id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.069 Arrest- Rolnummer: 69/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-06-08 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-06-18 11:47 Versie(s): Versie FR Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 2.3.6.0.1, § 1, eerste lid, 6°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, gesteld door het Hof van Beroep te Gent. Fiscaal recht - Vlaams Gewest - Belasting op de inverkeerstelling - Voertuigen die specifiek worden omgebouwd voor het gemeenschappelijk vervoer van rolstoelgebruikers - Vrijstelling - Inwerkingtreding - Ontstentenis van terugwerkende kracht Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 69/2026 van 28 mei 2026 Rolnummer : 8452 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 2.3.6.0.1, § 1, eerste lid, 6°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, gesteld door het Hof van Beroep te Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Joséphine Moerman en Pierre Nihoul, de rechters Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter Luc Lavrysen, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 25 maart 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 3 april 2025, heeft het Hof van Beroep te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt het decreet d.d. 9 december 2022 tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, het gelijkheidsbeginsel en het niet-discriminatiebeginsel door in het kader van de toevoeging van lid 6 aan artikel 2.3.6.0.1, § 1, zonder enige objectieve en afdoende verantwoording, niet te voorzien in een retroactieve werking van de in dat artikel voorziene B.I.V.-vrijstelling / door niet te voorzien in een terugbetalingsregeling voor inschrijvingen die in een eerder heffingsjaar werden volbracht ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de nv « Ambuce Rescue Team », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Erhard Vermeulen, advocaat bij de balie van Antwerpen; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Bart Martel, mr. Kristof Caluwaert en mr. Quinten Jacobs, advocaten bij de balie te Brussel. 2 Bij beschikking van 1 april 2026 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Joséphine Moerman en Emmanuelle Bribosia te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De nv « Ambuce Rescue Team », appellante in het bodemgeschil, is een vennootschap die verschillende noodhulp- en vervoerdiensten verleent. Een deel van haar wagenpark bestaat uit voertuigen die specifiek werden omgebouwd voor het vervoer van rolstoelgebruikers. In 2021 sloot zij een leasingovereenkomst voor negen van dergelijke voertuigen. Op 13 augustus 2021 heeft de Vlaamse Belastingdienst, de geïntimeerde in het bodemgeschil, voor vier van de voertuigen aanslagen in de verkeersbelasting (722,79 euro per voertuig) en in de belasting op de inverkeerstelling (11 556,92 euro per voertuig) gevestigd voor het aanslagjaar
- De aanslag voor de overige vijf voertuigen volgde later en maakt het voorwerp uit van een afzonderlijke betwisting. Op 1 september 2021 diende de nv « Ambuce Rescue Team » bezwaar in tegen de aanslag in de belasting op de inverkeerstelling omdat de inschrijving van de voertuigen op haar naam een materiële vergissing zou zijn. Na een eventuele rechtzetting wenste ze een vrijstelling aan te vragen omdat ze de voertuigen voor vergund ziekenvervoer gebruikt. De Vlaamse belastingadministratie heeft op 24 september 2021 de bezwaarschriften afgewezen. Op 29 november 2021 stelde de nv « Ambuce Rescue Team » haar vordering in voor de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. In het vonnis van 19 juni 2023 heeft die Rechtbank geoordeeld dat de vordering ontvankelijk en ongegrond was. Tegen dat vonnis heeft de nv « Ambuce Rescue Team » hoger beroep ingesteld bij het Hof van Beroep te Gent. Het Hof van Beroep te Gent stelt vast dat de voertuigen van de nv « Ambuce Rescue Team » geen vrijstelling van de belasting op de inverkeerstelling genieten. Voorts acht het de betrokken voertuigen voor gemeenschappelijk vervoer van derden onvoldoende vergelijkbaar met ziekenwagens of persoonlijke voertuigen voor mensen met een beperking, die wel reeds waren vrijgesteld overeenkomstig artikel 2.3.6.0.1, § 1, eerste lid, 2° en 3°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december
- De nv « Ambuce Rescue Team » stelt dan ook ten onrechte dat er een onverantwoord verschil in behandeling zou bestaan tussen die categorieën. Dat sinds het aanslagjaar 2023 wel een vrijstelling bestaat voor de in het geding zijnde voertuigen, doet het Hof van Beroep niet anders besluiten. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat die vrijstelling werd ingevoerd naar analogie en niet om te verhelpen aan een discriminatie. Aangezien de aanzienlijke eenmalige belasting op de inverkeerstelling in wezen een investeringskost is die een gebruik veronderstelt gedurende verschillende jaren, kan het Hof van Beroep evenwel niet uitsluiten dat de vrijstelling dient gepaard te gaan met een regeling waarin belastingen die in de vorige jaren werden betaald bij gebrek aan vrijstelling, eventueel gedeeltelijk, voor terugbetaling in aanmerking komen. Op het eerste gezicht is er geen objectief verschil tussen de belastingplichtige die de belasting op de inverkeerstelling moet betalen in het jaar voorafgaand aan de nieuwe regeling voor het gebruik van een voertuig in dat jaar en de navolgende jaren, en de belastingplichtigen die een vrijstelling onder de nieuwe regeling genieten. Het enige verschil tussen beide categorieën is dat het gebruik in het eerste geval eerder aanvangt maar zonder dat het noodzakelijk eerder ophoudt. Tegen die achtergrond stelt het Hof van Beroep te Gent de hiervoor weergegeven vraag aan het Hof. 3 III. In rechte -A- A.1.
- De nv « Ambuce Rescue Team », appellante in het bodemgeschil, stelt dat de in het geding zijnde bepaling tot gevolg heeft dat rechtspersonen die voertuigen, specifiek omgebouwd voor het gemeenschappelijk vervoer van rolstoelgebruikers, hebben ingeschreven vóór 1 januari 2023 anders behandeld worden dan rechtspersonen die dat doen vanaf die datum. Het gelijkheidsbeginsel in fiscale zaken verbiedt de wetgever niet een fiscaal voordeel toe te kennen aan sommige belastingplichtigen en niet aan anderen, op voorwaarde dat het ingevoerde verschil in behandeling redelijk kan worden verantwoord. Voor de in het geding zijnde vrijstelling heeft de decreetgever evenwel nagelaten om voor de ongelijke behandeling volgend uit het gebrek aan retroactiviteit in enige rechtvaardiging te voorzien. Nochtans bestaat in Nederland wel de mogelijkheid om een teruggave van belasting te verkrijgen voor voertuigen die specifiek werden aangepast voor het vervoer van rolstoelgebruikers. De Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 voorziet niet in een dergelijke teruggaveregeling. A.1.
- Volgens de nv « Ambuce Rescue Team » is die ongelijke behandeling des te stuitender aangezien uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de reden voor het invoeren van de in het geding zijnde vrijstelling te vinden is in de parallel met de vrijstellingen voor erkende ziekenwagens en voor het persoonlijk vervoersmiddel van personen met een handicap. Wanneer een wetgever beslist een ongelijkheid te corrigeren, kan dit met terugwerkende kracht mits de verworven rechten en de bescherming van het gewettigd vertrouwen in acht worden genomen. Het ontzeggen van de vrijstelling aan rechtspersonen die vóór 1 januari 2023 zijn overgegaan tot inschrijving van een voertuig dat specifiek is omgebouwd voor het gemeenschappelijk vervoer van rolstoelgebruikers, tast net het gewettigd vertrouwen van die rechtspersonen aan, daar erop werd gerekend dat die vrijstelling ook op hen van toepassing zou zijn. Zo heeft de nv « Ambuce Rescue Team » die problematiek aangekaart bij de bevoegde minister en rekende ze erop dat de in het vooruitzicht gestelde regelgeving, die hieraan tegemoet zou komen, ook op haar investeringen van toepassing zou zijn, gebeurlijk door te voorzien in een retroactieve werking of terugbetaling, al dan niet gedeeltelijk. A.1.
- De ontstentenis van terugwerkende kracht van de in het geding zijnde bepaling dient te worden gerechtvaardigd door een legitiem doel, dat in voorliggend geval niet voorhanden is. Het beperken van de toepassing van de vrijstelling tot inschrijvingen die plaatsvinden vanaf het heffingsjaar 2023, zonder te voorzien in een terugbetalingsregeling voor inschrijvingen die in een eerder heffingsjaar werden volbracht, dan wel in enige verantwoording voor het ontbreken hiervan, is een manifeste schending van het gelijkheidsbeginsel. Het feit dat de belasting eenmalig verschuldigd is, maakt de gevolgen des te verstrekkender daar zelfs niet is voorzien in een beperkt temperend effect. De prejudiciële vraag dient derhalve bevestigend te worden beantwoord. A.2.
- De Vlaamse Regering begrijpt de prejudiciële vraag zo dat ze enkel betrekking heeft op artikel 2.3.6.0.1, § 1, eerste lid, 6°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en dat de andere vrijstellingen niet worden geviseerd. Voorts wordt niet de grondwettigheid van de vrijstelling als zodanig betwist, maar wel het vermeende gebrek aan een retroactieve werking of terugbetalingsregeling. Er valt niet in te zien hoe een dergelijke leemte tot een ongrondwettigheid zou kunnen leiden van de in het geding zijnde bepaling. Evenmin is de verwijzing naar Nederlandse regelgeving relevant. A.2.
- De Vlaamse Regering ziet niet in hoe de in het geding zijnde bepaling in strijd zou kunnen zijn met het gelijkheidsbeginsel in fiscale zaken. Het behoort tot de principiële beoordelingsvrijheid van de decreetgever om, wanneer hij een belasting heft, de vrijstellingen en modaliteiten daarvan te bepalen. In rechtspraak over de belasting op de inverkeerstelling heeft het Hof reeds erkend dat het beleidskeuzes over het inzamelen en inzetten van middelen, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts vermag af te keuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij kennelijk onredelijk zouden zijn. Het is een volstrekt legitieme beleidskeuze van de decreetgever om te bepalen dat de vrijstelling van de belasting op de inverkeerstelling voor voertuigen die specifiek worden omgebouwd voor het gemeenschappelijk vervoer van rolstoelgebruikers niet met retroactieve werking wordt ingevoerd en dat niet in een terugbetalingsregeling wordt voorzien voor inschrijvingen voorafgaand aan het aanslagjaar
- De verwijzingen van de nv « Ambuce Rescue Team » naar verklaringen van de bevoegde minister zijn verder niet relevant. Uit die verklaringen, die geen enkele wettelijke of reglementaire waarde hebben, kan op geen enkele manier de ongrondwettigheid van het gebrek aan een retroactieve werking of terugbetalingsregeling worden afgeleid. 4 A.2.
- Daarenboven benadrukt de Vlaamse Regering dat het aan de decreetgever staat om te beoordelen of een decretale wijziging gepaard moet gaan met overgangsmaatregelen. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn slechts geschonden indien de overgangsregeling of de ontstentenis daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. De Vlaamse Regering merkt op dat geen schending van het vertrouwensbeginsel wordt aangevoerd. Het aangevoerde verschil in behandeling heeft betrekking op voertuigen die al dan niet een vrijstelling van de belasting op de inverkeerstelling kunnen genieten naargelang ze in het verkeer zijn gesteld vóór of vanaf het aanslagjaar
- In wezen heeft de prejudiciële vraag dus betrekking op een ongelijke behandeling van belastingplichtigen van voertuigen die onder de oude dan wel de nieuwe regeling vallen. Overeenkomstig vaste rechtspraak van het Hof is het echter inherent aan nieuwe wetgeving dat een onderscheid wordt gemaakt tussen personen die zijn betrokken bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de vroegere dan wel de nieuwe regeling vallen. A.2.
- Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan een retroactieve werking enkel worden verantwoord op grond van bijzondere omstandigheden, inzonderheid wanneer zij onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang, zoals de goede werking of de continuïteit van de openbare dienst. In tegenstelling tot wat het verwijzende rechtscollege opmerkt, maakt de belasting op de inverkeerstelling in rechte geen deel uit van een investering. De belasting wordt geheven op voertuigen als ze op de openbare weg in het verkeer worden gesteld of worden gebruikt in België. De omstandigheid dat dit voertuig al dan niet een investering was voor de belastingplichtige, doet daarbij niet ter zake en kan ook geen bijzondere omstandigheid zijn die de retroactieve werking van een fiscale regeling onontbeerlijk maakt. Overigens zijn de belastingplichtigen van voertuigen die onder de oude regeling vallen hun investering wetens en willens aangegaan op een ogenblik dat er geen vrijstelling gold voor de belasting op de inverkeerstelling. De invoering van de vrijstelling met retroactieve werking zou administratieve, praktische en juridische moeilijkheden met zich meebrengen. In het bijzonder rijst de vraag tot welke datum de retroactieve werking zou moeten worden toegepast of welke omvang een terugbetalingsregeling zou moeten aannemen. Dit zou aanleiding geven tot nieuwe ongelijke behandelingen. A.2.
- Tot slot wijst de Vlaamse Regering erop dat de financiële gevolgen van de niet-retroactieve toepassing van de in het geding zijnde vrijstelling, geenszins onevenredig zijn. Het gaat slechts om een eenmalige belasting die afhangt van parameters die verband houden met de CO2-uitstoot van de betrokken voertuigen. In vergelijking met de kosten voor de aankoop of leasing van een voertuig, is die eenmalige belasting een relatief beperkte, minstens niet-onevenredige last. Bovendien kan de belastingplichtige die heffing te allen tijde verminderen of vermijden door te opteren voor een voertuig met een lagere CO 2-uitstoot of een voertuig dat uitsluitend door een elektrische motor of door waterstof wordt aangedreven. De prejudiciële vraag dient dan ook ontkennend te worden beantwoord. -B- B.
- Het verwijzende rechtscollege wenst van het Hof te vernemen of artikel 2.3.6.0.1, § 1, eerste lid, 6°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre niet is voorzien in een retroactieve werking bij de invoering van de vrijstelling van de belasting op de inverkeerstelling voor voertuigen die specifiek worden omgebouwd voor het gemeenschappelijk vervoer van rolstoelgebruikers of in een terugbetalingsregeling voor inschrijvingen die in een eerder heffingsjaar werden volbracht. B.2.
- Artikel 2.3.6.0.1, § 1, eerste lid, 6°, en derde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, zoals gewijzigd bij artikel 8 van het decreet van het Vlaamse Gewest 5 van 9 december 2022 « tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 » (hierna : het decreet van 9 december 2022), bepaalt : « Er wordt een vrijstelling van de belasting verleend voor : […] 6° de voertuigen die specifiek worden omgebouwd voor het gemeenschappelijk vervoer van rolstoelgebruikers. […] De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 6°, wordt verleend op voorwaarde dat de volgende documenten worden voorgelegd aan het bevoegde personeelslid : 1° een geldig certificaat van individuele nationale goedkeuring van een voertuig dat is afgeleverd door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of een gelijkwaardig certificaat dat is afgeleverd door de bevoegde entiteit van een staat binnen de Europese Economische Ruimte. Uit dat certificaat blijkt dat het voertuig twee of meer voor rolstoelgebruikers toegankelijke plaatsen heeft en omgebouwd is met een bodemverlaging of rolstoelplateaulift; 2° een schriftelijke verklaring waarin de houder van het voertuig bevestigt dat de verbouwing specifiek heeft plaatsgevonden om rolstoelgebruikers te vervoeren ». B.2.
- De vrijstelling van de belasting op de inverkeerstelling voor voertuigen die specifiek worden omgebouwd voor het gemeenschappelijk vervoer van rolstoelgebruikers is ingevoerd bij artikel 8 van het decreet van 9 december
- Overeenkomstig artikel 41 van hetzelfde decreet is de vrijstelling van toepassing vanaf het aanslagjaar
- De vrijstelling gold bijgevolg nog niet voor de betwiste aanslagen in het bodemgeschil, aangezien de belasting op de inverkeerstelling voor de betrokken voertuigen gevestigd werd in het aanslagjaar
- B.2.
- Overeenkomstig artikel 2.3.6.0.1, § 1, eerste lid, 2° en 3°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 werden erkende ziekenwagens en persoonlijke vervoersmiddelen voor personen met een handicap reeds vrijgesteld van de belasting op de inverkeerstelling. Vanaf het aanslagjaar 2023 voorziet de decreetgever ook in een vrijstelling voor voertuigen die specifiek worden omgebouwd voor het vervoer van meerdere rolstoelgebruikers « om te verhinderen dat het aanbod van gemeenschappelijk vervoer aan 6 rolstoelgebruikers zou slinken door de hoge kosten die ermee gepaard gaan en daarnaast ook om het aanbod te stimuleren » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2022-2023, nr. 1440/1, p. 11). De verbouwingen (bodemverlaging en installatie van een rolstoelplateaulift) betekenen immers een zware kost voor de eigenaar van het voertuig (ibid.). Dergelijke voertuigen zijn doorgaans zwaardere en hogere voertuigen, die ingevolge de nieuwe WLTP-meetmethode een hoge CO2- uitstoot genereren en waarvoor bijgevolg een hoge belasting op de inverkeerstelling verschuldigd was (Parl. St., Vlaams Parlement, 2022-2023, nr. 1440/5, p. 4). B.
- Het komt de decreetgever toe de vrijstellingen van de belasting en de modaliteiten daarvan vast te stellen. Hij beschikt ter zake over een ruime beoordelingsvrijheid. Fiscale maatregelen maken immers een wezenlijk onderdeel uit van het sociaal-economische beleid. Zij zorgen niet alleen voor een substantieel deel van de inkomsten die de verwezenlijking van dat beleid mogelijk moeten maken, maar zij laten de bevoegde wetgever ook toe om sturend en corrigerend op te treden en op die manier het sociale en economische beleid vorm te geven. De maatschappelijke keuzes die bij het inzamelen en het inzetten van middelen moeten worden gemaakt, behoren derhalve tot de beoordelingsvrijheid van de bevoegde decreetgever. Het Hof vermag een dergelijke beleidskeuze, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij onredelijk zouden zijn. B.
- Het staat in beginsel aan de decreetgever om, wanneer hij beslist nieuwe regelgeving in te voeren, te beoordelen of het noodzakelijk of opportuun is die beleidswijziging vergezeld te doen gaan van overgangsmaatregelen. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wordt slechts geschonden indien de overgangsregeling of de ontstentenis daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. B.5.
- Om de inachtneming van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie te beoordelen, is het niet relevant twee decretale bepalingen te vergelijken die op verschillende ogenblikken van toepassing waren. Het behoort tot de beoordelingsvrijheid van de decreetgever een doelstelling na te streven die verschilt van die welke hij vroeger nastreefde en bepalingen aan te nemen die ze kunnen verwezenlijken. De enkele omstandigheid dat de decreetgever een maatregel heeft genomen die verschilt van die welke hij vroeger heeft genomen, houdt op zich 7 geen discriminatie in. Elke decreetswijziging zou onmogelijk worden, indien zou worden aangenomen dat een nieuwe regeling het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zou schenden om de enkele reden dat zij de toepassingsvoorwaarden van de vroegere regeling wijzigt. B.5.
- Het is inherent aan een nieuwe regeling dat een onderscheid wordt gemaakt tussen personen die zijn betrokken bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de vroegere regeling vallen en personen die zijn betrokken bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de nieuwe regeling vallen. Daar het elke wetswijziging onmogelijk zou maken, schendt een dergelijk onderscheid de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. B.5.
- Zoals het verwijzende rechtscollege zelf opmerkt, kan de vergelijking tussen de situatie van belastingplichtigen naargelang ze hun voertuig dat specifiek werd omgebouwd voor het gemeenschappelijk vervoer van rolstoelgebruikers, inschreven vóór of na de inwerkingtreding van de in het geding zijnde bepaling, niet leiden tot de vaststelling van een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.6.
- Het vertrouwensbeginsel wordt miskend wanneer de rechtmatige verwachtingen van een bepaalde categorie van personen worden geschonden zonder dat een dwingende reden van algemeen belang voorhanden is die het ontbreken van een te hunnen voordele ingestelde overgangsregeling kan verantwoorden. Het vertrouwensbeginsel is nauw verbonden met het rechtszekerheidsbeginsel, dat de wetgever verbiedt om zonder objectieve en redelijke verantwoording afbreuk te doen aan het belang van de rechtsonderhorigen om in staat te zijn de rechtsgevolgen van hun handelingen te voorzien. B.6.
- Vóór de inwerkingtreding van de in het geding zijnde bepaling konden belastingplichtigen er niet rechtmatig op vertrouwen dat zij gedeeltelijk of volledig van de belasting op de inverkeerstelling zouden worden vrijgesteld voor voertuigen die specifiek werden omgebouwd voor het gemeenschappelijk vervoer van rolstoelgebruikers. Op grond van de geldende regelgeving waren zij de volledige belasting op de inverkeerstelling verschuldigd voor die voertuigen ingevolge hun eerste inverkeerstelling op de openbare weg. Zoals is weergegeven in B.2.3, gold een vrijstelling enkel voor erkende ziekenwagens en voertuigen die dienen als persoonlijk vervoermiddel voor personen met een handicap. Belastingplichtigen hadden dan ook geen rechtmatige verwachtingen dat de decreetgever bij de invoering van een 8 vrijstelling voor voertuigen die specifiek worden omgebouwd voor het gemeenschappelijk vervoer van rolstoelgebruikers, zou voorzien in een volledige of gedeeltelijke terugbetaling van de reeds geheven belasting op de inverkeerstelling. Het gegeven dat die eenmalige kost deel kan uitmaken van een investering dat een gebruik veronderstelt gedurende verschillende jaren, doet evenmin rechtmatige verwachtingen ontstaan. De betrokken belastingplichtigen hebben hun investering gedaan op het ogenblik dat voor dergelijke voertuigen geen vrijstelling van de belasting van de inverkeerstelling gold. B.
- Artikel 2.3.6.0.1, § 1, eerste lid, 6°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 is bijgevolg bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 2.3.6.0.1, § 1, eerste lid, 6°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 28 mei
- De griffier, De emeritus voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.069 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div