id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 05 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20050105.12 Rolnummer: 2003AR1466 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-03-08 Raadplegingen: 109 - laatst gezien 2026-07-02 05:26 Fiche Een onderhoudsvordering die regelmatig werd ingeleid namens het kind overeenkomstig art. 338 B.W., die regelmatig verlopen is, blijft haar geldigheid behouden indien de eropvolgende contentieuze procedure onontvankelijk wordt verklaard omwille van het feit dat deze werd ingeleid door de moeder in eigen naam en niet namens het kind. Vrije woorden: Onderhoudsvordering tegen de waarschijnlijke vader voorafgaande verzoeningspoging voor de Voorzitter ontoelaatbaarheid van de eropvolgende vordering ingesteld door de moeder in eigen naam i.p.v. namens het kind gevolg voor de voorafgaande procedure Tekst van de beslissing HET HOF; Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis, de akte-betekening ervan d.d. 02.06.2003, alsmede het verzoekschrift neergelegd op 26.05.2003, waarmee een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld; Overwegende dat het hoger beroep ertoe strekt, bij hervorming van het bestreden vonnis, geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan appellant met ingang van 01.05.1996 van een maandelijkse onderhoudsbijdrage van EUR 161,13, geïndexeerd, minstens voorafgaandelijk een D.N.A.-deskundigenonderzoek te bevelen naar de genetische band tussen appellant en geïntimeerde; Dat geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en bevestiging van het bestreden vonnis; Overwegende dat mevrouw B. V. de moeder is van het minderjarig kind M. V., geboren te Neerpelt op 30.08.1994; dat de vordering tot betwisting van het vaderschap van de heer J. R. over M. ingewilligd werd bij vonnis d.d. 20.06.1995 van de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 26.09.1995; dat mevrouw V., handelend q.q. wettelijke vertegenwoordigster van M., op 03.01.1997 een verzoekschrift overeenkomstig art. 338 B.W. neerlegde tot het bekomen van een onderhoudsbijdrage lastens geïntimeerde, die zij aanduidt als de verwekker van het kind; dat geïntimeerde niet verscheen voor de Voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt op 21.01.1997 waar partijen in persoon dienden te verschijnen, waarop deze de partijen naar de bevoegde rechtbank verwees; dat mevrouw Vos vervolgens op 08.04.1997 tot dagvaarding overging in eigen naam; dat zij nadien vrijwillig tussenkwam in deze procedure handelend als wettelijke vertegenwoordiger van M.; dat deze vorderingen bij vonnis d.d. 16.05.2000 van de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt niet ontvankelijk verklaard werden, gezien de oorspronkelijke dagvaarding uitging van mevrouw V. in eigen naam en niet q.q. het kind M., terwijl de vordering overeenkomstig art. 337 ,§ 1 B.W. aan het kind persoonlijk toekomt en de vordering evenmin bij wijze van vrijwillige tussenkomst van het kind kon geregulariseerd worden; dat mevrouw V., ditmaal handelend als wettelijke vertegenwoordigster van haar minderjarig kind M., opnieuw overging tot dagvaarding; dat dit aanleiding gaf tot het bestreden vonnis waarbij de vordering niet op regelmatige wijze ingeleid werd verklaard, wegens gemis aan geldige voorafgaande verzoeningspoging overeenkomstig art. 338 B.W.; Overwegende dat geïntimeerde ten onrechte voorhoudt dat de vordering onontvankelijk zou zijn omdat in de dagvaarding het kind M. per vergissing met de naam R. i.p.v. V. werd aangeduid; dat de eerste rechter in het bestreden vonnis, op grond van een oordeelkundige motivering, die, voor zover niet tegengesproken door wat hierna gesteld wordt, het Hof tot de zijne maakt en die hier voor herhaald wordt gehouden, en die in hoger beroep niet afdoende wordt weerlegd, terecht oordeelde dat deze vergissing geen aanleiding geeft tot nietigheid van de dagvaarding of onontvankelijkheid van de vordering; dat, voor zover als nodig en ter aanvulling van de redengeving van de eerste rechter, nog het volgende kan opgemerkt worden; Dat de vereisten gesteld in de art. 43 2° en 702 1° Ger.W. dienen te worden begrepen in de zin dat de aanwijzing in de dagvaarding voldoende duidelijk moet zijn om iedere twijfel omtrent de identiteit van de verzoeker uit te sluiten (vgl. Brussel 17.12.1975, R.W. 1976-77, 610); dat in casu blijkt dat geïntimeerde zich geenszins heeft kunnen vergissen over de identiteit van de materiële procespartij, in casu M. V., zoals overigens blijkt uit de door hem ontwikkelde argumentatie; dat hieruit meteen volgt dat zijn belangen door deze vergissing niet in het minst geschaad werden en het normdoel bereikt werd, zodat zij niet tot de nietigheid van de dagvaarding kan leiden (art. 861 en 867 Ger.W.); dat deze exceptie dus iedere grond mist; Overwegende dat het vonnis d.d. 16.05.2000 van de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt een eindvonnis is; dat de uitputting van rechtsmacht of het gezag van gewijsde ervan zich evenwel niet verder uitstrekt dan hetgeen erin beslist werd, m.n. dat mevrouw V. de vordering op grond van art. 336 e.v. B.W. niet in eigen naam kon instellen en het kind M., waarvoor zij optrad q.q., de procedure niet kon regulariseren en de vordering stellen door middel van een vrijwillige tussenkomst in dat geding; dat dit vonnis dus geen enkel beletsel vormt dat M. als materiële procespartij, vertegenwoordigd door zijn moeder als formele procespartij, de vordering kan instellen; Overwegende dat geïntimeerde ten onrechte voorhoudt dat, tengevolge van het voormelde vonnis d.d. 16.05.2000 de voorafgaande verzoeningsprocedure op grond van art. 338 B.W. zou vervallen zijn; dat in dit vonnis immers de vordering niet ontvankelijk verklaard werd op grond van het feit dat mevrouw V. de vordering op grond van art. 336 e.v. B.W. niet in eigen naam kon instellen en het kind M., waarvoor zij optrad q.q., de procedure niet kon regulariseren en de vordering stellen door middel van een vrijwillige tussenkomst in dat geding, maar zich geenszins uitsprak over de regelmatigheid van de voorafgaande verzoeningsprocedure op grond van artikel 338 B.W.; dat de nietigheid van de dagvaarding en de onregelmatige tussenkomst, en de vaststelling daarvan door de Rechtbank, geenszins tot gevolg hebben dat de eraan voorafgaande verzoeningsprocedure vervalt of ongeldig of onbestaande wordt; dat appellant terecht verwijst naar de regeling m.b.t. de voorheen bestaande voorafgaande verzoeningspoging inzake echtscheiding op grond van feiten, waarbij werd aangenomen dat de ontoelaatbaarheid van de inleiding van de contentieuze fase, bvb. wegens niet naleving van de termijn van schorsing van het recht om te dagvaarden, niet belette dat nadien, na het verloop van de schorsingstermijn, geldig een nieuwe dagvaarding kon uitgebracht worden (zie o.m. Senaeve, P., Handboek van Familieprocesrecht, Acco, 1986, nr. 252 in fine, p. 139; Senaeve, P., "De Rechtspleging inzake echtscheiding" in "Echtscheiding", Acco, 1990, nr. 581, p. 352); dat de ratio legis van deze regeling geenszins vereist dat, omwille van een vergissing of nietigheid bij het inleiden van de contentieuze procedure voor de bodemrechter waarnaar partijen door de Voorzitter verwezen werden, de voorafgaande verzoeningspoging door de Voorzitter zou vervallen en opnieuw zou moeten gebeuren; dat deze voorafgaande procedure volkomen regelmatig verlopen is en volkomen haar geldigheid blijft behouden; Dat uit het op 03.01.1997 door appellant neergelegde verzoekschrift duidelijk blijkt dat de vordering werd ingesteld door het kind M., vertegenwoordigd door zijn moeder, nu erin de veroordeling van geïntimeerde wordt gevraagd "om aan verzoekster welke optreedt als wettelijke vertegenwoordigster van het kind M. V., geb. te Neerpelt op 30.8.1994, met ingang van 1.5.1996, vooruit en ten huize van verzoekster, een maandelijkse uitkering tot levensonderhoud, opvoeding en passende opleiding ten bedrage van 6.000 fr/maand, jaarlijkse indexeerbaar."; Dat, gelet op het feit dat de voorafgaande procedure op grond van art. 338 B.W. haar geldigheid blijft behouden, appellant dan ook rechtsgeldig kon dagvaarden; Overwegende dat geïntimeerde eveneens ten onrechte voorhoudt dat de vordering onontvankelijk zou zijn omdat deze laattijdig zou ingesteld zijn, buiten de door art. 337 B.W. voorziene termijn van drie jaar na de geboorte; Dat de vordering immers wordt ingeleid door de neerlegging van het verzoekschrift op grond van art. 338 ,§ 1 B.W., in casu op 03.01.1997, hetzij binnen de drie jaar na de geboorte van M. op 30.08.1994; Dat de vraag zich overigens stelt of deze door art. 337 B.W. voorziene termijn geen schending inhoudt van het gelijkheidsbeginsel vervat in art. 10 en 11 van de Grondwet; dat dienaangaande geen prejudiciële vraag meer dient gesteld aan het Arbitragehof nu blijkt dat dit reeds uitspraak heeft gedaan over dezelfde vraag en oordeelde dat art. 337 ,§ 1 B.W. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, inzoverre het de vordering tot uitkering voor levensonderhoud bedoeld in art. 336 B.W. aan een vervaltermijn van drie jaar onderwerpt (Arbitragehof 12.05.2004); dat, nu het Hof het niet aangewezen acht dienaangaande een nieuwe vraag te stellen aan het Arbitragehof, het gebonden is door deze uitspraak (zie o.m. Beirlaen, A, "Het Arbitragehof, Procedue, draagwijdte en gevolgen arrest" in "Procederen in nieuw België en komend Europa", Kluwer, Antwerpen, 1991, nr. 89, p. 285); Dat de vordering dan ook tijdig werd gesteld; Overwegende dat uit de thans voorgelegde stukken niet afdoende blijkt dat geïntimeerde gedurende het wettelijk tijdvak van verwekking geslachtsbetrekkingen met mevrouw V. heeft onderhouden; dat er wel kan ingegaan worden op het door appellant gevorderde D.N.A.-deskundigenonderzoek teneinde hiervan eventueel het onrechtstreeks bewijs te leveren (zie o.m. Senaeve P., Compendium van het personen- en familierecht, Acco, 2000, p. 339, nr. 873); OM DIE REDENEN: HET HOF, na beraad, Recht sprekend op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935; Ontvangt het hoger beroep en verklaart dit gegrond in de hiernabepaalde mate; Doet het bestreden vonnis teniet; Opnieuw wijzend; Ontvangt de vordering en alvorens verder te oordelen : Stelt Dr. G. MERTENS, Bloedtransfusiecentrum, Wilrijkstraat 8 te 2650 Edegem aan als deskundige met de opdracht, mits naleving van de formaliteiten voorgeschreven in het Gerechtelijk Wetboek, een DNA-onderzoek uit te voeren op de personen van mevrouw V., voornoemd, de heer B., geïntimeerde, en het kind M. V., geboren te Neerpelt op 30.08.1994 opdat met voldoende zekerheid kan worden aangetoond of de heer B. al dan niet de vader van dit kind is; Beveelt de heropening van de debatten op de terechtzitting van 22 november 2005 om 14.00 uur teneinde, na neerlegging van het deskundig verslag ten laatste op 01.06.2005, partijen toe te laten ervan kennis te nemen en er hun standpunt over te bepalen; Houdt de beslissing omtrent de kosten aan. PDF document ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20050105.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.