id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 08 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2004:ARR.20040608.5 Rolnummer: 2001AR1439 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-03-03 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-07-03 23:38 Fiche Het hoger beroep ten opzichte van het tussenvonnis vooraleer recht te doen ingesteld na het hoger beroep ten opzichte van het eindvonnis, is niet toelaatbaar (art. 1055 Ger.W.). De vaststelling dat de naleving van de bepalingen in art. 17 tot en met 19 van Europese Richtlijn van 18 december 1986, die de handelsagenten bij de beëindiging van de overeenkomst beschermen op het grondgebied van de gemeenschap, noodzakelijk geacht worden voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het EG Verdrag, houdt niet in dat de vereiste naar Belgisch recht van art. 26 van de Wet van 13 april 1995, waarbij de rechtsvorderingen verjaren één jaar na het eindigen van die overeenkomst, niet toegepast kan worden. De manier waarop het recht door de agent moet uitgeoefend worden, is weliswaar verschillend in het Belgische recht, maar uit artikel 26 kan geen mindere gunstige bescherming voor de handelsagent afgeleid worden. Vrije woorden: Hoger beroep opvolgend beroep tegen een tussenvonnis alvorens recht te doen Europees recht handelsagentuurovereenkomst voorrangsregel - internationaal dwingende bepalingen klanten(uitwinning)vergoeding - Nota: Art. 1055 Ger.W. Cass. 22 april 1983, Arr. Cass., 1982-83, 1019; RW., 1983 1984, 2602 met noot. Handelsagentuurrichtlijn 86/653/EEG HvJ 9 november 2000, R.W., 2001-2002, 756 met noot J. Meeusen. Tekst van de beslissing Het Hof; Gelet op de door de wet vereiste procedurestukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden tussenvonnis van 28 maart 2000 en het eindvonnis van 9 maart 2001, uitgesproken door de rechtbank van koophandel te Hasselt, waarvan geen betekening voorligt; Gelet op het hoger beroep tegen het eindvonnis van 9 maart 2001, ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 30 mei 2001; Gelet op het incidenteel hoger beroep van de N.V. Framolco tegen het eindvonnis van 9 maart 2001, ingesteld bij conclusie neergelegd ter griffie van dit Hof op 24 juli 2001; Gelet op het hoger beroep door de B.V. Euronorm 92 Agenturen tegen het tussenvonnis van 28 maart 2000, ingesteld bij conclusie neergelegd ter griffie van dit Hof op 4 februari 2004; Gelet op de vaststelling overeenkomstig artikel 750 ,§ 1 Ger. W.; Overwegende dat de oorspronkelijke vordering uitging van de B.V. Euronorm 92 Agenturen (hierna afgekort tot Euronorm) bij dagvaar-ding van 29 september 1998 waarbij ten laste van de N.V. Framolco ten titel van uitwinningsvergoeding de betaling werd gevorderd van het bedrag van 305.597,22 NLG, te verhogen met de intresten sedert 29 oktober 1996 en de kosten van de procedure; Overwegende dat Framolco voor de eerste rechter een tegenvordering instelde en de ontbinding van de agentuurovereenkomst vorderde, evenals de terugbetaling ten laste van Euronorm van het bedrag van 152.779,00 NLG, de betaalde reserveringsbonus, te verhogen met de intresten en de kosten van de procedure; Overwegende dat de hierna vermelde feiten tot de procedure hebben geleid : x Op 1 januari 1995 sloot Euronorm met Framolco een agentuur-overeenkomst af voor de duur van één jaar. In deze overeenkomst werd voorzien dat deze kon beëindigd worden mits een opzegtermijn van drie maanden vóór het verstrijken van een éénjarige periode. x De vergoeding van Euronorm werd als volgt bepaald : 7% van het zakencijfer exclusief BTW en een bijkomende zogenaamde reserveringsbonus van 7% op het netto omzetcijfer, na aftrek van de commissievergoeding. x In de overeenkomst werd bepaald dat de rechten van de partijen zouden beheerst worden door het Belgisch recht. x Bij aangetekende brief van 25 augustus 1995 zegde Framolco de agentuurovereenkomst op om te eindigen op 31 december
- x Bij brief van 29 oktober 1996 vorderde de raadsman van Euronorm vanwege Framolco een uitwinningsvergoeding gelijk aan één jaar commissie, nl. het bedrag van 305.597,22 NLG. Dit schrijven werd door de advocaat van Framolco beantwoord op 12 november
- Namens Framolco werd meegedeeld dat de overeenkomst werd beëindigd omdat Euronorm aan haar verplichtingen zou tekort gekomen zijn. x De verdere voor of namens partijen gevoerde briefwisseling bracht geen oplossing, zodat op 29 september 1998 de dagvaarding werd uitgebracht. Overwegende dat de eerste rechter in zijn tussenvonnis van 28 maart 2000, alvorens uitspraak te doen omtrent de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de eis en tegeneis, de debatten heropende "teneinde partijen toe te laten te handelen zoals omschreven in het motiverend gedeelte van huidig vonnis", dit wil zeggen verder te concluderen over de vraag of de Belgische- dan wel de Nederlandse agentuurwet van toepassing was op de tussen partijen gesloten overeenkomst; Overwegende dat de eerste rechter in het bestreden eindvonnis de hoofdvordering niet ontvankelijk verklaarde en de tegeneis ontvanke-lijk doch niet gegrond; Overwegende dat Euronorm in haar verzoekschrift tot hoger beroep, ingesteld tegen het eindvonnis van 9 maart 2001, betoogt dat de eerste rechter ten onrechte het Belgisch recht heeft toegepast en daarentegen de Nederlandse agentuurwet in aanmerking moest genomen worden, waaruit deze afleidt dat de vordering niet verjaard was; dat dit middel gesteund wordt op grond van artikel 7 van het Verdrag van Rome d.d. 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit de overeenkomst; dat Euronorm voorhoudt dat de Nederlandse agentuurwet immers bepalingen van dwingend recht bevat en deze derhalve in aanmerking had moeten genomen worden; dat zij vervolgens voorhoudt dat haar vordering gebaseerd is op artikel 442 van boek 7 van het Nederlands Burgerlijk Wetboek en op basis van de stukken betoogt dat zij nieuwe klanten heeft aangebracht aan Framolco, dit aanzienlijke voordelen aan Framolco heeft opgeleverd en tenslotte de overeenkomst ten onrechte werd opgezegd wegens tekortkomingen van haar contractuele verbintenissen; Overwegende dat zij stelt dat het incidenteel beroep van Framolco niet ontvankelijk, minstens ongegrond moet verklaard worden vermits de teruggevorderde reserveringsbonus deel uitmaakte van de haar toekomende vergoeding; dat zij aansluitend daarbij opmerkt dat in de opzegbrief van Framolco ter beëindiging van de overeenkomst geen enkele andere reden werd opgegeven dan de wil van Framolco om een einde te stellen aan de contractuele relatie; dat zij daarenboven tijdens de uitvoering van de overeenkomst nooit in gebreke werd gesteld voor de beweerde tekortkomingen; Overwegende dat Framolco wat betreft het hoofdberoep ten opzichte van het eindvonnis vooreerst betoogt dat de oorspronkelijke vordering van Euronorm laattijdig werd ingesteld en derhalve verjaard was vooraleer de dagvaarding werd uitgebracht; dat zij dit steunt op de wet op de handelsagentuurovereenkomst van 13 april 1995, nl. op artikel 26 van deze wet; dat zij in ondergeschikte orde voorhoudt dat de bepaling van artikel 20 van dezelfde wet "hoogstens kan betekenen dat de kennisgeving die gebeurd is binnen het jaar na het eindigen van de overeenkomst" als een stuitingsdaad kan worden aanzien; dat echter ook in dit geval slechts een nieuwe termijn van één jaar begon te lopen op 26 oktober 1996 (brief van de raadsman van Euronorm), om aldus te eindigen op 26 oktober 1997, zodat ook in die hypothese de vordering verjaard was vooraleer de dagvaarding werd uitgebracht; dat Framolco vervolgens onderzoekt of de Nederlandse agentuurwet moest toegepast worden en concludeert tot de toepassing van het Belgisch recht conform de overeenkomst tussen partijen; dat deze stelt dat de bepalingen van de Nederlandse agentuurwet niet dwingend zijn en derhalve niet in de plaats van het Belgisch recht kunnen toegepast worden; Dat Framolco wat betreft de grond van de zaak van mening is dat Euronorm geen klanten van commerciële waarde heeft bijgebracht en derhalve reeds om deze reden Euronorm geen recht heeft op een uitwinningsvergoeding; dat een vergoeding van twaalf maanden in elk geval ten zeerste overdreven is en dit geen billijke uitwinningsvergoe-ding vormt indien men rekening houdt met de periode van de overeenkomst (één jaar); Overwegende dat Framolco wat betreft haar oorspronkelijke tegenvor-dering voorhoudt dat de reserveringsbonus van 7% slechts voor promotieactiviteiten werd toegekend en Euronorm "de situatie heeft uitgebuit"; dat zij weliswaar geen verantwoording moest geven over de besteding, maar deze vergoeding moest gebruikt worden conform hetgeen de partijen overeenkwamen in de bijlage van de agentuur-overeenkomst; dat Euronorm daarenboven de overeenkomst niet correct uitvoerde, zo onder meer grotere kortingen aan klanten toekende dan overeengekomen; dat bovendien de opvolging van de klanten ernstig te wensen overliet; Overwegende dat tijdens de terechtzitting van 21 oktober 2003 door het Hof ambtshalve werd vastgesteld dat enkel hoger beroep werd aangetekend tegen het eindvonnis d.d. 9 maart 2001 terwijl Euronorm concludeerde tot de hervorming van zowel het tussen- als het eindvonnis; dat dit ook letterlijk geacteerd werd op het proces-verbaal van deze terechtzitting en het Hof de behandeling van de zaak naar een volgende terechtzitting verwees "teneinde voornoemde advocaten toe te laten te concluderen in verband met de toelaatbaarheid en de omvang van het ingestelde hoger beroep"; Overwegende dat het Hof de respectieve vorderingen, die op contractuele grondslag zijn gesteund, als volgt beoordeelt; I. WAT BETREFT DE TOELAATBAARHEID VAN HET HOGER BEROEP TEGEN HET EINDVONNIS Met het verzoekschrift van 30 mei 2001 werd tijdig en geldig naar de vorm hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis van 9 maart
- Een betekening hiervan werd immers niet voorgelegd. II. WAT BETREFT DE TOELAATBAARHEID VAN HET HOGER BEROEP TEGEN HET TUSSENVONNIS VAN 28 MAART 2000 Euronorm stelde met haar conclusie, neergelegd ter griffie van dit Hof op 4 februari 2004, hoger beroep in tegen het tussenvonnis van 28 maart
- Het Hof wierp ter zitting ambtshalve de niet toelaatbaarheid op van dit opvolgend hoger beroep, waarop partijen verklaard hebben niet meer te wensen te concluderen. Zij betoogt dat het hoger beroep kan worden ingesteld bij conclusie ten aanzien van iedere partij die bij het geding aanwezig of vertegen-woordigd is (art. 1056, 4 Ger. W.) en, verwijzend naar cassatierecht-spraak, dat een principaal hoger beroep ook bij conclusie kan worden ingesteld. Nog afgezien van de vraag of dit hoger beroep in casu bij conclusie kon worden ingesteld, dit wil zeggen nadat niet voorafgaand tegen dit tussenvonnis hoger beroep werd ingesteld door middel van een akte van gerechtsdeurwaarder of verzoekschrift, wijst het Hof op de bepaling van artikel 1055 Ger. W.. Deze luidt als volgt : "Tegen ieder vonnis alvorens recht te doen of tegen ieder vonnis inzake bevoegdheid zelfs al is het zonder voorbehoud ten uitvoer gelegd, kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd als tegen het eindvonnis." Hoger beroep ten opzichte van het vonnis vooraleer recht te doen is derhalve mogelijk zonder dat het eindvonnis wordt afgewacht. Anderzijds kan tegen dergelijk vonnis ook hoger beroep worden ingesteld nadat het eindvonnis is uitgesproken, maar in dergelijk geval moet het hoger beroep "tegelijkertijd" worden ingesteld als het hoger beroep tegen het eindvonnis. Het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis alvorens recht te doen na het hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis is niet ontvankelijk (Cass. 22 april 1983, Arr. Cass. 1982-83, 1019; R.W. 1983-84, 2602, noot). Deze mogelijkheid is een uitzondering op het gemeen recht en moet dus ten laatste worden aangewend op het ogenblik dat hoger beroep tegen het eindvonnis ingesteld wordt (Luik 22 november 1972, J.T. 1973, 220). Het hoger beroep ten opzichte van het tussenvonnis vooraleer recht te doen werd ingesteld na het hoger beroep ten opzichte van het eindvonnis, nl. bij conclusie neergelegd ter griffie op 4 februari
- Het hoger beroep tegen het eindvonnis dateerde evenwel reeds van 30 mei 2001, zodat dit hoger beroep tegen het tussenvonnis niet toelaatbaar is. III. DE MIDDELEN EN ARGUMENTEN OPGENOMEN IN DE CONCLUSIES VAN 4 FEBRUARI EN 29 MAART 2004 Framolco betoogt dat de middelen en argumenten opgenomen in de genoemde conclusies voor Euronorm uit de debatten moeten geweerd worden voor zover deze betrekking hebben op de grond van de zaak. Zij steunt zich hiervoor op het volgende middel : "Ter zitting van 21.10.2003 werd de zaak uitgesteld teneinde appellan-te toe te laten zich procedureel in regel te stellen door ook formeel beroep aan te tekenen tegen het tussenvonnis van de rechtbank van koophandel te Hasselt d.d. 28.03.2000." Framolco betwist weliswaar niet (ten onrechte - zie boven) dat dit hoger beroep toelaatbaar is, maar betoogt dat een bijkomende en nieuwe argumentatie omtrent de grond van de zaak werd voorge-bracht. Het Hof stelt vast dat in het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 oktober 2003 werd genoteerd dat de zaak naar een latere zitting werd uitgesteld teneinde de partijen toe te laten te concluderen in verband met de toelaatbaarheid en de omvang van het ingestelde hoger beroep. Een aanvullende argumentatie aangaande de grond van de zaak werd niet gevorderd - wat logisch is vermits beide partijen meenden dat de zaak in staat was om te pleiten. Nieuwe conclusies aangaande de grond van de zaak kwamen zelfs niet ter sprake. Dit zou weliswaar mogelijk geweest zijn indien de partijen dit onderling hadden afgesproken, maar uit geen enkel stuk blijkt dat de partijen erover akkoord gingen dat opnieuw over de grond van de zaak zou worden geconcludeerd. De middelen en argumenten van Euronorm die geen betrekking hadden op de toelaatbaarheid van het hoger beroep worden derhalve uit de debatten geweerd. Voor de beoordeling ten gronde worden deze hierna dus evenmin in aanmerking genomen. IV. DE OORSPRONKELIJKE HOOFDVORDERING In artikel 5 van de tussen partijen gesloten overeenkomst van handelsvertegenwoordiging werd bepaald dat enkel de rechtbanken van Hasselt (België) bevoegd zijn en : "Dit slaat enkel terug op het Belgische Handelsrecht". Partijen gaan erover akkoord dat conform de overeenkomst hun rechten zouden beheerst worden door het Belgisch recht - wat ook Euronorm letterlijk stelde in haar verzoekschrift tot hoger beroep op pagina
- Euronorm stelt evenwel dat niet het Belgisch maar het Nederlands recht moest toegepast worden en beroept zich daarvoor op artikel 7.1 van het Verdrag van Rome d.d. 19 juni 1980 (B.S. 9 oktober 1987). In artikel 3.
- van dit Verdrag wordt gesteld dat een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen. Dergelijke rechtskeuze moet uitdrukkelijk zijn gedaan of voldoende duidelijk blijken uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval. Bij hun keuze kunnen de partijen het toepasselijk recht aanwijzen voor de overeenkomst in haar geheel of voor slechts een onderdeel daarvan. Dat de rechtskeuze in casu voldoende duidelijk is, staat buiten betwisting. Artikel 5 van de overeenkomst levert hiervan het bewijs. In artikel 7.1 van hetzelfde Verdrag werden de regels opgenomen voor bepalingen van bijzonder dwingend recht. Dit artikel bepaalt : "Bij de toepassing ingevolge dit Verdrag van het recht van een bepaald land kan gevolg worden toegekend aan de dwingende bepalingen van het recht van een ander land waarmee het geval nauw is verbonden, indien en voor zover deze bepalingen volgens het recht van het laatstgenoemde land toepasselijk zijn, ongeacht het recht dat de overeenkomst beheerst. Bij de beslissing of aan deze dwingende bepalingen gevolg moet worden toegekend, wordt rekening gehouden met hun aard en strekking, alsmede met de gevolgen die uit de toepassing of niet-toepassing van deze bepalingen zouden voortvloei-en." Framolco heeft betoogd dat Euronorm in de dagvaarding zelf uitdrukkelijk verwezen heeft naar de bepalingen van de Belgische agentuurwet. Daaruit leidt zij af dat Euronorm zich aldus niet meer op de Nederlandse agentuurwet kon beroepen teneinde een uitwinnings-vergoeding te vorderen. Dergelijke vermelding in de dagvaarding belette Euronorm evenwel niet om in de loop van de procedure haar vordering, die nog steeds op contractuele grondslag is gesteund, te baseren op een andere wetsbepaling. Aldus dient te worden onderzocht of het Belgisch recht dat de partijen in hun overeenkomst uitdrukkelijk overeenkwamen, dient te wijken voor de Nederlandse agentuurwetgeving.
- In het reeds vermelde artikel 3.
- van het Europees Overeenkomsten-verdrag d.d. 19 juni 1980 werd aan de partijen de mogelijkheid gelaten om een rechtskeuze overeen te komen.
- Dit belet evenwel niet dat de rechter normen uit een ander rechtssys-teem toepast wanneer deze de handelsagent beter beschermen. Deze normen gelden dan als voorrangsregels, ongeacht het aange-wezen recht (VAN HOUTTE, H. en LOOYENS, M., "Agentuurover-eenkomsten met het buitenland", in De handelsagentuurovereen-komst, Brugge, Die Keure, 1995, 120). Daaraan voegen de genoemde auteurs evenwel terecht toe dat niet elke regel van de agentuurwet die gunstig is voor de handelsagent, een voorrangsregel is. Het is in dat geval niet enkel vereist dat deze regel dwingend is, maar tevens dat zij dermate belangrijk is voor de samenleving zodat zij ook internationaal voorrang moet krijgen op het normaliter toepasbare recht dat in casu deze bescherming niet biedt (zie de genoemde auteurs en Rb. Arnhem 11 juli 1991, NIPR, 1992, 100). De Belgische wet van 13 april 1995, zoals trouwens de Nederlandse agentuurwetgeving, is een omzetting van de Europese richtlijn van 18 december
- De richtlijn beoogde voornamelijk de harmonisering van de nationale wetgevingen, hetgeen in de eerste plaats betekent dat een aantal rechten en verplichtingen in alle lidstaten op gelijke wijze worden toegepast. Een aantal bepalingen van de richtlijn zijn dan ook dwingend, zodat de verschillende lidstaten hiervan niet konden afwijken - zie de artikelen 5, 11, lid 3 en 19 van de richtlijn. Uit een vergelijking van de agentuurwetgevingen in de verschillende landen die de richtlijn hebben overgenomen, blijkt evenwel dat het dwingend karakter ervan verschillend werd benaderd. Het is ongetwijfeld juist dat artikel 442 N.B.W. (Nederlandse agen-tuurwet) dat bepaalt dat de handelsagent bij het einde van de agentuurovereenkomst, onder bepaalde voorwaarden, recht heeft op een klantenvergoeding, een bepaling van dwingend recht is. Dit volgt immers letterlijk uit artikel 445 van dezelfde wet waaruit blijkt dat vóór het einde van de overeenkomst ten nadele van de handelsagent, niet kan worden afgeweken van artikel
- Het voorgaande sluit letterlijk aan op het artikel 19 van de richtlijn 86/653 d.d. 18 december
- Door de Nederlandse rechtspraak werd vastgesteld dat de bepaling van de schadevergoeding bij de beëindiging van de handelsagentuur een voorrangsregel kan zijn (zie de verwijzingen in de geciteerde rechtsleer, p. 121), maar dat integendeel de klantenvergoeding niet als een voorrangsregel kan beschouwd worden. In het genoemde vonnis stelde de rechtbank te Arnhem letterlijk : "De bescherming van de handelsagent door middel van het recht op klantenvergoeding (in de klantenvergoedingsregel : "een passende vergoeding") bij de beëindiging van de agentuurovereenkomst behoort niet tot de bijzondere belangen die zo'n voorrang zouden wettigen." De door Euronorm gevorderde uitwinningsvergoeding is slechts een andere benaming voor klantenvergoeding, zodat op basis van de Nederlandse rechtspraak dient vastgesteld te worden dat er in casu van een voorrangsregel geen sprake is. 2.a Het Hof van Justitie in haar arrest van 9 november 2000 achtte evenwel de naleving van de bepalingen in art. 17 tot en met 19 van de richtlijn, die de handelsagent bij de beëindiging van de overeen-komst beschermen op het grondgebied van de Gemeenschap noodzakelijk voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het EG-Verdrag. De richtlijn op de handelsagentuur wordt opgevat als een commu-nautaire voorrangsregel, die dwingend toepassing opeist zodra het contract een nauwe band met de Gemeenschap vertoont en die aldus daadwerkelijk voorrang krijgt op de principiële "lex contractus".
- Euronorm houdt voor dat de Belgische agentuurwet een minder gunstige bescherming zou bieden aan de handelsagent dan artikel 442 van het Nederlands B.W. en de Nederlandse agentuurwet derhalve voorrang moet krijgen op de Belgische agentuurwet. Het Hof stelt evenwel vast dat, algemeen genomen, de Belgische agentuurwet quasi gelijkloopt met de Nederlandse agentuurwet - wat logisch is vermits beide werden geënt op de genoemde richtlijn. Ook naar Belgisch recht heeft de handelsagent aldus recht op een klantenvergoeding, uitwinningsvergoeding genoemd in artikel 20 van de wet van 13 april 1995 en dit onder dezelfde voorwaarden als onder Nederlands recht, nl. indien hij de zaken met bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid en voor zover dit de principaal nog aanzienlijke voordelen kan opleveren. De aard en de strekking van de rechten van de handelsagent zijn naar Belgisch recht, minstens wat betreft de klantenvergoeding, dus niet anders geregeld dan naar Nederlands recht.
- Uit het voorgaande leidt het Hof derhalve af dat de tussen partijen overeengekomen rechtskeuze, nl. het Belgisch recht, dient toegepast te worden. Aldus moet tevens artikel 26 van de genoemde wet in aanmerking genomen worden teneinde na te gaan of de vordering al dan niet tijdig, dus uiterlijk op 31 december 1996, werd ingesteld. Het is ongetwijfeld juist dat de wijze waarop de handelsagent zijn rechten kan of moet uitoefenen verschillend geregeld is naargelang het ene of het andere recht in aanmerking komt. Naar Nederlands recht is het voldoende om binnen het jaar na de beëindiging van de overeenkomst aan de principaal een kennisgeving te sturen van de vordering strekkende tot de betaling van een uitwinningsvergoeding - hetgeen in casu gebeurde met de brief van 29 oktober
- Van zodra dit gebeurd is, wordt, naar Nederlands recht, de termijn gestuit en geldt de verjaringstermijn naar gemeen recht. Conform de in casu toepasselijke Belgische agentuurwetgeving moet de agent niet enkel binnen een jaar na de beëindiging van de overeenkomst de principaal ervan in kennis stellen dat hij voornemens is zijn rechten te doen gelden (art. 20, 3° lid 2), maar moet hij daarenboven conform artikel 26 binnen het jaar na het eindigen van de overeenkomst zijn rechtsvordering instellen. De manier waarop het recht door de agent moet uitgeoefend worden, is derhalve weliswaar verschillend, maar uit artikel 26 kan geen minder gunstige bescherming voor de handelsagent worden afgeleid.
- Slechts voor zoveel als nodig merkt het Hof op dat de agentuurover-eenkomst op 31 december 1995 werd beëindigd en de brief van 29 oktober 1996 waarbij de kennisgeving van de uitwinningsvergoeding werd meegedeeld, ook ruimschoots binnen de termijn van één jaar na het einde van de overeenkomst, nl. op 12 november 1996 werd beantwoord ten name van Framolco (stuk 6 dossier Euronorm). Uit die brief moest Euronorm wel afleiden dat Framolco niet bereid was een klantenvergoeding te betalen, zodat Euronorm nog voldoende tijd had om vóór de afloop van de verjaringstermijn (één jaar), nl. vóór 31 december 1996 de vordering in te leiden. Zij heeft evenwel slechts gedagvaard op 29 september 1998, dus buiten de voorgeschreven termijn.
- Uit het voorgaande leidt het Hof af dat de oorspronkelijke hoofdvorde-ring weliswaar ontvankelijk doch niet gegrond is gezien de ingetreden verjaring. V. DE OORSPRONKELIJKE TEGENVORDERING Voor de eerste rechter heeft Framolco bij tegenvordering de ontbin-ding van de overeenkomst gevorderd en de betaling van de tegen-waarde in euro van het bedrag van 152.799,00 NLG meer de intresten. Dit bedrag is gelijk aan de in de loop van de overeenkomst uitbetaalde reserveringsbonus van 7%.
- Hoewel Framolco in het dispositief van haar conclusies neergelegd voor het Hof de toekenning van de oorspronkelijke tegenvordering nastreeft, heeft zij uitsluitend geconcludeerd over de vordering tot betaling van het genoemde bedrag. De overeenkomst werd op regelmatige wijze opgezegd en eindigde op 31 december 1995 - hierover bestaat tussen de partijen geen betwisting. De vordering tot ontbinding van de overeenkomst is derhalve zonder voorwerp, minstens ongegrond.
- Framolco houdt voor dat conform artikel 2 van de bijlage bij de agentuurovereenkomst instructies werden gegeven omtrent de besteding van deze vergoeding. Het bedrag moest ingezet worden bij klanten om het hoofd te bieden aan eventuele concurrentie. Er moesten reclameactiviteiten worden ontwikkeld en het bedrag diende ter ondersteuning van de activiteiten van Euronorm. Framolco houdt voor dat Euronorm slechts enige initiatieven ondernam die deze reserve-ringsbonus zouden hebben verrechtvaardigd. In de bijlage bij de overeenkomst werd evenwel uitdrukkelijk bepaald dat Euronorm "over de besteding van deze reserveringsbonus ... geen verantwoording verschuldigd" is aan Framolco. Het stond Euronorm derhalve volkomen vrij om het bedrag naar eigen goeddunken in te vullen. Zij diende hiervoor geen verantwoording af te leggen - zodat deze evenmin de uit hoofde daarvan bestede activitei-ten door middel van documenten/rekeningen diende te verantwoor-den. Reeds om deze reden is Framolco niet gerechtigd om de terugbetaling van de reserveringsbonus te vorderen. Daarenboven is het opmerkelijk dat in de brief van 25 augustus 1995 waarbij de overeenkomst werd opgezegd, geen enkele klacht werd geuit. Slechts als reactie op de kennisgeving van 29 oktober 1996, nl. met de brief van 12 november 1996 (stuk 6 dossier Euronorm) werd voor de eerste maal meegedeeld dat Euronorm de contractuele verplichtingen niet zou hebben nageleefd en de reserveringsbonus niet voor het beoogde doel zou hebben gebruikt. Het terugvorderen van de uitbetaalde reserveringsbonus werd trouwens afhankelijk gesteld van de eventuele procedure voor klantenvergoeding. Slechts louter ondergeschikt stelt het Hof vast dat uit het summiere dossier van Framolco evenmin bewijskrachtige elementen kunnen afgeleid worden die de terugbetaling van de reserveringsbonus zouden verantwoorden, nl. dat Euronorm haar contractuele verplich-tingen niet zou nagekomen zijn en zich niet loyaal zou hebben opgesteld ten aanzien van Framolco. De oorspronkelijke tegenvorde-ring is derhalve evenmin gegrond. OM DIE REDENEN HET HOF Recht doende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935, Verklaart het hoger beroep tegen het tussenvonnis van 28 maart 2000 niet ontvankelijk, Weert uit de respectieve conclusies van Euronorm neergelegd ter griffie op 4 februari 2004 en 29 maart 2004 de middelen en argumen-ten uit de debatten voor zover deze betrekking hebben op de grond van de zaak, Verklaart het hoger beroep tegen het eindvonnis van 9 maart 2001 ontvankelijk doch niet gegrond, Verklaart het incidenteel hoger beroep ontvankelijk doch niet gegrond, Bevestigt voor het overige het bestreden vonnis; En duidelijkheidshalve opnieuw recht doende verklaart de oorspronke-lijke hoofdvordering ontvankelijk doch niet gegrond, Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep volgens opgave van geïntimeerde in conclusies begroot op 456,12 EUR rechtsplegingsvergoeding. PDF document ECLI:BE:HBANT:2004:ARR.20040608.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div