← België

ECLI:BE:HBANT:2004:ARR.20041103.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 03 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2004:ARR.20041103.11 Rolnummer: 2003AR1235 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-03-06 Raadplegingen: 130 - laatst gezien 2026-07-03 23:39 Fiche Wanneer de gemeenschap, vóór de inwerkingtreding van de wet van 14/07/1976 een lening heeft aangegaan om de aankoop van een pand door een van de echtgenoten te financieren, moet bij vergoeding die deze echtgenoot bij de vereffening van de gemeenschap verschuldigd is geen rekening worden gehouden met de waardevermeerdering van het goed dat met het vergoedingsplichtige vermogen is verkregen, instandgehouden of verbeterd. De vergoeding mag niet hoger zijn dan het uitgegeven bedrag en betreft een numeriek bepaalde sommen-schuldvordering Vrije woorden: Huwelijksvermogensrecht Overgangsrecht Vereffening wettelijk stelsel Vergoedingsrekeningen Besteding van gemeenschapsgelden Artikel 1437 B.W. voor de W. 14/07/1976 Artikel 1435 B.W. niet van toepassing Tekst van de beslissing HET HOF

  1. Wat voorafging: Partijen huwden voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Kapellen op 9/08/1969, onder het wettelijk stelsel bij gebreke aan huwelijkscontract en niet gewijzigd. Uit hun huwelijk werd op 5/11/1976 K. G. geboren. Reeds in augustus 1993 was de verstandhouding tussen partijen ernstig verstoord en in september van dat jaar had geïntimeerde een vordering tot echtscheiding op grond van artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek ingediend. De feitelijke scheiding van partijen is eveneens van september
  2. Op 3/12/1997 had appellant een vordering tot echtscheiding ingesteld op grond van artikel 229 van het Burgerlijk Wetboek. Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d.20/01/1998 werd de echtscheiding tussen partijen uitgesproken ten laste van geïntimeerde op grond van artikel 229 B.W., werd bevolen dat er, na de voltrekking der echtscheiding door het ambt van meester E. C., notaris ter standplaats Antwerpen en meester H. C., notaris ter standplaats Antwerpen, zal overgegaan worden tot de bewerkingen van vereffening en verdeling van het gemeenschappelijk vermogen en/of onverdeeldheden bestaan hebbende tussen partijen als echtgenoten en tot de vereffening der wederzijdse vergoedingen, dit alles na, indien nodig voorafgaande openbare verkoop van de roerende en/of onroerende goederen afhangende van deze gemeenschap of onverdeeldheden en werd meester E. V., notaris ter standplaats Antwerpen, gelast om de niet-verschijnende of weigerende partijen te vertegenwoordigen en in hun plaats de akten en processen-verbaal te tekenen, en die bevoegd is om de toewijzingen en andere schuldvorderingen in kapitaal en toebehoren te ontvangen, kwijting ervan te geven met of zonder indeplaatsstelling en, ten gevolge van deze betalingen, opheffing te verlenen van elke inschrijving die is of moet worden genomen, van elke overschrijving van bevel en beslag, alsmede van elk verzet, indien daartoe grond bestaat. De kosten van de vereffening en verdeling werden ten laste gelegd van de boedel. Gezegd vonnis werd op 16/04/1998 betekend en is in kracht van gewijsde getreden en op 8 juni 1998 werd de echtscheiding tussen partijen overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Kapellen. Notaris H. C. werd opgevolgd door geassocieerd notaris F.L., ter standplaats Antwerpen, die op grond van de notariswet in haar opvolging verder optreedt. De notarissen hebben op 25/11/1998 een proces-verbaal van opening van werkzaamheden verleden en op 13/04/2000 een voortzetting van het proces-verbaal van opening van werkzaamheden. Op 6/02/2001 werd het proces-verbaal van sluiting van werkzaamheden verleden en op 27/08/2001 werd de staat van vereffening en verdeling opgesteld en aan partijen medegedeeld. Geïntimeerde verklaarde met die staat in te stemmen, maar appellant heeft bemerkingen geformuleerd, zodat op 31/10/2001 een proces-verbaal van beweringen en zwarigheden door de notarissen werd opgesteld. Bij het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d.16/12/2002, dat volgens partijen verklaarden niet werd betekend, werden de opgeworpen zwarigheden afgewezen en werd de staat van vereffening en verdeling d.d.27/08/2001 van de notarissen E. C. en F. L., beiden ter standplaats Antwerpen, gehomologeerd. Het hoger beroep is regelmatig naar vorm en termijn ingesteld bij verzoekschrift ingediend op 30/04/2003 en strekt ertoe, bij hervorming van het bestreden vonnis, geïntimeerde te horen veroordelen tot betaling van EUR 6.838,25 achterstallige gemeenschappelijke kosten van het appartement te Knokke, te horen zeggen voor recht dat geïntimeerde niet gerechtigd is op een genotderving voor dit appartement, dat haar aanspraken tot betaling of vergoeding van de waardepapieren ongegrond is en dat geïntimeerde slechts recht heeft op de helft van het nominale bedrag van de lening bij de ASLK aangegaan op 30/03/1972, zijnde EUR 6.250,00 en geïntimeerde te horen verwijzen in de kosten van beide instanties en in de notariskosten. BEOORDELING: I. DELING IN DE GEMEENSCHAPPELIJKE KOSTEN VAN HET APPARTEMENT TE KNOKKE: 1.1 Partijen hebben samen met de ouders van appellant bij akte d.d.10/10/1989 dit appartement in onverdeeldheid aangekocht. Geïntimeerde heeft afstand gedaan van haar onverdeelde rechten in dat appartement bij akte verleden voor notaris F. L. ter standplaats Antwerpen d.d.8/06/
  3. 1.2 Appellant vordert van geïntimeerde betaling van EUR 4.641,41, als haar aandeel van één vierde in de gemeenschappelijke kosten van dit appartement tot en met september
  4. 1.3 In syntheseconclusie ingediend op 17/06/2004 betoogt appellant dat geïntimeerde afstand heeft gedaan van haar onverdeelde rechten in dat appartement ten gunste van appellant en dat daarbij werd bedongen dat alle rechten van eigendom en genot van de afstanddoener (geïntimeerde) op het eigendom in kwestie aan de afstandhouder zullen toekomen vanaf heden (8/06/2001) en dat partijen verklaren en erkennen dat baten en lasten van de onverdeeldheid in kwestie voor deze tussen hen vereffend en verdeeld werden, per slot van rekening. 1.4 Partijen hebben, in de akte verleden voor notaris L. ter standplaats Antwerpen d.d. 8/06/2001, sub II, Algemene voorwaarden en lasten, nummer 3, verklaard en erkend dat de baten en lasten van die onverdeeldheid voor 1/06/2001 tussen hen werd geregeld voor slot van alle rekening. Het blijkt niet dat partijen, anders dan wat de bewoordingen van die akte uitdrukken, daarbij zouden hebben bedoeld de aanspraken in verband met de bijdrage van geïntimeerde in de gemeenschappelijke kosten van de onverdeeldheid uit die regeling te sluiten. De betaling van de gemeenschappelijke kosten a rato van het aandeel van geïntimeerde in de onverdeeldheid is een aangelegenheid betreffende de lasten van de onverdeeldheid. De aanspraken van appellant op die vergoeding waren partijen reeds genoegzaam gekend op het ogenblik van de akte van afstand van onverdeelde rechten. Bijgevolg moet worden aangenomen dat die aanspraken tot slot van alle rekening werden geregeld bij die gelegenheid en geïntimeerde uit dien hoofde niets meer verschuldigd is aan appellant. De staat van vereffening en verdeling van de notarissen d.d.21/11/2001 dient op dit punt te worden behouden.
  5. GENOTDERVING VAN HET APPARTEMENT TE KNOKKE IN HOOFDE VAN PARTIJ D. V.: 2.1 Geïntimeerde betoogde voor de notarissen dat zij als onverdeelde mede-eigenaar van het betrokken appartement een recht van gebruik en genot had, dat haar door appellant en zijn ouders niet werd toegestaan, zodat zij aanspraak kan maken op een vergoeding wegens genotderving. 2.2 Door de notarissen werd die genotderving voor het appartement op EUR 11.113,46 en voor de garage op EUR 2.923,66 bepaald (1/4 van de maandelijkse geherwaardeerde huurwaarde over de betrokken periode), bedragen die van rechtswege te vermeerderen zijn met de interesten vanaf de ontbinding van het stelsel (artikel 1436, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek de notarissen verwijzen bij materiële vergissing naar het artikel 1436 van het Gerechtelijk Wetboek) en die voor het appartement EUR 6.686,58 en voor de garage EUR 1.759,47 bedragen. 2.3 Partijen hebben, in de akte verleden voor notaris L. ter standplaats Antwerpen d.d.8/06/2001, sub II, Algemene voorwaarden en lasten, nummer 3, verklaard en erkend dat de baten en lasten van die onverdeeldheid voor 1/06/2001 tussen hen werd geregeld voor slot van alle rekening. Het blijkt niet dat partijen, anders dan wat de bewoordingen van die akte uitdrukken, daarbij zouden hebben bedoeld de aanspraken in verband met de vergoeding voor geïntimeerde wegens de derving van het genot van het onverdeeld appartement uit die regeling te sluiten. De vergoeding voor genotderving is een aangelegenheid betreffende de baten van de onverdeeldheid. De aanspraken van geïntimeerde op die vergoeding waren partijen reeds genoegzaam gekend op het ogenblik van de akte van afstand van onverdeelde rechten. Bijgevolg moet worden aangenomen dat die aanspraken tot slot van alle rekening werden geregeld bij die gelegenheid en appellant uit dien hoofde niets meer verschuldigd is aan geïntimeerde. De staat van vereffening en verdeling van de notarissen d.d.21/11/2001 moet op dat punt worden aangepast. Appellant is geen vergoeding meer verschuldigd voor genotderving appartement en garage.
  6. WAARDEPAPIEREN (4.
  7. PAG. 12): 3.1 Geïntimeerde vordert van appellant betaling van EUR 99.157,41, zijnde de helft van de waardetitels die zouden zijn aangekocht met gemeenschappelijke gelden en die door appellant werden geïnd. 3.2 De notarissen zijn van oordeel dat bewezen is dat appellant voor EUR 19.831,48 waardetitels heeft geïnd. Het is volgens hen duidelijk dat die kasbons tot het gemeenschappelijk vermogen behoorden en dat de opbrengst van hun verkoop bij appellant is terechtgekomen, zodat hij de helft van dat bedrag aan geïntimeerde verschuldigd is, van rechtswege vermeerderd met de interesten vanaf de dag van de ontbinding van het stelsel september 1993 tot en met 31/10/2001 (artikel 1436 van het Burgerlijk Wetboek, verkeerd opgegeven als van het Gerechtelijk Wetboek). 3.3 Appellant had daarop de volgende bemerking: De notarissen kennen aan geïntimeerde 400.000 BEF (EUR 9.915,74) toe, niettegenstaande uit de stukken zou blijken dat de aankoop van de kasbons verricht is met gelden afkomstig van de verkoop van twee gronden, die op hun beurt waren aangekocht met geld dat door de ouders van appellant aan hem (en niet aan geïntimeerde) geschonken werd. Zij hebben derhalve steeds tot het eigen vermogen van appellant behoord. 3.4 Advies van de notarissen: Appellant bewijst niet dat de kasbons werden aangekocht met gelden afkomstig van de verkoop van twee gronden, die op hun beurt waren aangekocht met geld dat door de ouders van appellant aan hem en niet aan geïntimeerde waren geschonken. Bovendien erkennen partijen dat met het vermeend geschonken geld gronden werden aangekocht die op naam stonden van beide partijen en dat zij in de akte van aankoop geen verklaring van wederbelegging hebben gedaan, wat noodzakelijk is om het eigen karakter van die gronden te bewaren. De gronden werden aangekocht tijdens het huwelijk met gelden waarvan dient aangenomen dat zij gemeenschappelijk zijn gelet op het gebrek aan bewijs dat de gelden eigen zijn, ingevolge artikel 1405, 4° van het Burgerlijk Wetboek. De opbrengst van de verkoop van die gronden is dan ook gemeenschappelijk. Met die gemeenschappelijke gelden zijn vervolgens de kasbons gekocht, die op hun beurt gemeenschappelijk zijn. Geïntimeerde heeft dan ook recht op de helft van de opbrengst na verkoop van die kasbons. 3.5 Standpunt van de eerste rechter: De kasbons behoorden tot het gemeenschappelijk vermogen, nu ze werden gekocht met de opbrengst van de verkoop van gemeenschappelijke gronden en niet bewezen is dat die gronden waren gekocht met eigen gelden van appellant. Die kasbons zijn uit dat vermogen verdwenen door toedoen van appellant die aan de gemeenschap vergoeding verschuldigd is, vermeerderd met de interesten. De staat van vereffening en verdeling is op dit punt correct. 3.6 Grieven van appellant: De eerste Rechter houdt geen rekening met het zonder gevolg gerangschikte strafdossier, dat werd aangelegd naar aanleiding van een klacht die door geïntimeerde reeds eerder werd neergelegd als aanspraak op dezelfde materiële rechten: uit het strafdossier blijkt dat er slechts sprake is van de verkoop van een beperkt aantal kasbons in het voordeel van de ouders van appellant, die het geld eerder geschonken hadden aan hun zoon, waarna hij 2 gronden had aangekocht (inderdaad op naam van hemzelf en zijn echtgenote) met de bedoeling ze later voor te bestemmen voor de twee kinderen die gepland waren en waarvan slechts 1 geboren werd; Het was ook onder die voorwaarde en in die omstandigheden, dat de ouders van appellant tot schenking overgingen, de gift eigen bleef aan appellant en bij de breuk van het huwelijk van hun zoon, waarbij het duidelijk was dat er geen tweede kind meer zou komen, naar het patrimonium van de ouders terugkeerde; de betrokken kasbons behoorden niet meer tot de postcommunautaire onverdeeldheid, nu zij reeds voor het inleiden van de echtscheidingsprocedure teruggegeven waren aan de ouders van appellant. Bovendien is er geen enkele zekerheid over de hoegrootheid van de aanspraak door geïntimeerde gemaakt: de vordering is steeds in zijn geheel betwist wat impliciet met zich brengt dat ook de becijfering van haar aanspraken, onder dezelfde noemer van de betwisting valt; 3.
  8. Beslissing van het Hof: Het is afdoende bewezen dat appellant voor EUR 19.831,48 waardetitels aan het gemeenschappelijk vermogen heeft onttrokken in augustus 1993 op het ogenblik dat partijen op het punt stonden feitelijk uit elkaar te gaan en geïntimeerde op het punt stond een procedure tot echtscheiding in te stellen. Geïntimeerde had die kasbons verkregen door aankoop bij de Kredietbank op 30/04/
  9. Ze werden door appellant afgehaald op 13/05/1993, wat blijkt uit het ontvangstbewijs in het dossier van het strafrechtelijk onderzoek parket Antwerpen notitienummer 10 652/
  10. Appellant heeft die kasbons door zijn moeder doen verzilveren op 7/09/1993, teneinde de waarde ervan aan het gemeenschappelijk vermogen van partijen te onttrekken. Het is niet aan te nemen dat geïntimeerde die kasbons aan de ouders van appellant zou hebben teruggegeven, gelet op het feit dat de verstandhouding tussen partijen ver zoek was en hun feitelijke scheiding nakend. In dit verband is niet zonder belang vast te stellen dat geïntimeerde in het verzoekschrift tot echtscheiding d.d.9/09/1993 reeds betoogt dat zij in augustus van dat jaar moest vaststellen dat appellant "alle volmachten op de bank- en spaarrekeningen waren ingetrokken, haar persoonlijke bankrekening leeggehaald was en bovendien de man 8 miljoen aan gemeenschappelijke gelden heeft laten verdwijnen". Ongeacht het waarheidsgehalte van die beweringen, is te dezen niet aan te nemen dat geïntimeerde in die sfeer kasbons van de huwelijksgemeenschap zou hebben overhandigd aan de ouders van appellant. Die kasbons moeten worden geacht te behoren tot het gemeenschappelijk vermogen van partijen. De opbrengst van hun verkoop is door appellant aan de gemeenschap onttrokken, zodat hij vergoeding aan de gemeenschap verschuldigd is, van rechtswege vermeerderd met de interesten vanaf de dag van de ontbinding van het stelsel september 1993 tot en met 31/10/
  11. De staat van vereffening en verdeling van de notarissen d.d.21/11/2001 is op dit punt te bevestigen.
  12. AANDEEL VAN GEINTIMEERDE IN HET ONROEREND GOED TE KALMTHOUT: 4.1 De gezinswoning van partijen werd opgericht op een perceel grond dat eigendom was van enkel appellant. Die woning behoort door natrekking tot het eigen vermogen van appellant. Om die woning op te trekken werd een lening aangegaan ten bedrage van EUR 12.394,68, die werd afbetaald met inkomsten die tot het gemeenschappelijk vermogen van partijen behoorden (artikel 1405, 1° van het Burgerlijk Wetboek). 4.2 De notarissen hebben vastgesteld dat het eigen vermogen van appellant voordeel heeft gehaald uit die betaling met gelden van de gemeenschap en dat hij bijgevolg aan die gemeenschap vergoeding verschuldigd is. Appellant erkent uit dien hoofde slechts de helft van EUR 12.394,68 aan geïntimeerde verschuldigd te zijn. De notarissen hebben vastgesteld dat die vergoeding niet kleiner mag zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen (artikel 1435, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek) en dat naar luid van het tweede lid van die wetsbepaling, indien de in het vergoedingsplichtige vermogen gevallen bedragen gediend hebben tot het verkrijgen, in stand houden of verbeteren van een goed, die vergoeding gelijk is aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed op het ogenblik van de ontbinding van het huwelijk. Die waardevermeerdering wordt door de notarissen op basis van een schattingsverslag van notaris L., daartoe in overleg met partijen aangesteld, bepaald op EUR 90.151,
  13. Appellant is dat bedrag verschuldigd aan de gemeenschap, van rechtswege vermeerderd met de interesten vanaf de ontbinding van het stelsel (september 1993) tot en met 31/10/2001, hetzij EUR 54.240,
  14. 4.3 Een fundamenteel bezwaar van appellant tegen het voorontwerp van de staat van vereffening en verdeling houdt verband met de theoretische betwisting over de toepassing van de wet van 14 juli 1976: appellant betoogt dat geïntimeerde recht heeft op de helft van het bedrag van de lening van 500.000 BEF (EUR 12.394,68), dewelke op 30.3.1972 bij de ASLK werd aangegaan voor de aankoop van de materialen waarmee het huis eigenhandig door appellants familie gebouwd werd. Appellant steunt die beweringen ondermeer op volgende elementen: - de vergoeding die door de echtgenoot, eigenaar van de grond en gebouwen, verschuldigd is aan de gemeenschap, heeft betrekking op alle bedragen die door de gemeenschap zijn uitgegeven voor de oprichting en inrichting van de bouwwerken, m.a.w. alles wat onroerend is, ook door bestemming en/of inlijving (cfr. De Page T. Les régimes Matrimoniaux -11° deel - nr. 995). - rekening houdend met het feit dat de partijen gehuwd zijn op 9.8.1969 en het huis in 1971-72 gebouwd werd, meent appellant dat het bedrag van de vergoeding moet bepaald worden overeenkomstig het recht van toepassing op het ogenblik dat zich het feit, dat aanleiding gaf tot vergoeding, voordeed, m.a.w. de bouw van de woning die in 1972 voltooid werd: op dat ogenblik golden de nieuwe bepalingen van de wet van 14/7/1976 nog niet, daar waar deze slechts vanaf 28 september 1976 in werking getreden is. 4.4 Advies van de notarissen: Het blijkt dat bij akte van 16/12/1970, verleden voor notaris A. D. B., de ouders van appellant de bouwgrond, waarop later de constructie is opgetrokken, aan appellant schonken. In het jaar 1972 is de lening van 500.000 BEF (EUR 12.394,68) aangegaan. Het feit dat tot vergoeding aanleiding heeft gegeven is de met gemeenschappelijke gelden afbetaalde lening die dagtekent van voor 28/09/1976, datum van inwerkingtreding van de wet van 14/07/
  15. De nieuwe vergoedingsregels kunnen bijgevolg niet worden toegepast en appellant dient te vergoeden naar de oude wet, dit is vergoeding van het nominaal bedrag van de lening aan het gemeenschappelijk vermogen, dat ook geen interesten opbrengt nu onder de oude wet de vergoeding aan of door de gemeenschap gelijk is aan de som die door die gemeenschap werd opgenomen of uitgegeven, en die som staat vast ongeacht latere monetaire schommelingen. De staat van vereffening en verdeling d.d.27/08/2001 dient op dit punt aangepast te worden overeenkomstig de staat van vereffening en verdeling d.d.21/11/2001, gehecht aan het proces-verbaal van advies van de notarissen C. en L.. 4.5 Standpunt van de eerste rechter: Uit het beginsel neergelegd in art. 2 B.W. volgt dat de nieuwe wet onmiddellijk van toepassing is, niet alleen op toestanden die na de inwerkingtreding zijn ontstaan, doch ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder toepassing van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. De vraag stelt zich dus of de bedoelde vergoeding, zowel in zijn bestaan als in zijn waardering, reeds vóór de wet van 14 juli 1976 onherroepelijk was vastgesteld. Het oude art. 1473 B.W. voorzag reeds dat telkens een der echtgenoten uit de goederen van de gemeenschap een persoonlijk voordeel heeft getrokken, hij daarvoor vergoeding verschuldigd is. Als voorbeeld werd onder meer gegeven: onkosten tot verbetering van de persoonlijke goederen, waaronder het oprichten van gebouwen op een persoonlijke grond. (zie ook KLUYSKENS A., Het huwelijkscontract. Beginselen van burgerlijk recht, deel VIII, tweede druk 1950, nr. 190 e.v.) Waar het al dan niet bestaan van een vergoeding in elk geval moet beoordeeld worden aan de hand van het geldend recht op het ogenblik dat het feit zich heeft voorgedaan, is deze rechtbank van oordeel dat daarentegen de hoegrootheid van de vergoeding berekend dient te worden aan de hand van de wettelijke bepalingen van kracht op het ogenblik van de ontbinding van het stelsel. Het bepalen van het bedrag van de verschuldigde vergoedingen maakt immers deel uit van het opstellen van een globale vergoedingsrekening, die evident slechts aan één wet kan onderworpen zijn, nl. die welke toepasselijk is op de dag van de ontbinding. De regels in verband met het huwelijksstelsel en de vereffening en verdeling ervan, vormen een samenhangend geheel, zodat het volkomen onbillijk zou zijn op een welbepaalde vergoeding waarderingsregels toe te passen die bijna dertig jaar geleden werden afgeschaft, die nog teruggaan op de leer van Pothier en die tot stand kwamen in een volkomen andere context. Dit geldt des te meer omdat deze regels in de loop der tijden reeds als volkomen onbillijk werden ervaren en in de rechtsleer grondig werden bekritiseerd. Kluyskens, die zelf pleit voor een waardebepaling en dus mogelijke herwaardering, ook onder het oude recht, stelde reeds dat de oplossing voorgesteld in de heersende rechtsleer, nl. het vaststellen van een numeriek bedrag "een van die ongezonde soluties betreft waarvan men kan zeggen dat zij slechts den kamerjurist bevredigen kan". (KLUYSKENS A., o.c., nr 196 in fine) (zie verder ook SUETENS - BOURGEOIS G., De vergoedingen in het huwelijksvermogensrecht en de muntontwaarding, T.P.R. 1972, l) Slechts indien men aanneemt dat de vergoeding reeds vóór de wetswijziging het karakter had van een sommenvergoeding, kan men mits een strikte interpretatie van het overgangsrecht, aannemen dat deze vergoeding derhalve definitief werd vastgelegd en dus art. 1435, 1° lid B.W. niet van toepassing is. Nu, zoals hierboven blijkt, ook onder het oude recht het karakter van een sommenvergoeding niet zeker is, minstens deze stelling op overtuigende wijze werd gecontesteerd, kan evenmin het gevolg van deze stelling aanvaard worden. Als trouwens de redenering dat men zich voor het vaststellen van de hoegrootheid van de vergoedingen moet plaatsen op het ogenblik van de gebeurtenis die er aanleiding toe is, wordt gevolgd, kan men geen enkele vergoeding nog herwaarderen, want dan zijn ze alle vastgelegd op het ogenblik dat ze ontstaan. (CASMAN H., Huwelijksvermogensrecht, deel VII. 1, 13) Het principe van herwaardering houdt precies in dat enerzijds het recht op een vergoeding ontstaat op een bepaald moment in de tijd, maar dat de waardering van deze vergoeding bekeken wordt in het geheel van de vereffening van het stelsel en dus ook op dat ogenblik wordt gewaardeerd, wat meebrengt dat voor het bestaan van de vergoeding de regels dienen gebruikt te worden van toepassing op het ogenblik van het ontstaan en voor de waardering van de vergoeding de regels toepasselijk op het ogenblik van de ontbinding. Bovendien werd, ten einde de gelijkheid tussen de echtgenoten zo snel mogelijk te realiseren, bij de invoering van de wet van 14 juli 1976, de nieuwe wet op het huwelijksvermogensrecht, een bijzondere van het gemeen recht afwijkende vorm van overgangsrecht voorzien. De nieuwe wet werd immers meteen van toepassing ook op partijen die op dat ogenblik reeds gehuwd waren, doch zij kregen l jaar de tijd om het oude stelsel te behouden, ofwel andere schikkingen te nemen. Het overgangsrecht voorzag in art. 1, 2° overgangsbepalingen dan ook dat na verloop van l jaar na de inwerkingtreding van de wet (op 28/09/1977) alle echtgenoten gehuwd onder het wettelijk stelsel onderworpen zouden zijn aan de nieuwe artikelen 1398 tot 1450 B.W. In casu zijn de echtgenoten derhalve met kennis van zaken overgestapt naar het nieuwe stelsel en dit met inbegrip van de nieuwe waarderingsregels. De eerste rechter heeft om bovenstaande redenen toepassing gemaakt van artikel 1435, 1° lid van het Burgerlijk Wetboek en de staat van vereffening en verdeling d.d. 27/08/2001 ook op dat punt correct bevonden. 4.6 Grieven van appellant: Oorspronkelijk stelde notaris C. dat geïntimeerde gerechtigd was in de helft van de meerwaarde van het onroerend goed te Kalmthout dat de echtelijke woning geweest was en dat door appellant eigenhandig samen met zijn vader met aangekochte materialen op eigen grond was opgetrokken; Voor de aankoop van de materialen werd door de echtelieden G.-D. V. op 30.3.72 een bedrag geleend bij de ASLK ten belope van EUR 12.394,68 (500.000 BEF) en appellant heeft steeds erkend dat geïntimeerde recht had op de terugbetaling van de helft van dit bedrag, dat met gemeenschapsgelden tijdens het huwelijk was afbetaald; Appellant stelt zich erbij op het volgende standpunt: - de vergoeding die door de echtgenoot, eigenaar van de grond en gebouwen, verschuldigd is aan de gemeenschap, heeft betrekking op alle bedragen die door de gemeenschap zijn uitgegeven voor de oprichting en inrichting van de bouwwerken, m.a.w. alles wat onroerend is, ook door bestemming en/of inlijving (cfr. De Page T. Les régimes Matrimoniaux - 11° deel - nr. 995). - rekening houdend met het feit dat de heer en mevrouw G.-D. V. gehuwd zijn op 9.8.1969 en het huis in 1971-72 gebouwd werd, moet het bedrag van de vergoeding bepaald worden overeenkomstig het recht van toepassing op het ogenblik dat zich het feit, dat aanleiding gaf tot vergoeding, voordeed, m.a.w. de bouw van de woning die in 1972 voltooid werd: op dat ogenblik golden de nieuwe bepalingen van de wet van 14.7.1976 nog niet, daar waar deze slechts vanaf 28 september 1976 in werking getreden is (zie het cassatie-arrest gewezen door de 1° Kamer van het Hof van Cassatie op 15.7.1999 inzake C98.0036F). Geïntimeerde moet van het meer gevorderde worden afgewezen; De eerste Rechter is van oordeel dat de hoegrootheid van de vergoeding berekend moet worden aan de hand van de wettelijke bepalingen van kracht op het ogenblik van de ontbinding van het stelsel, en niet op diverse in aanmerking te nemen eerdere tijdstippen, zoals door appellant gesteld; De woning werd voltooid in 1972, ogenblik waarop de nieuwe bepalingen van de wet van 14.7.76 nog niet golden en de berekening gaat derhalve voorbij aan dewelke gehanteerd werd in het cassatiearrest gewezen door de eerste Kamer van het Hof van Cassatie op 15.7.99 inzake C.98.0036F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990415.12: het feit dat na verloop van 1 jaar na de inwerkingtreding van de wet op 28.9.77 alle echtgenoten gehuwd onder het wettelijk stelsel, onderworpen zouden zijn aan de nieuwe artikels 1398 tot 1450 B.W., verandert daaraan niets; 4.7 Beslissing van het Hof: De eerste rechter heeft ten onrechte een onderscheid gemaakt tussen de beoordeling van het feit dat aan de oorsprong ligt van de vergoeding, dat moet gebeuren volgens de wet die van toepassing is op het ogenblik waarop het zich voordoet, en de vaststelling van het bedrag van die vergoeding, die volgens de eerste rechter moet gebeuren volgens de wet die van toepassing is op het tijdstip waarop de vereffeningsrekeningen worden opgemaakt. De eerste rechter heeft evenzeer onterecht uitgesloten dat de datum van de betrokken lening 30.03.1972 in aanmerking komt voor de vaststelling van het bedrag van de vergoeding die ingevolge die lening verschuldigd is. In de regel is een nieuwe wet niet alleen van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder toepassing van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten; De wet van 14 juli 1976 heeft geen terugwerkende kracht, maar is onderworpen aan het in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek neergelegde beginsel dat de nieuwe wet onmiddellijk van toepassing is; met toepassing van artikel 1437 van het Burgerlijk Wetboek, zoals het bestond vóór de wet van 14 juli 1976, is de vergoeding die een geldbedrag voorafgenomen op de gemeenschappelijke gelden tot voorwerp heeft, een numeriek bepaalde sommen-schuldvordering die niet geschat dient te worden, en geen waarde-schuldvordering, die aan de schatting door de rechter onderworpen is; die vergoeding mag niet hoger zijn dan het uitgegeven bedrag; het nieuwe artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek kan geen toepassing vinden op een vergoeding, die wegens de datum van het feit dat aan de oorsprong ligt, het karakter van een sommen-schuldvordering vóór 28 september 1977 had verkregen; Wanneer de gemeenschap, vóór de inwerkingtreding van Wet 14 juli 1976, een lening heeft aangegaan om de aankoop van een pand door een van de echtgenoten te financieren, moet bij vergoeding die deze echtgenoot bij de vereffening van de gemeenschap verschuldigd is, bijgevolg geen rekening worden gehouden met de waardevermeerdering van het goed dat met het vergoedingsplichtige vermogen is verkregen, instandgehouden of verbeterd. Het blijkt dat bij akte van 16/12/1970, verleden voor notaris A. D.B., de ouders van appellant de bouwgrond, waarop later de constructie is opgetrokken, aan appellant schonken. In het jaar 1972 is de lening van 500.000 BEF (EUR 12.394,68) aangegaan. Het feit dat tot vergoeding aanleiding heeft gegeven is de met gemeenschappelijke gelden afbetaalde lening die dagtekent van voor 28/09/1976, datum van inwerkingtreding van de wet van 14/07/
  16. De nieuwe vergoedingsregels kunnen bijgevolg niet worden toegepast en appellant dient te vergoeden naar de oude wet, dit is vergoeding van het nominaal bedrag van de lening aan het gemeenschappelijk vermogen, dat ook geen interesten opbrengt nu onder de oude wet de vergoeding aan of door de gemeenschap gelijk is aan de som die door die gemeenschap werd opgenomen of uitgegeven, en die som staat vast ongeacht latere monetaire schommelingen. De staat van vereffening en verdeling d.d. 27/08/2001 dient op dit punt aangepast te worden overeenkomstig de tweede staat van vereffening en verdeling d.d. 21/11/2001, gehecht aan het proces-verbaal van advies van de notarissen C. en L.. OM DIE REDENEN: HET HOF, na beraad, Recht sprekend op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond, Hervormt het bestreden vonnis, Zegt dat de staat van vereffening en verdeling van de notarissen C. en L. d.d. 21/11/2001 enkel dient aangepast te worden aan de vaststelling dat de vergoeding voor genotderving van het appartement te Knokke en de daarbij behorende garage reeds in de akte van afstand van onverdeelde rechten d.d. 8/06/2001, verleden voor notaris F. L. ter standplaats Antwerpen, tussen partijen werd geregeld per slot van alle rekening en dat appellant bijgevolg uit dien hoofde niets meer aan geïntimeerde verschuldigd is. Verwijst de zaak daartoe terug naar de instrumenterende notarissen. Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van de massa, in hoofde van appellant begroot op EUR 456,12 rechtsplegingsvergoeding en in hoofde van geïntimeerde begroot op EUR 466,04 rechtsplegingsvergoeding. PDF document ECLI:BE:HBANT:2004:ARR.20041103.11 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990415.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.