id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 02 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20050202.4 Rolnummer: 2003AR1960 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-03-22 Raadplegingen: 122 - laatst gezien 2026-07-02 05:27 Fiche Het voorwerp van de verzekeringsovereenkomst is de dekking van een bepaald risico tegen een bepaalde prijs. Het voorwerp van de verbintenis van de verzekeraar is de waarborg tot bescherming van het verzekerd belang. Dit belang, zoals bedoeld in art. 37 Wet Landverzekeringsovereenkomst, valt samen met het risico weg wanneer het gevaarsobject, met betrekking tot hetwelk de verzekeringsovereenkomst is gesloten, (o.m.) ten gevolge van de verwezenlijking van het verzekerde risico niet meer bestaat. Het geldig bestaan van de verzekeringsovereenkomst, zowel bij de contactsluiting als bij het schadegeval, is een vereiste voor het geldig voortbestaan van de verbintenissen van de verzekeraar en van de verzekeringsnemer. De verdwijning van het gevaarsobject ten gevolge van de verwezenlijking van het verzekerde risico leidt aldus voor de tijd daarna tot de beëindiging van de verzekeringsovereenkomst. Vrije woorden: Verzekeringen - beëindiging contract - wegvallen van gevaarsobject door verwezenlijking van het risico Tekst van de beslissing HET HOF,
- Wat voorafgaat. 1.
- Volgens M. H., eigenares van een onroerend goed te G., en de b.v.b.a. Bips, die in dat goed een handelszaak in baby- en kinderartikelen uitbaat, werd op 17 september 1998 ernstige schade aangericht aan hun goederen door afbraak- en opruimingswerken die in opdracht van M. D. C. door aannemer M. V. werden uitgevoerd aan het naburig, eerder door brand geteisterd gebouw. Een aanpalende muur zou zijn neergestort op het dak van het magazijn van het gebouw van M. H. 1.
- In een dagvaarding van 15 oktober 1999 om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen vorderde M. H. en de b.v.b.a. Bips schadevergoeding van de buurman M. D. C. en van de n.v. KBC Verzekeringen, als rechtsopvolger van de n.v. Delphi, zijnde de verzekeraar brand en burgerlijke aansprakelijkheid van M. D. C., en als verzekeraar BA-uitbating van aannemer Verborgt. Zij lieten hun eisen steunen op art. 544, art. 1382-1383 en art. 1386 van het Burgerlijk Wetboek. Zij vorderden vergoedingen die, naar verluidt, overeenkwamen met de ramingen volgens de processen-verbaal van minnelijke schadeschatting van 21 december
- 1.
- In de loop van het geding in eerste aanleg heeft A.-M. D. C. op 27 april 2000 het geding hervat in opvolging van M. D. C. die overleed op 23 oktober
- De n.v. Fidea is op 17 juli 2000 vrijwillig in het geding tussengekomen als verzekeraar brand van M. D. C., waarbij de n.v. Fidea verklaarde de rechtsopvolger te zijn van de n.v Delphi i.p.v. de n.v. KBC Verzekeringen, zoals in de dagvaarding vermeld. 1.
- Het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 13 februari 2003 heeft de oorspronkelijke hoofdeis en de tusseneis van M. H. en b.v.b.a. Bips gedeeltelijk gegrond verklaard door A.-M. D. C. en de n.v. Fidea in solidum te veroordelen tot de betaling van een som van EUR 13 869,12 aan M. H. en van EUR 13 288,43 aan de b.v.b.a. Bips, sommen te vermeerderen met de verwijlinteresten vanaf 17 september 1998 tot 14 oktober 1999 en vanaf dan met de gerechtelijke interesten. Aan de b.v.b.a. Bips werd voorbehoud verleend voor de B.T.W. De eis in vrijwaring van A.-M. D. C. tegen de n.v. Fidea werd gegrond verklaard. De eerste rechter stelde de rechtsopvolger van M. D. C. aansprakelijk op grond van art. 1386 van het Burgerlijk Wetboek en verklaarde dat haar verzekeraar, de n.v. Fidea, de verzekeringswaarborg diende te verstrekken. De fout van de aannemer V. bij de afbraak- en opruimingswerken werd niet bewezen geacht. Er werd evenmin op grond van art. 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek enige aansprakelijkheid van aannemer Verborgt aangenomen. De hoofdeis en de tusseneisen in vrijwaring tegen de n.v. KBC Verzekeringen werden als ongegrond afgewezen. De kosten van de n.v. KBC Verzekeringen werden bij helften ten laste gelegd van M. H. en de b.v.b.a. Bips enerzijds en de n.v. Fidea anderzijds. A.-M. D. C. en n.v. Fidea werden verwezen in de gerechtskosten aan de zijde van M. H. en de b.v.b.a. Bips. 1.
- N.V. Fidea, hierna appellante genoemd, stelde een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 14 juli
- De zaak werd behandeld ter terechtzitting van 30 november
- De eisen in hoger beroep. 2.
- Appellante vordert dat, alvorens verder recht te doen, met toepassing van art. 877 van het Gerechtelijk Wetboek aan de "APRA Ongevallen" de overlegging te bevelen van haar uitgavenstaat met betrekking tot polisnr. 56 1762/3 ten voordele van de b.v.b.a. Bips en van M. H.. Zij vraagt te zeggen voor recht dat de oorspronkelijke aanleggers de waarborgen van de APRA-polis kunnen aanspreken. Verder verzoekt appellante de oorspronkelijke tegen haar ingediende hoofd- en tusseneisen bij hervorming van het beroepen vonnis ongegrond te verklaren. Zij eist dat minstens haar tusseneis in vrijwaring tegen de n.v. KBC Verzekeringen gegrond zou worden bevonden. Zij vordert de oorspronkelijke eisers te verwijzen in alle gedingkosten. 2.
- M. H. en de b.v.b.a. Bips, hierna eerste en tweede geïntimeerde genoemd, concluderen tot afwijzing van het hoger beroep van appellante als ongegrond. Zij verzoeken appellante te verwijzen in alle gedingkosten daarin begrepen de kosten van de hernieuwing van een bewarend beslag. Zij hebben een tegeneis ingesteld en vorderen de veroordeling van appellante tot de betaling van een schadevergoeding van EUR 6 200 wegens tergend en roekeloos hoger beroep. 2.
- A.-M. D. C., hierna derde geïntimeerde genoemd, concludeert tot de afwijzing van het hoger beroep van appellante als ongegrond. Ondergeschikt heeft zij incidenteel beroep ingesteld. Zij vordert haar oorspronkelijke eis in vrijwaring tegen de n.v. KBC Verzekeringen bij hervorming van het beroepen vonnis toe te kennen. Zij vraagt appellante te verwijzen in de gedingkosten. 2.
- De n.v. KBC Verzekeringen, hierna vierde geïntimeerde genoemd, concludeert tot de bevestiging van het beroepen vonnis met verwijzing van appellante in alle gedingkosten.
- De beoordeling. 3.
- Het hoger beroep van appellante n.v. Fidea. 3.1.
- In het beroepen vonnis werd geconstateerd dat de oorspronkelijke eisen tot schadeloosstelling van eerste en tweede geïntimeerde in hoofdorde werden gesteund op art.1386 van het Burgerlijk Wetboek en dat derde geïntimeerde hiertegen geen verweer voerde. Vaststellend dat het te dezen een instorting betreft in de zin van art. 1386 van het Burgerlijk Wetboek werd de eigenaar, derde geïntimeerde, aansprakelijk gesteld. 3.1.
- In het beroepen vonnis werd vervolgens geoordeeld dat appellante gehouden is de waarborg van de verzekeringsovereenkomst "Globale handel plus" nr. B.9205474P, inclusief de algemene voorwaarden van 7321959N, te verstrekken "hetzij op grond van art. 8C van de polis, hetzij op grond van art. 27 van de polis". De verzekeraar (appellante) werd aldus in solidariteit met haar verzekerde (de rechtsvoorganger van derde geïntimeerde) gehouden tot vergoeding van de schadelijders (eerste en tweede geïntimeerde) en tot vrijwaring van haar verzekerde. Appellante betwist thans haar gehoudenheid door aan te voeren dat haar verbintenissen als verzekeraar op het ogenblik van het schadegeval geschorst waren ten gevolge van het verdwijnen van het voorwerp van de verzekeringsovereenkomst. 3.1.
- Het voorwerp van de verzekeringsovereenkomst is de dekking van een bepaald risico tegen een bepaalde prijs. Het voorwerp van de verbintenis van de verzekeraar is de waarborg tot bescherming van het verzekerd belang. Dit belang, zoals bedoeld in art. 37 Wet Landverzekeringsovereenkomsten, valt samen met het risico weg wanneer het gevaarsobject, met betrekking tot hetwelk de verzekeringsovereenkomst is gesloten, (o.m.) ten gevolge van de verwezenlijking van het verzekerde risico niet meer bestaat. Het geldig bestaan van de verzekeringsovereenkomst, zowel bij de contractsluiting als bij het schadegeval, is een vereiste voor het geldig ontstaan en geldig voortbestaan van de verbintenissen van de verzekeraar en van de verzekeringsnemer. De verdwijning van het gevaarsobject ten gevolge van de verwezenlijking van het verzekerde risico leidt aldus voor de tijd daarna tot de beëindiging van de verzekeringsovereenkomst. Ook te dezen kan appellante na het tenietgaan van het verzekerd gebouw door brand op 21 maart 1998 niet meer worden gehouden tot het verstrekken van de verzekeringswaarborg n.a.v. later ontstane schade wegens de beëindiging van de verzekeringsovereenkomst door het wegvallen van het voorwerp van dit contract. Dit verval geldt ook ten aanzien van de waarborg omschreven in afdeling F van de algemene voorwaarden van de polis vermits deze slaat op de buitencontractuele aansprakelijkheid die de verzekerde ten laste kan worden gelegd voor schade veroorzaakt aan derden door het verzekerde gebouw en zijn inhoud, die door het sinister van 21 maart 1998 teloor zijn gegaan. 3.1.
- Derde geïntimeerde werpt tegen dat er van geen schorsing van de dekking van de polis sprake kan zijn omdat dergelijke schorsing in de algemene voorwaarden van de overeenkomst niet is vermeld en bovendien er nooit een schorsingsbericht werd gezonden. De door appellante ingeroepen rechtsgrond betreft evenwel, niettegenstaande haar woordgebruik, geen schorsing in de zin van art. 16 Wet Landverzekeringsovereenkomsten. Het betreft een verval dat van rechtswege is ingetreden van zodra het voorwerp van de overeenkomst teniet is gegaan. Daartoe was geen bericht of ingebrekestelling vereist. Derde geïntimeerde laat tevens gelden dat het instorten van de muur een rechtstreeks en uitsluitend gevolg was van de brand van 21 maart 1998 (art. 7 van de algemene polisvoorwaarden) en aldus de dekking alleszins nog verworven was. Het blijkt dat de gevel in kwestie overeind was gebleven nadat de brand volledig beëindigd was. Maanden later is de gevel ingestort onder druk van de wind zonder dat er op dat ogenblik hierop nog enige kracht werd uitgeoefend door of ten gevolge van de reeds lang gedoofde brand. De instorting was in die omstandigheden noch het rechtstreeks noch het uitsluitend gevolg van de brand. 3.1.
- Eerste en tweede geïntimeerde tonen aldus niet aan dat appellante ten tijde van onderhavig schadegeval nog de verzekeraar brand of B.A.-gebouw van de rechtsvoorganger van derde geïntimeerde was, terwijl deze laatste in het vervallen verzekeringscontract van haar rechtsvoorganger met appellante geen grond vindt voor haar eis tot vrijwaring tegen de aanspraken van de schadelijders. Het hoger beroep van appellante is gegrond. 3.
- Het incidenteel beroep van derde geïntimeerde. 3.2.
- De tusseneis van derde geïntimeerde tegen vierde geïntimeerde, strekkende tot haar vrijwaring, werd in eerste aanleg ongegrond verklaard. Zij vraagt daarvan thans bij incidenteel beroep opnieuw de toewijzing. Derde geïntimeerde laat haar aanspraak steunen zowel op de contractuele tekortkoming van de verzekerde van vierde geïntimeerde als op zijn buitencontractuele aansprakelijkheid, inzonderheid op art. 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek. 3.2.
- Vierde geïntimeerde werpt tegen dat er te dezen geen sprake kan zijn van samenloop tussen contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid. De rechtsvoorganger van derde geïntimeerde en aannemer M. V., verzekerde van vierde geïntimeerde, hadden een overeenkomst gesloten voor de afbraak van de uitgebrande gedeelten van de hangar, het magazijn en de winkel te Geel, Gasthuisstraat. Het is niet betwist dat de instorting van 16 augustus 1998 zich heeft voorgedaan nadat aannemer Verborgt zijn werken op 10 augustus 1998 had aangevat. Een contractpartij kan wegens een bij de uitvoering van de overeenkomst begane fout slechts dan buitencontractueel aansprakelijk worden gesteld indien de ten laste gelegde fout een tekortkoming uitmaakt niet van de contractuele verbintenis doch van de algemene zorgvuldigheidsnorm en indien die fout een andere dan een aan de slechte uitvoering van het contract te wijten schade heeft veroorzaakt. Derde geïntimeerde toont niet aan dat er te dezen andere schade zou zijn veroorzaakt dan deze te wijten aan de gebrekkige uitvoering van de aannemingsovereenkomst, te weten schade ten gevolge van een tekortkoming van de aannemer t.a.v. zijn verbintenis tot vakkundige uitvoering van het werk of minstens zijn verzuim om bij de uitvoering van zijn contract maatregelen te nemen ter voorkoming van de instorting. 3.2.
- Derde geïntimeerde houdt voor dat aannemer Verborgt, verzekerde van derde geïntimeerde, het gevaar van instorting van de instabiele puntgevel kende, minstens als vakman had moeten kennen en de nodige voorzorgsmaatregelen had moeten nemen om een instorting, zoals te dezen, te voorkomen. Vierde geïntimeerde betwist de contractuele tekortkoming van haar verzekerde. Zij voert aan dat de instorting 's nachts gebeurde toen er geen werken aan de gang waren en bovendien betrekking had op een deel van de gebouwen waarvan de afbraak op dat ogenblik nog niet was aangevat. Zij houdt voor dat haar verzekerde de restanten van het uitgebrande gebouw moest afbreken en dat het niet tot de opdracht van haar verzekerde behoorde gevels te stutten. Zij voegt daaraan toe dat haar verzekerde de afbraak en de opruiming heeft aangevat vertrekkend van de straatzijde omdat het achterste deel van de werf, waar de ingestorte puntgevel stond, wegens het puin niet onmiddellijk bereikbaar was. Een verbintenis tot het stutten van de gevel in kwestie is niet bewezen. Derde geïntimeerde bewijst ook niet dat er een verband heeft bestaan tussen de uitvoering van de werken van de aannemer en de instorting, m.a.w. dat de gevel is ingestort ten gevolge van of minstens mede ten gevolge van de uitvoering van de werken van de aannemer. Haar beweringen in dat verband zijn niet meer dan loutere veronderstellingen. Zij toont evenmin aan dat de aannemer een contractuele fout beging door de wijze waarop hij zijn werk organiseerde en/of zijn werf inrichtte. Het gebrek aan bereikbaarheid van de puntgevel bij de aanvang van de werken en de vakkundigheid van de uitvoering door vanaf de straatzijde de opruiming aan te vatten zonder bijzondere maatregelen m.b.t. de gevel in kwestie zijn niet afdoende weerlegd. Het incidenteel beroep van derde geïntimeerde is ongegrond. 3.
- De tegeneis van eerste en tweede geïntimeerde. Voormeld is reeds gebleken dat het hoger beroep van appellante gegrond is. Dit rechtsmiddel is dan ook niet tergend noch roekeloos aangewend. De tegeneis van eerste en tweede geïntimeerde is ongegrond 3.
- De tusseneis van eerste en tweede geïntimeerde tegen derde geïntimeerde. Eerste en tweede geïntimeerde stellen in hoger beroep een tusseneis in tegen derde geïntimeerde strekkende tot veroordeling van laatstgenoemde tot de betaling van de kosten van de hernieuwing van een onroerend beslag. De beschikking van de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 7 november 2002 vormt de titel op grond waarvan de kosten van tenuitvoerlegging invorderbaar zijn. De gedingkosten van de rechtspleging voor de beslagrechter zijn toewijsbaar in dezelfde procedure. De thans ingediende tusseneis is ongegrond. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep van appellante toelaatbaar en gegrond. Wijzigt het beroepen vonnis in zoverre enige veroordeling ten laste van de n.v. Fidea werd uitgesproken. Verklaart de oorspronkelijke tusseneis van eerste en tweede geïntimeerde, M. H. en de b.v.b.a. Bips ongegrond in zoverre deze tegen de n.v. Fidea werd ingesteld. Verklaart de oorspronkelijke tusseneis in vrijwaring van derde geïntimeerde A.-M. D. C. tegen de n.v. Fidea ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep van derde geïntimeerde A.-M. D. C. tegen de vierde geïntimeerde n.v. KBC Verzekeringen ongegrond. Bevestigt het beroepen vonnis voor het overige, behoudens de hierna vermelde verwijzing in de gedingkosten. Verklaart de tegeneis van eerste en tweede geïntimeerde tegen appellante wegens tergend en roekeloos hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond. Verklaart de tusseneis van eerste en tweede geïntimeerde tegen derde geïntimeerde ongegrond. Verwijst eerste en tweede geïntimeerde in de gedingkosten in eerste aanleg aan de zijde van appellante, vereffend op de rechtsplegingsvergoeding van EUR 334,
- Verwijst eerste en tweede geïntimeerde in de gedingkosten in eerste aanleg aan de zijde van vierde geïntimeerde, vereffend op de rechtsplegingsvergoeding van EUR 334,
- Verwijst alleen derde geïntimeerde in de gedingkosten in eerste aanleg aan de zijde van eerste en tweede geïntimeerde, vereffend zoals in het beroepen vonnis. Verwijst eerste en tweede geïntimeerde samen in de ene helft en derde geïntimeerde in de andere helft van de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van appellante, vereffend op de rolrechten van EUR 186 en de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van EUR 466,
- Verwijst appellante in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van vierde geïntimeerde vereffend op de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van EUR 466,
- PDF document ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20050202.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div