← België

ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.071

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.071 Arrest- Rolnummer: 71/2026 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-06-08 Raadplegingen: 128 - laatst gezien 2026-06-18 11:47 Versie(s): Versie FR Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen over artikel 142, § 1, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 13 juli 1994 « betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap », zoals van toepassing tot 1 oktober 2013, en artikel V.164, § 1, van de Vlaamse Codex Hoger Onderwijs, zoals van toepassing sinds 1 oktober 2013 en in de versie die van kracht was tot 1 april 2024, gesteld door de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Onderwijs - Vlaamse Gemeenschap - Hoger onderwijs - Kunstopleidingen - Schools of Arts - Onderwijzend personeel - Bijzondere salarisschalen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 71/2026 van 28 mei 2026 Rolnummer : 8525 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 142, § 1, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 13 juli 1994 « betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap », zoals van toepassing tot 1 oktober 2013, en artikel V.164, § 1, van de Vlaamse Codex Hoger Onderwijs, zoals van toepassing sinds 1 oktober 2013 en in de versie die van kracht was tot 1 april 2024, gesteld door de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Joséphine Moerman en Pierre Nihoul, de rechters Thierry Giet, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter Luc Lavrysen, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 29 juli 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 29 augustus 2025, heeft de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : «

  1. Schendt artikel 142, § 1, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, zoals van toepassing tot 1 oktober 2013, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, voor zover dit bepaalt dat de personeelsleden belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten in de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst, en muziek en dramatische kunst, met uitzondering van de basisopleidingen van één cyclus, voor een voltijds of deeltijds ambt van hetzij assistent, werkleider, doctor-assistent, docent, hoofddocent, hoogleraar of gewoon hoogleraar bijzondere salarisschalen krijgen, vastgesteld door de 2 Vlaamse regering, en die volgens de wil van de decreetgever lager liggen dan de gangbare salarisschalen voor personeelsleden belast met niet-artistiekgebonden onderwijsactiviteiten ?
  2. Schendt artikel V.164., § 1, van de Codex Hoger Onderwijs, zoals van toepassing sinds 1 oktober 2013 en in de versie die gold tot 1 april 2014, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, voor zover dit bepaalt dat de personeelsleden belast met artistiek gebonden onderwijsactiviteiten in de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst, en muziek en podiumkunsten, met uitzondering van de basisopleidingen van professionele bachelor, voor een voltijds of deeltijds ambt van hetzij assistent, werkleider, doctorassistent, docent, hoofddocent, hoogleraar of gewoon hoogleraar bijzondere salarisschalen krijgen, vastgesteld door de Vlaamse Regering, en die volgens de wil van de decreetgever lager liggen dan de gangbare salarisschalen voor personeelsleden belast met niet-artistiek gebonden onderwijsactiviteiten ? ». Memories zijn ingediend door : - Marc Godfroid, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Peter Roosens, advocaat bij de balie te Leuven, en door mr. Jan Aerden, advocaat bij de balie te Brussel; - de Hogeschool Gent, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Stéphanie Taelemans, advocate bij de balie van Antwerpen; - de Vlaamse Gemeenschap (vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering in de persoon van de Vlaamse minister van Onderwijs, Justitie en Werk) en de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Sofie Logie en mr. Jade Leenaert, advocates bij de balie van West-Vlaanderen. Memories van antwoord zijn ingediend door : - de Hogeschool Gent; - de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse Regering. Bij beschikking van 1 april 2026 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Danny Pieters en Kattrin Jadin te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege is een professionele trombonist en bigbandleider, die van 1995 tot aan zijn pensionering op 1 oktober 2023 ook tewerkgesteld was als hoofddocent jazztrombone aan de « School of Arts », de kunstenfaculteit van de Hogeschool Gent, aanvankelijk voor 100 %, en sedert 1999 voor 90 %. Voor zijn werk als hoofddocent werd hij vergoed volgens de « bijzondere » salarisschalen voor personeelsleden belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten. Die « bijzondere » salarisschalen waren aanvankelijk opgenomen in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 1995 « tot vaststelling van de salarisschalen van de leden van het onderwijzend personeel van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap » en, vanaf 1 september 2018, in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 « tot vaststelling van de salarisschalen van de leden van het onderwijzend personeel van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap ». De eisende partij voert voor het verwijzende rechtscollege evenwel aan dat die bijzondere salarisschalen strijdig zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, zoals gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, aangezien die lager zijn (70 à 80 %) dan de « gangbare » salarisschalen voor de leden van het onderwijzend personeel van de hogescholen. Hij doet dan ook gelden dat hij diende te worden vergoed volgens die gewone salarisschalen. Het verwijzende rechtscollege merkt op dat het door de eisende partij aangeklaagde verschil in behandeling voortvloeit uit artikel 142 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 13 juli 1994 « betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap » en artikel V.164 van de Vlaamse Codex Hoger Onderwijs, gecoördineerd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 oktober 2013 « tot codificatie van de decretale bepalingen betreffende het hoger onderwijs », zoals van toepassing van 1 oktober 2013 tot 1 april 2014, naar luid waarvan de – door de Vlaamse Regering nader vast te leggen - bijzondere salarisschalen van toepassing zijn op personeelsleden belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten, onder meer in het studiegebied muziek. Daarop stelt het verwijzende rechtscollege de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. III. In rechte -A- A.1.
  3. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat de in het geding zijnde bepalingen een verschil in behandeling in het leven roepen tussen personeelsleden belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten en personeelsleden belast met niet-artistiekgebonden onderwijsactiviteiten. Terwijl de tweede categorie van personeelsleden onderworpen is aan de gangbare salarisschalen, gelden voor de eerste categorie van personeelsleden bijzondere, lagere salarisschalen. A.1.
  4. Volgens de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege steunt dat verschil in behandeling niet (langer) op een objectief criterium van onderscheid. Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 13 juli 1994 « betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap » blijkt dat personeelsleden belast met een artistiekgebonden onderwijsopdracht de vrijheid hebben om hun onderwijsopdracht te cumuleren met een andere activiteit, waardoor zij niet volledig ter beschikking staan van de hogeschool waaraan zij zijn verbonden. Die insteek steunde evenwel op onjuiste veronderstellingen, daar zeker niet in het algemeen kon worden aangenomen dat alle personeelsleden in het hoger kunstonderwijs op dezelfde manier minder ter beschikking van de hogeschool waren. Alleszins is die insteek thans achterhaald, aangezien er wat betreft reële taakbelasting, op basis van de prestatieregeling van de Hogeschool Gent en de concrete invulling ervan, weinig tot geen verschillen zijn tussen de betrokken personeelscategorieën. Ten slotte vormt ook enig inhoudelijk verschil tussen de opdrachten van de betrokken personeelsleden geen objectief criterium van onderscheid. A.1.
  5. Indien toch zou moeten worden aangenomen dat er een verschillende taakbelasting is tussen personeelsleden met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten en personeelsleden met niet-artistiekgebonden onderwijsactiviteiten, dan is het in het geding zijnde verschil in behandeling volgens de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege alleszins niet redelijk verantwoord. Ten eerste mag een verschil in salaris enkel steunen op een reëel verschil in taakbelasting, niet op veronderstellingen. Ten tweede hebben de artistieke activiteiten die 4 de personeelsleden belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten op grond van artikel V.171 van de Vlaamse Codex Hoger Onderwijs, gecoördineerd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 oktober 2013 « tot codificatie van de decretale bepalingen betreffende het hoger onderwijs » (hierna : de Vlaamse Codex Hoger Onderwijs), mogen cumuleren met hun onderwijsmandaat een meerwaarde voor dat onderwijsmandaat. Het loutere feit dat artikel V.164, § 2, van de Vlaamse Codex Hoger Onderwijs de personeelsleden belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten de mogelijkheid biedt om afstand te doen van hun cumulatievrijheid en aan het hogeschoolbestuur de toepassing kunnen vragen van de gangbare salarisschalen, leidt niet ertoe dat het in het geding zijnde verschil in behandeling redelijk verantwoord is. Die toepassing van de gangbare salarisschalen is immers geen automatisme, maar hangt af van de goedkeuring van het hogeschoolbestuur. Ten slotte zouden de bijzondere, lagere salarisschalen voor personeelsleden met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten ook niet kunnen worden verantwoord doordat die personeelsleden voornamelijk belast zijn met onderwijsactiviteiten, terwijl personeelsleden met niet-artistiekgebonden onderwijsactiviteiten naast hun onderwijsactiviteiten, ook andere activiteiten verrichten, zoals administratieve of organisatorische taken. De taakbelasting is immers dezelfde. A.2.
  6. De Vlaamse Regering laat ten eerste gelden dat het in het geding zijnde verschil in behandeling niet bestaat, daar de personeelsleden met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten afstand kunnen nemen van hun cumulatievrijheid en aan het hogeschoolbestuur de toepassing van de gangbare salarisschalen kunnen vragen. Ten tweede wijst zij op de ratio legis van de bijzondere salarisschalen voor personeelsleden met artistiekgebonden lesopdrachten. Die ligt met name in het feit dat die onderwijspersoneelsleden niet gebonden zijn aan de 120 % cumulatiebeperking zoals dat wel van toepassing is op personeelsleden met niet-artistiekgebonden onderwijsactiviteiten, dat zij enkel en alleen belast zijn met een onderwijsopdracht en dat het voor een aanstelling tot docent of hoofddocent volstaat dat zij een nuttige beroepservaring van zes jaar hebben na het behalen van een masterdiploma, zodat geen doctoraat is vereist. Met betrekking tot de taakbelasting verduidelijkt de Vlaamse Regering dat het onderscheid tussen personeel van het hoger onderwijs belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten en personeel van het hoger onderwijs belast met niet-artistiekgebonden onderwijsactiviteiten dus niet gekoppeld is aan het tewerkstellingspercentage, maar aan het feit dat een personeelslid met een niet- artistiekgebonden lesopdracht veel meer taken moet uitvoeren dan enkel lesgeven, zodat een dergelijk personeelslid meer tijd spendeert dan een personeelslid belast met een artistiekgebonden onderwijsactiviteit. Hoewel de artistieke nevenactiviteiten een meerwaarde zijn voor de hogeschool, worden zij, anders dan wetenschappelijk onderzoek of andere administratieve of organisatorische taken, niet gepresteerd in dienst van de hogeschool. Er wordt dan ook uitgegaan van de veronderstelling dat een personeelslid belast met een artistiekgebonden onderwijsactiviteit de facto 70 % à 80 % ter beschikking is van de hogeschool. Die bijzondere salarisschalen vormen dan ook een soort van compensatie ten aanzien van de personeelsleden met niet- artistiekgebonden lesopdrachten. A.2.
  7. Gelet op de in A.2.1 vermelde verschillen, meent de Vlaamse Regering dat de personeelsleden belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten niet vergelijkbaar zijn met personeelsleden belast met niet- artistiekgebonden lesopdrachten. Minstens is het verschil in behandeling redelijk verantwoord. Ten eerste streeft het verschil in behandeling een wettig doel na, namelijk het aantrekken van voldoende kwaliteitsvol personeel belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten. Het criterium van onderscheid is objectief. Het verschil in behandeling is tevens pertinent en noodzakelijk ten aanzien van het nagestreefde doel, aangezien personeelsleden die als gevolg van de cumulatievrijheid minder beschikbaar zijn voor hun hogeschool, ook een aangepast loon moeten ontvangen. Ten slotte hebben de bijzondere salarisschalen geen onevenredige gevolgen. De personeelsleden belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten mogen hun onderwijsmandaat immers onbeperkt aanvullen met andere bezoldigde mandaten en zij worden enkel belast met onderwijsopdrachten, en niet met onderzoeksopdrachten. A.
  8. De Hogeschool Gent laat gelden dat, gelet op de drie in A.2.1 weergegeven verschillen, de personeelsleden belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten en de personeelsleden belast met niet- artistiekgebonden lesopdrachten niet vergelijkbaar zijn. Minstens is het verschil in behandeling tussen beide categorieën van personeelsleden om de in A.2.2 weergegeven redenen redelijk verantwoord. 5 -B– B.
  9. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de salarisschalen die van toepassing zijn op het personeel van hogescholen belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten binnen de Vlaamse Gemeenschap die kunstopleidingen aanbieden (de zogenaamde « Schools of Arts »). B.2.
  10. Met de eerste prejudiciële vraag wenst het verwijzende rechtscollege van het Hof te vernemen of artikel 142, § 1, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 13 juli 1994 « betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap » (hierna : het decreet van 13 juli 1994), zoals van toepassing tot 1 oktober 2013, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de Vlaamse Regering machtigt om bijzondere salarisschalen te bepalen voor de personeelsleden belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten die een voltijds of deeltijds ambt van hetzij assistent, werkleider, doctor-assistent, docent, hoofddocent, hoogleraar of gewoon hoogleraar bekleden in de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst, en muziek en dramatische kunst, met uitzondering van de basisopleidingen van één cyclus, en waarbij die bijzondere salarisschalen volgens de bedoeling van de decreetgever lager moeten liggen dan de gangbare salarisschalen voor personeelsleden belast met niet-artistiekgebonden onderwijsactiviteiten. De tweede prejudiciële vraag peilt naar de bestaanbaarheid van artikel V.164, § 1, van de Vlaamse Codex Hoger Onderwijs, gecoördineerd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 oktober 2013 « tot codificatie van de decretale bepalingen betreffende het hoger onderwijs » (hierna : de Vlaamse Codex Hoger Onderwijs), zoals van toepassing sinds 1 oktober 2013 en in de versie die van kracht was tot 1 april 2014, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de Vlaamse Regering machtigt om bijzondere salarisschalen te bepalen voor de personeelsleden belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten die een voltijds of deeltijds ambt van hetzij assistent, werkleider, doctor-assistent, docent, hoofddocent, hoogleraar of gewoon hoogleraar bekleden in de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst, en muziek en podiumkunsten, met uitzondering van de basisopleidingen van professionele bachelor, en waarbij die bijzondere salarisschalen volgens de bedoeling van de decreetgever lager moeten liggen dan de gangbare salarisschalen voor personeelsleden belast met niet-artistiekgebonden onderwijsactiviteiten. 6 B.2.
  11. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het bodemgeschil meer bepaald betrekking heeft op een (hoofd)docent in het studiegebied muziek aan de « School of Arts » van de Hogeschool Gent. B.2.
  12. Gelet op hun samenhang onderzoekt het Hof beide prejudiciële vragen samen. B.3.
  13. De bezoldiging van het onderwijzend personeel van de hogescholen was tot 30 september 2013 geregeld in de artikelen 135 en 142 van het decreet van 13 juli
  14. Artikel 135 van dat decreet machtigde de Vlaamse Regering om de bezoldigingsregeling van de leden van het onderwijzend personeel van de hogescholen, met inbegrip van de salarisschalen, te bepalen. Artikel 142 van hetzelfde decreet bepaalde : « §
  15. De personeelsleden belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten in de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst, en muziek en dramatische kunst, met uitzondering van de basisopleidingen van één cyclus, krijgen voor een voltijds of deeltijds ambt van hetzij assistent, werkleider, doctor-assistent, docent, hoofddocent, hoogleraar of gewoon hoogleraar bijzondere salarisschalen, vastgesteld door de Vlaamse regering. §
  16. Wanneer zij evenwel bij de uitoefening van hun ambt afzien van de toepassing van artikel 150, krijgen zij mits het hogeschoolbestuur de uitdrukkelijke toestemming geeft, de gangbare salarisschaal verbonden aan het ambt dat zij bekleden. De toekenning van de gangbare salarisschaal is geen recht voor het personeelslid, heeft altijd een tijdelijk karakter en dient jaarlijks geëvalueerd te worden. De gangbare salarisschaal blijft verworven zolang het personeelslid blijft voldoen aan de voorwaarden waarbij zij werd toegekend. §
  17. In afwijking van § 2 verwerft het personeelslid dat gedurende vier jaar de gangbare salarisschaal genoot of met genot van de gangbare salarisschaal de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, het recht om deze salarisschaal verder te blijven genieten ». Ter uitvoering van de artikelen 135 en 142 van het decreet van 13 juli 1994 bevatte artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 1995 « tot vaststelling van de salarisschalen van de leden van het onderwijzend personeel van de hogescholen in de Vlaamse 7 Gemeenschap » de volgende weddeschalen (uitgedrukt in Belgische frank) voor de functies van « docent » en « hoofddocent » : Docent 528 1 101 283 – 3/1 x 27 275 11/2 x 51 032 1 744 460 (24 jaar) Bijzondere 856 358 – 3/1 x 21 209 11/2 x 39 682 salarisschaal 1 356 487 voor docent : (24 jaar) 512 Hoofddocent 515 1 184 870 – 3/1 x 29 036 11/2 x 52 792 1 852 690 (24 jaar) Bijzondere 924 234 – 3/1 x 25 180 11/2 x 41 495 salarisschaal 1 456 219 voor (24 jaar) hoofddocent : 513 B.3.
  18. Met ingang van 1 oktober 2013 is het decreet van 13 juli 1994 opgeheven en is de bezoldiging van het onderwijzend personeel van de hogescholen geregeld in de artikelen V.155 en V.164 van de Vlaamse Codex Hoger Onderwijs. Artikel V.155 van de Vlaamse Codex Hoger Onderwijs machtigt de Vlaamse Regering om de bezoldigingsregeling van de leden van het onderwijzend personeel van de hogescholen, met inbegrip van de salarisschalen, te bepalen. Artikel V.164 van dezelfde Codex is gelijkaardig aan artikel 142 van het decreet van 13 juli
  19. 8 In de tweede prejudiciële vraag wordt verwezen naar artikel V.164, § 1, van de Vlaamse Codex Hoger Onderwijs, « zoals van toepassing […] in de versie die gold tot 1 april 2014 ». Daar uit de verwijzingsbeslissing evenwel blijkt dat de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege op 1 oktober 2023 met pensioen is gegaan, betreft die verwijzing naar 1 april 2014 een materiële vergissing, en gaat het Hof ervan uit dat het verwijzende rechtscollege de versie bedoelde die van toepassing was tot 1 april 2024, dit is de versie vóór de wijziging ervan bij artikel 54 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 22 maart 2024 « tot actualisering en opheffing van bepalingen uit de Codex Hoger Onderwijs ». In die versie bepaalt artikel V.164 : « §
  20. De personeelsleden belast met artistiek gebonden onderwijsactiviteiten in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst, en Muziek en podiumkunsten, met uitzondering van de basisopleidingen van professionele bachelor, krijgen voor een voltijds of deeltijds ambt van hetzij assistent, werkleider, doctor-assistent, docent, hoofddocent, hoogleraar of gewoon hoogleraar bijzondere salarisschalen, vastgesteld door de Vlaamse Regering. §
  21. Wanneer zij evenwel bij de uitoefening van hun ambt afzien van de toepassing van artikel V.171, krijgen zij mits het hogeschoolbestuur de uitdrukkelijke toestemming geeft, de gangbare salarisschaal verbonden aan het ambt dat zij bekleden. De toekenning van de gangbare salarisschaal is geen recht voor het personeelslid, heeft altijd een tijdelijk karakter en dient jaarlijks geëvalueerd te worden. De gangbare salarisschaal blijft verworven zolang het personeelslid blijft voldoen aan de voorwaarden waarbij zij werd toegekend. §
  22. In afwijking van paragraaf 2 verwerft het personeelslid dat gedurende 4 jaar de gangbare salarisschaal genoot of met genot van de gangbare salarisschaal de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, het recht om deze salarisschaal verder te blijven genieten ». Ter uitvoering van de artikelen V.155 en V.164 van de Vlaamse Codex Hoger Onderwijs stelt artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 « tot vaststelling van de salarisschalen van de leden van het onderwijzend personeel van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap », zoals gewijzigd door artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 2 december 2022 « tot wijziging van de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2003 houdende vaststelling van de loopbaanstructuur en van de salarisschalen van het administratief en technisch personeel van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de salarisschalen van de leden van het onderwijzend personeel van de 9 hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap » (hierna : het besluit van 2 december 2022), de volgende weddeschalen voor de functies van « docent » en « hoofddocent » vast : Docent 528 (24 j.) 28.985,02 47.084,08 3 x 1 : 711,10 11 x 2 : 1330,48 1 x 11 : 1330,48 512 (24 j.) 24.068,35 39 057,43 3 x 1 : 588,88 bijzondere 11 x 2 : salarisschaal 1 101,87 1 x 11 : 1 101,87 Hoofddocent 515 (24 j.) 31.164,37 49.952,05 3 x 1 : 757,00 11 x 2 : 1376,39 1 x 11 : 1376,39 513 (24 j.) 25.953,01 41.876,63 3 x 1 : 699,15 bijzondere 11 x 2 : salarisschaal 1 152,18 1 x 11 : 1 152,18 B.
  23. Voor het onderzoek van de prejudiciële vragen moeten de hiervoor vermelde bepalingen met betrekking tot de bezoldigingsregeling in samenhang worden gelezen met een aantal andere bepalingen van de rechtspositieregeling van het onderwijzend personeel van de hogescholen, namelijk met de artikelen V.123, V.131, V.170 en V.171 van de Vlaamse Codex Hoger Onderwijs. Die bepalingen luiden als volgt : « Art. V.
  24. Het takenpakket van de praktijklector, de hoofdpraktijklector, de lector, de hoofdlector, de docent, de hoofddocent, de hoogleraar en de gewoon hoogleraar bestaat uit 1 of meer van de volgende taken : het verstrekken van onderwijs, begeleidingsopdrachten, praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek, maatschappelijke dienstverlening, organisatorische taken en administratieve taken ». 10 « Art. V.
  25. Tenzij het bepaalde in artikel V.164, § 2 van toepassing is, kunnen de personeelsleden belast met artistiek gebonden onderwijsactiviteiten enkel worden belast met onderwijsactiviteiten en met activiteiten in het kader van de ontwikkeling en de beoefening van de kunsten, zoals bepaald in de zending van de hogescholen ». « Art. V.
  26. De totale omvang van de opdrachten van een personeelslid dat ten minste een halftijdse opdracht uitoefent aan de hogeschool en dat daarnaast een andere bezoldigde activiteit of beroepsactiviteit uitoefent, bedraagt maximaal 120 %. Als de totale omvang van de opdrachten, vermeld in het eerste lid, meer dan 120 % bedraagt, wordt de opdracht aan de hogeschool ambtshalve gereduceerd tot een percentage dat nodig is om de grens van 120 % te bereiken. De omvang van de opdracht die het personeelslid na de reductie nog uitoefent aan de hogeschool bedraagt ten minste 50 %. Wanneer de totale omvang van de opdrachten, vermeld in het eerste lid, na toepassing van de reductie, vermeld in het tweede lid, meer dan 120 % bedraagt, wordt de omvang van de opdracht die het personeelslid nog uitoefent aan de hogeschool gereduceerd tot 45 %. Een opdracht waarvan aangenomen wordt dat de uitoefening een halve dag per week in beslag neemt, komt overeen met een volume van 10 % van een voltijdse opdracht. Art. V.
  27. In afwijking van artikel V.170 wordt de opdracht van het personeelslid dat belast is met ten minste een halftijdse opdracht van artistiek gebonden onderwijsactiviteiten in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst, en Muziek en podiumkunsten, vermeld in artikel V.164, § 1, en dat daarnaast een andere bezoldigde activiteit of beroepsactiviteit uitoefent, niet beperkt tot 120 % als deze nevenactiviteiten van artistieke aard zijn en verband houden met de onderwijsactiviteiten die het personeelslid verstrekt. Deze afwijking geldt eveneens voor nevenactiviteiten in het kunstonderwijs. De principes van de uitoefening van nevenactiviteiten in het kunstonderwijs worden verder uitgewerkt in het hogeschoolonderhandelingscomité ». Het decreet van 13 juli 1994 bevatte gelijkaardige bepalingen (namelijk de artikelen 103, 113, 147, 148 en 150). B.5.
  28. Voor personeelsleden van de hogescholen belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten gelden er derhalve afwijkende regels met betrekking tot de bezoldiging, de taakomschrijving en de cumulatie met andere activiteiten. B.5.
  29. De parlementaire voorbereiding van het decreet van 13 juli 1994 licht die afwijkende regels als volgt toe : « Artikel 111 [artikel 113 van het decreet van 13 juli 1994] 11 Personeelsleden belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten genieten per definitie een bijzonder regime inzake cumulatie wegens hun blijvende verankering in het artistieke gebeuren. Bijgevolg kan voor hen ‘ volledige beschikbaarheid voor de hogeschool ’ niet hetzelfde betekenen als voor de overige leden van het onderwijzend personeel. Tevens kan een voltijdse opdracht niet met alle aspecten van de algemene taakomschrijving van betreffende ambt worden ingevuld. Dit artikel stelt dan ook dat de personeelsleden die dergelijke vakken geven enkel met onderwijsactiviteiten kunnen worden belast. De hogeschool zal afzonderlijke criteria vastleggen die gehanteerd zullen worden bij het bepalen van de omvang van een voltijdse of deeltijdse opdracht en dit in functie van de beschikbaarheid voor de hogeschool van het betrokken personeelslid. […] Artikel 140 [artikel 142 van het decreet van 13 juli 1994] De personeelsleden belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten van het studiegebied kunst in het hoger onderwijs van twee cycli genieten bijzondere weddeschalen, die 70 procent bedragen van de gewone weddeschalen. Hiertegenover staat dat zij niet onderworpen zijn aan de stringente cumulregeling. Deze groep personeelsleden kan er vrij allerhande artistieke nevenactiviteiten op na houden, voor zover de nevenactiviteiten verband houden met de onderwezen artistieke discipline. Zij worden immers per definitie niet geacht volledig ter beschikking van de instelling te zijn, hoewel zij toch een voltijdse opdracht kunnen vervullen. Vandaar dat hun opdracht binnen de hogeschool dan ook beperkt is tot louter onderwijsactiviteiten. Voor deze regeling werd gekozen vanuit het oogpunt dat het onderwijzen van artistieke materie onafscheidelijk verbonden is met een blijvende participatie aan de artistieke praktijk. Met deze soepele regeling wordt ook in omgekeerde zin de weg geopend naar de hogeschool toe voor ‘ kunstenaars van formaat ’. Enerzijds kan de hogeschool op die manier personen aantrekken met een grote artistieke uitstraling. Anderzijds wordt hen nu de kans geboden om aan het onderwijsgebeuren te participeren zonder enige vorm van beperking op hun artistieke activiteiten. Paragraaf 2 van dit artikel stelt dat indien zij de toepassing van de cumulatievrijheid niet wensen en toch door de hogeschool geacht worden valabel te zijn in het uitoefenen van hun opdracht, zij op dat ogenblik aanspraak kunnen maken op de 100 procent weddeschalen. Hierbij vervalt echter ook de beperking van hun opdracht tot louter onderwijsactiviteiten. Vanaf dat moment dient hun opdracht binnen de hogeschool alle elementen van de algemene taakomschrijving, eigen aan het ambt dat zij uitoefenen, te omvatten. De toekenning van de normale weddeschalen is in dit geval geen automatisme, maar afhankelijk van de uitdrukkelijke toestemming van het hogeschoolbestuur. […] Artikel 148 [artikel 150 van het decreet van 13 juli 1994] Dit artikel legt een bijzondere cumulatieregeling vast voor de personeelsleden belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten. Hun voltijdse opdracht wordt niet ambtshalve deeltijds wanneer zij meer dan twee halve dagen per week besteden aan nevenactiviteiten voor zover de nevenactiviteiten van artistieke aard zijn en verband houden met de door het personeelslid verstrekte onderwijsactiviteiten. Het hogeschoolbestuur zal over de laatstvermelde voorwaarde oordelen. Deze personeelsleden zijn evenwel onderworpen aan de ‘ publicatieplicht ’ binnen de 12 hogeschool met als enig doel de controle op het vervuld zijn van de voorwaarde tot zuiver artistieke cumulatie-activiteiten. Deze regel laat aan de personeelsleden in kwestie toe om naast hun artistieke bezigheden ook aan het onderwijsgebeuren te participeren en op die manier pensioenrechten op te bouwen » (Parl. St., Vlaamse Raad, 1993-1994, nr. 546/1, pp. 51, 57 en 59). B.5.
  30. Uit deze parlementaire voorbereiding blijkt dat het de bedoeling van de decreetgever is dat de bijzondere salarisschalen voor het personeel van het hoger onderwijs belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten die de Vlaamse Regering moet vaststellen, lager zijn dan de gangbare salarisschalen die van toepassing zijn op de personeelsleden die belast zijn met niet-artistiekgebonden onderwijsactiviteiten. Die lagere weddeschalen worden volgens de decreetgever dus verklaard door het feit dat, aangezien het artistiek onderwijs onlosmakelijk verbonden is met een blijvende participatie aan de artistieke praktijk, de personeelsleden die met dat onderwijs zijn belast « per definitie » niet worden geacht volledig ter beschikking van de hogeschool te zijn. Daartegenover staat dat die personeelsleden, nog volgens de decreetgever, niet onderworpen zijn aan de cumulatiebeperking die geldt voor de personeelsleden die belast zijn met niet-artistiekgebonden onderwijsactiviteiten en dat zij, anders dan die laatste personeelsleden, enkel kunnen worden belast met onderwijsactiviteiten. B.
  31. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
  32. Volgens de Vlaamse Regering en de Hogeschool Gent zijn personeelsleden die zijn belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten en personeelsleden die zijn belast met 13 niet-artistiekgebonden lesopdrachten niet vergelijkbaar, gelet op de in B.5.3 weergegeven verschillen met betrekking tot de beschikbaarheid, de cumulatieregeling en de taakomschrijving. Verschil en niet-vergelijkbaarheid mogen niet worden verward. De verschillen waarnaar de Vlaamse Regering en de Hogeschool Gent verwijzen, kunnen weliswaar een element zijn in de beoordeling van het verschil in behandeling, maar ze kunnen niet volstaan om tot niet- vergelijkbaarheid te besluiten. Zo niet zou de toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie van elke inhoud worden ontdaan. B.
  33. Bij het bepalen van het geldelijk statuut van de personeelsleden in het onderwijs beschikt de decreetgever over een ruime beoordelingsvrijheid. Het staat aan de decreetgever, met naleving van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, criteria vast te stellen waarmee de Vlaamse Regering rekening kan houden om de salarisschalen voor ambten in het onderwijs te bepalen. B.
  34. Uit de in B.5.2 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de bijzondere, lagere salarisschalen voor het personeel belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten een compensatie vormen voor hun verminderde beschikbaarheid voor de hogeschool waaraan zij verbonden zijn, als gevolg van hun onbeperkte cumulatievrijheid en hun beperktere taakomschrijving. Met die onbeperkte cumulatievrijheid en die beperktere taakomschrijving beoogt de decreetgever, enerzijds, de hogescholen in staat te stellen om personen met een grote artistieke uitstraling aan te trekken en, anderzijds, die personen de kans te bieden om onderwijs te verstrekken zonder enige vorm van beperking van hun artistieke activiteiten. Die doelstellingen zijn wettig. B.
  35. Het in het geding zijnde verschil in behandeling steunt op een objectief criterium, namelijk de al dan niet artistiekgebonden aard van het verstrekte onderwijs. B.11.
  36. Het in het geding zijnde verschil in behandeling steunt op de veronderstelling dat personen die artistiek onderwijs verstrekken aan hogescholen steeds tegelijk ook (« onlosmakelijk verbonden met ») werkzaam zijn in de artistieke praktijk, zodat zij dus « per definitie » niet volledig ter beschikking zijn van de hogeschool. 14 B.11.
  37. Met de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege moet evenwel worden vastgesteld dat noch de decreetgever, noch de Vlaamse Regering aantonen dat die « veronderstellingen » overeenstemmen met de werkelijkheid en dus dat alle personeelsleden belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten op dezelfde wijze werkzaam zijn in de artistieke praktijk, en dus minder beschikbaar zijn voor de hogeschool dan personeelsleden die belast zijn met niet-artistiekgebonden lesopdrachten. Zo toont de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege aan dat, bijvoorbeeld wat betreft de reële taakbelasting van de Hogeschool Gent, waar hij was tewerkgesteld, en de concrete invulling ervan, er weinig tot geen verschillen zijn tussen het artistiek en het niet- artistiek onderwijspersoneel. Ook in de parlementaire voorbereiding van het decreet van 13 juli 1994 werd de waarachtigheid van die veronderstellingen, omschreven als een « erfenis uit het verleden », overigens al betwist (Parl. St., Vlaamse Raad, 1993-1994, nr. 546/9, pp. 70-71). Die kritiek werd vervolgens herhaald tijdens een hoorzitting in het Vlaams Parlement op 26 april 2010 over de hervorming van het hoger kunstonderwijs in Vlaanderen (Parl. St., Vlaamse Raad, 2009-2010, nr. 591/1, p. 28; nr. 591/1 - Bijlagen, pp. 188-189). Dat personeelsleden belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten « per definitie » minder beschikbaar zijn dan personeelsleden belast met niet-artistiekgebonden lesopdrachten, steunt dus op een ongefundeerde veronderstelling. Zij kan het in het geding zijnde verschil in behandeling bijgevolg niet verantwoorden. Bovendien gaat de in B.11.1 vermelde veronderstelling ervan uit dat het hogeronderwijspersoneel enkel voltijds ter beschikking kan zijn van de hogeschool. Volgens de Vlaamse Codex Hoger Onderwijs kan een opdracht evenwel ook deeltijds zijn. Het staat aan het hogeschoolbestuur om voor elk lid van het onderwijzend personeel te bepalen of zijn opdracht voltijds dan wel deeltijds is (artikel V.80, 8°, en artikel V.130). Een deeltijdse betrekking wordt omschreven als « een betrekking met een opdracht waarvan de omvang een procentueel aandeel van een voltijdse betrekking bedraagt » (artikel V.80, 12°, van de Vlaamse Codex Hoger Onderwijs). Zulks is overigens het geval voor de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege, die sinds 1999 immers voor 90 % was tewerkgesteld als hoofddocent. De mate waarin een personeelslid beschikbaar is voor de hogeschool wordt dus weerspiegeld in de omvang van de opdracht waarin het door de hogeschool wordt tewerkgesteld. De in het geding zijnde bepaling heeft dan ook tot gevolg dat een personeelslid 15 dat belast is met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten bijkomend wordt benadeeld wegens zijn verminderde beschikbaarheid, louter wegens de aard van het door hem verstrekte onderwijs. B.11.
  38. Weliswaar staat tegenover die afwijkende, lagere weddeschalen, zoals blijkt uit B.5.2 en B.5.3, dat de personeelsleden belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten, wegens de onlosmakelijke verbondenheid tussen het artistiek onderwijs en de artistieke praktijk, hun onderwijsactiviteiten vrij kunnen cumuleren met artistieke nevenactiviteiten en een beperktere taakomschrijving hebben dan personeelsleden belast met niet-artistiekgebonden lesopdrachten. Aangezien er evenwel, wat betreft de reële taakbelasting, weinig verschillen zijn tussen de betrokken categorieën van personeelsleden, valt niet in te zien waarom die « artistieke verbondenheid » niet zou kunnen worden verwezenlijkt door op het personeel van het hoger onderwijs belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten de algemene cumulatieregeling en de algemene taakomschrijving, die gelden voor het personeel van het hoger onderwijs belast met niet-artistiekgebonden onderwijsactiviteiten, toe te passen. Wat betreft de cumulatieregeling, laat artikel V.170 van de Vlaamse Codex Hoger Onderwijs het personeelslid dat ten minste een halftijdse opdracht uitoefent aan de hogeschool immers toe om tot maximaal 120 % een andere bezoldigde activiteit of beroepsactiviteit uit te oefenen. Als de totale omvang van de opdrachten meer dan 120 % bedraagt, wordt de opdracht aan de hogeschool ambtshalve gereduceerd. Met betrekking tot de taakomschrijving die van toepassing is op het personeel van het hoger onderwijs belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten, volgt uit artikel V.131 van de Vlaamse Codex Hoger Onderwijs bovendien dat het personeel belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten niet alleen kan worden belast met onderwijsactiviteiten, maar ook met « activiteiten in het kader van de ontwikkeling en de beoefening van de kunsten, zoals bepaald in de zending van de hogescholen ». Aldus verschilt ook de concrete invulling van de taakomschrijving van het personeel belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten niet fundamenteel van die van het personeel belast met niet-artistiekgebonden onderwijsactiviteiten. 16 Bijgevolg kunnen de afwijkende regels met betrekking tot de taakomschrijving en de cumulatie het in het geding zijnde verschil in behandeling niet verantwoorden. B.11.
  39. Het feit dat artikel V.164, § 2, van de Vlaamse Codex Hoger Onderwijs de personeelsleden belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten de mogelijkheid biedt om afstand te doen van hun cumulatievrijheid en aan het hogeschoolbestuur de toepassing van de gangbare salarisschalen te vragen, is niet van dien aard het in het geding zijnde verschil in behandeling te verantwoorden. Zoals blijkt uit de tekst van die bepaling, is de toekenning van de gangbare salarisschaal geen recht voor het personeelslid, maar is zij afhankelijk van de uitdrukkelijke toestemming van het hogeschoolbestuur. Het personeelslid van het hoger onderwijs belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten heeft dus geen zekerheid dat het die afwijking toegekend zal krijgen. B.11.
  40. Ten slotte lijken ook de decreetgever en de Vlaamse Regering zelf te erkennen dat er geen verantwoording bestaat voor de bijzondere, lagere salarisschalen die van toepassing zijn op het personeel van het hoger onderwijs belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten. Nadat de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) reeds in een advies van 10 juni 2008 pleitte voor de afschaffing van de bijzondere salarisschalen (advies nr. RHO/IDR/ADV/008 « over de discussienota hoger kunstonderwijs », pp. 5-6), nam het Vlaams Parlement op 8 juli 2010 een motie van aanbeveling aan waarin het de Vlaamse Regering verzocht om een geïntegreerd en gecoördineerd personeelsstatuut en een nieuwe rechtspositieregeling voor het geheel van het hoger onderwijs te ontwikkelen, waarin met name « een einde [wordt] gemaakt aan de ‘ bijzondere salarisschaal ’ voor lesgevers in het hoger kunstonderwijs […] weliswaar met inachtneming van de vigerende algemene cumulatieregelingen » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2009-2010, nr. 591/6, pp. 4-5). Op 16 juli 2010 heeft de Vlaamse Regering beslist om die aanbeveling uit te voeren door de problematiek inzake de bijzondere salarisschalen in het hoger kunstonderwijs in te bedden in de algemene problematiek van de cumulatieregeling bij de hogescholen (Parl. St., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 1655/1, pp. 32-33; nr. 1655/4, p. 104). Vervolgens heeft de Vlaamse Regering zich in het kader van de onderhandelingen, binnen het Vlaams Onderhandelingscomité voor het Hoger Onderwijs, over het voorontwerp van decreet dat heeft geleid tot het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 13 juli 2012 « betreffende de integratie van de academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten » geëngageerd om « de problematiek van de cumulatieregeling in het hoger onderwijs in het algemeen en de cumulatie en bijzondere salarisschaal in het hoger kunstonderwijs in het 17 bijzonder ten gronde in kaart te brengen en om nog deze legislatuur een voorstel uit te werken voor een vernieuwde, uniforme cumulatieregeling » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 1655/1, p. 261; nr. 1655/4, p. 104). Ten slotte heeft de decreetgever in het kader van de toekenning van extra middelen om de bijzondere salarisschalen op te trekken, bij artikel 12 van het programmadecreet van 8 juli 2022 bij de aanpassing van de begroting 2022, dat daartoe artikel III.5, § 12, van de Vlaamse Codex Hoger Onderwijs heeft gewijzigd en dat werd uitgevoerd door artikel 2 van het besluit van 2 december 2022, uitdrukkelijk verklaard dat « het streefdoel blijft om op termijn, rekening houdend met de beschikbare budgettaire ruimte, tot een volledige gelijkschakeling te komen » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2021-2022, nr. 1302/1, pp. 5 en 6). Buiten die gedeeltelijke verhoging van de bijzondere salarisschalen werden er evenwel nog geen initiatieven genomen om die bijzondere salarisschalen ook effectief af te schaffen of ze volledig gelijk te schakelen met de gangbare salarisschalen. B.
  41. Gelet op het voorgaande, is het in het geding zijnde verschil in behandeling niet redelijk verantwoord. Artikel 142, § 1, van het decreet van 13 juli 1994 en artikel V.164, § 1, van de Vlaamse Codex Hoger Onderwijs zijn derhalve niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 18 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 142 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 13 juli 1994 « betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap » en artikel V.164 van de Vlaamse Codex Hoger Onderwijs, gecoördineerd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 oktober 2013 « tot codificatie van de decretale bepalingen betreffende het hoger onderwijs », schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 28 mei
  42. De griffier, De emeritus voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.071 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.