id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 12 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20050112.4 Rolnummer: 2004AR278 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-03-10 Raadplegingen: 130 - laatst gezien 2026-07-02 05:26 Fiche De stelling dat de dwangsom geen rechtstreeks executiemiddel is, m.a.w. dat de dwangsom geen instrument verschaft aan de schuldeiser te dwingen de verschuldigde prestatie te verrichten, is bij te treden. Dit neemt echter niet weg dat er een nauwe band bestaat tussen de dwangsom en de gedwongen uitvoering van een vonnis. Het doel van de dwangsom is immers de uitvoering van het vonnis te waarborgen. De rechter die de dwangsom oplegt, geeft aldus een aansporing aan de veroordeelde schuldenaar om over te gaan tot de uitvoering in natura van de opgelegde prestatie. Aldus blijkt de dwangsom een onrechtstreeks executiemiddel te zijn verbonden aan de uitvoerbare titel, die het vonnis aan de schuldenaar heeft verschaft. Geconfronteerd met een uitvoerbare titel en met de door invordering van dwangsommen kracht bijgezette wil van appellanten om het vonnis te zien uitvoeren, hebben geïntimeerden de prestatie die hen was opgelegd ook daadwerkelijk uitgevoerd. Er is dan ook geen sprake van de uitoefening door geïntimeerden van een vrije keuze. Enkel door de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van het vonnis in natura konden zij ten gevolge van de niet mis te verstane wil van appellanten tot executie beletten dat de bedreiging van de dwangsommen tot een effectieve private straf zou worden. Hun beslissing tot uitvoering in natura heeft dan ook de nauwe band tussen de dwangsommen en de gedwongen tenuitvoerlegging niet doorbroken. 2.Zoals ook vermeld in art. 1398, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek vindt de aansprakelijkheid van de schuldeiser, die de last van de tenuitvoerlegging bij voorraad aan zijn schuldenaar oplegt, steun in het risico dat hij neemt. Bij vernietiging of hervorming van de titel tot tenuitvoerlegging zal hij gehouden zijn degene die hij tot de uitvoering heeft gebracht, te herstellen in de toestand die bestond vóór de tenuitvoerlegging. Zijn aansprakelijkheid vereist geen bewijs van fout en geldt als een objectieve aansprakelijkheid die voortspruit uit het in het leven roepen van het risico van de tenuitvoerlegging. Vrije woorden: Dwangsom onrechtstreeks executiemiddel risico van tenuitvoerlegging objectieve aansprakelijkheid - schadeloosstelling Tekst van de beslissing Het Hof,
- Wat voorafgaat.
- Partijen zijn eigenaars van aan elkaar grenzende percelen te G. Langs de perceelsgrens stond op het eigendom van E.-N. een beukenhaag met een hoogte van 2m20 over een lengte van ongeveer 100 m. Partijen B.-B. vorderden voor de vrederechter te Mol een bevel tot het verwijderen van deze haag. Hun eis werd toegewezen bij vonnis van 21 maart
- Het bevel werd uitgesproken met een dwangsom van EUR 12,39 (500,- : 40,3399). Het vonnis werd uitvoerbaar verklaard bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het recht tot kantonnement. Het vonnis werd betekend op 25 april
- Partijen B.-B. vatten op 13 december 1995 de tenuitvoerlegging aan. Zij vorderden de gedingkosten in ten belope van EUR 1 976,98 (79.751,- : 40,3399) alsook de dwangsommen, vervallen tussen 26 mei 1995 en 9 december 1995, ten belope van EUR 2 404,57 (97.000,- : 40,3399). Partijen E.-N. hebben in het kader van de voorlopige tenuitvoerlegging onder voorbehoud van hun rechten de haag in kwestie gerooid en het gevorderde betaald. Zij hebben echter ook hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de vrederechter te Mol van 21 maart
- Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 3 december 2001 werd de oorspronkelijke eis van B.-B. in hoger beroep ongegrond verklaard wegens rechtsmisbruik. Dit vonnis werd betekend op 4 februari
- Er werd hiertegen geen rechtsmiddel ingediend. 1.
- In een dagvaarding van 16 augustus 2002 om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout hebben partijen E.-N. de solidaire veroordeling gevorderd van partijen B.-B. tot de betaling van een som van EUR 16 773,44, te vermeerderen met de vergoedende interesten en gerechtelijke interesten, tot vergoeding van de schade geleden door de tenuitvoerlegging. Als schade voerden zij aan: de betaalde dwangsommen, de geïnde gerechtskosten, de kosten van het rooien, het verlies van de beukenhaag en moreel leed. In de loop van het geding betaalden B.-B. een som van EUR 4 549,
- De oorspronkelijke eisers hebben hun eis aan deze betaling aangepast. 1.
- Het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 6 oktober 2003 heeft de aangepaste eis van partijen E.-N. reeds gedeeltelijk gegrond verklaard door te zeggen voor recht: - dat de kosten van het rooien, van de heraanplanting en de waarde van de gerooide haag moeten worden vergoed, - dat de dwangsommen en de gerechtskosten moeten worden terugbetaald, - dat de betaalde interesten slechts terugbetaalbaar zijn vanaf de ingebrekestelling van 17 juni
- De eis tot morele schadevergoeding werd afgewezen. Er werd tevens een deskundigenonderzoek bevolen om de kosten van het rooien en de herplantwaarde van de gerooide haag te ramen. De beslissing over de gedingkosten werd aangehouden. 1.
- F. B. en G. B., hierna appellanten genoemd, stelden een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 29 januari
- De zaak werd behandeld ter terechtzitting van 1 december
- De eisen in hoger beroep. 2.
- Appellanten vorderen dat de eisen van geïntimeerden bij hervorming van het beroepen vonnis integraal ongegrond zouden worden verklaard en dat geïntimeerden zouden worden verwezen in alle gedingkosten. 2.
- E. E. en G. N., hierna geïntimeerden genoemd, concluderen tot de afwijzing van het hoger beroep als ongegrond. Zij hebben incidenteel beroep ingesteld en vorderen na hervorming van het beroepen vonnis de solidaire veroordeling van appellanten tot betaling van: "- ... de vergoedende interesten vanaf het ogenblik van betaling van (...) EUR 2 414,63 op 15.12.1995 tot op het ogenblik van de wijzigende uitspraak 03.12.2001, meer de moratoire interesten vanaf de datum van de wijzigende uitspraak, hetzij van 04.12.2001 tot op het ogenblik van betaling door appellanten, - EUR 3 018,51 in hoofdsom als vergoeding voor de kosten van het rooien en het afzagen van de haag evenals het uitfrezen, meer de vergoedende interesten vanaf 27.12.1995 tot 03.12.2001, meer de moratoire interesten sedert 04.12.2001 tot het ogenblik der algehele betaling, - EUR 3 308,88 in hoofdsom als vergoeding voor de waarde van het herplanten van de haag in januari 1996 meer de vergoedende interesten vanaf 08.01.1996 tot op het ogenblik van de wijzigende uitspraak 03.12.2002, meer de moratoire interesten vanaf 04.12.2001 tot op het ogenblik van algehele betaling, - EUR 1 000 in hoofdsom als vergoeding voor morele schade meer de vergoedende interesten vanaf 27.12.1995 tot 03.12.2001, meer de moratoire interesten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 04.12.2001 tot op het ogenblik van algehele betaling, - gerechtskosten ten belope van (...) EUR 628,41, zoals begroot in het wijzigende vonnis uitgesproken door de rechtbank te Turnhout op 03.12.2001, meer de moratoire intresten sedert 04.12.2001 tot op het ogenblik van de algehele betaling, Ondergeschikt: Akte te willen nemen van het akkoord van concluanten om de herplantwaarde op heden te weerhouden op EUR 4 200,22 exclusief B.T.W. meer de intresten sedert huidige dagvaarding tot op het ogenblik van de algehele betaling" Zij vragen tevens appellanten te verwijzen in alle gedingkosten.
- De beoordeling. 3.
- De kosten van het rooien van de beukenhaag en van de nieuwe aanplanting. 3.1.
- Appellanten betwisten niet dat de voltrokken invordering van dwangsommen en gerechtskosten krachtens het vonnis van de vrederechter te Mol van 21 maart 1995 geen grond meer had door het hervormend en in kracht van gewijsde getreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 3 december
- Het is trouwens door geïntimeerden niet betwist dat appellanten de desbetreffende sommen, vermeerderd met de gerechtelijke interesten vanaf de dag van de dagvaarding, 16 augustus 2002, hebben betaald op 24 februari 2003 ten belope van de som van, EUR 4 549,
- In dit verband blijft er tussen partijen nog slechts een betwisting bestaan over de interesten. Dit onderdeel van het geschil van partijen wordt beoordeeld sub 3.
- Geïntimeerden menen evenwel dat zij bijkomend gerechtigd zijn op vergoeding van de kosten voor het rooien van de haag in kwestie en voor de nieuwe aanplanting. Zij begroten deze kosten op EUR 3 018,51 in hoofdsom, vermeerderd met interesten, voor het rooien van de beukenhaag, en op EUR 3 308,88 in hoofdsom, vermeerderd met de interesten, voor de aanplanting van een nieuwe beukenhaag. In eerste aanleg werd aangenomen dat appellanten gehouden zijn deze posten te vergoeden. Er werd een deskundigenonderzoek bevolen om deze schade te ramen. Appellanten menen dat zij in dit verband geen vergoeding verschuldigd zijn. 3.1.
- In het vonnis van de vrederechter te Mol van 21 maart 1995 werd o.m. volgende veroordeling ten laste van geïntimeerden uitgesproken: "...Veroordelen verweerders op hoofdvordering om de levende haag welke zich op hun eigendom langsheen de grensscheiding A-B, zoals weergegeven op het deskundigenverslag, bevindt, te rooien en dit binnen de maand na betekening van huidig vonnis op straffe van een dwangsom van vijfhonderd frank per dag vertraag. .." Het vonnis werd uitvoerbaar verklaard bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en zonder vermogen tot kantonnement. Dit vonnis werd op verzoek van appellanten aan geïntimeerden betekend op 25 april
- Appellanten lieten op 13 december 1995 een bevel tot betaling van vervallen dwangsommen en van gerechtskosten betekenen. Geïntimeerden hebben de ingevorderde sommen betaald op 15 december 1995 en op 19 januari 1996 en zijn overgegaan tot het afzagen van de beukenhaag in kwestie. Nadien hebben zij de overblijvende stronken uit de grond laten verwijderen. Appellanten, die niet betwisten dat de voorlopige tenuitvoerlegging van een vonnis met toepassing van art. 1398, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek geschiedt op risico van de partij die daartoe last geeft, houden voor dat deze wettelijke regeling niet toepasbaar is wat te dezen het rooien en heraanplanten van de beukenhaag betreft. Het zou, volgens appellanten, te dezen geen gedwongen tenuitvoerlegging betreffen doch slechts de uitvoering van de vrije keuze van geïntimeerden die zouden hebben verkozen het vonnis, niettegenstaande hun inmiddels ingediend hoger beroep, ten uitvoer te leggen om alzo aan het verval van dwangsommen te ontkomen. Geïntimeerden zouden zelf moeten instaan voor de gevolgen van hun vrije keuze. De stelling dat de dwangsom geen rechtstreeks executiemiddel is, m.a.w. dat de dwangsom geen instrument verschaft aan de schuldeiser om zijn schuldenaar te dwingen de verschuldigde prestatie te verrichten, is bij te treden. Dit neemt echter niet weg dat er een nauwe band bestaat tussen de dwangsom en de gedwongen uitvoering van een vonnis. Het doel van de dwangsom is immers de uitvoering van het vonnis te waarborgen. De rechter die de dwangsom oplegt, geeft aldus een aansporing aan de veroordeelde schuldenaar om over te gaan tot de uitvoering in natura van de opgelegde prestatie. Aldus blijkt de dwangsom een onrechtstreeks executiemiddel te zijn verbonden aan de uitvoerbare titel, die het vonnis aan de schuldeiser heeft verschaft. Vermits het vonnis van de vrederechter te Mol van 21 maart 1995 uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal, was verklaard, hadden appellanten een titel tot tenuitvoerlegging ondanks het door geïntimeerden ingediende rechtsmiddel. Door de betekening van het vonnis gevolgd door de betekening van het bevel tot betaling van vervallen dwangsommen hebben appellanten er geen twijfel over laten bestaan dat zij de uitvoering van het vonnis verlangden. De invordering van vervallen dwangsommen kan trouwens enkel steun vinden in dat vonnis en impliceert de daadwerkelijke tenuitvoerlegging daarvan wat dat onderdeel van de uitspraak betreft alsook de aansporing tot tenuitvoerlegging wat het overige van dezelfde uitspraak betreft. Geconfronteerd met een uitvoerbare titel en met de door invordering van dwangsommen kracht bijgezette wil van appellanten om het vonnis te zien uitvoeren, hebben geïntimeerden de prestatie die hen was opgelegd, ook daadwerkelijk uitgevoerd. Er is dan ook geen sprake van de uitoefening door geïntimeerden van een vrije keuze. Enkel door de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van het vonnis in natura konden zij ten gevolge van de niet mis te verstane wil van appellanten tot executie beletten dat de bedreiging van de dwangsommen tot een effectieve private straf zou worden. Hun beslissing tot uitvoering in natura heeft dan ook de nauwe band tussen de dwangsommen en de gedwongen tenuitvoerlegging niet doorbroken. De houding van appellanten, inzonderheid hun invordering van vervallen dwangsommen door het bevel tot betaling van 13 december 1995 en hun aanmaning bij brief van hun gerechtsdeurwaarder van 20 december 1995 tot integrale uitvoering in natura, inclusief de ontworteling van de afgezaagde beukenhaag, heeft hun aansprakelijkheid doen ontstaan voor het geval de uitvoering voorbarig zou zijn. Het voorbarig karakter van hun optreden is komen vast te staan door het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 3 december 2001 waarbij het vonnis van de vrederechter te Mol van 21 maart 1995 werd hervormd wat de veroordeling tot het rooien van de haag en de daaraan gekoppelde dwangsom betreft. Zoals ook vermeld in art. 1398, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek vindt de aansprakelijkheid van de schuldeiser, die de last van de tenuitvoerlegging bij voorraad aan zijn schuldenaar oplegt, steun in het risico dat hij neemt. Bij vernietiging of hervorming van de titel tot tenuitvoerlegging zal hij gehouden zijn degene die hij tot de uitvoering heeft gebracht, te herstellen in de toestand die bestond vóór de tenuitvoerlegging. Zijn aansprakelijkheid vereist geen bewijs van fout en geldt als een objectieve aansprakelijkheid die voortspruit uit het in het leven roepen van het risico van de tenuitvoerlegging. Aldus zijn appellanten niet alleen de terugbetaling van de ingevorderde dwangsommen, gerechtskosten en de daaraan verbonden interesten verschuldigd aan geïntimeerden maar ook de schadeloosstelling voor het rooien en het planten van een nieuwe beukenhaag, vermeerderd met de vergoedende interesten. 3.1.
- In eerste aanleg werd geoordeeld dat de als schadeloosstelling door geïntimeerden gevorderde sommen vooralsnog niet toewijsbaar waren en het nodig was ter oplossing van het geschil een deskundigenonderzoek tot raming van de schade te bevelen. Deze onderzoeksmaatregel wordt thans bevestigd. 3.
- De interesten op de terugbetaling van de dwangsommen en de gerechtskosten en interesten op de vergoeding voor het rooien en het planten van de beukenhaag. 3.2.
- Volgens appellanten hebben zij alle hierop verschuldigde interesten betaald volgens hun berekening vanaf de dagvaarding van 16 augustus
- In eerste aanleg werd geoordeeld dat interesten verschuldigd zijn vanaf de ingebrekestelling van 17 juni
- Volgens geïntimeerden, die hiervoor incidenteel beroep hebben ingesteld, zijn appellanten gehouden interesten te betalen vanaf de dag van hun respectieve betalingen op 15 december 1995 en 19 januari
- 3.2.
- De verbintenis van appellanten tot terugbetaling van de ingevorderde dwangsommen en gerechtskosten strekt van bij haar ontstaan primair tot de betaling van geldsommen, die bovendien numeriek bepaald zijn. Het gaat om een geldschuld. Deze verbintenis valt onder de toepassing van art. 1153 van het Burgerlijk Wetboek. Ten gevolge daarvan kan de vergoeding voor de vertraging bij de uitvoering van deze verbintenis nooit in iets anders bestaan dan in de wettelijke interest, die verschuldigd is te rekenen van de dag van de aanmaning tot betaling, behoudens in het geval deze van rechtswege doet lopen. Zoals in eerste aanleg beslist, zijn op deze sommen slechts moratoire interesten verschuldigd vanaf de aanmaning van 17 juni
- 3.2.
- Met betrekking tot de verbintenis van appellanten tot vergoeding van de schade ten gevolge van het rooien van de beukenhaag en van de nieuwe aanplanting is de omvang van de te compenseren schade nog door de rechter te bepalen en, zoals te dezen, in een compensatoire of vervangende vergoeding om te zetten. Het betreft een waardeschuld. De compensatoire interest vloeit voort uit de schadeherstellingsplicht van de aansprakelijke en beoogt de vergoeding van bijkomende schade die ontstaat door het uitstel van betaling van de vergoeding waarop de schadelijder recht had op de dag waarop de schade is ontstaan. Dit is dan de dag waarop geïntimeerden de schadeverwekkende uitgaven daadwerkelijk hebben gedragen. Of deze plicht tot schadeloosstelling voortkomt uit de onrechtmatige daad dan wel uit objectieve aansprakelijkheid, wijzigt niets aan het voormelde wat de interesten betreft. 3.
- Morele schade incidenteel beroep. 3.3.
- Geïntimeerden houden voor dat zij geleden hebben onder het rechtsmisbruik dat appellanten pleegden door hun eis tot het rooien van de beukenhaag in te dienen, onder de foutieve executie, onder de schending van hun private levenssfeer en onder het bedreigende optreden van de broer van eerste appellant. Zij achten zich moreel geschaad en vorderen een vergoeding van EUR 1000, vermeerderd met de interesten. Appellanten betwisten de beweerde morele schade. Deze eis van geïntimeerden werd in eerste aanleg ongegrond verklaard. 3.3.
- Het is niet aangetoond dat een eventueel bedreigend optreden van de broer van eerste appellant toerekenbaar is aan appellanten. Geïntimeerden kunnen op deze beweerde feiten geen eis tot schadeloosstelling tegen appellanten laten steunen. 3.3.
- Het is gebleken dat de titel waarop appellanten hebben gesteund om vervallen dwangsommen in te vorderen en waarvan zij de tenuitvoerlegging hebben gewild, wankel was. Zij dienden te beseffen dat de beoogde tenuitvoerlegging aan hen amper meer kon opleveren dan de genoegdoening van de nakoming van de letter van de wet door anderen, maar aan geïntimeerden daarentegen een onevenredig groot nadeel en hinder zou bezorgen. Ook nu weten appellanten niet aan te wijzen welk concreet voordeel zij beoogden door aan te dringen op het rooien van de beukenhaag. Zij kunnen bezwaarlijk laten gelden dat zij de dwangsommen invorderden omwille van de dwangsommen zelf, vermits zij dan dit instrument zouden afwenden van zijn ware bedoeling. Appellanten wisten bovendien dat hun titel werd aangevochten in hoger beroep. Geïntimeerden tonen door die omstandigheden aan dat appellanten handelden met de bedoeling hen te tergen en hen zoveel mogelijk schade te berokkenen. Het optreden van appellanten was niet in overeenstemming met een normaal voorzichtig en zorgvuldige procespartij in dezelfde omstandigheden. Het is te aanzien als rechtsmisbruik en derhalve foutief. 3.3.
- Het is volstrekt aannemelijk dat geïntimeerden door het foutieve optreden van appellanten ook moreel geleden hebben. Zij hebben de handelwijze van appellanten ongetwijfeld als een ernstige vorm van plagerij moeten ondergaan. Zij hebben zich verplicht gezien een jarenlang bestaande afsluiting met een hoogte van 2 m tot 2m20 weg te doen waardoor hun tuin zijn geslotenheid verloor en hun privacy daardoor aanzienlijk minder kon worden afgeschermd. De schadeloosstelling voor dit moreel leed wordt door het Hof op de dag van onderhavige uitspraak ex aequo et bono geraamd op EUR 1000, vermeerderd met de moratoire interesten vanaf heden. Het incidenteel beroep van geïntimeerden is in zoverre gegrond. 3.
- De gevorderde gerechtskosten. Geïntimeerden vorderen de veroordeling van appellanten tot de betaling van gedingkosten ten belope van EUR 628,
- Het blijkt te gaan om de gedingkosten vereffend in het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Turnhout van 3 december 2001 aan de zijde van geïntimeerden ten laste van appellanten. Geïntimeerden bezitten reeds een titel om tot invordering over te gaan. Hen kan geen tweede titel voor dezelfde schuld worden toegekend. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep van appellanten toelaatbaar doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep van geïntimeerden toelaatbaar en gedeeltelijk gegrond. Wijzigt het beroepen vonnis enkel in zoverre werd gezegd voor recht dat geen morele schade aan de zijde van geïntimeerden bewezen is en slechts interesten kunnen worden toegekend naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 17 juli
- Hierover opnieuw recht doende. Zegt voor recht dat appellanten wegens de vertraging in de betaling van de hoofdsommen, die zij als schadevergoeding verschuldigd zijn voor het rooien van de beukenhaag en de aanplanting van een nieuwe haag, gehouden zijn tot de betaling aan geïntimeerden van compensatoire interesten naar rato van de wettelijke rentevoet op die hoofdsommen vanaf de dag waarop geïntimeerden de desbetreffende schadeverwekkende uitgaven daadwerkelijk hebben gedragen tot op de dag van de gehele betaling. Veroordeelt appellanten solidair tot de betaling aan geïntimeerden van een schadevergoeding van EUR 1000, vermeerderd met de moratoire interesten van de dag van onderhavige uitspraak tot op de dag van de gehele betaling, wegens morele schade. Bevestigt het beroepen vonnis voor het overige. Wijst het meer gevorderde af. Zendt de zaak met toepassing van art. 1068, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek terug naar de eerste rechter voor verder afdoening. Verwijst appellanten in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerden vereffend op de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van EUR 466,
- PDF document ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20050112.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div