id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 02 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20050202.3 Rolnummer: 2003AR1003 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-03-08 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-02 05:27 Fiche Volgens art. 8, 1ste lid WLVO kan de verzekeraar niet verplicht worden dekking te verlenen aan hem die het schadegeval opzettelijk veroorzaak. Daardoor is niet uitgesloten dat de verzekeraar voor hetzelfde schadegeval toch dekking moet verlenen aan andere verzekerde(n)/begunstigde(
- n)dan degene(
- n)die het schadegeval opzettelijk veroorzaakte(n). Daardoor blijkt dat wetsartikel een persoonlijk verval uitdrukt en geen uitsluiting met algemene draagwijdte. Het rechtsverval is met toepassing van art.8, 1ste lid WLVO van persoonlijke aard, zodat de verzekeraar het bewijs moet leveren dat de gronden van verval bestaan bij de verzekerde die op de begunstiging van de waarborg aanspraak maakt. De verzekeraar blijft dan ook gehouden de waarborg te verlenen ten aanzien van degene, die zelf de hoedanigheid van verzekerde heeft en die burgerrechtelijk aansprakelijk is voor een (andere) verzekerde die de schade opzettelijk veroorzaakte. Zo kunnen de ouders, die op grond van het wettelijk vermoeden van art. 1384, 2de lid van het Burgerlijk Wetboek burgerrechtelijk aansprakelijk zijn voor de schadeverwekkende onrechtmatige daden van hun minderjarige kinderen, aanspraak maken op de dekking van hun gezinsaansprakelijkheidsverzekering Vrije woorden: Verzekering burgerlijke aansprakelijkheid opzettelijke foit verval t.o.v. ouders Tekst van de beslissing Het Hof, 1. Wat voorafgaat. 1.1. Volgens een dagvaarding van 9 november 1998 hebben M.M.O. en zijn echtgenote F.A. van hun BA-verzekeraar vergoeding gevorderd voor de sommen tot dewelke zij als burgerlijk verantwoordelijken voor hun minderjarige zoon B. O. werden veroordeeld bij arrest van dit Hof, jeugdkamer, van 24 juli 1998. Het betreft meerdere aan schadelijders uit te keren vergoedingen van EUR 1 499,76 (60.500,- : 40,3399), van EUR 1 892,37 (76.388, : 40,3399), van EUR 2 653,70 (107.050,- : 40,3399) en van EUR 12 630,17 (509.500,- : 40,3399), te vermeerderen met de interesten vanaf 10 november 1995 en met de kosten. Betrokkenen hebben hun eis nadien uitgebreid tot een totale som van EUR 18 676,00 (753.388,- : 40,3399), vermeerderd met de interesten vanaf 10 november 1995, de uitvoeringskosten van EUR 1 283,47 (51.775,- : 40,3399 ), de gerechtelijke interesten en de gedingkosten. De verzekeraar AGF heeft betwist dat zij de verzekeringswaarborg moest verstrekken, zij heeft de uitsluiting van de dekking ingeroepen. 1.2. Bij tussenvonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 8 november 2001 werd de heropening van de debatten bevolen om eisers de kans te geven aan te tonen dat het ingeroepen arrest van 24 juli 1998 in kracht van gewijsde was getreden. 1.3. Het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 19 december 2002 heeft de ingediende eis gedeeltelijk gegrond verklaard door de n.v. AGF Belgium te veroordelen tot de betaling aan de oorspronkelijke eisers van een som van EUR 18 676,01, vermeerderd met de interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 10 november 1995 en met de gerechtelijke interesten. De n.v. AGF Belgium werd verwezen in de gedingkosten. 1.4. De n.v. AGF Belgium, hierna appellante genoemd, stelde een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 8 april 2003. De zaak werd behandeld ter terechtzitting van 15 december 2004. 2. De eisen in hoger beroep. 2.1. Appellante vordert dat de oorspronkelijke eis van geïntimeerden bij hervorming van het beroepen vonnis ongegrond zou worden verklaard. Zij vraagt geïntimeerden te verwijzen in alle gedingkosten van beide aanleggen. 2.2. M.O. en F.A., hierna geïntimeerden genoemd, concluderen tot de afwijzing van het hoger beroep als ongegrond. Zij hebben incidenteel beroep ingesteld en vorderen de bijkomende veroordeling van appellante tot vergoeding van de uitvoeringskosten die zij hebben moeten dragen ten belope van EUR 1 283,47, vermeerderd met de interesten. 3. De beoordeling. 3.1. Partijen betwisten niet dat geïntimeerden samen met hun zoon Baghdadi bij een op verzet gewezen arrest van dit Hof, jeugdkamer, van 24 juli 1998 hoofdelijk veroordeeld werden tot betaling van schadevergoeding aan de burgerlijke partijen. Een hiertegen ingediende voorziening werd ongegrond verklaard bij arrest van het Hof van Cassatie van 6 oktober 1998. Geïntimeerden werden veroordeeld met toepassing van art. 1384, 2de lid van het Burgerlijk Wetboek in hun hoedanigheid van burgerlijk aansprakelijke ouders voor de opzettelijke misdrijven gepleegd door hun toen nog minderjarige zoon. 3.2. Geïntimeerden hebben het verzekeringscontract van partijen ten grondslag van hun eisen gelegd. Het betreft de polis ""De Schelde burgerrechtelijke aansprakelijkheid privé-leven" nr. 3846787 van 1 juni 1987, waarin ten belope van de bedongen waarborg overeenkomstig het koninklijk besluit van 12 januari 1984 tot vaststelling van de minimumvoorwaarden, de burgerrechtelijke aansprakelijkheid is gedekt, die krachtens art. 1382 tot 1386bis van het Burgerlijk Wetboek en gelijkaardige bepalingen van buitenlands recht, ten laste kan vallen van de verzekerden voor schade berokkend aan derden in het kader van het privé-leven. Geïntimeerden vechten niet aan dat op de schaderegeling te dezen de contractvoorwaarden van voormelde polis van toepassing zijn zoals die van rechtswege werden aangepast krachtens de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst en het koninklijk besluit van 12 januari 1984, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 24 december 1992. 3.3. Appellante voert aan niet gehouden te zijn tot het verstrekken van de waarborg van de verzekering krachtens art. 8, 1ste lid WLVO. In eerste aanleg werd geoordeeld dat het opzet waarvan sprake in art. 8, 1ste lid WLVO geen uitsluiting met algemene draagwijdte betreft doch een grond tot persoonlijk verval van recht, gesteund op de kwade trouw van de verzekerde. Appellante houdt staande dat art. 8, 1ste lid WLVO een uitsluitingsgrond bevat die thans in de algemene polisvoorwaarden uitdrukkelijk is opgenomen in art. 7. Volgens dit laatste beding, dat overeenstemt met art. 3.1 van het koninklijk besluit van 24 december 1992, is de schade uitgesloten van de waarborg die voortvloeit uit de persoonlijke burgerrechtelijke aansprakelijkheid buiten de overeenkomst van de verzekerde die de jaren van onderscheid heeft bereikt en die opzettelijk een schadegeval veroorzaakt 3.4. Het is niet betwist dat de zoon van geïntimeerden, die 15 jaar was toen hij de feiten in kwestie pleegde, alsdan tot de jaren van onderscheid was gekomen en opzettelijk de schadegevallen veroorzaakte. Volgens art. 8,1ste WLVO kan de verzekeraar niet verplicht worden dekking te verlenen aan hem die het schadegeval opzettelijk veroorzaakt. Daardoor is niet uitgesloten dat de verzekeraar voor hetzelfde schadegeval toch dekking moet verlenen aan andere verzekerde(n)/begunstigde(
- n)dan degene(
- n)die het schadegeval opzettelijk veroorzaakte(n). Daardoor blijkt dat het wetsartikel een persoonlijk verval uitdrukt en geen uitsluiting met algemene draagwijdte. Het rechtsverval is met toepassing van art. 8,1ste lid WLVO van persoonlijke aard, zodat de verzekeraar het bewijs moet leveren dat de gronden van verval bestaan bij de verzekerde die op de begunstiging van de waarborg aanspraak maakt. De verzekeraar blijft dan ook gehouden de waarborg te verlenen ten aanzien van degene, die zelf de hoedanigheid van verzekerde heeft en die burgerrechtelijk aansprakelijk is voor een (andere) verzekerde die de schade opzettelijk veroorzaakte. Zo kunnen de ouders, die op grond van het wettelijk vermoeden van art. 1384, 2de lid van het Burgerlijk Wetboek burgerrechtelijk aansprakelijk zijn voor de schadeverwekkende onrechtmatige daden van hun minderjarige kinderen, aanspraak maken op de dekking van hun gezinsaansprakelijkheidsverzekering. Het laat geen twijfel dat geïntimeerden te dezen bij arrest van dit Hof van 24 juli 1998 louter in hun hoedanigheid van ouders met toepassing van het, overigens aangevochten doch niet weerlegde wettelijk vermoeden van art. 1384, 2de lid van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk werden gesteld voor de door de misdrijven van hun minderjarige zoon veroorzaakte schade. Vermits appellante in gebreke blijft aan te tonen dat de schadegevallen, waarvoor de waarborg wordt gevraagd, opzettelijk door geïntimeerden werd veroorzaakt, vermag zij niet de sanctie van het verval tegen laatstgenoemden met toepassing van art. 8.1 WLVO in te roepen. 3.5. Tevergeefs verwijst appellante naar art. 7 van de algemene voorwaarden van de na de wet van 24 juni 1992 (WLVO) aangepaste polis. Zelfs indien bedoeld beding op conventionele wijze zou beogen het in art. 8, 1ste lid WLVO omschreven verval als een uitsluitingsgrond aan te wijzen, dan moet worden geconstateerd dat dit beding slaat op de "persoonlijke burgerrechtelijk aansprakelijkheid buiten overeenkomst van de verzekerde", zodat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van degene die de schade niet door zijn persoonlijk optreden veroorzaakte maar slechts betrokken is door zijn hoedanigheid ten overstaan van degene die wel wetens en willens de schade deed ontstaan, niet door deze conventionele uitsluiting getroffen wordt. Art. 6, 6° van het koninklijk besluit van 12 januari 1984, thans vervangen door art. 3.1 van het koninklijk besluit van 24 december 1992, maakt trouwens de uitsluiting van dekking voor de opzettelijke fout van een persoon waarvoor de verzekerde burgerlijk aansprakelijk is, in de polisvoorwaarden niet mogelijk. 3.6. Appellante laat tevens gelden dat geïntimeerden nooit aangifte deden van de schadegevallen. Zij meent daarin bedrieglijk opzet van geïntimeerden te kunnen vinden en besluit dat zij met toepassing van art. 10 van de algemene polisvoorwaarden niet tot dekking gehouden is. Geïntimeerden betwisten het beweerd bedrieglijk opzet. Met de eerste rechter wordt vastgesteld dat appellante geen bewijs levert van het bedoelde bedrieglijk opzet en daartoe ook geen bewijs aanbod heeft gedaan. Het blijkt bovendien dat geïntimeerden de dagvaarding om te verschijnen voor de jeugdrechtbank op 5 juni 1996 aan appellante hebben overgemaakt op 7 juni 1996. Het is niet aangetoond dat geïntimeerden eerder dan de behandeling voor de jeugdrechter kennis hadden van aanspraken tot schadevergoeding. Op 4 september 1996 werd een tussenvonnis uitgesproken waarbij aan de burgerlijke partijen slechts een provisie werd toegekend. Vervolgens werd het geding verder gezet voor dit Hof, jeugdkamer, dat na tussenarrest en een verstekarrest uitspraak deed bij eindarrest van 16 april 1998. Appellante heeft ruimschoots de tijd gehad om in dit geding tussen te komen, doch heeft nagelaten dit te doen. Zij heeft aldus de kansen laten voorbijgaan om de leiding van het geding te nemen. Appellante toont bovendien niet aan dat zij uit oorzaak van de laattijdige aangifte van het schadegeval enig nadeel heeft geleden, d.w.z. dat zij thans tot meer zal gehouden zijn dan in het geval van een tijdige aangifte, te weten de werkelijke schade waarvoor geïntimeerden burgerlijk aansprakelijk zijn. Zij beweert zelfs niet dat de vergoedingen, zoals aan de burgerlijke partijen toegekend, redelijkerwijze nog voor betwisting vatbaar waren. Het hoger beroep van appellante is ongegrond. 3.7. Geïntimeerden vorderen bij incidenteel beroep tevens de veroordeling van appellante tot vergoeding van de kosten die zij ten gevolge van de gedwongen tenuitvoerlegging hebben gedragen. Deze kosten, die niet als schade van derden kunnen gelden, zijn niet ontstaan door de burgerlijke aansprakelijkheid van geïntimeerden voor de onrechtmatige daden van hun minderjarige zoon maar door hun eigen houding ten aanzien van de veroordeling tot betaling die zij hadden opgelopen. Hiervoor moet appellante de verzekeringswaarborg niet verlenen. Het incidenteel beroep van geïntimeerden is ongegrond. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep van appellante toelaatbaar doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep van geïntimeerden toelaatbaar doch ongegrond. Bevestigt het beroepen vonnis in alle beschikkingen. Verwijst appellante in de gedingkosten in hoger beroep vereffend aan de zijde van geïntimeerden op de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van EUR 446,04. PDF document ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20050202.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.