende partijen vergeleken categorieën van vergunninghouders niet vergelijkbaar zijn en dat het middel op een verkeerd uitgangspunt berust, aangezien de exclusieve vergunningen geen vergunningen zijn, maar wel plannen of programma’s, waarvoor de vereiste vergunningen moeten worden verkregen om ze uit te voeren. Zij merkt bovendien op dat de verzoekende partijen niet uitleggen in welk opzicht het wenselijk zou zijn dat de houders van andere vergunningen ook het stelsel van de wettelijke erfdienstbaarheid genieten, terwijl de aard van de beoogde activiteiten fundamenteel verschillend is en enkel de exploratie en de exploitatie van de ondergrond het van nature noodzakelijk maken dat er kan worden uitgebreid 7 naar andermans grond. Zij brengt in herinnering dat de groeven zijn onderworpen aan de regeling van de globale vergunning van het decreet van het Waalse Gewest van 11 maart 1999 « betreffende de milieuvergunning » en dat zij eveneens, wegens de aard van de activiteiten ervan, onder een regeling vallen met betrekking tot het recht op gebruik en exploitatie van andermans grond en tot het recht op de aankoop van de ruilverkaveling en op de terbeschikkingstelling van gebouwen. De Waalse Regering voegt eraan toe dat de betwiste erfdienstbaarheid niet de omvang heeft die de verzoekende partijen eraan lijken te geven. Zij preciseert dat die erfdienstbaarheid niet geldt wanneer geen enkel eigendomsrecht wordt uitgeoefend en dat, tussen twintig en honderd meter diepte, de eigenaar van de oppervlakte over weinig gebruiksmogelijkheden beschikt. Zij herinnert eraan dat er geen erfdienstbaarheid is zonder een voorafgaande beslissing van de Waalse Regering waarbij de bezetting van andermans gronden van openbaar nut wordt verklaard, dat aan die beslissing een openbaar onderzoek voorafgaat en dat zij kan worden aangevochten voor de Raad van State. Zij beklemtoont overigens dat, behoudens in noodgevallen, de afbraak, de herstelling en de bewarende maatregelen niet van ambtswege mogen worden uitgevoerd door de begunstigde van de erfdienstbaarheid en dat de eigenaar van de grond geen enkele rechterlijke controle wordt ontzegd. Zij geeft ten slotte aan dat de last van de erfdienstbaarheid wordt gecompenseerd door het recht op een vergoeding, door de mogelijkheid voor de eigenaar om de begunstigde van de erfdienstbaarheid te verzoeken de bezette grond geheel of gedeeltelijk te kopen, door de mogelijkheid voor de eigenaar om te verkrijgen dat de installaties worden verplaatst of weggenomen teneinde bouwwerken op te richten, door de verplichting voor de begunstigde van de erfdienstbaarheid om de door hem veroorzaakte schade te herstellen, een bijdrage voor de gemeenten die zich binnen de omtrek van de exclusieve vergunning bevinden en door een bijdrage aan het gemeenschappelijk waarborgfonds voor het herstel van de schade ten gevolge van de exploitatie van ondergrondse rijkdommen. A.11.
  28. Wat artikel D.VI.5 van het Wetboek betreft, wijst de Waalse Regering met nadruk op het feit dat de activiteiten die het voorwerp uitmaken van een exclusieve exploitatievergunning aanzienlijke logistieke, technische en financiële middelen vereisen. Zij zet uiteen dat die vergunning wordt verleend na een selectieprocedure waarbij de kandidaten in mededinging treden, na een bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie, dat de aanvragen een milieueffectenrapport moeten bevatten en dat de beslissing met name een beheersplan en het bedrag van de bijbehorende zekerheid omvat. Zij voegt eraan toe dat de verplichtingen voor de houder van een exclusieve vergunning zwaar zijn. Zij voert bijgevolg aan dat de keuze om de exclusieve exploitatievergunning aan rechtspersonen voor te behouden, berust op de overweging dat die rechtspersonen het gepaste instrument zijn om de complexe economische activiteiten die de capaciteiten van een individu overschrijden, tot een goed einde te brengen. A.11.
  29. Wat de artikelen D.VII.2 en D.VII.9 betreft, begrijpt de Waalse Regering de grief niet. Zij preciseert echter dat het verschil tussen beide door de verzoekende partijen aangehaalde situaties voortvloeit uit de eigen kenmerken van de betrokken gronden en niet uit het bestreden decreet. A.12.
  30. De verzoekende partijen erkennen dat de exclusieve exploratie- of exploitatievergunningen een programmatisch gedeelte behelzen, maar zij zijn van mening dat zulks niet wegneemt dat die vergunningen het mogelijk maken een specifieke vergunning die onder het milieubeleid valt, tot uitvoer te brengen en dat zij een administratieve vergunning met individuele strekking vormen. Daaruit vloeit voort dat de houders ervan vergelijkbaar zijn met de houders van andere soorten vergunningen die krachtens de Waalse milieuwetgeving worden afgegeven. Zij merken op dat de begunstigde van de erfdienstbaarheid van ambtswege kan overgaan tot de afbraak, het herstel of het nemen van bewarende maatregelen na het verstrijken van de bij artikel D.VII.3 van het decreet van 14 maart 2024 vastgelegde termijn van dertig dagen, en voegen eraan toe dat de vereiste van aanmaning de door hen aangeklaagde discriminatie niet tenietdoet. A.12.
  31. Wat de aan rechtspersonen voorbehouden exclusiviteit betreft, zijn de verzoekende partijen van mening dat het doel van het verschil in behandeling ontbreekt. A.12.
  32. Wat de gelijke behandeling betreft van de gronden die al dan niet verenigbaar zijn met een exploitatie van de ondergrond, merken de verzoekende partijen op dat de Waalse decreetgever zich bewust was van de noodzaak om een gedifferentieerde behandeling voor te behouden aan verschillende situaties en dat hij daarbij in een vergoeding heeft voorzien voor de vestiging van een wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut voor een exploratie of een exploitatie tussen twintig en honderd meter diepte, maar dat die vergoeding niet voldoende rekening houdt met het tussen de vergeleken categorieën bestaande verschil. A.12.
  33. De verzoekende partijen merken op dat de schadeloosstelling van de eigenaars van de oppervlakte enkel betrekking heeft op de erfdienstbaarheden die zijn gevestigd in het kader van een exploratie of een exploitatie 8 tussen twintig en honderd meter diepte, en niet op de erfdienstbaarheden waarvan het openbaar nut automatisch wordt vastgesteld wanneer de exploratie of exploitatie op meer dan honderd meter diepte plaatsvindt. Zij preciseren dat de eigenaars van de oppervlakte niets te maken hebben met de bijdrage aan de gemeenten en voegen eraan toe dat het verband tussen de betaling aan het gemeenschappelijk waarborgfonds en het eigendomsrecht zeer indirect is. A.
  34. De Waalse Regering verwijst in essentie naar de argumentatie in haar eerste memorie. Wat betreft het vierde middel A.
  35. De verzoekende partijen leiden een vierde middel af uit de schending van artikel 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het wettigheidsbeginsel en met artikel 105 van de Grondwet. Zij zijn van mening dat de in de artikelen D.II.1, §§ 4 en 5, D.VI.51, D.VII.2, § 3, 1°, D.VII.3, tweede lid, D.VII.10 en D.XII.13, § 2, van het Wetboek vervatte machtigingen aan de Waalse Regering niet voldoende zijn geregeld door de Waalse decreetgever. A.
  36. De Waalse Regering gaat de door de verzoekende partijen bekritiseerde bepalingen na en doet gelden dat de erin vervatte machtigingen aan de uitvoerende macht betrekking hebben op doelen die voldoende door de Waalse decreetgever zijn bepaald. A.
  37. De verzoekende partijen herhalen hun kritiek ten aanzien van elk van de beoogde bepalingen. Zij zijn van mening dat de betrokken machtigingen overdreven ruim zijn, zodat niet kan worden gesteld dat het doel ervan voldoende precies is vastgesteld. -B- Ten aanzien van het bestreden decreet B.1.
  38. Het decreet van het Waalse Gewest van 14 maart 2024 « tot instelling van het Wetboek van het beheer van de ondergrondse rijkdommen » (hierna : het decreet van 14 maart 2024) voegt het decreetgevend gedeelte van boek 3 in het Milieuwetboek in. Dat boek vormt het Wetboek van het beheer van de ondergrondse rijkdommen (hierna : het Wetboek). Het decreetgevend gedeelte van het Wetboek telt twaalf delen, die in titels zijn onderverdeeld en de artikelen D.I.1 tot D.XII.13 omvatten. Het Wetboek « beoogt een duidelijk en nauwkeurig kader in te voeren voor de activiteiten en installaties die nodig zijn voor de exploitatie van ondergrondse rijkdommen, in de ruime zin van het woord en niet enkel in de zin van ‘ natuurlijke rijkdommen ’, waarvan het beleid krachtens artikel 6, § 1, VI, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen aan de gewesten wordt toegekend » (Parl. St., Waals Parlement, 2023-2024, nr. 1510/1, p. 3). Het Wetboek bevestigt het beginsel volgens hetwelk de ondergrondse strategische stoffen in het Gewest het « gemeenschappelijk erfgoed van zijn inwoners » zijn 9 (artikel D.I.1, § 1, eerste lid, van het Wetboek) die in het algemeen belang door het Gewest worden beheerd (artikel D.I.2, eerste lid, van het Wetboek). B.1.
  39. Met dat Wetboek streeft de decreetgever de volgende doelstellingen na : « Zowel om redenen van economische ontwikkeling als om milieuredenen is het belangrijk om voldoende kennis te vergaren over het – nog grotendeels onbekende – potentieel van de Waalse ondergrond, met name op het vlak van gas en geothermie. Rekening houdend met de sommen die moeten worden geïnvesteerd voor de exploratie van dergelijke afzettingen, is het noodzakelijk om het initiatief van private operatoren die kandidaat zijn voor de exploratie, aan te moedigen. We stellen vast dat nieuwe private investeerders zich aandienen, nieuwe stoffen te ontginnen zijn en nieuwe technieken en nieuwe toepassingen opkomen. Het zoeken naar de potentiële mogelijkheden die de Waalse ondergrond biedt, dient bijgevolg te worden aangemoedigd en technologieën moeten worden ontwikkeld, met inachtneming van het leefmilieu. […] Wallonië aantrekkelijker maken én een hoog niveau van milieubescherming waarborgen, vereist vanzelfsprekend een duidelijk, samenhangend en makkelijk toepasbaar juridisch kader zowel voor de kandidaat-investeerders als voor de administratieve overheid; dat is vandaag niet het geval en is het voorwerp van het ontworpen Wetboek » (Parl. St., Waals Parlement, 2023- 2024, nr. 1510/1, p. 7). B.1.
  40. Het Wetboek breekt met de vroegere mijnwetgeving, die steunde op een systeem van concessies waarbij de eigendom werd opgesplitst, en voert « een exclusiviteitsregeling [in] ten aanzien van een ondergronds gebied, die onontbeerlijk is om de investeringszekerheid, en dus publieke en private initiatieven, te waarborgen » (ibid., p. 3). De exploratie en de exploitatie van alle rijkdommen bedoeld in artikel D.I.1, § 2, eerste lid, 1° tot 4°, maken het voorwerp uit van een exclusieve vergunning, die de houder ervan het recht geeft om gedurende een bepaalde termijn de exploratie- of exploitatieactiviteiten, in een deel van de ondergrond, alleen uit te oefenen, afgezien van het feit of die houder al dan niet eigenaar is van de grond waaronder die activiteiten worden ontplooid. Die maatregel heeft tot doel de zeer aanzienlijke noodzakelijke investeringen veilig te stellen (ibid., pp. 17 en 30), door aan de vergunninghouder de exclusiviteit toe te kennen van de opsporings- of extractieactiviteiten op een deel van de ondergrond waarvan hij niet de eigenaar is of wordt. Voor de fysieke ondergrondse werkzaamheden, zoals het maken van boorgaten, de installaties en de extracties, moet de houder van de exclusieve vergunning, naargelang van het geval, eveneens een milieuvergunning, een stedenbouwkundige vergunning of een globale vergunning verkrijgen. 10 Ten aanzien van de omvang van het beroep B.2.
  41. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van het decreet van 14 maart 2024, « of op zijn minst van de artikelen D.II.1, D.VI.1, D.VI.3, D.VI.4, D.VI.5, D.VI.12 tot D.VI.54, D.VII.1, D.VII.2, D.VII.3, D.VII.9, D.VII.10 en D.XII.13 » van het Wetboek, zoals het is ingevoegd bij artikel 1 van het voormelde decreet. B.2.
  42. Het Hof bepaalt de omvang van het beroep tot vernietiging aan de hand van de inhoud van het verzoekschrift en in het bijzonder op basis van de uiteenzetting van de middelen. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de bepalingen waartegen daadwerkelijk grieven zijn gericht. Het Hof kan alleen die bepalingen vernietigen en, in voorkomend geval, de bepalingen die onlosmakelijk zijn verbonden met de bepalingen die moeten worden vernietigd. B.2.
  43. Uit de uiteenzetting van de middelen blijkt dat de door de verzoekende partijen geformuleerde grieven zijn gericht tegen de artikelen D.II.1, §§ 4 en 5, D.VI.3, D.VI.5, D.VI.12, D.VI.31, D.VI.35, D.VI.51, D.VII.1, D.VII.2, D.VII.3, D.VII.9, D.VII.10 en D.XII.13, § 2, van het Wetboek. Het Hof beperkt bijgevolg zijn onderzoek tot die bepalingen. Indien het Hof echter zou oordelen dat een of meerdere middelen gegrond zijn, zouden andere bepalingen van het decreet van 14 maart 2024 kunnen worden vernietigd indien zou blijken dat zij onlosmakelijk verbonden zijn met de voormelde bepalingen. Ten gronde Wat betreft het eerste middel B.3.
  44. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending van de artikelen 35 en 39 van de Grondwet en van artikel 6 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Zij klagen aan dat het decreet van 14 maart 2024 de omvang van het eigendomsrecht preciseert, door de draagwijdte ervan op het vlak van de diepte mathematisch af te bakenen, hetgeen afbreuk zou doen aan de bevoegdheid van de federale overheid om het eigendomsrecht te definiëren. 11 B.3.
  45. Uit de uiteenzetting van dat middel blijkt dat het is gericht tegen de artikelen D.VII.1 en D.VII.2 van het Wetboek, die bepalen : « Art. D.VII.
  46. De houder van een exclusieve vergunning voor de exploitatie van ondergrondse rijkdommen moet beschikken over zakelijke rechten op de gronden die ondergrondse activiteiten en installaties omvatten die nodig zijn voor de exploitatie van ondergrondse rijkdommen tot en met een diepte van twintig meter. In afwijking van lid 1 moet de houder van een exclusieve vergunning voor de exploitatie van ondergrondse rijkdommen met betrekking tot een dagbouwmijn hetzij een zakelijk recht, hetzij een door de houder van zakelijke rechten verleend genotsrecht hebben. […] Art. D.VII.
  47. §
  48. Voor oppervlakteactiviteiten en installaties of werken en ondergrondse activiteiten en installaties of werken tussen twintig meter en honderd meter diepte, zowel binnen als buiten de omtrek bepaald door de exclusieve exploratie- of exploitatievergunning, alsook voor communicatieroutes en private leidingen voor vloeistoffen of energietransport, kan de Regering, na een openbaar onderzoek overeenkomstig Boek 1 van het Milieuwetboek, beslissen dat het in het openbaar belang is om deze installaties of werken op te richten en deze activiteiten uit te voeren onder, op of boven private gronden of private eigendommen. Met deze verklaring van algemeen nut mag de netbeheerder in het belang van wie ze wordt gedaan, dergelijke installaties onder, op of boven deze private gronden oprichten, erop toezicht houden en de voor hun werking en onderhoud nodige werken uitvoeren onder de in voornoemde verklaring bepaalde voorwaarden. Met de werkzaamheden mag niet eerder worden begonnen dan twee maanden na de datum van kennisgeving per aangetekende post aan de belanghebbende houders van zakelijke rechten en huurders. §
  49. De begunstigde van de in paragraaf 1 bedoelde erfdienstbaarheid moet een vergoeding betalen ten gunste van de eigenaar van het met deze erfdienstbaarheid bezwaarde fonds of van de houders van aan dit fonds gebonden zakelijke rechten. De vergoeding wordt in één keer uitbetaald en geldt als forfaitaire vergoeding. In geval van onverdeeldheid tussen de houders van zakelijke rechten op de met de erfdienstbaarheid bezwaarde grond wordt het bedrag van de forfaitaire vergoeding onder hen verdeeld naar rato van hun respectieve quotiteiten in de onverdeeldheid. In geval van verdeling van het eigendomsrecht i.v.m de met die erfdienstbaarheid bezwaarde grond wordt het bedrag van de forfaitaire vergoeding uitbetaald aan de houder van het zakelijk genotsrecht op bedoeld gebouw, onverminderd het eventuele beroep van de blote eigenaar, de erfpachter of de grondeigenaar tegen deze houder van het zakelijk recht op grond van de regels van het burgerlijk recht die hun relaties regelen. 12 Als een bezette grond met een contractuele of wettelijke erfdienstbaarheid bezwaard is, wordt de forfaitaire vergoeding volledig uitbetaald aan de eigenaar van het bezwaarde erf, onverminderd het eventuele beroep van de begunstigde van de bestaande erfdienstbaarheid tegen deze eigenaar op grond van de regels van burgerlijk recht die hun relaties regelen. […] ». Bij het onderzoek van het middel dient rekening te worden gehouden met artikel D.VII.9 van hetzelfde Wetboek, dat bepaalt : « De plaatsing van ondergrondse installaties of bouwwerken die nodig zijn voor de exploitatie van ondergrondse rijkdommen dieper dan honderd meter en de uitvoering van daarmee verband houdende werkzaamheden vormen een wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut, waarbij de houder van de exclusieve exploratie- of exploitatievergunning [verantwoordelijk] is voor het toezicht daarop en voor de uitvoering van de werkzaamheden die nodig zijn voor de werking en het onderhoud ervan ». B.3.
  50. Die bepalingen regelen het gebruik van de ondergrond op een andere manier naargelang van de diepte en de omvang van de gevolgen die de ondergrondse activiteit kan hebben op het genot van de grond door de eigenaar ervan (Parl. St., Waals Parlement, 2023- 2024, nr. 1510/1, p. 34). De decreetgever was van oordeel dat de exploitatieactiviteit potentieel de grootste impact heeft wanneer zij plaatsvindt op een diepte tussen nul en twintig meter onder de oppervlakte (ibid., p. 64), en hij heeft daarom de houder van de exclusieve vergunning ertoe verplicht de zakelijke rechten op de grond te verwerven. Daarentegen, wanneer de activiteiten op meer dan twintig meter diepte plaatsvinden, wordt een wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut gevestigd ten voordele van de houder van de exclusieve vergunning om het hem mogelijk te maken de installaties of bouwwerken op te richten die noodzakelijk zijn voor de ondergrondse activiteit onder private gronden. Het decreet regelt daarnaast ook de mogelijkheid van een wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut voor de bovengrondse activiteiten en installaties of bouwwerken. B.3.
  51. De verzoekende partijen leiden uit die bepalingen af dat de decreetgever de diepte tot waar het grondeigendomsrecht in Wallonië zich uitstrekt, op twintig meter heeft vastgesteld. B.4.
  52. Artikel 35 van de Grondwet bepaalt : 13 « De federale overheid is slechts bevoegd voor de aangelegenheden die de Grondwet en de wetten, krachtens de Grondwet zelf uitgevaardigd, haar uitdrukkelijk toekennen. De gemeenschappen of de gewesten zijn, ieder wat hem betreft, bevoegd voor de overige aangelegenheden onder de voorwaarden en op de wijze bepaald door de wet. Deze wet moet worden aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid. Overgangsbepaling De wet bedoeld in het tweede lid bepaalt de dag waarop dit artikel in werking treedt. Deze dag kan niet voorafgaan aan de dag waarop het nieuw in titel III van de Grondwet in te voegen artikel in werking treedt dat de exclusieve bevoegdheden van de federale overheid bepaalt ». De wet bedoeld in het tweede lid van artikel 35 van de Grondwet is nog niet aangenomen. Die grondwetsbepaling is dus nooit in werking getreden, zodat het Hof niet bevoegd is om zich uit te spreken over de naleving ervan. In zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 35 van de Grondwet, is het eerste middel niet ontvankelijk. B.4.
  53. Artikel 39 van de Grondwet bepaalt : « De wet draagt aan de gewestelijke organen welke zij opricht en welke samengesteld zijn uit verkozen mandatarissen de bevoegdheid op om de aangelegenheden te regelen welke zij aanduidt met uitsluiting van die bedoeld in de artikelen 30 en 127 tot 129 en dit binnen het gebied en op de wijze die zij bepaalt. Deze wet moet worden aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid ». B.4.
  54. Artikel 6 van de voormelde bijzondere wet van 8 augustus 1980 somt de in artikel 39 van de Grondwet bedoelde aangelegenheden op. De definitie van het eigendomsrecht en de afbakening van de omvang van de grondeigendom zijn niet in die opsomming vermeld. Daaruit volgt dat de definitie van het eigendomsrecht met betrekking tot onroerende goederen en de vaststelling van de verticale omvang ervan onder de residuaire bevoegdheid van de federale wetgever vallen. B.5.
  55. De federale wetgever heeft zijn bevoegdheid inzake de definitie van de verticale omvang van het grondeigendomsrecht uitgeoefend, zoals bedoeld in artikel 3.63 van het Burgerlijk Wetboek, dat artikel 552 van het oud Burgerlijk Wetboek vervangt en dat bepaalt : 14 « Onder voorbehoud van andere bepalingen in dit Boek, strekt het eigendomsrecht op de grond zich enkel uit tot een hoogte boven of diepte onder de grond die voor de eigenaar nuttig kan zijn voor de uitoefening van zijn bevoegdheden. Hij kan zich bijgevolg niet verzetten tegen een gebruik door een derde op een hoogte of een diepte waarop de actuele eigenaar, gelet op de bestemming en de toestand van de grond, redelijkerwijze geen gebruiksbevoegdheid zou kunnen uitoefenen. Een eigenaar kan in overeenstemming met de wet op, boven en onder de grond bouwwerken of beplantingen aanbrengen ». B.5.
  56. De toelichting bij het wetsvoorstel houdende de invoeging van boek 3, met als opschrift « Goederen », in het nieuw Burgerlijk Wetboek vermeldt : « Deze regel heeft tot doel om de […] uitgestrektheid van de grondeigendom te vervolmaken. Eigendom is uiteraard niet beperkt tot de conceptuele aardkorst, maar omvat ook de ruimte boven de grond en de ondergrond. Anders zou de mogelijkheid om bouwwerken of beplantingen aan te brengen, illusoir zijn. Wanneer in dit voorstel de grond wordt geregeld, wordt dus de [driedimensionele] ruimte geviseerd. De voorgestelde bepaling spoort met de gegroeide opvatting rond de hoogte en de diepte van het eigendomsrecht. Onder het oude recht aanvaardde men dat eigendomsrecht zich ook tot een absolute hoogte en diepte uitstrekte (‘ usque ad coelum, usque ad infera ’). Deze opvatting is echter verlaten ten voordele van een functionele eigendomshoogte en -diepte. De eigendomssfeer laat zich dus niet mathematisch afbakenen, maar wordt bepaald in functie van de bestemming en de toestand van de grond. Hiervoor dient rekening te worden gehouden met de reële of potentiële exploitatiemogelijkheden vanwege de eigenaar, in het licht van de economische, stedenbouwkundige en bouwfysische gegevens van de grond » (Parl. St., Kamer, B.Z. 2019, DOC 55-0173/001, pp. 155-156). B.6.
  57. Uit de memorie van toelichting van het bestreden decreet blijkt dat de decreetgever rekening heeft gehouden met de nieuwe definitie van de verticale grondeigendom die de federale wetgever heeft aangenomen : « Om de verenigbaarheid [van de regeling van het ontworpen decreet] met de opvatting van de verticale omvang van de eigendom in het nieuw Burgerlijk Wetboek te beoordelen, moet bij de lezing van de tekst worden vastgesteld dat er dus een dieptegrens bestaat waaronder het eigendomsrecht ‘ zich niet meer uitstrekt ’, krachtens de bewoordingen van artikel 3.
  58. Het is dus niet de loutere mogelijkheid voor de eigenaar van de oppervlakte om er bepaalde handelingen uit te voeren of om zich tegen andermans gebruik ervan, die erin beperkt zou zijn, te verzetten, maar het is wel degelijk de omvang van het eigendomsrecht zelf die word geviseerd. […] Opdat het Waalse Gewest zijn bevoegdheden inzake het beheer van de exploitatie van strategische ondergrondse rijkdommen kan uitoefenen, moet een grens worden vastgesteld waarop het eigendomsrecht van de eigenaar van de oppervlakte ophoudt en waar de grens van de gewestelijke eigendom begint. 15 Om de ingevoerde regeling samenhangend en praktisch werkbaar te maken, is het onontbeerlijk om die grens in het algemeen en in abstracto vast te stellen. Die grens moet echter worden bepaald met inachtneming van het Burgerlijk Wetboek naargelang van ‘ de bestemming en de toestand van de grond ’ of, volgens de wetgever, naargelang van ‘ de reële of potentiële exploitatiemogelijkheden voor de eigenaar, in het licht van de economische, stedenbouwkundige en bouwfysische gegevens van de grond ’, die worden toegepast op de aangelegenheid van de exploitatie van de voormelde strategische ondergrondse rijkdommen. De gekozen optie, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende vereiste rechten of rechten die kunnen worden verworven naargelang van de diepte, komt aldus op passende wijze ermee overeen » (Parl. St., Waals Parlement, 2023-2024, nr. 1510/1, p. 15). en : « Het standpunt van de federale wetgever [in de memorie van toelichting van artikel 3.63 van het Burgerlijk Wetboek] sluit dus grotendeels aan bij dat van de Waalse decreetgever via dat Wetboek van het beheer van de ondergrondse rijkdommen : de loskoppeling van de grond en de ondergrond door de creatie van een nieuwe ondergrondse onroerende eigendom, voor de duur van de exploitatie van de mijn, is thans achterhaald, wetende dat de verticale omvang van de eigendom wordt afgebakend door de werkelijke potentiële mogelijkheden voor de eigenaar naargelang van de in beschouwing genomen aangelegenheid » (ibid., p. 32). B.6.
  59. Met betrekking tot het feit dat een verschillende regeling geldt naargelang de exploratie en de exploitatie op minder of meer dan twintig meter diepte plaatsvinden, wordt in de memorie van toelichting vermeld : « Er moet van worden uitgegaan dat, tot twintig meter diepte, de eigenaar van de grond over aanzienlijke gebruiksmogelijkheden beschikt, zodat redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de eigendom van de rijkdommen niet tot minder dan twintig meter diepte mag worden beperkt. Daarnaast moet worden vastgesteld, enerzijds, dat de diepte van twintig meter het mogelijk maakt de voornaamste bovengrondse activiteiten en installaties, met inbegrip van funderingen en ondergrondse ruimtes, uit te voeren en, anderzijds, dat de exploitatie van die rijkdommen op meer dan twintig meter diepte financiële en logistieke middelen en technische vaardigheden vergt waarover weinig personen beschikken. […] Die grens van twintig meter heeft enkel betrekking op de eigendom van die rijkdommen en niet op alle aspecten van de eigendom » (ibid., p. 15). B.6.
  60. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft gepreciseerd dat zij het volledige voorontwerp van decreet heeft onderzocht in het licht van de wijziging, door de federale wetgever, van de definitie van het begrip « eigendom » ingevolge de wet van 4 februari 2020 « houdende boek 3 ‘ Goederen ’ van het Burgerlijk Wetboek », en in het bijzonder van artikel 3.63 van dat Wetboek. Zij heeft geen enkele bijzondere opmerking 16 geformuleerd over de bevoegdheid van de decreetgever om het recht op verticale grondeigendom te definiëren. B.7.
  61. De bestreden bepalingen hebben niet tot doel, noch tot gevolg de verticale omvang van het grondeigendomsrecht in het Waalse Gewest te definiëren of om dat recht te beperken tot een diepte van twintig meter onder de oppervlakte. Door te bepalen dat de houder van een exclusieve vergunning die hem het recht verleent de ondergrondse rijkdommen te exploiteren op een diepte tussen nul en twintig meter onder de oppervlakte, moet beschikken over de zakelijke rechten op de gronden waarop de activiteiten en de installaties die nodig zijn voor die exploitatie plaatsvinden, heeft de decreetgever rekening gehouden met de overlast en de verstoring van het genot van de oppervlakte die dergelijke activiteiten teweegbrengen voor de eigenaar van die grond. Hij vermocht ervan uit te gaan dat de omvang van die overlast en verstoring van dien aard was dat hij niet adequaat kon worden opgevangen door de vestiging van een erfdienstbaarheid en de daarmee samenhangende compensaties, maar dat hij wel de verwerving van zakelijke rechten op de grondeigendom rechtvaardigde. Voor de exploratie- of exploitatieactiviteiten op meer dan twintig meter diepte kon de decreetgever daarentegen oordelen dat de overlast en de verstoring van het genot voor de eigenaar van de grond op adequate wijze konden worden opgevangen door de vestiging van een erfdienstbaarheid van openbaar nut en de ermee samenhangende waarborgen en compensaties. B.7.
  62. De decreetgever stelt zodoende niet de diepte van het grondeigendomsrecht in het Waalse Gewest vast op twintig meter op het gehele grondgebied van het Gewest, noch op de delen ervan waaronder de in het Wetboek bedoelde rijkdommen zich bevinden waarvoor exclusieve exploratie- of exploitatievergunningen worden of zullen worden afgegeven in de toekomst. De bestreden bepalingen beletten immers geenszins dat artikel 3.63 van het Burgerlijk Wetboek op het hele grondgebied van het Gewest wordt toegepast, rekening houdend met de reële of potentiële exploitatiemogelijkheden van de eigenaar. Het eigendomsrecht van de houder van een vergunning die hem een exclusief recht verleent om de rijkdommen op minder dan twintig meter diepte te exploiteren, die houder moet zijn van de zakelijke rechten op de oppervlakte, wordt aldus verticaal beperkt door de uitoefening van zijn bevoegdheden, overeenkomstig de bestemming en de toestand van de grond. Naargelang van de toestand kan die grens op een diepte van meer of minder dan twintig meter worden vastgesteld. Het recht van de eigenaar van een grond bezwaard met een erfdienstbaarheid van 17 openbaar nut die is gevestigd ten voordele van de houder van een exclusieve vergunning voor de exploratie of de exploitatie van rijkdommen die zich op meer dan twintig meter onder de oppervlakte bevinden, strekt zich evenzo uit tot een diepte die wordt bepaald door de uitoefening van de bevoegdheden van die eigenaar, die zich, naargelang van de bestemming en het gebruik van de grond, kan uitstrekken tot een diepte van meer of minder dan twintig meter. Door in een verschillende regeling te voorzien al naargelang de activiteiten inzake de exploratie en exploitatie van de ondergrond op meer of minder dan twintig meter diepte plaatsvinden, wijzigt de decreetgever bijgevolg noch de definitie van het eigendomsrecht op een onroerend goed, noch de beperking in de diepte van de grondeigendom. B.7.
  63. Een onderscheid moet overigens worden gemaakt tussen de eigendom van de grond waaronder en waarop exploratie- of exploitatieactiviteiten plaatsvinden en het eigendomsrecht op de ontgonnen stoffen. De verkrijging van de eigendom van de rijkdommen die de houder van de exclusieve exploratie- of exploitatievergunning heeft ontgonnen, vloeit voort uit de artikelen D.VI.31, eerste lid, en D.VI.35, § 1, eerste lid, van het Wetboek. Die bepalingen en de erin vastgestelde verkrijging van de eigendom van de ontgonnen rijkdommen maken het voorwerp uit van het tweede middel. Het feit dat de houder van de exclusieve exploratie- of exploitatievergunning de eigendom van de rijkdommen verwerft, heeft geen enkele weerslag op de omvang in de diepte van het eigendomsrecht van de eigenaar van de grond waaronder de stoffen zich bevonden en waar zij zijn ontgonnen. Bijgevolg, door te bepalen dat de eigendom van de ontgonnen rijkdommen toekomt aan de houder van de exclusieve exploratie- of exploitatievergunning, wijzigt de decreetgever noch de definitie van het eigendomsrecht op een onroerend goed, noch de beperking in de diepte van de grondeigendom. B.7.
  64. In tegenstelling tot wat de Ministerraad stelt, kent het decreet van 14 maart 2024 bovendien het Waalse Gewest niet de volle eigendom toe van de ondergrondse rijkdommen dieper dan twintig meter. B.
  65. Het eerste middel is niet gegrond. 18 Wat betreft het tweede middel B.9.
  66. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending van artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (hierna : het Eerste Aanvullend Protocol). Dat middel heeft betrekking op de regeling van exclusieve vergunningen in zoverre die laatste, enerzijds, veronderstellen dat de houder van de vergunning zich de ondergrondse rijkdommen toe-eigent en, anderzijds, de vestiging inhouden van erfdienstbaarheden van openbaar nut ten voordele van de houder ervan. De verzoekende partijen klagen aan dat die regeling een beperking inhoudt, zonder enige voldoende nauwkeurige, voorzienbare en bepaalde wettelijke grondslag, van het eigendomsrecht van de eigenaar van de grond waaronder de exploratie- of exploitatieactiviteiten plaatsvinden. Voorts verwijten zij die regeling dat zij aan een welbepaalde categorie van personen lasten oplegt die zwaarder zijn dan die welke een particulier mogelijkerwijs moet dragen in het algemeen belang, door erfdienstbaarheden van openbaar nut te creëren waarmee de gronden waaronder de exploratie- of exploitatieactiviteiten van de erfdienstbaarheden van openbaar nut plaatsvinden, worden bezwaard. B.9.
  67. In zoverre dat middel betrekking heeft op de toe-eigening van de door de houder van de exploratie- of exploitatievergunning ontgonnen rijkdommen, is het gericht tegen de artikelen D.VI.31, eerste lid, en D.VI.35, § 1, van het Wetboek, die bepalen : « Art. D.VI.
  68. Met inachtneming van de algemene verplichtingen van houders van exclusieve vergunningen en de specifieke voorwaarden van de vergunning heeft elke houder van een exclusieve exploratievergunning het recht over de exploratieproducten te beschikken, maar uitsluitend na vaststelling door de ambtenaar voor de ondergrond en mits de exploratieactiviteiten en -installaties zelf zijn toegestaan en uitgevoerd in overeenstemming met de bepalingen van de milieuvergunning of -verklaring ». « Art. D.VI.35.
  69. §
  70. Behoudens de algemene verplichtingen van houders van exclusieve vergunningen en de specifieke voorwaarden van de vergunning, is elke houder van een exclusieve exploitatievergunning eigenaar van de exploitatieproducten die onder de vergunning vallen, op voorwaarde dat de exploitatieactiviteiten en -installaties zelf naar behoren zijn toegestaan. De houder van de exclusieve exploitatievergunning mag [beschikken over] niet onder de exclusieve vergunning vallende stoffen waarvan de winning noodzakelijkerwijs voortvloeit uit de [werkzaamheden], alsmede van het opgepompte water, met uitzondering van de mijnbouwstoffen, vermeld in artikel D.I.5, 15° ». 19 B.9.
  71. In zoverre dat middel betrekking heeft op de erfdienstbaarheden van openbaar nut die rusten op de grond waaronder de exploratie- of exploitatieactiviteiten worden ontplooid, is het gericht tegen de artikelen D.VII.2 tot D.VII.9 van het Wetboek. Krachtens artikel D.VII.2 kan de Waalse Regering, na een openbaar onderzoek overeenkomstig boek 1 van het Milieuwetboek, besluiten dat het ten algemenen nutte is om « oppervlakteactiviteiten en installaties of werken en ondergrondse activiteiten en installaties of werken tussen twintig meter en honderd meter diepte, zowel binnen als buiten de omtrek bepaald door de exclusieve exploratie- of exploitatievergunning […] op te richten ». Met die verklaring van algemeen nut heeft de houder van de exclusieve vergunning het recht om dergelijke installaties onder, op of boven private gronden of private eigendommen op te richten, erop toezicht te houden en de voor hun werking en onderhoud nodige werken uit te voeren onder de door de Regering bepaalde voorwaarden. De begunstigde van de erfdienstbaarheid is aan de eigenaar van de met die erfdienstbaarheid bezwaarde grond een forfaitaire vergoeding verschuldigd, die door de Regering wordt berekend volgens de in paragraaf 3 van artikel D.VII.2 van het Wetboek bepaalde formule. De vestiging van de erfdienstbaarheid verleent aan de houder ervan het recht om de bouwwerken en de beplantingen af te breken die zijn aangebracht in overtreding met de verbodsbepalingen en voorschriften die de Regering heeft vastgelegd bij de toekenning van de exclusieve vergunning en die in acht moeten worden genomen door eenieder die handelingen en werken uitvoert, laat uitvoeren of van plan is uit te voeren in de nabijheid van de installaties van de houder van de exclusieve vergunning (artikel D.VII.3). De eigenaar van de grond waarop de erfdienstbaarheid rust, kan de begunstigde van de erfdienstbaarheid verzoeken de bezwaarde grond geheel of gedeeltelijk te kopen (artikel D.VII.4). Bij gebrek aan een akkoord kan de houder van de exclusieve vergunning door de Regering gemachtigd worden om op zijn kosten de nodige onteigeningen uit te voeren, in naam van het Gewest of in eigen naam indien hij over die bevoegdheid beschikt (artikel D.VII.7). Krachtens artikel D.VII.9 van het Wetboek vormen de plaatsing van ondergrondse installaties of bouwwerken die nodig zijn voor de exploitatie van ondergrondse rijkdommen op dieper dan honderd meter en de uitvoering van daarmee verband houdende werkzaamheden, van rechtswege, een wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut. B.10.
  72. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt : 20 « Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ». Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bepaalt : « Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren ». Aangezien artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol een draagwijdte heeft die analoog is met die van artikel 16 van de Grondwet, vormen de erin vervatte waarborgen een onlosmakelijk geheel met die welke zijn opgenomen in artikel 16 van de Grondwet, zodat het Hof, bij zijn toetsing van de bestreden bepalingen, ermee rekening houdt. B.10.
  73. Artikel 1 van het voormelde Protocol biedt niet alleen bescherming tegen een onteigening of een eigendomsberoving (eerste alinea, tweede zin), maar ook tegen elke verstoring van het genot van de eigendom (eerste alinea, eerste zin) en elke regeling van het gebruik van de eigendom (tweede alinea). B.10.
  74. Een inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom is verantwoord indien erin is voorzien bij een voldoende toegankelijke, nauwkeurige en voorzienbare juridische grondslag (EHRM, 14 mei 2013, N.K.M. t. Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2013:0514JUD006652911, § 48; 21 juli 2016, Mamatas e.a. t. Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2016:0721JUD006306614, § 98), indien zij een legitiem publiek of algemeen belang nastreeft (EHRM, grote kamer, 13 december 2016, Béláné Nagy t. Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD005308013, § 113) en indien zij een redelijk verband van evenredigheid heeft met het nagestreefde doel, dat wil zeggen indien zij het billijke evenwicht tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van dat recht niet verbreekt (ibid., § 115). 21 De toe-eigening van de ondergrondse rijkdommen door de houder van de exclusieve vergunning B.11.
  75. De artikelen D.VI.31, eerste lid, en D.VI.35, § 1, eerste lid, van het Wetboek bepalen dat de houder van de exclusieve exploratievergunning het recht heeft om over de exploratieproducten te beschikken en dat de houder van de exclusieve exploitatievergunning eigenaar is van de exploitatieproducten. Die bepalingen kunnen slechts een beroving of een beperking vormen van het eigendomsrecht van de eigenaar van de grond die zich loodrecht boven de holten bevindt waaruit die producten zijn ontgonnen, in zoverre het eigendomsrecht van die eigenaar zich uitstrekt tot een diepte die die holten omvat. B.11.
  76. Overeenkomstig het in B.5.1 aangehaalde artikel 3.63 van het Burgerlijk Wetboek wordt het grondeigendomsrecht in de diepte beperkt door de nuttige uitoefening van de gebruiksbevoegdheden van de eigenaar, gelet op de bestemming en de toestand van de grond. Om aanspraak te kunnen maken op een eigendomsrecht op de ondergrondse rijkdommen die zich loodrecht onder zijn eigendom bevinden, moet de eigenaar van de grond dus aantonen dat hij zijn grond op die diepte nuttig kan gebruiken. Aangezien het nuttige gebruik van zijn eigendom per hypothese bestaat uit de exploratie of de exploitatie van de ondergrondse rijkdommen, moet hij daarvoor over een exclusieve vergunning en, in voorkomend geval, over de vereiste milieuvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen of globale vergunningen beschikken. Daaruit vloeit voort dat de eigenaar van de oppervlakte die beweert dat zijn eigendomsrecht zich in de diepte uitstrekt tot de afzettingen van ondergrondse rijkdommen, noodzakelijkerwijs eveneens over de exclusieve exploratie- of exploitatievergunning moet beschikken. Wat hem betreft, doen de bepalingen die voorzien in de toe-eigening van de ontgonnen rijkdommen door de houder van de exclusieve vergunning dus geen afbreuk aan zijn eigendomsrecht. B.11.
  77. Omgekeerd kan de grondeigenaar die niet kan aantonen dat de nuttige uitoefening van zijn bevoegdheden zich uitstrekt tot een diepte die de holten omvat waar de onder de exclusieve vergunning van een derde vallende rijkdommen zich bevinden, niet voorhouden dat zijn eigendomsrecht wordt beperkt door de toe-eigening van die rijkdommen door die derde. 22 B.11.
  78. De artikelen D.VI.31, eerste lid, en D.VI.35, § 1, eerste lid, van het Wetboek, in zoverre zij bepalen dat de houder van de exclusieve exploratievergunning het recht heeft over de exploratieproducten te beschikken en dat de houder van de exclusieve exploitatievergunning eigenaar is van de exploitatieproducten, doen geen afbreuk aan het eigendomsrecht van de eigenaar van de grond boven de afzettingen die het voorwerp uitmaken van de exploratie- of exploitatieactiviteiten. De erfdienstbaarheden van openbaar nut B.
  79. De artikelen D.VII.2 tot D.VII.8 van het Wetboek, in zoverre zij voorzien in de mogelijkheid voor de Waalse Regering om tot het bestaan van een algemeen nut te besluiten, en artikel D.VII.9, in zoverre het bepaalt dat de ondergrondse activiteiten, installaties of bouwwerken dieper dan honderd meter erfdienstbaarheden van openbaar nut vormen, brengen beperkingen van het eigendomsrecht teweeg van de eigenaars van de gronden waarop die erfdienstbaarheden rusten. Om bestaanbaar te zijn met artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol, moeten die beperkingen van het eigendomsrecht bij een voldoende toegankelijke, nauwkeurige en voorzienbare bepaling zijn geregeld, een doel van algemeen belang nastreven en evenredig zijn met dat doel. B.13.
  80. De erfdienstbaarheden van openbaar nut die kunnen rusten op de gronden waaronder activiteiten inzake de exploratie of exploitatie van rijkdommen plaatsvinden, zijn gevestigd ten voordele van de houders van exclusieve exploratie- of exploitatievergunningen. Zij worden geregeld bij de artikelen D.VII.2 tot D.VII.9 van het Wetboek, die bepalen in welke gevallen die erfdienstbaarheden worden gevestigd en in welke gevallen zij recht geven op een vergoeding, alsook hoe die vergoeding wordt berekend en welke rechten en plichten de begunstigde van de erfdienstbaarheid en de houders van de aan het lijdend erf gebonden zakelijke rechten respectievelijk hebben. De artikelen D.VI.12 tot D.VI.28 preciseren overigens de procedure voor de toekenning van de exclusieve exploratie- of exploitatievergunningen. De wettelijke erfdienstbaarheden van openbaar nut worden bepaald bij voldoende gedetailleerde en nauwkeurige decretale bepalingen. B.13.
  81. De verzoekende partijen bekritiseren in essentie het gebrek aan precisering wat betreft de geografische gebieden waarvoor exclusieve exploratie- of exploitatievergunningen 23 kunnen worden afgegeven en waarin eigendommen bijgevolg met erfdienstbaarheden van openbaar nut kunnen worden bezwaard. Artikel D.III.1 van het Wetboek voorziet erin dat de Regering een strategisch plan opstelt voor het beheer van de ondergrondse rijkdommen, dat met name een inventaris van de Waalse ondergrondse rijkdommen bevat, met een onderscheid tussen de soorten en locaties van gekende of vermoede afzettingen van mijnen, koolwaterstoffen, brandbare gassen en geothermische afzettingen (§ 1, derde lid, 1°), evenals de ruimtelijke identificatie van de ondergrondgebieden die niet beschikbaar zijn voor onderzoek en exploitatie, hetzij wegens de hydrogeologische kenmerken van de ondergrond, hetzij wegens de menselijke bewoning van die of aangrenzende gebieden, hetzij wegens milieurisico’s, hetzij wegens elke dwingende reden, met inbegrip van sociaaleconomische, wetenschappelijke of landschappelijke redenen (§ 1, derde lid, 6°). Er mag geen exclusieve vergunning worden verleend in een dergelijk gebied dat niet beschikbaar is, tenzij de Regering daartoe besluit om dwingende redenen van groot openbaar belang en er geen alternatief is. B.13.
  82. Artikel D.VI.3, § 4, van het Wetboek bepaalt : « Geen aanvraag voor een exclusieve exploitatievergunning mag worden ingediend vóór de aanneming van het in artikel D.III.1 bedoelde strategische plan, met uitzondering van : 1° aanvragen voor exclusieve exploitatievergunningen voor gas gewonnen uit steenkoollagen of vroegere steenkoolontginning en voor diepe geothermie; 2° aanvragen voor exclusieve vergunningen en waarvoor de ambtenaar voor de ondergrond beschikt over een eindverslag van een exploratie uitgevoerd in het kader van een exclusieve exploratievergunning, op voorwaarde dat de aanvraag niet indruist tegen de doelstellingen bepaald door de Waalse Regering. De Regering bepaalt de inhoud en de modaliteiten van het in het eerste lid, 2°, bedoelde eindverslag van de exploratie ». B.14.
  83. Het in artikel D.VI.3, § 4, van het Wetboek vermelde beginsel volgens hetwelk geen aanvraag voor een exclusieve exploitatievergunning mag worden ingediend voordat de Regering het strategisch plan van de ondergrondse rijkdommen heeft aangenomen, met dien verstande dat dat plan de gebieden moet identificeren die niet beschikbaar zijn voor onderzoek en exploitatie, maakt het de eigenaars van onroerende goederen in het Waalse Gewest mogelijk met een voldoende mate van zekerheid te voorspellen of de gronden waarvan zij eigenaar zijn, 24 zouden kunnen worden bezwaard met een erfdienstbaarheid van openbaar nut ingevolge de afgifte van een exclusieve exploratie- of exploitatievergunning. B.14.
  84. De in 2° van de voormelde bepaling bedoelde mogelijkheid om van dat beginsel af te wijken, kan die voorzienbaarheid echter tenietdoen, aangezien een exclusieve exploitatievergunning kan worden afgegeven na een exclusieve exploratievergunning, ook al is het strategisch plan van de ondergrondse rijkdommen nog niet aangenomen. Een exclusieve exploratievergunning wordt evenwel verleend op grond van een in het Wetboek gedetailleerd beschreven procedure, die in de regel wordt geopend door middel van een aanvraag tot mededinging (artikel D.VI.12). De aanvraag vereist een milieueffectenrapport (artikel D.VI.15) en wordt onderworpen aan een openbaar onderzoek overeenkomstig de bepalingen van boek I van het Milieuwetboek (artikel D.VI.20). Het aanvraagdossier wordt vervolgens doorgestuurd naar de aangewezen instanties en naar betrokken gemeenten, die hun advies kunnen overmaken aan de ambtenaar voor de ondergrond (artikel D.VI.22). Diens voorstel van beslissing wordt na advies van de Ondergrondraad en een onafhankelijk wetenschappelijk comité voorgelegd aan de Waalse Regering (artikel D.VI.23). Het regeringsbesluit gaat vergezeld van een milieuverklaring die een samenvatting is van de manier waarop de milieuoverwegingen werden opgenomen in de beslissing en van de manier waarop het milieueffectenverslag en de uitgebrachte adviezen in overweging werden genomen, alsook de redenen van de keuze van het plan of van het programma zoals aangenomen, rekening houdende met de andere geplande redelijke oplossingen (artikel D.VI.27). De exclusieve exploratievergunning verleent exclusieve rechten om binnen een specifieke perimeter of een specifiek volume naar de in de vergunning genoemde ondergrondse rijkdommen te zoeken (artikel D.VI.30). Zij geldt voor een periode die niet langer is dan de tijd die nodig is om de exploratie uit te voeren, en voor maximaal tien jaar (artikel D.VI.32). Opdat de betwiste uitzondering toepassing kan vinden, is vereist dat de ambtenaar voor de ondergrond beschikt over een eindverslag van de betrokken exploratie, hetgeen veronderstelt dat de exploratie is afgelopen, en dat de aanvraag niet indruist tegen de doelstellingen bepaald door de Waalse Regering (artikel D.VI.3, § 4, eerste lid, 2°). Daaruit volgt dat de mogelijkheid om af te wijken van het beginsel dat het strategisch plan van de ondergrondse rijkdommen moet worden aangenomen vóór de indiening van de aanvragen voor exclusieve exploitatievergunningen, met voldoende waarborgen is omringd om 25 tegemoet te komen aan de vereiste van een voldoende, nauwkeurige en voorzienbare juridische grondslag. B.15.
  85. De mogelijkheid om wettelijke erfdienstbaarheden van openbaar nut te vestigen ten voordele van de houder van de exclusieve exploratie- of exploitatievergunning vormt, volgens de memorie van toelichting bij het ontwerpdecreet, « een gepaste juridische regeling om de uitvoering soepeler en sneller te laten verlopen van de exploratie- en exploitatiewerken van de Waalse ondergrondse rijkdommen », door de oprichting van installaties op private gronden en eigendommen door operatoren te vergemakkelijken (Parl. St., Waals Parlement, 2023-2024, nr. 1510/1, p. 65). De memorie van toelichting vermeldt in dat verband : « Het voordeel van dat mechanisme, dat de houders van zakelijke rechten en de betrokken huurders juridische beschermingen biedt, zal in heel wat gevallen de operatoren van de sector toelaten […] de aankoop van innemingen te vermijden, een methode die aanleiding geeft tot rompslomp, vertragingen en kosten bij het verrichten van de investeringen die door hun maatschappelijk doel zijn vereist » (ibid.). B.15.
  86. Een dergelijk doel valt onder het algemeen belang, aangezien de decreetgever vermocht te oordelen dat het in het belang van alle huidige en toekomstige inwoners van het Waalse Gewest was dat de ondergrondse rijkdommen van het Gewest in kaart worden gebracht en worden geëxploiteerd volgens de regels die het heeft opgesteld. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, wordt de voormelde doelstelling van algemeen belang niet tegengesproken door de omstandigheid dat de eigendom van de uit de ondergrond ontgonnen rijkdommen toekomt aan de houder van de exploratievergunning en aan de houder van de exploitatievergunning, die daarvoor aanzienlijke investeringen moeten doen. De exploratie en de exploitatie hebben immers op zichzelf positieve gevolgen voor het Gewest, met name op het vlak van economische activiteiten en return. B.16.
  87. Het bestreden decreet, in zoverre het voorziet in de mogelijkheid om wettelijke erfdienstbaarheden van openbaar nut te vestigen ten voordele van de houder van een exploratie- of exploitatievergunning, heeft geen onevenredige gevolgen voor de eigenaar van het lijdend erf. De artikelen D.VII.2 tot D.VII.8 van het Wetboek voorzien immers in een aantal waarborgen voor beide partijen. Aan de vestiging van de erfdienstbaarheid van openbaar nut 26 ten voordele van de houder van een exploratie- of exploitatievergunning met betrekking tot de activiteiten, installaties en werken bedoeld in artikel D.VII.2, § 1, gaat een openbaar onderzoek vooraf overeenkomstig boek 1 van het Milieuwetboek, zodat de eigenaar van de met de erfdienstbaarheid bezwaarde grond zijn opmerkingen zal kunnen doen gelden en de koper van een met een dergelijke erfdienstbaarheid bezwaarde grond daarvan op de hoogte zal worden gebracht (artikel D.VII.2, § 1, eerste lid). De erfdienstbaarheid wordt gevestigd bij een handeling van de Waalse Regering waartegen een annulatieberoep kan worden ingesteld bij de Raad van State. De houder van de exclusieve vergunning, begunstigde van de erfdienstbaarheid, moet een vergoeding betalen aan de houders van de aan het lijdend erf gebonden zakelijke rechten (artikel D.VII.2, § 2). Het bedrag van die vergoeding wordt bepaald door de Regering volgens een door de decreetgever vastgestelde formule. Die formule past een referentiebedrag per vierkante meter toe dat wordt berekend op basis van waarden met betrekking tot het type installatie in kwestie, de provincie in kwestie en de bestemming van de bezette grond, en dat bij verordening is vastgesteld en jaarlijks wordt geïndexeerd (artikel D.VII.2, § 3). De houder van de exclusieve vergunning is ertoe gehouden de schade te vergoeden die de door hem uitgevoerde werkzaamheden veroorzaken (artikel D.VII.6). De bezetting eerbiedigt het gebruik waartoe de privégronden zijn bestemd (artikel D.VII.3). De eigenaar van de grond kan de verplaatsing of verwijdering van de installaties verkrijgen indien hij gebouwen op de grond wil oprichten (artikel D.VII.5). Indien de lasten op het lijdend erf te groot zijn, wordt in een mogelijkheid voorzien om het aan te kopen of te onteigenen (artikelen D.VII.4 en D.VII.7). B.16.
  88. Artikel D.VII.9 van het Wetboek heeft betrekking op de hypothese van de plaatsing, op meer dan honderd meter diepte, van ondergrondse installaties en bouwwerken die nodig zijn voor de exploitatie van ondergrondse rijkdommen. In dat geval wordt een wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut gevestigd krachtens het decreet, zonder specifieke verklaring noch procedure. De decreetgever vermocht redelijkerwijs te oordelen dat, op die diepte, « de installaties, activiteiten en bouwwerken geen hinder veroorzaken voor de eigenaar van de oppervlakte en die laatste niet beletten ten volle van zijn goed te genieten, met name om geothermische installaties van lage en gemiddelde temperatuur (warmtepompen) onder de grond te bouwen of bovengronds te plaatsen » (Parl. St., Waals Parlement, 2023-2024, nr. 1510/1, p. 67). In de enkele zeldzame gevallen waarin de eigenaar van een oppervlakte zijn grond op meer dan honderd meter diepte zou gebruiken, hetgeen in conflict zou komen met de exploratie of de exploitatie van de rijkdommen die het voorwerp uitmaken van de exclusieve vergunning, heeft de in de bestreden bepaling bedoelde wettelijke erfdienstbaarheid van 27 openbaar nut geen onevenredige gevolgen ten aanzien van het nagestreefde doel van algemeen belang, aangezien het genot van de gehele eigendom aan de oppervlakte en tot een diepte van honderd meter gewaarborgd blijft. B.
  89. Het tweede middel is niet gegrond. Wat betreft het derde middel B.18.
  90. De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Dat middel beoogt specifiek de artikelen D.VII.3, derde en vierde lid, D.VI.5, D.VII.2 en D.VII.9 van het Wetboek. De verzoekende partijen klagen aan dat die bepalingen, naargelang van het geval, onverantwoorde verschillen in behandeling of gelijke behandelingen doen ontstaan. B.18.
  91. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet zich overigens ertegen dat categorieën van personen die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 28 Het recht van de begunstigde van de wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut om de bouwwerken af te breken B.19.
  92. Artikel D.VII.3 van het Wetboek heeft betrekking op de wettelijke erfdienstbaarheden van openbaar nut die worden gevestigd wanneer de Regering besluit dat het ten algemenen nutte is om de in artikel D.VII.2, § 1, bedoelde installaties of bouwwerken op te richten die nodig zijn voor de exploratie of de exploitatie van ondergrondse rijkdommen. Die erfdienstbaarheden verlenen aan de houder van de exclusieve vergunning het recht om de nodige bouwwerken en installaties op te richten onder, op of boven private gronden of private eigendommen, erop toezicht te houden en de voor hun werking en onderhoud nodige werken uit te voeren onder de in de verklaring van algemeen nut bepaalde voorwaarden. B.19.
  93. Artikel D.VII.3 bepaalt : « De gedeeltelijke bezetting van privégrond of privébezit respecteert het gebruik ervan. Het houdt geen onteigening in, maar is een wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut die elke handeling verbiedt die de installaties of hun exploitatie kan schaden. De Regering bepaalt de verbodsbepalingen en voorschriften die in acht moeten worden genomen door eenieder die handelingen en werken uitvoert, [laat uitvoeren] of van plan is uit te voeren in de nabijheid van de installaties. Bij overtreding van de in of krachtens dit artikel voorziene verbodsbepalingen en voorschriften heeft de begunstigde van de bestaande erfdienstbaarheid het recht om de opgerichte bebouwing en beplanting af te breken en de plaatsen in hun vroegere staat te herstellen, alsook elke noodzakelijk geachte bewarende maatregel te nemen, het geheel op kosten van de overtreder, onverminderd de schadevergoeding waartoe de overtreding aanleiding zou kunnen geven. Als de overtreding een dringend noodzakelijke interventie op de installaties die de erfdienstbaarheid genieten niet belet, moet de beheerder de overtreder evenwel eerst aanmanen onmiddellijk een einde aan de overtreding te maken en de plaats in haar vroegere staat te herstellen. Daartoe geeft hij de overtreder een termijn van minstens dertig dagen ». B.20.
  94. De verzoekende partijen klagen aan dat het derde en het vierde lid van die bepaling verschillen in behandeling doen ontstaan, enerzijds, tussen de houders van exclusieve exploratie- of exploitatievergunningen voor ondergrondse rijkdommen en de houders van andere soorten vergunningen, en, anderzijds, tussen de eigenaars van gronden waarop een wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut rust ten voordele van de houder van een 29 exclusieve vergunning en de eigenaars van gronden waarop een andere soort erfdienstbaarheid rust, met inbegrip van een ander soort wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut. B.20.
  95. De verschillen in behandeling berusten op het criterium van het soort erfdienstbaarheid waarmee de grond wordt bezwaard. De bestreden erfdienstbaarheid van openbaar nut wordt gevestigd ten voordele van de houders van een exclusieve exploratie- of exploitatievergunning voor de ondergrondse rijkdommen en zij staat hun toe activiteiten, installaties of bouwwerken onder, op of boven private gronden en private eigendommen op te richten ter verwezenlijking van de activiteiten die het voorwerp uitmaken van de exclusieve vergunning. De Regering bepaalt in een besluit de verbodsbepalingen en voorschriften die aan de oppervlakte in acht moeten worden genomen voor de beveiliging en het goede verloop van de ondergrondse werken. B.20.
  96. Met de bestreden maatregel voorziet de decreetgever erin dat de houder van de exclusieve vergunning de bouwwerken of beplantingen die in overtreding met de voorschriften van de verklaring van openbaar nut zijn aangebracht, kan afbreken. Die afbraak kan enkel plaatsvinden na een aanmaning en na het verstrijken van een termijn van minstens dertig dagen, behalve wanneer die in strijd met het verbod opgerichte bouwwerken of beplantingen een dringend noodzakelijke interventie op de installaties verhinderen. B.20.
  97. De ondergrondse exploratie en exploitatie op meer dan twintig meter diepte zijn delicate operaties die niet risicovrij zijn, met name voor de veiligheid van de werknemers en voor de stabiliteit van de grond en van de bovengrondse inrichtingen en bouwwerken. Het is derhalve verantwoord dat de houder van de exclusieve vergunning, ook bij hoogdringendheid, de nodige maatregelen kan nemen om de installaties te beveiligen en de ondergrondse toegang die zij mogelijk maken te waarborgen. Dergelijke rechtvaardigingen gelden niet voor alle houders van vergunningen, wie ze ook mogen zijn, en voor alle begunstigden van erfdienstbaarheden. Zoals in B.16.1 is vermeld, gaat de wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut die is gevestigd ten voordele van de houder van een exclusieve exploratie- of exploitatievergunning, bovendien gepaard met voldoende waarborgen, zodat zij geen onevenredige gevolgen heeft voor de eigenaar van het lijdend erf. De verschillen in behandeling zijn bijgevolg niet zonder redelijke verantwoording. 30 De uitsluiting van de natuurlijke personen van de mogelijkheid om een exploitatievergunning te verkrijgen B.21.
  98. Artikel D.VI.5 van het Wetboek bepaalt : « Met uitzondering van gevallen waarin de vergunning wordt verleend aan het Waals Gewest, kan een exclusieve exploitatievergunning alleen worden verleend aan een bestaande of in [oprichting] zijnde rechtspersoon. In het laatste geval wordt de rechtspersoon [opgericht] binnen de door de Regering vastgestelde periode ». B.21.
  99. De memorie van toelichting van het bestreden decreet preciseert dat de bestreden bepaling een aanpassing is van artikel 16 van het decreet van het Waalse Gewest van 7 juli 1988 « op de mijnen » (Parl. St., Waals Parlement, 2023-2024, nr. 1510/1, p. 47). B.22.
  100. De verzoekende partijen klagen aan dat die bepaling een onverantwoord verschil in behandeling doet ontstaan tussen rechtspersonen en natuurlijke personen, daar die laatsten geen exclusieve exploitatievergunning kunnen verkrijgen. B.22.
  101. Rechtspersonen kunnen dimensies bieden, wat betreft hun organisatie en hun financieringsmogelijkheden, die in het algemeen buiten het bereik van die van natuurlijke personen liggen. Rekening houdend met de omvang van de nodige investeringen, zowel op het vlak van logistiek en technische vaardigheden als op financieel vlak, om de exploitatie van de betrokken rijkdommen tot een goed einde te brengen, en gelet op de waarborgen die de houder van de exploitatievergunning moet bieden voor de financiële stabiliteit en de continuïteit van de activiteit op lange termijn, is het verantwoord dat wordt vereist dat de houder van de exclusieve exploitatievergunning een rechtspersoon is. B.22.
  102. Aangezien, enerzijds, de uitsluiting van natuurlijke personen enkel betrekking heeft op de exploitatievergunning en niet op de exploratievergunning, en, anderzijds, een rechtspersoon in oprichting een exclusieve exploitatievergunning kan aanvragen en verkrijgen, heeft de maatregel geen onevenredige gevolgen voor de natuurlijke personen die ondergrondse exploratie- of exploitatieactiviteiten willen uitvoeren waarvoor een exclusieve vergunning moet worden verkregen. Het bekritiseerde verschil in behandeling is bijgevolg niet zonder redelijke verantwoording. 31 De kenmerken van de met erfdienstbaarheden bezwaarde gronden B.23.
  103. De artikelen D.VII.2 en D.VII.9 van het Wetboek maken het mogelijk wettelijke erfdienstbaarheden van openbaar nut te vestigen op gronden waaronder zich, op een diepte van meer dan twintig meter, holten bevinden die bij artikel D.I.1, § 2, bepaalde en bij artikel D.I.5, 15°, van het Wetboek omschreven rijkdommen bevatten. B.23.
  104. De verzoekende partijen klagen aan dat die bepalingen geen onderscheid maken tussen de gronden waarvan de toestand en de bestemming een gebruik van de ondergrond op meer dan twintig meter diepte toelaten en de gronden waarvan de toestand en de bestemming een dergelijk gebruik niet toelaten. B.24.
  105. Artikel D.III.1 van het Wetboek verplicht de Regering om een strategisch plan op te stellen voor het beheer van de ondergrondse rijkdommen, dat met name de ruimtelijke identificatie omvat van de ondergrondgebieden die niet beschikbaar zijn voor onderzoek en exploitatie, onder meer wegens de menselijke bewoning van die of aangrenzende gebieden, of wegens dwingende sociaaleconomische, wetenschappelijke of landschappelijke redenen. Paragraaf 2, tweede lid, van die bepaling voorziet erin dat er geen exclusieve vergunning mag worden verleend in een ondergrondgebied dat niet beschikbaar is, tenzij de Regering daartoe besluit om dwingende redenen van groot openbaar belang en er geen alternatief is. B.24.
  106. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, vloeit daaruit voort dat de decreetgever rekening heeft gehouden met de kenmerken van bepaalde gebieden en op grond daarvan in een gedifferentieerde regeling heeft voorzien. B.24.
  107. Voor het overige hebben de artikelen D.VII.2 en D.VII.9 geen onevenredige gevolgen voor de houders van zakelijke rechten gebonden aan gronden waarop wettelijke erfdienstbaarheden van openbaar nut rusten die zijn gevestigd ten voordele van houders van exclusieve exploratie- of exploitatievergunningen, om de redenen uiteengezet in B.16.1 en B.16.
  108. Het bekritiseerde verschil in behandeling is aldus niet zonder redelijke verantwoording. B.
  109. Het derde middel is niet gegrond. 32 Wat betreft het vierde middel B.26.
  110. De verzoekende partijen leiden een vierde middel af uit de schending van het wettigheidsbeginsel vervat in de artikelen 23 en 105 van de Grondwet. Dat middel beoogt specifiek de artikelen D.II.1, §§ 4 en 5, D.VI.51, D.VII.2, § 3, 1°, D.VII.3, D.VII.10 en D.XII.13, § 2, van het Wetboek. De verzoekende partijen klagen aan dat die bepalingen machtigingen aan de Waalse Regering bevatten zonder de essentiële elementen van de gedelegeerde maatregelen te definiëren en zonder in een wetgevend kader te voorzien. B.26.
  111. Artikel 23, tweede lid en derde lid, 4°, van de Grondwet verplicht de bevoegde wetgever om het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu te waarborgen en de voorwaarden voor de uitoefening van dat recht te bepalen. Die grondwetsbepaling verbiedt die wetgever echter niet machtigingen te verlenen aan de uitvoerende macht, voor zover die machtigingen betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de wetgever het onderwerp heeft aangegeven. Die grondwetsbepaling verplicht de wetgever niet om alle essentiële elementen van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu te regelen en verbiedt hem niet om de uitvoerende macht ertoe te machtigen die te regelen. B.26.
  112. Artikel 105 van de Grondwet bepaalt : « De Koning heeft geen andere macht dan die welke de Grondwet en de bijzondere wetten, krachtens de Grondwet zelf uitgevaardigd, hem uitdrukkelijk toekennen ». Wanneer een specifieke grondwetsbepaling, zoals artikel 23 van de Grondwet, de waarborg biedt dat in een aangelegenheid het onderwerp van de aan te nemen maatregelen wordt bepaald door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering, wordt de waarborg van artikel 105 van de Grondwet daardoor opgeslorpt. B.27.
  113. Artikel D.II.1 van het Wetboek richt een Ondergrondraad (« Conseil du sous- sol ») op, stelt de samenstelling ervan vast en richt een onafhankelijk wetenschappelijk comité 33 op. De Raad en het comité hebben krachtens artikel D.II.2 van het Wetboek onder meer als opdracht advies uit te brengen over het ontwerp van strategisch plan voor het beheer van de ondergrondse rijkdommen en advies uit te brengen over aanvragen voor exclusieve exploratie- of exploitatievergunningen. Paragraaf 4 van artikel D.II.1 van het Wetboek bepaalt dat de Raad uit ten minste 24 permanente leden bestaat en voorziet erin dat er ten minste een extra afdeling is die gespecialiseerd is in diepe geothermische activiteiten. Paragraaf 5 van artikel D.II.1 machtigt de Regering om bijkomende gespecialiseerde afdelingen op te richten binnen de voormelde Raad en het aantal en het statuut van de bijkomende leden te bepalen. B.27.
  114. Rekening houdend met het feit dat het onderzoek en de exploitatie van ondergrondse rijkdommen aangelegenheden zijn die voortdurend in evolutie zijn op wetenschappelijk en technisch vlak, vermocht de decreetgever te oordelen dat het niet aangewezen was om de samenstelling van een Raad waarvan de opdracht erin bestaat advies uit te brengen over elk aspect van de exploratie en de exploitatie van ondergrondse rijkdommen, definitief vast te leggen. Door de Raad op te richten, de opdrachten ervan af te bakenen en aan de Regering de mogelijkheid te laten de samenstelling ervan uit te breiden afhankelijk van de noodwendigheden, heeft de decreetgever het onderwerp van de bepalingen waartoe hij de Regering machtigt ze aan te nemen, voldoende bepaald. B.28.
  115. Artikel D.VI.51 van het Wetboek bepaalt : « Een houder van een exclusieve vergunning voor [de exploratie of exploitatie] van ondergrondse rijkdommen dient nauwkeurige plannen en voortgangsverslagen bij te houden van alle werkzaamheden die binnen de omtrek van de exclusieve vergunning worden uitgevoerd. De Regering specificeert de verplichtingen met betrekking tot het bijhouden van plannen ». B.28.
  116. Doordat de houder van de exclusieve exploratie- of exploitatievergunning ertoe verplicht is nauwkeurige plannen en voortgangsverslagen bij te houden van alle werkzaamheden die hij in het kader van die vergunning onderneemt en verwezenlijkt, heeft de decreetgever een bepaling aangenomen waarvan het voorwerp duidelijk en nauwkeurig is. Hij kon bijgevolg, zonder het in artikel 23 van de Grondwet vervatte wettigheidsbeginsel te schenden, de Regering machtigen om de verplichtingen met betrekking tot het bijhouden van die plannen te preciseren. 34 B.29.
  117. Artikel D.VII.2 van het Wetboek voorziet erin dat de Regering kan beslissen dat het ten algemenen nutte is om installaties of bouwwerken op te richten die nodig zijn voor de uitoefening van de activiteiten die onder de exclusieve exploratie- of exploratievergunningen vallen. Die verklaring van algemeen nut is een wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut ten voordele van de houder van de exclusieve vergunning. In paragraaf 3, 1°, van die bepaling wordt de Regering ertoe gemachtigd de voor de verklaring van algemeen nut te volgen procedure te bepalen, « met name de vorm van de aanvraag, de documenten die erbij moeten worden gevoegd, de behandeling van het dossier en de termijnen waarin de bevoegde overheid moet beslissen en haar beslissing meedelen aan de aanvrager ». B.29.
  118. De decreetgever heeft aldus het onderwerp van de maatregelen waartoe hij de Regering machtigt ze aan te nemen, voldoende bepaald. B.30.
  119. Bij artikel D.VII.3, tweede lid, van het Wetboek wordt de Regering ermee belast de verbodsbepalingen en voorschriften te bepalen die in acht moeten worden genomen door eenieder die handelingen en werken uitvoert, laat uitvoeren of van plan is uit te voeren in de nabijheid van de installaties die nodig zijn voor de exploratie of de exploitatie die het voorwerp uitmaken van de exclusieve vergunning en die krachtens de aan de vergunning verbonden wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut zijn toegestaan. B.30.
  120. Doordat het om verbodsbepalingen en voorschriften gaat die concreet worden beoordeeld op grond van de bijzonderheden van de toegestane plaatsen en installaties, staat het uiteraard aan de overheid die het openbaar nut vaststelt om de nodige verbodsbepalingen en voorschriften nauwkeurig af te bakenen. De decreetgever heeft, door in die machtiging te voorzien, het wettigheidsbeginsel niet geschonden. B.31.
  121. Artikel D.VII.10 van het Wetboek bepaalt : « De Regering kan andere gevallen bepalen waarin de uitvoering van de exclusieve vergunning en de aanvraag van stedenbouwkundige en milieuvergunningen met betrekking tot de activiteiten en installaties voor de exploitatie van de ondergrondse rijkdommen bedoeld in artikel D.I.1, § 2, eerste lid, 1° tot 4°, afhankelijk zijn van de verwerving van zakelijke rechten door de vergunninghouder op het goed waarop de exploitatie betrekking heeft ». 35 B.31.
  122. Zoals de Waalse Regering uiteenzet, heeft die bepaling niet tot doel de Regering in staat te stellen de decretale bepalingen aan te vullen, maar wel om haar toe te laten de marginale gevallen te bepalen waarin de houder van een exclusieve vergunning zakelijke rechten moeten verwerven om die vergunning te kunnen uitvoeren. Aangezien het opnieuw om concrete situaties gaat die de decreetgever niet allemaal vooraf kan voorzien, staat het aan de overheid die het openbaar nut vaststelt om, naargelang van de omstandigheden, de gevallen te bepalen waarin het noodzakelijk is de zakelijke rechten te verwerven om de activiteiten inzake de exploitatie van de ondergrondse rijkdommen waarop de exclusieve vergunning betrekking heeft, tot een goed einde te brengen. B.32.
  123. Artikel D.XII.13, § 1, voert een stelsel in van vereenvoudigde aanvragen voor een exclusieve vergunning voor bepaalde activiteiten die krachtens een andere vergunning zijn toegelaten op het ogenblik van de inwerkingtreding van het Wetboek en voor bepaalde activiteiten die daadwerkelijk op dat ogenblik worden uitgeoefend, zonder dat daarvoor een vergunning nodig was. Paragraaf 2 van dezelfde bepaling machtigt de Regering om de nadere regels vast te leggen voor het indienen van een vereenvoudigde aanvraag voor een exclusieve vergunning. B.32.
  124. De in artikel D.XII.13, § 2, vervatte machtiging heeft betrekking op maatregelen waarvan de decreetgever het onderwerp voldoende heeft bepaald in paragraaf 1 van dezelfde bepaling. B.
  125. Het vierde middel is niet gegrond. 36 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 28 mei
  126. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.068 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:CE:ECHR:2013:0514JUD006652911 ECLI:CE:ECHR:2016:0721JUD006306614 ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD005308013 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.