← België

ECLI:BE:HBANT:2004:ARR.20040524.29

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 24 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2004:ARR.20040524.29 Rolnummer: 1996AR915 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2010-02-25 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-07-03 23:37 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Vervoersverzekering Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, 4e KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: Inzake: 1996/AR/915 : B.V.B.A. PALMOTRA, met maatschappelijke zetel te 2540 Hove, Mortselsesteenweg 77, ingeschreven in het H.R. te Antwerpen onder nummer 12.318, (zie stuk 40); appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen d.d. 24 januari 1996; vertegenwoordigd door Meester E. Rycken loco Meester R. Schroey-ers, advocaat te 2000 Antwerpen, Louizastraat 32 bus 1; tegen : 1.

  1. a)de maatschappij naar Frans recht VIA ASSURANCE (NORD ET MONDE) I.A.R.D., gevestigd te 75009 Parijs, Frankrijk, 52, rue Laffitte;
  2. b)de maatschappij naar Frans recht L'EUROPE, gevestigd te 75439 Parijs, Frankrijk, 50-52 rue de L'Amsterdam; - beiden keuze van woonst doende bij de P.V.B.A. BOSTYN, verzekeringen, gevestigd te 9000 Gent, Doornzelestraat 1; 2.
  3. a)N.V.MERCATOR, algemene verzekeringsmaatschappij, gevestigd te 2000 Antwerpen, Desguinlei 100;
  4. b)de maatschappij naar Frans recht COMPAGNIE D'ASSURANCES MARITIMES, AERIENNES ET TERRESTRE S.A., gevestigd te Parijs, 2, Frankrijk, rue des Filles St. Thomas, 9, 75083 Paris Cedex 02;
  5. c)de maatschappij naar Engels recht LLOYD'S OF LONDON, gevestigd te Engeland, London;
  6. d)de maatschappij naar Frans recht RHONE MEDITERRANEE, gevestigd te Marseille, 10, rue Beauvau, Frankrijk;
  7. e)N.V. MERCATOR, gevestigd te 2000 Antwerpen, Desguinlei 100; - allen keuze van woonst doende bij de N.V. KETELS & C°, gevestigd te 2000 Antwerpen, Huidevettersstraat 46/A; 3. N.V. DE STER 1905, gevestigd te 1030 Brussel, Sterrenkundelaan 23; 4.
  8. a)de maatschappij naar het recht van Groot-Brit-tannië LOMBARD INS. CY. LTD., vertegenwoordigd door Matheson & CY Ltd., gevestigd te London, E.C.3.M.-7 DY, Engeland, Lloyds Building, 3/4 Limestreet;
  9. b)de maatschappij naar het recht van Groot-Brit-tannië BRITISH RESERVE INS. CY. Ltd., gevestigd te London E.C.3. - R.7.E.L., Engeland, Market Building, Mincing Lane, 29;
  10. c)de maatschappij naar het recht van Groot-Brittannië, GRAND UNION INS. CY. Ltd., as per marine Insurance nr. 790605 agreement, vertegenwoordigd door Webster & Cy Ltd., gevestigd te London E.3.-R.7.E.L. Market Building, Mincing Lane 29;
  11. d)de maatschappij naar het recht van Groot-Brittannië, DRAKE INS. CY. Ltd., gevestigd te London E.C. 3M-2 S.A., Groot-Brittannië, Billiterstreet 22;
  12. e)de maatschappij naar het recht van Groot-Brittannië BRITISH RESERVE INS. CY. Ltd., gevestigd te London E.C.3-R.7.E.L., Engeland, Market Building, Mincing Lane 29;
  13. f)MEDITERRANEAN INS. CY. Ltd., gevestigd te London 3C-3M-3DK, Groot-Brittannië, Plantation House, Fenchurchstreet;
  14. g)de maatschappij naar het recht van Groot-Brittannië MEDITER-RANEAN INS. CY. Ltd. AS PER MARINE INS. nr. 80/100723 agreement, gevestigd te London, 3C-3M-3DK, Groot-Brittannië, Plantation House, Fenchurchstreet;
  15. h)de maatschappij naar het recht van Groot-Brittannië INSCO INS. CY. Ltd., as per marine Ins. nr. 005449 agreement, gevestigd te Hamilton Bermuda Islands, Insco House, Chruch street; - allen keuze van woonst doende bij hun raadsman Meester Herman LANGE, hierna vermeld, (zie stuk 38); geïntimeerden vertegenwoordigd door Meester H. Lange, advocaat te 2000 Antwer-pen, Schermersstraat 30; * * * * * * * Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen gewezen op 24/01/1996, door de rechtbank van koophandel te Antwerpen, waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd, waartegen een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld door verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof, op 12/03/1996; Overwegende dat de hoofdvordering van appellante - ingeleid bij exploten van 12/08/1982, 12/08/1982 en 13/08/1982 -, na herleiding in conclusie, neergelegd ter griffie van de rechtbank van koophandel te Antwerpen op 30/06/1995, ertoe strekte geïntimeerden (en
  16. a)VIA ASSURANCE NORD ET MONDE I.A.R.D., met maatschappelijke zetel gevestigd te 75009, Parijs, Frankrijk, 52, rue Laffitte,
  17. b)N.V. LA PREVOYANCE - DE VOORZORG, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat, 102,
  18. c)N.V. BELGISCHE VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ UTRECHT, met maatschappelij-ke zetel gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat, 13, en
  19. d)N.V. BOREAS, met maatschappelijke zetel gevestigd te TEMSE, Dijckstraat 6, geen partijen in hoger beroep) solidair, in solidum of de ene bij gebreke van de andere te veroordelen om te betalen aan appellante het bedrag van 28.710,28 EUR (1.158.170 BEF), te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 14/02/1982, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding, uit hoofde van kosten voor het bergen van het schip PALMOTRA II en lading - 5.105,74 EUR (205.965 BEF) - en uit hoofde van herstellingskosten van het kwestieus schip - 23.604,55 EUR (952.205 BEF) -, dat op 14/02/1982, ter hoogte van de sluis van Viersel op het Netekanaal, was gezonken, op grond van een door appellante met geïntimeerden afgesloten Nederlandse Beurs-Cascopolis voor de Binnenvaart 1966; Overwegende dat het bestreden vonnis de vordering van appellante ontvankelijk, doch ongegrond verklaarde; Overwegende dat appellante bij hervorming van het bestreden vonnis de toekenning van haar oorspronkelijke hoofdvordering, zoals herleid in conclusie voormeld, nastreeft; Overwegende dat geïntimeerden concluderen tot het ongegrond verklaren van het ingestelde hoger beroep en de bevestiging van het bestreden vonnis; Overwegende dat de feiten die ten grondslag liggen van de vordering van appellante kunnen worden geschetst als volgt : - dat appellante voor haar binnenschip PALMOTRA II met geïntimeerden (en de hierboven vermelde verzekeraars, die geen partij zijn in hoger beroep) een Nederlandse Beurs- Casco polis voor de Binnenvaart 1996 afsloot; dat de polis in-ging op 04/12/1981 om te eindigen op 04/12/1982; - dat op vrijdag 12/02/1982 het schip PALMOTRA II te Hoboken werd beladen met 394 ton hooggeconcentreerd zwavelzuur; - dat dezelfde dag de reis werd aangevat, doch s'avonds werd onderbroken te Viersel op het Netekanaal, waar het schip gemeerd werd om tijdens het weekend te blijven liggen; - dat de heer D.R., zaakvoerder van appellante, de schipper en de twee bemanningsleden, gedurende het weekend, van het schip heeft gehaald; - dat op zaterdagmorgen 14/02/1982, omstreeks 7.00 uur, een vroege wandelaar opmerkte dat het binnenschip PALMOTRA II aan het zinken was; - dat men alsdan pogingen heeft ondernomen om het schip terug vlot te krijgen (door het leegpompen van het schip en de lading), waarin men geslaagd is op 17/02/1982; - dat op initiatief van geïntimeerden bij beschikking van de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 22/02/1982 kapitein Van Dijck als gerechtsdeskundige werd aangesteld om advies uit te brengen over de omstandigheden en de oorzaak van het zinken van het binnenschip "PAL-MOTRA II "; - dat de gerechtsdeskundige voormeld in zijn deskundig verslag tot de conclusie kwam dat het zinken van het binnenschip "PALMOTRA II " en de daaruit voortspruitende schade een gevolg was van waterinfiltratie via de gland op de schroefas en de schroefastunnel; Overwegende dat het bestreden vonnis de voormelde vordering van appellante ontvankelijk, doch ongegrond verklaarde, met als motivering dat het zinken van het kwestieus binnenschip, eigendom van appellante, te wijten was aan een eigen gebrek van het schip, bekend aan de eigenaar, en dat hiervoor de afgesloten polis geen dekking verleent; 1. Overwegende dat in de Nederlandse Beurs-Cascopolis voor de Binnenvaart 1966 een dekkingsomschrijving wordt gegeven welke aansluit bij artikel 637 van het Nederlandse Wetboek van Koophan-del; dat in artikel 637 van het Nederlandse Wetboek van Koophandel een opsomming wordt gegeven van evenementen die onder de wettelijke dekking vallen, welke opsomming door zijn open einde een enuncia-tief karakter heeft; dat de dekking "alle van buiten aankomende onheilen" omvat; dat deze regel impliceert dat alle onheilen die niet van buiten komen maar desalniettemin onzeker kunnen zijn zoals een eigen gebrek van het object, zijn uitgesloten van de wettelijke dekking; dat dit resultaat eveneens wordt bereikt door het bepaalde van artikel 246 juncto artikel 249 van het Nederlandse Wetboek van Koophandel. dat in het eerste artikel een omschrijving van de verzekerings- overeenkomst wordt gegeven, waarbij het begrip onzekere gebeur-tenis centraal staat; dat de Nederlandse wetgever hiermee een begrip hanteert dat in beginsel meer omvat dan uitsluitend van buiten aankomende onheilen; dat door het bepaalde in artikel 249 van het Nederlandse Wetboek van Koophandel (eigen gebrek) de algemene regel neergelegd in artikel 246 wordt teruggebracht tot een dekking gelijk aan die van artikel 637 van het Nederlandse Wetboek van Koophandel, waar de begrenzing is gelegen in evenementen die van buitenaf het verzekerde object aangrijpen; dat artikel 637 van het Nederlands Wetboek van Koophandel niet alleen toelaat dat bij contract hieraan wordt gerenuntieerd, doch tevens aangeeft, dat onverkort rekening dient te worden gehouden met beperkende wettelijke voorschriften, zoals de uitsluiting van eigen schuld (artikel 276) en voor de brandverzekering in artikel 294 (merkelijke schuld); 2. Overwegende dat appellante in hoofdorde aanvoert dat, gezien in de regels 37 tot 42 van de Nederlandse Beurs-Casco Polis voor de Binnenvaart verzaakt (gerenuntieerd) wordt aan artikel 249 van het Nederlands Wetboek van Koophandel, het schip voor alle risico's, eigen gebrek inbegrepen, verzekerd was; Overwegende dat deze stelling terecht door geïntimeerden wordt betwist, nu uit de lezing van de regels 39 en 40 van de polis blijkt dat de verzaking aan het artikel 249 van het Nederlands Wetboek van Koophandel enkel en alleen betrekking heeft op en beperkt is tot het risico ontploffing : " Schade door ontploffing ontstaan is onder de verzekering begrepen, renuntiërende wij ten deze aan Art. 249 W.v.K."; Overwegende dat de polis alle risico's opgesomd in de regel 37 tot en met 39 dekt; dat in deze opsomming het eigen gebrek niet voorkomt; dat evenwel voor het risico ontploffing een uitzondering wordt gemaakt, in die zin dat dit risico altijd gedekt is, ongeacht de oorzaak van de ontploffing, en dus ook indien deze een eigen gebrek uitmaakt; Overwegende dat derhalve de verzaking aan artikel 249 van het Nederlands Wetboek van Koophandel beperkt is tot het risico ontploffing, zodat voor de andere gevallen opgesomd in voormeld artikel, ( " ... schade of verlies uit enig gebrek, eigen bederf, of uit de aard en de natuur van de verzekerde zaak zelve onmiddellijk voortspruitende ...") dat zijn volle uitwerking blijft behouden, met name : "... is de verzekeraar nimmer gehouden ..."; Overwegende dat dienvolgens de door appellante gedane extensie-ve interpretatie van de verzaking in regel 40 - nl. dat de verzaking ook betrekking heeft op het eigen gebrek - geen enkele steun vindt in de duidelijke tekst van de polis; Overwegende dat de onzeewaardigheid (b.v. door eigen gebrek) evenmin is gedekt door artikel 5 van de Bijzondere Voorwaarden van de Belgische Vereniging Van de Transportverzekeraars voor de Verzekering van Binnenschepen, die deel uitmaken van de tussen appellante en geïntimeerden afgesloten verzekeringspolis, nu deze voorwaarden bepalen : "Zeewaardigheid is een voorwaarde voor de geldigheid van deze polis; de verzekeraars mogen altijd het tegenbewijs leveren"; 3. Overwegende dat geïntimeerden ter weigering van hun dekking aanvoeren dat het binnenschip "PALMOTRA II " onzeewaardig was, minstens aangetast was door een eigen gebrek, en het schip minstens in deze staat niet verzekerd was; a. Overwegende dat de gerechtsdeskundige, Kapitein R. L. van DIJCK, in zijn verslag tot de volgende conclusies komt : - dat het zinken van het ms "PALMOTRA II " en de daaruit voortspruitende schade een gevolg was van waterinfiltratie via de gland op de schroefas en de schroefastunnel; - dat het bestaan van deze infiltratie reeds voor het ongeval bekend was aan schipper en eigenaar; - dat na het ongeval gemeld te Yvoz-Ramet geen onderzoek werd uitgevoerd van het onderwater-gedeelte van het schip; - dat moet worden aangenomen dat de pakking in deze gland onvoldoende was, en dat tengevolge van de moeilijke toegang en de gebrekkige verlichting deze niet gelijkmatig aangedrukt werd waardoor een abnormale en niet gelijkmatige slijtage ontstond, zodat de waterdichtheid ervan niet meer voldoende was; - dat de scheepsleiding een gebrekkig beleid en onvoldoende voorzorgen kan worden verweten, o.m. wat betreft het regel-matig peilen en lenspompen van de vullings; - dat de scheepsleiding vooral in gebreke bleef door het schip met medeweten van de reder-eigenaar onbeheerd achter te laten gedurende verschillende dagen, zodat de grote omvang van de infiltratie niet tijdig kon worden vastgesteld en de ge-volgen ervan niet tijdig konden worden verholpen; - dat een enorm risico werd genomen door de lading hoogge-concentreerd zwavelzuur bloot te stellen aan de mogelijkheid van waterinfiltratie, waardoor een hevige reactie met een gro-te hitte-afgave zal ontstaan, en afgifte van waterstofgas, met gevaar van explosie bij aanwezigheid van een open vlam of vonk; dat bovendien de toevoeging van water de vloeistof zeer bijtend maakt, en de scheepsstructuren en leidingen aantast; b. Overwegende dat geïntimeerden stellen dat op basis van de bevindingen en conclusies van de gerechtsdeskundige voormeld vaststaat dat het zinken van het ms "PALMOTRA II ", zijn oorzaak vindt in een eigen gebrek, c.q. de onzeewaardigheid van het kwestieus binnenschip, bestaande in de niet- waterdichtheid, respectievelijk het gebrek van de gland op de schroefas en de schroefastunnel, waardoor waterinfiltraties ontstonden; Overwegende dat appellante zulks betwist en stelt dat de oorzaak van het zinken van het ms "PALMOTRA II " niet gelegen is in een eigen gebrek; dat zij ter ontkrachting van de bevindingen en conclusies van de gerechtsdeskundige, kapitein VAN DIJCK, verwijst naar twee verslagen van eigen deskundigen, nl. een verslag van kapitein CLAUS en de opmerkingen van irs. A. en W. DE BACKER op het expertiseverslag; Overwegende dat in eerste instantie dient te worden opgemerkt dat de eigen deskundigen van appellante fundamenteel van mening verschillen omtrent de oorzaak van het zinken van het ms "PAL-MOTRA II "; dat kapitein CLAUS, zoals de gerechtsdeskundige VAN DIJCK, de mening is toegedaan dat het zinken van het schip te wijten is aan waterinfiltratie via de pakkingsbus op de schroefas, terwijl ir. DE BACKER van mening is dat de oorzaak van het zinken is gelegen in het dalen en stijgen van het waterpeil in het kanaal; dat kapitein CLAUS het aldus eens is met de gerechtsdeskundige VAN DIJCK, zij het dat kapitein CLAUS de oorzaak van het lekken niet zoekt in "abnormale en niet gelijkmatige slijtage" die mede in de hand werd gewerkt door "de moeilijke toegang en de gebrekkige verlichting" (zie het verslag van gerechtsdeskundige VAN DIJCK blz. 33), maar in een beweerde verhitting van de pakking door de uitzonderlijk hoge snelheid die door het schip werd ontwikkeld tussen de sluizen van Duffel en Viersel, waardoor er uitzonderlijke trillingen zouden zijn ontstaan, met het warm lopen van de pakking van de schroefasbus als gevolg, en uiteindelijke verdorring als resultaat; dat de stelling van kapitein CLAUS dat de oorzaak van de waterinfil-tratie in het schip dient te worden toegeschreven aan trillingen ingevolge een veel te hoge gevoerde vaarsnelheid, bij gebreke van objectieve gegevens desbetreffend, niet afdoende naar recht wordt aangetoond; dat hetzelfde geldt voor wat betreft de stelling van ir. DE BACKER; Overwegende dat derhalve de eenzijdige verslagen van de eigen deskundigen van appellante niet van aard zijn om de bevindingen en conclusies van het verslag van gerechtsdeskundige, kapitein VAN DIJCK, te ontzenuwen en te weerleggen; c. Overwegende dat artikel 637 van het Nederlands Wetboek van Koophandel een opsomming geeft van evenementen die onder de wettelijke dekking vallen; dat de dekking omvat, zoals in de bepaling uitdrukkelijk tot slot wordt gesteld, alle van buiten aankomende onheilen; dat deze regel impliceert, dat onheilen die niet van buiten komen maar desalniettemin onzeker kunnen zijn zoals een eigen gebrek van het object, uitgesloten zijn van de wettelijke dekking; dat met andere woorden een eigen gebrek als een niet van buiten komend onheil van de wettelijke transportdekking is buitengesloten; Overwegende dat voor de vraag wat volgens Nederlands recht onder eigen gebrek moet worden verstaan, in eerste instantie te rade dient te worden gegaan bij artikel 249 van het Nederlands Wetboek van Koophandel, overeenkomstig hetwelk, schade uit "eenig gebrek, eigen bederf of uit den aard en de natuur van de verzekerde zaak zelve onmiddellijk voortspruitende" niet voor vergoeding in aanmer- king komt, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk is bedongen; dat deze omschrijving ziet op twee vormen van eigen gebrek; dat deze door Van der Feltz (in Beschouwingen over titel 17 van Boek 7 van het Ontwerp voor een Nieuw Burgerlijk Wetboek, VA 1975, blz. 227) zijn aangegeven als volgt : - een omstandigheid of eigenschap welke een bepaalde zaak doch niet de soort bezit; dat door de wetgever deze vorm is aangeduid met "eenig gebrek", waarbij kan worden gedacht aan een constructiefout, overmatige roestvorming of verhoog-de slijtage; - omstandigheden of eigenschappen welke alle zaken van dezelfde soort gemeen hebben; dat in artikel 249 van het Ne-derlands Wetboek van Kophandel hieraan uitdrukking is ge-geven door de woorden "aard en de natuur", waaronder zijn begrepen zelfontbranding, hooibroei en de door de wetgever expliciet vermelde eigenschap van bederf; dat Dorhout Mees (Schadeverzekeringsrecht, Zwolle, 4de druk, nr. 36) eigen gebrek definieert als volgt : "een de zaak aanklevende minderwaardigheid door slechte constructie, slijtage of dergelijke ontstaan of een ongunstige eigenschap, die zaken van de soort der verzekerde zaak niet behoren te bezitten"; dat deze omschrijving, anders dan die van Van der Feltz bovenver-meld, geen betrekking heeft op de schade die voortvloeit uit de aard en de natuur van de verzekerde goederen; Overwegende dat in de rechtsliteratuur zich het vraagstuk van het eigen gebrek in het bijzonder toespitst op de vraag of een eigen gebrek kan worden aangemerkt als een onzeker voorval; dat Van der Feltz (ibidem blz. 226) in dit verband stelt dat, evenals de aard van de verzekerde zaak, een gebrek ervan een vast gegeven is en daarom niet een onzeker voorval kan zijn; dat dezelfde opvatting is verdedigd door Van Oven (Het verzeke- ringsrecht en het NBW; onzeker voorval, gebrek en bederf in het Ontwerp NBW, Het Verzekerings - Archief 1982, blz.181 e.v.), volgens dewelke het niet mogelijk is het begrip voorval zo ver uit te rekken dat het eigen gebrek, "zijnde een eigenschap of een toestand zou omvatten"; dat volgens Mr. Ph. H.J.G. van Huizen (Het Transportverzeke- ringsbedrijf,1988, Maklu uitgevers Apeldoorn-Antwerpen) voormelde auteurs een te grote betekenis aan het begrip gebeurtenis geven, en, volgens hem, hebben de termen gebeurtenis, voorval, onheil en evenement als element in een omschrijving van verzekerings- overeenkomst uitsluitend de functie het onzekere, het ongewone, het onverwachte van het risico te benadrukken; Overwegende dat, wanneer artikel 249 van het Nederlandse Wetboek van Koophandel niet opzij is gezet - zoals in casu - en alsdan wordt vastgesteld dat er verband bestaat tussen het eigen gebrek en de schade, de verzekerde alsdan, wil hij in aanmerking komen voor een vergoeding, zal moeten kunnen wijzen op een achterliggende oorzaak die de uitkering rechtvaardigt; dat, wanneer hij hierin niet slaagt, de samenhang met het eigen gebrek, die door de verzekeraar moet zijn aangetoond, maakt dat het eigen gebrek als juridisch relevante oorzaak dient te worden aangemerkt, waarbij het niet van belang is wanneer het eigen gebrek is ontstaan (zie de conclusie van Advocaat-Generaal Ten Kate in NJ 1984, nr. 305, blz.110); Overwegende dat volgens de Hoge Raad, die deze gedachte eveneens is toegedaan (zie HR 23 april 1982, NJ 1982, 520 m.o. Wachter), voor het slagen van een beroep op artikel 249 van het Nederlandse Wetboek van Koophandel stelt dat : "niet is vereist dat het gebrek van de verzekerde zaak reeds ten tijden van het sluiten van de verzekering bestond ..."; dat een verzekeraar derhalve niet behoeft aan te tonen dat het eigen gebrek bij het sluiten van de verzekering reeds aanwezig was; dat omgekeerd de verzekerde, ingeval eigen gebrek in de zin van artikel 249 van het Nederlands Wetboek van Koophandel zonder beperking is medeverzekerd, uitsluitend aannemelijk dient te maken dat hij ten tijde van het ingaan van de verzekering onbekend was met het eigen gebrek; dat meestal een eigen gebrek dat tijdens de looptijd van de verzeke-ring is ontstaan zal terug te voeren zijn op een achterliggende oorzaak, die dan als juridisch relevante oorzaak van de schade kan worden aangemerkt; d. Overwegende dat uit het verslag van de gerechtsdeskundige, kapitein VAN DIJCK, blijkt dat de enige oorzaak van het zinken van het binnenschip "PALMOTRA II " bestaat in een gebrek van de gland op de schroefas en de schroefastunnel; dat meer bepaald de pakking in deze gland onvoldoende was en tengevolge van de moeilijke toegang en gebrekkige verlichting niet gelijkmatig aangedrukt werd, waardoor een abnormale en niet gelijkmatige slijtage ontstond; dat dit bestaande gebrek, waardoor de waterdichtheid ervan niet meer voldoende was (zie het verslag van gerechtsdeskundige VAN DIJCK : "hij lekte altijd wat (druppen) ") in het weekend toen het schip onbemand werd achtergelaten verergerde en acuut werd (zie het verslag blz. 6 : "ik ... zag ... water inspuiten ..." en blz. 10 : "... .stelde ik vast dat water binnenspoot ..."; Overwegende dat bovendien het bestaan van deze infiltratie reeds voor het ongeval aan de schipper en eigenaar bekend was, doch appellante naliet de nodige herstellingen te laten uitvoeren (zie het deskundigenverslag van gerechtsdeskundige VAN DIJCK blz. 32); Overwegende dat derhalve, vermits er in casu geen aanwijsbare "van buiten aankomende onheilen " zijn geweest voor het water maken en het uiteindelijk zinken van het ms "PALMOTRA II", en het anderzijds afdoend naar recht vaststaat dat het ms "PALMOTRA II, tengevolge van onvoldoende pakking in de gland op de schroefas en de schroefastunnel, abnormale en niet gelijkmatige slijtage opliep, waardoor het niet meer waterdicht was en water maakte, het uiteindelijk zinken van het schip moet veroorzaakt zijn door het feit dat het schip ernstig water maakte en dus een eigen gebrek had; Overwegende dat derhalve, aangezien er geen aanwijsbare "van buiten aankomende onheilen" zijn geweest en het ms "PALMOTRA II" aangetast was dor een eigen gebrek, geïntimeerden terecht hun tussenkomst hebben geweigerd, nu de tussen partijen gesloten casco-verzekering geen dekking voorziet bij eigen gebrek van het schip; 4. Overwegende dat appellante verder aanvoert dat de verzekerings- overeenkomst tussen partijen is afgesloten op 04/12/1981 betreffen-de het schip "PALMOTRA II", en dat dit schip dan ook verzekerd was in de staat waarin het schip zich bevond op die datum; dat zij desbetreffend meer bepaald aanvoert dat uit de chronologie der feiten, zoals opgesteld door de gerechtsdeskundige van DIJCK, blijkt dat de schroefklop te Yvoz-Ramet zich begin december 1981 heeft voorgedaan, waardoor er zich mogelijk een lek in de schroef-asgland heeft voorgedaan; dat mekanieker D. op 01/12/1981 te Büdel reparaties heeft verricht aan het schip (verwijzend naar blz.12 en 15 van het verslag van gerechtsdeskundige van DIJCK), en dat dit na de schroefklop was; dat deze schroefklop zich aldus voor 04/12/1981 heeft voorgedaan, en de door de kapitein VAN DIJCK aangegeven oorzaak dan ook al aanwezig was bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst; Overwegende dat geïntimeerden de voormelde versie van appellante met betrekking tot het staat van het schip bij het afsluiten van de verzekeringsovereenkomst in vraag stellen; Overwegende dat uit de verklaring van D. (zie blz. 11 en 12 van het verslag van gerechtsdeskundige VAN DIJCK) blijkt dat hij een kulas en zuiger in de motor heeft vervangen op 01/12/1981 te Büdel; dat niet betwist blijkt dat zich in december 1981 te Yvoz-Ramet een schroefklop zou hebben voorgedaan; Overwegende dat geïntimeerden terecht opwerpen dat de gerechts-deskundige VAN DIJCK ten onrechte op blz. 15 van zijn verslag schrijft dat de herstelling te Büdel is gebeurd na de schroefklop, nu iets wat zich voordoet "in december" zich noodzakelijkerwijze voordoet na 01/12/1981, of met andere woorden na het onder- schrijven van de polis op 02/12/1981 (in plaats van op 04/12/1981, zijnde de datum van het ingaan van de afgesloten verzekering); Overwegende dat derhalve, in tegenstelling tot de bewering van appellante, de door de gerechtsdeskundige aangegeven oorzaak van het schadegeval, nog niet aanwezig was bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst; dat derhalve indien kapitein VAN DIJCK, zoals appellante beweert, een groot belang hecht aan het voorval te Yvoz-Ramet, het gebrek aan een grondig onderwater onderzoek van het schip, om na te gaan of dit schade had opgelopen, een duidelijke fout uitmaakt in hoofde van de eigenaar, in rechtstreeks oorzakelijk verband met het schadegeval; Overwegende dat bovendien kan worden opgemerkt dat, wanneer zoals in casu artikel 249 van het Nederlandse Wetboek van Koophandel niet opzij werd gezet en dus het eigen gebrek in de zin van artikel 249 van het Nederlandse Wetboek van Koophandel niet werd medeverzekerd, het feit of het eigen gebrek al dan niet bij het sluiten van de verzekering aanwezig was, niet terzake dienend is, aangezien in de gegeven omstandigheden artikel 249 van het Nederlandse Wetboek van Koophandel kan worden ingeroepen, zowel wanneer het eigen gebrek reeds bij het sluiten van de verzekering bestond, als wanneer het eigen gebrek van de verzeker-de zaak na het afsluiten van de verzekering is ontstaan; 5. Overwegende dat appellante verder ten onrechte beweert dat het schadegeval een gevolg is van een fout/nalatigheid van de beman-ning, omdat zij tijdens de reis op het schip geen lek hebben opgemerkt, en tevens bevestigend heeft geantwoord op de vraag van de heer D.R. of alles dicht was in de machinekamer; dat immers de vraag van de eigenaar of alles dicht is in de machine-kamer vanzelfsprekend slaat op deuren en desgevallend ook kranen, zoals voor brandstoftoevoer en dergelijke, doch uiteraard geen betrekking heeft op b.v. de pakking van de schroefas, die immers niet routinematig dagelijks moet worden aangewezen; Overwegende dat verder weliswaar zowel kapitein CLAUS als ir. DE BACKER de mening zijn toegedaan dat, ook indien de bemanning aan boord zou zijn gebleven, zij het schadegeval niet hadden kunnen verhinderen of beperken, doch dat de gerechtsdeskundige, kapitein VAN DIJCK, terecht onderstreept dat, indien de bemanning nog aan boord zou geweest zijn, de omvang van de waterinfiltratie wellicht tijdig had kunnen worden vastgesteld, zodat door onmiddel-lijk de gepaste matregelen te nemen aan de gevolgen van de waterinfiltratie tijdig had kunnen worden verholpen; dat bovendien, afgezien van de eigenlijke oorzaak van het schade-geval, nl. de gebrekkige constructie (toegang, verlichting) en de abnormale sleet van het schip, als gevolg van een gebrek aan onderhoud en redelijke zorg vanwege de eigenaar, ook zijn be- slissing, om de volledige bemanning van boord te halen, en het schip het hele weekend onbeheerd te laten liggen, een factor is geweest die bijgedragen heeft tot het schadegeval; 6. Overwegende dat derhalve, gelet op al het voorgaande, geïntimeer-den terecht dekking van het schadegeval hebben geweigerd, en de vordering van appellante als ongegrond dient te worden afgewezen; dat derhalve het bestreden vonnis dient te worden bevestigd; OM DIE REDENEN HET HOF Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935; Ontvangt het hoger beroep; verklaart het ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis, evenwel mits de in BEF vermelde bedragen thans in EUR moeten gelezen worden, te weten : - 81,09 EUR (3.271 BEF) - 99,16 EUR (4.000 BEF) - 1.923,65 EUR (77.600 BEF) - 49,58 EUR (2.000 BEF) - 297,47 EUR (12.000 BEF) Verwijst appellante in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerde volgens opgave in conclusie begroot op 456,12 EUR rechtsplegingsvergoeding. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van VIERENTWINTIG MEI TWEEDUIZENDVIER, waar aanwezig waren : de Heer P. RENAERS Voorzitter de Heer P. DE BAETS Raadsheer Mevrouw B. PONET Raadsheer Mevrouw M. VAN AMMELEN Griffier PDF document ECLI:BE:HBANT:2004:ARR.20040524.29 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.