id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 01 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2004:ARR.20041201.6 Rolnummer: 2003AR1867 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-03-10 Raadplegingen: 106 - laatst gezien 2026-07-04 04:16 Fiche De zwarigheden in het kader van een procedure van gerechtelijke verdeling zijn de betwistingen die een partij tegen de staat van vereffening laat gelden. De betwistingen die een partij ooit in de loop van de procedure heeft laten gelden, maar die niet meer werden hernomen in het proces-verbaal van zwarigheden kunnen dan ook in de regel niet meer aan bod komen voor de rechtbank. Vrije woorden: Gerechtelijke verdeling zwarigheden - begrip Nota:
- Cass. 06.04.1990, R.W. 1990-91, 218
- Cass. 09.05.1997, P&B, 1998, 3 Tekst van de beslissing HET HOF; Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis, waarvan geen akte-betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift neergelegd op 04.07.2003, waarmee een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld; Overwegende dat het hoger beroep ertoe strekt, bij hervorming van het bestreden vonnis, appellantes vorderingen tot aanpassing van de staat van vereffening gegrond te verklaren; Dat geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en bij hervorming van het bestreden vonnis, de door hem geformuleerde zwarigheden gegrond te verklaren; Overwegende dat partijen huwden op 19.04.1989 onder het stelsel van scheiding van goederen ingevolge huwelijkscontract op 16.03.1989 verleden voor notaris J. R. te B. en zij samen twee kinderen, m.n. G. (°1989) en G. (°1994), hebben; dat appellante op 18.11.1996 overging tot dagvaarding in echtscheiding; dat partijen uit de echt gescheiden zijn ingevolge vonnis d.d. 24.09.1999 waarbij tevens de gerechtelijke verdeling van de tussen partijen bestaande onverdeeldheid werd bevolen en partijen daartoe verwezen werden naar notaris J. D. R. te D.; dat de boedelnotaris de staat van vereffening opstelde op 27.05.2002, het proces-verbaal van zwarigheden op 21.08.2002 en zijn advies op 03.09.2002, en de uitgiften van deze akten op 12.09.2002 werden neergelegd ter griffie van de eerste rechter, waardoor de zaak opnieuw aanhangig werd gemaakt bij de rechtbank; Overwegende dat appellante in het proces-verbaal van zwarigheden d.d. 21.08.2002 drie zwarigheden liet akteren, waarop deels werd ingegaan door de boedelnotaris in zijn advies d.d. 03.09.2002 waarin de staat werd aangepast; dat dienaangaande geen betwisting meer bestaat tussen partijen; Overwegende dat appellante evenwel voor de eerste rechter nog een aantal andere betwistingen opwierp die niet werden opgenomen in het proces-verbaal van zwarigheden en die door de eerste rechter als niet ter zake dienend werden verworpen; Dat, zoals terecht door de eerste rechter gesteld, het proces-verbaal van zwarigheden een akte van rechtsingang is die het debat strikt aflijnt; dat immers slechts die betwistingen tegen de staat van vereffening die werden geformuleerd in het proces-verbaal van zwarigheden bij de rechtbank aanhangig worden gemaakt, en betwistingen die er niet in opgenomen zijn in de regel niet meer voor de rechtbank kunnen opgeworpen worden (zie o.m. Cass. 06.04.1990, R.W. 1990-91, 218 en Cass. 09.05.1997, P&B 1998, 3); Dat de bedoelde zwarigheden de betwistingen zijn die een partij opwerpt na het opmaken van de staat van vereffening en niet de argumentatie die zij liet gelden vóór het opmaken van de staat; dat een partij zich vanzelfsprekend niet kan blijven beroepen op alle argumenten die zij ooit heeft geformuleerd in verband met de vereffening en verdeling, maar nauwkeurig moet aangeven op welke punten zij de staat van vereffening betwist en de redenen ervan moet preciseren; dat deze elementen moeten blijken uit het proces-verbaal van zwarigheden; dat appellante dan ook tevergeefs verwijst naar de argumentatie die zij voor de boedelnotaris liet gelden vóór het opmaken van de staat van vereffening; dat zij eveneens ten onrechte verwijst naar de argumenten die zij na de staat van vereffening zou overgemaakt hebben aan de boedelnotaris maar die niet werden opgenomen in het proces-verbaal van zwarigheden; dat appellante als partij aanwezig was bij het opmaken van het proces-verbaal van zwarigheden en zij dit overigens ook ondertekende; dat zij bij die gelegenheid geen enkele opmerking formuleerde over het feit dat het proces-verbaal niet volledig zou zijn en/of er bepaalde van haar argumenten zouden ontbreken; dat aldus dient aangenomen en vaststaat dat zij op dat ogenblik geen andere betwistingen meer liet gelden tegen de staat van vereffening dan deze die in het proces-verbaal van zwarigheden vermeld zijn; dat geïntimeerde dan ook zeer terecht laat gelden dat zij niet meer gerechtigd was om nog andere zwarigheden voor de rechtbank aan te brengen; dat haar vorderingen dienaangaande ontoelaatbaar zijn; dat het hoger beroep bijgevolg ongegrond is; Overwegende dat geïntimeerde in het proces-verbaal van zwarigheden d.d. 21.08.2002 vijf zwarigheden liet akteren, waarop deels werd ingegaan door de boedelnotaris in zijn advies d.d. 03.09.2002 waarin de staat werd aangepast; dat geïntimeerde blijft aandringen op de door hem geformuleerde zwarigheden m.b.t. de aankoop van de allesbrander en de kosten voor dakrenovatie, maar ook nu nog, ondanks de pertinente opmerkingen van de boedelnotaris dienaangaande in zijn advies, daarvan geen enkel bewijsstuk voorlegt; dat verder blijkt dat geïntimeerde wel een zwarigheid aanbracht m.b.t. de kosten voor de kredietopening ASLK en voor de opheffing Finerbel maar geenszins opwierp dat deze integraal ten laste van appellante zouden vallen; dat de boedelnotaris terecht deze kosten heeft opgenomen in zijn aangepaste staat als voor de helft recupereerbaar; dat geenszins aangetoond is dat deze kosten integraal ten laste van appellante zouden vallen; dat het incidenteel beroep dan ook eveneens ongegrond is; Overwegende dat gezien elk van beide partijen deels in het ongelijk werden gesteld, het past de gerechtskosten, overeenkomstig artikel 1017 3de lid van het Gerechtelijk Wetboek, te verdelen zoals bepaald in het beschikkend gedeelte van dit arrest; OM DIE REDENEN: HET HOF, na beraad, Recht sprekend op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935; Ontvangt het hoger beroep en het incidenteel beroep doch verklaart beide ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis; Verwijst iedere partij in de door haarzelf gemaakte kosten van het hoger beroep. PDF document ECLI:BE:HBANT:2004:ARR.20041201.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.