← België

ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20050112.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 12 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20050112.3 Rolnummer: 2000AR731 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-03-08 Raadplegingen: 119 - laatst gezien 2026-07-02 05:26 Fiche De terzake doende mening van geïntimeerden is m.a.w. dat appellante door als touroperator reizen naar Myanmar te blijven inrichten onrechtstreeks steun verleent aan een in hun ogen verwerpelijk politiek regime. De eis van appellante dat het geïntimeerden zou verboden worden haar naam nog te gebruiken bij hun Birma-acties, komt klaarblijkelijk neer op een preventief verbod tot het uiten van die mening zelf. Art. 19 en 25 (wat de gedrukte publicaties betreft) van de Grondwet houdt een algemeen verbod in van preventieve censuur door de overheid, inclusief door de rechterlijke macht. Weliswaar vermeldt art. 10.2 E.V.R.M. dat de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting aan voorwaarden, formaliteiten en beperkingen kunnen onderworpen worden die bij wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn. Deze bepaling verschaft evenwel geen grond aan de bewering van appellante dat het recht op vrije meningsuiting te dezen zou moeten wijken voor het recht van reizen of voor het recht op vrij verkeer van goederen en personen. Appellante maakt echter ook aanspraak op de bescherming van haar goede naam en faam als touroperator. In die omstandigheden is er niet aangetoond door appellante dat er een sociale behoefte bestaat om ter bescherming van haar goede naam en faam de vrije meningsuiting van geïntimeerden te beperken door hen preventief nog de naam van appellante te vermelden. Vrije woorden: - Recht op vrije meningsuiting geen preventieve censuur - Recht op vrije meningsuiting beperking ( artikel 10 EVRM ) recht reizen vrij verkeer van personen en goederen sociale behoefte Tekst van de beslissing Het Hof,

  1. Wat voorafgaat. 1.
  2. De touroperator n.v. M. T. zegt onder de benaming "A. D. A. R." verre reizen of reizen naar minder gebruikelijke bestemmingen in te richten, o.m. naar Myanmar, het voormalige Birma. Volgens een dagvaarding van 24 augustus 1998 achtte Master Tours zich geschaad door publicaties die, volgens haar, uitgingen van de v.z.w. KWIA Steungroep Inheemse Volkeren, groep Birma, en haar leden, meer bepaald: - een lezersbrief die verscheen in het weekblad HUMO van 9 juni 1998 en die werd ingezonden door M. B., Birma Groep KWIA en waarin zij aanstoot nam aan volgende passage: "Nog vreemder is dat een gereputeerde Vlaamse touroperator als Anders dan Anders zonder blikken of blozen zijn vier sterrengasten te slapen legt in het drughotel Shangri La Traders in Rangoon het grootste investeringsproject van drugbaron Lo Hsing Han. En dit terwijl heroïne in eigen land talrijke slachtoffers maakt. Echt de moeite om eens naar hun diaprojecties te gaan "Vier sterren reizen naar verborgen juwelen", maar geen woord over dwangarbeid, gedwongen verhuizingen, interne oorlogen met minderheden. ...". - een artikel in De Morgen van 9 juli 1998 waarin herhaald stond: "Zo overnacht viersterren touroperator A. d. A. in het luxueuze Shangri-La Hotel dat bekend staat als grootste investeringsproject van drugbaron L. H. H." Volgens de touroperator kaderde deze publicaties in een bredere actie van de v.z.w. KWIA waarbij haar leden ook pamfletten uitdeelden bij bijeenkomsten waarop zij haar Birma-reis aan potentiële klanten presenteerde. De touroperator vorderde in zijn dagvaarding, steunend op art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek, dat ten laste van de v.z.w. KWIA rechtens zou gezegd worden dat zij zich diende te onthouden van iedere verdere handeling die hem schade kon toebrengen onder de verbeurte van een dwangsom van EUR 6 197,34 (250.000, : 40,3399), dat de v.z.w. en haar gedaagde leden solidair, in solidum, minstens de een bij gebrek aan de ander zouden veroordeeld worden tot de betaling van een schadevergoeding van EUR 24 789,35 (1.000.000, : 40,3399), en tot de gedingkosten. 1.
  3. De v.z.w. KWIA, die hun verweer lieten steunen op de vrijheid van meningsuiting (art. 19 van de Grondwet, art. 10 E.V.R.M. en art. 19 B.U.P.O) vroegen de afwijzing van de hoofdeis van de touroperator en dienden een tegeneis in tot veroordeling van de touroperator tot de betaling van een schadevergoeding van EUR 2 478,94 EUR (100.000,- : 40,3399), vermeerderd met de gerechtelijke interesten en de gedingkosten, wegens tergend en roekeloos geding. 1.3 Het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 23 december 1999 heeft zowel de hoofdeis van de touroperator als de tegeneis van de v.z.w. KWIA ongegrond verklaard. De eerste rechter oordeelde dat de beweerde fouten en de beweerde schade die de oorspronkelijke eiseres ten grondslag van haar eisen legde, niet bewezen waren. Het gevorderde preventief publicatieverbod werd eveneens ongegrond verklaard, evenals de tegeneis van de oorspronkelijke verweerster. 1.
  4. De n.v. M. T., hierna appellante genoemd, stelde een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 20 maart
  5. De zaak werd behandeld ter terechtzitting van 17 november
  6. De zaak is bij het sluiten van de debatten medegedeeld aan het Openbaar Ministerie dat, wegens de omstandigheden van de zaak, terstond ter terechtzitting mondeling advies heeft uitgebracht. Na het mondeling advies van het Openbaar Ministerie te hebben gehoord, hebben partijen ter terechtzitting verklaard daaromtrent geen opmerkingen bij wijze van repliek te willen maken. De zaak werd daarop in beraad genomen.
  7. De eisen in hoger beroep. 2.
  8. Appellante die haar aanspraken bijkomend ondersteunt op publicaties uitgebracht sedert de behandeling in eerste aanleg, heeft haar oorspronkelijke eis aangepast en vordert thans nog, bij hervorming van het beroepen vonnis, dat aan geïntimeerden het verbod zou worden opgelegd om haar naam (M. T. of als A. dan A. R.) nog te vermelden bij hun acties m.b.t. de mistoestanden in Birma, en dit onder de verbeurte van een dwangsom van EUR 6 197,34 bij iedere vastgestelde inbreuk. Zij eist tevens de veroordeling van geïntimeerden solidair, in solidum, de een bij gebreke van de ander tot de betaling van een schadevergoeding van EUR 1, provisioneel, met raming van de definitieve eis op EUR 24 789,35 onder voorbehoud van wijziging. Zij besluit tot de bevestiging van het vonnis a quo wat de afwijzing van de oorspronkelijke tegeneis betreft. 2.
  9. De v.z.w. KWIA, K. D. en M. B., hierna geïntimeerden genoemd, verzoeken de oorspronkelijke hoofdeis van appellante onontvankelijk te verklaren en hun oorspronkelijke tegeneis toe te wijzen door veroordeling van appellante tot de betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding. Zij vorderen de veroordeling van appellante tot de betaling van een schadevergoeding van EUR 2.
  10. Zonder dit te expliciteren hebben geïntimeerden aldus incidenteel beroep ingesteld in zoverre de oorspronkelijke eis van appellante in eerste aanleg toelaatbaar werd verklaard en hun tegeneis ongegrond werd bevonden. Meteen halen zij ook aan dat het instellen van hoger beroep tergend en roekeloos was, zodat hun aanspraak ook als tegeneis in hoger beroep kan gelden. Voor het overige concluderen zij tot de bevestiging van het beroepen vonnis.
  11. De beoordeling. 3.
  12. De exceptie van onontvankelijkheid van de oorspronkelijke hoofdeis van appellante. Geïntimeerden verzoeken de oorspronkelijke eis van appellante onontvankelijk te verklaren. Zij wijzen evenwel geen gronden aan waarop deze exceptie zou kunnen steunen. Klaarblijkelijk hebben zij enkel gebruik willen maken van een stijlformule. Appellante heeft volgens de bewoordingen van de dagvaarding van 24 augustus 1998 wel degelijk het dadelijk en reeds verkregen belang alsook de hoedanigheid in de zin van art. 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek om haar eis in te dienen. Deze eis is in eerste aanleg dan ook terecht toelaatbaar verklaard. 3.
  13. Het verbod tot het vermelden van de naam van appellante bij acties en in publicaties. 3.2.
  14. Appellante meent dat zij in de campagnes van geïntimeerden lasterlijk en leugenachtig wordt aangevallen. Zij klaagt aan dat geïntimeerden haar goede naam en faam als touroperator aanvallen bij het verspreiden van hun mening over het politieke regime in Myanmar. Zij heeft haar oorspronkelijke eis aangepast en vordert nog dat aan geïntimeerden het verbod zou worden opgelegd om haar naam te vermelden bij de acties, waarbij zij de wantoestanden in Myanmar aanklagen, en dit op straffe van een dwangsom van EUR 6 197,34 per vastgestelde inbreuk. Geïntimeerden werpen tegen dat de eis van appellante een vraag impliceert naar een preventief verbod tot meningsuiting. Volgens geïntimeerden is zo'n verbod strijdig met de vrijheid van meningsuiting zoals beschermd door art. 19 van de Grondwet, art. 10 E.V.R.M. en art. 19 I.V.B.P.R. 3.2.
  15. Appellante nam aanvankelijk vooral aanstoot aan de sub 1.1 voormelde publicaties en acties. Zij voegt daar thans nog aan toe dat geïntimeerden zich in de loop van het geding in eerste aanleg nog schuldig hebben gemaakt aan laakbare meningsuiting in een krantenartikel in De Morgen van 25 september 1998, in een uitgave van het "Birma nieuws" en ter gelegenheid van een protestactie tegen haar diavoorstelling over haar Birma-reizen in het cultureel centrum Rix te Antwerpen op 30 januari
  16. De verwijzing van appellante naar een Engelstalig bericht bestemd voor de 'Afdeling Groepen van Amnesty International Vlaanderen' van 13 oktober 1998 is niet terzake dienend vermits niet blijkt dat het hier om een publicatie van geïntimeerden zou gaan. De mening van geïntimeerden blijkt erin te bestaan dat het actuele politieke regime in Myanmar een militaire dictatuur is die een democratisch verkozen politieke meerderheid heeft verdrongen, die zich schuldig maakt aan ernstige schendingen van de mensenrechten en die een rechtstreekse band onderhoudt met een in dat land sterk georganiseerde drughandel. De politieke actie van geïntimeerden blijkt zich te richten op de sensibilisering van de publieke opinie in België m.b.t. de toestanden in Myanmar en op het ontraden van de Belgische ondernemers om in dat land nog zaken te doen. In dat perspectief hebben zij zich ook tot de toeristische sector gericht en hebben zij bij brief van 20 september 1997 en het faxbericht van 9 februari 1998 appellante aangeschreven om haar te vragen geen Birma-reizen meer in te richten en aan te kondigen dat zij het publiek zouden blijven informeren over de toestand in Birma in het geval appellante zijn Birma-activiteiten toch zou verder zetten. De terzake doende mening van geïntimeerden is m.a.w. dat appellante door als touroperator reizen naar Myanmar te blijven inrichten onrechtstreeks steun verleent aan een in hun ogen verwerpelijk politiek regime. De eis van appellante dat het geïntimeerden zou verboden worden haar naam nog te gebruiken bij hun Birma-acties, komt klaarblijkelijk neer op een preventief verbod tot het uiten van die mening zelf. 3.2.
  17. Appellante betwist het preventief karakter van het door haar gevorderde verbod niet. Zij houdt voor dat het verbod noodzakelijk is om de ongeoorloofde aantasting van haar goede naam en faam te voorkomen. Art. 19 en 25 (wat gedrukte publicaties betreft) van de Grondwet houdt een algemeen verbod in van preventieve censuur door de overheid, inclusief door de rechterlijke macht. Weliswaar vermeldt art. 10.2 E.V.R.M. dat de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting aan voorwaarden, formaliteiten en beperkingen kunnen onderworpen worden die bij wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de veiligheid van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen. Deze bepaling verschaft evenwel geen grond aan de bewering van appellante dat het recht op vrije meningsuiting te dezen zou moeten wijken voor het recht van reizen of voor het recht op vrij verkeer van goederen en personen. Appellante maakt echter ook aanspraak op de bescherming van haar goede naam en faam als touroperator. Het staat vast dat appellante het initiatief heeft genomen om op commerciële basis reizen naar Myanmar in te richten en dat zij haar goede naam als touroperator zelf aan dit initiatief heeft verbonden. Zij voert hiertoe de nodige publiciteit, o.m. in haar catalogussen en op vergaderingen met reislustigen. Vermits het precies de mening is van geïntimeerden dat zo'n toeristische bedrijvigheid de belangen van het actuele politieke regime in Myanmar minstens onrechtstreeks dient, draagt het bij tot het door hen gewenste maatschappelijk debat dat zij inspelen op de handel met dat land, ook met betrekking tot de ontwikkeling van toeristische commerciële initiatieven, en daarbij de schendingen van de mensenrechten en de onrechtvaardigheden, die zij het bewind in Myanmar aanwrijven, alsook de impact van de drughandel op dat land in de publieke belangstelling brengen. In die omstandigheden is er niet aangetoond door appellante dat er een sociale behoefte bestaat om ter bescherming van haar goede naam en faam de vrije meningsuiting van geïntimeerden te beperken door hen preventief te verbieden daarbij nog de naam van appellante te vermelden. De eis van appellante is in zoverre ongegrond. 3.
  18. De aansprakelijkheid van geïntimeerden voor fouten begaan bij het uiten van hun mening. 3.3.
  19. Volgens appellante begingen geïntimeerden een fout door zich in hun publicaties en hun acties niet te beperken tot kritiek op de sociale en politieke toestand in Myanmar maar te insinueren dat zij banden zou hebben met het drugmilieu in Myanmar of zelfs "folterreizen" naar dat land zou inrichten. Zij houdt voor daardoor schade te hebben geleden en vraagt schadeloosstelling die zij provisioneel begroot op EUR
  20. Geïntimeerden betwisten hun beweerde fouten en voeren aan dat appellante geen enkel bewijs van schade levert. 3.3.
  21. De vrijheid van meningsuiting staat er niet aan in de weg dat degene die van deze vrijheid gebruik maakt, aansprakelijk kan gesteld worden voor de schade die hij daardoor eventueel heeft veroorzaakt. Appellante laat haar eis steunen op art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Zij draagt de bewijslast van de beweerde fout, van haar schade en van het oorzakelijk verband tussen fout en schade. Volgens geïntimeerden bewijst appellante niet dat zij schade zou hebben geleden. Appellante houdt voor dat geïntimeerden door hun publicaties en hun acties, die selectief tegen haar gericht zouden geweest zijn, potentiële klanten hebben afgeschrikt en haar goede naam in reismiddens hebben geschaad, waardoor haar marktpositie werd aangetast en haar investeringen n.a.v. de prospectie van die reizen, niet het normaal te verwachten rendement hebben opgeleverd. Appellante voert aan dat deze schade "gelet op de aard ervan vanzelfsprekend hic et nunc moeilijk concreet te becijferen is". Het blijkt evenwel om economische schade te gaan die normaal terug te vinden is in cijfergegevens m.b.t. evoluties van omzetten, investeringen, kosten, marktposities e.a.. Appellante verstrekt daarover geen enkel concreet cijfer. Appellante geeft daarenboven niet aan welke gegevens thans nog ontbreken waardoor zij slechts bij machte zou zijn een voorlopige schadevergoeding te vorderen. Zij biedt ook niet aan door bijkomend bewijs de ware omvang van haar schade te bewijzen. Het gebrek aan bewijs van schade kan niet worden verscholen achter de beperking van de schade-eis tot EUR 1, provisioneel. Appellante faalt in het bewijs van haar beweerde schade. Bovendien levert appellante ook geen bewijs van de beweerde fouten van geïntimeerden. De besluiten en de geschriften van de internationale gemeenschap (Verenigde Naties, Internationale Arbeidsorganisatie, Europees Parlement, Europese Ministerraad, Verenigde Staten van Amerika), van mensenrechtenorganisaties (Amnesty International, Human Rights Watch) en de internationale pers, zoals door geïntimeerden aangehaald, wijzen erop dat de uitlatingen van laatst genoemden in de door appellante aangeklaagde geschriften en acties niet lichtzinnig waren. Dit is ook niet aangetoond m.b.t. de bewering dat het Hotel Shangri La Traders te Rangoon, dat als overnachtingsplaats was voorzien was in één van de rondreizen in het programma van appellante, het grootste investeringsproject van een drugsbaron zou zijn. Ook daarvoor steunden geïntimeerden op voldoende ernstige bronnen. Het is door appellante niet aangetoond dat geïntimeerden handelden in strijd met de algemene zorgvuldigheidsnorm door de door hen aangeklaagde toestanden in de publieke belangstelling te brengen, noch door het publiek op te roepen tot een economische boycot inzake reizen naar Myanmar, nadat uit de houding van appellante gebleken was dat zij over het voortzetten van deze handelsactiviteit een ander mening koesterde dan geïntimeerden. Het kan in een democratische rechtsstaat niet als foutief bestempeld worden zijn mening te uiten over controversiële thema's en andere van zijn mening pogen te overtuigen, ook al is die mening voor anderen minder welgevallig. Het is ook niet bewezen dat geïntimeerden hebben gehandeld louter om appellante te schaden. De beweringen van geïntimeerden i.v.m. het Hotel Shangri La Traders te Rangoon suggereren niet, zoals appellante voorhoudt, dat er contacten zouden zijn tussen haar en het drugsmilieu, doch waarschuwen de lezer voor het, volgens geïntimeerden, verregaande impact van dat drugsmilieu op de actuele toestand in Myanmar. Laster of eerroof is in dit verband niet bewezen. Het enigszins provocerende taalgebruik in de lezersbrief van derde geïntimeerde van 9 juni 1998 is niet ongebruikelijk voor de taal van actiegroepen doch maakt nog geen laster uit. Geïntimeerden tonen daarbij nog aan dat zij ook andere reisorganisatoren en bedrijven hebben benaderd en hebben aangezet om hun handel met Myanmar te staken, zodat van een al te selectieve verontwaardiging ten aanzien van appellante geen sprake is. Het hoger beroep van appellante komt ook in dit onderdeel ongegrond voor. 3.
  22. Het incidenteel beroep en de tegeneis van geïntimeerden. Volgens geïntimeerden is appellante lichtzinnig geweest door onderhavig geding aanhangig te maken en haar eis tot het verbod van meningsuiting en haar schade-eis in te dienen. Zij voegen daaraan toe dat appellante in haar foutieve proceshouding heeft volhard door dan nog eens hoger beroep in te stellen tegen een duidelijk afwijzend vonnis in eerste aanleg. Ook al blijkt appellante zich over de interpretatie van de feiten en de draagwijdte van de betrokken rechten te hebben vergist, wijst er niets op dat hij redelijkerwijze niet anders kon dan de afwijzing van zijn eisen verwachten, noch dat hij slechts beoogde geïntimeerden te schaden, noch dat zij op lichtzinnige wijze hoger beroep instelde. De aanspraken van geïntimeerde wegens tergend en roekeloos geding en hoger beroep zijn ongegrond. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Gehoord B. ZAJTMANN, Substituur-Procureur-generaal, in zijn advies, dat omwille van de omstandigheden der zaak, terstond mondeling door hem werd gegeven ter openbare terechtzitting van 17 november
  23. Verklaart het hoger beroep van appellante toelaatbaar doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep van geïntimeerden toelaatbaar doch eveneens ongegrond. Bevestigt het beroepen vonnis in alle beschikkingen met aanvulling van de redengeving zoals voormeld. Verklaart de tegeneis van geïntimeerden wegens tergend en roekeloos hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond. Verwijst appellante in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerden vereffend op de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van EUR 466,
  24. PDF document ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20050112.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.