id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 16 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20050216.4 Rolnummer: 2001AR2854 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-03-23 Raadplegingen: 130 - laatst gezien 2026-07-02 05:27 Fiche
- De machtiging van een verzekerde aan zijn behandelend geneesheer om inlichtingen te verschaffen betreffende zijn gezondheidstoestand, reikt niet verder dan de toelating aan een door hem gekozen arts om verklaringen af geven die voor het sluiten of het uitvoeren van de overeenkomst nodig zijn Deze toegelaten medische verklaring mag niet slaan op een post mortem attest.
- Het recht van een verzekerde om bij het sluiten van de polis de door hem gekozen arts te ontheffen van zijn medisch beroepsgeheim is persoonlijk en extra-patrimoniaal. De rechtsopvolger van de verzekerde of de begunstigden van de polis vermogen niet dit recht uit te oefenen. Vrije woorden: Verzekeringen gezondheidstoestand verzekerde medisch beroepsgeheim post mortem - attest Tekst van de beslissing HET HOF,
- Wat voorafgaat. 1.
- N. V. was onder het stelsel van scheiding van goederen gehuwd met wijlen R. V., die overleden is in de gevangenis van Dendermonde op 26 februari
- Uit het huwelijk werden twee kinderen geboren: E. en J. V. Na het overlijden van R. V. waren N. V. en haar kinderen in onverdeeldheid met betrekking tot een onroerend goed te Beveren, Kasteelstraat
- Bij de verwerving van dit goed in 1992 werd een hypothecaire lening aangegaan bij de n.v. Kredietbank gepaard gaande met en schuldsaldoverzekering bij de n.v. Omniver. De hypothecaire schuldeiser nam een inschrijving in eerste rang. Na haar tweede huwelijk met R. D. D. op 15 juni 1996 poogde N. V. een lening aan te gaan bij de n.v. H.B.M. Spaarbank met het oog op verbouwingen aan voormeld onroerend goed. Zij verkreeg van de familieraad en van de rechtbank de vereiste machtiging en homologatie, doch botste op de eis van de leningsmaatschappij tot het toestaan van een eersterangs hypotheek. Zij verzocht de n.v. Omniver de waarborg van de schuldsaldoverzekering uit te keren aan de hypothecaire schuldeiser Kredietbank zodat deze de eerste rang kon vrijmaken. De verzekeraar Omniver weigerde echter de uitkering omdat zij de nietigheid van de polis inriep wegens het verzwijgen van een ziekte waaraan de verzekerde leed bij het sluiten van het verzekeringscontract en waaraan hij is overleden. Als doodsoorzaak werd "delirium tremens" ingeroepen. Voor de zogezegd verzwegen ziekte werd gesteund op een attest van de behandelende geneesheer Dr. B. van 17 juni
- Daaruit werd afleid dat R. V. bij het sluiten van het contract reeds leed aan chronisch ethylisme en depressie. 1.
- In een dagvaarding van 31 oktober 1997 vorderde N. V. de veroordeling van de n.v. Omniver tot uitkering van de verzekeringswaarborg aan de hypothecaire schuldeiser, van de n.v. Kredietbank tot handlichting van haar hypothecaire inschrijving en tot solidaire veroordeling van de gedaagden tot betaling van een provisionele schadevergoeding van EUR 12 394,68 (500.000,- : 40,3399). In de loop van het geding vorderde N. V. de betaling van de verzekeringswaarborg aan haar zelf. De n.v. Omniver werd opgevolgd door de n.v. KBC Verzekeringen en de n.v. Kredietbank door de n.v. KBC Bank. 1.3 Het eerste beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 22 maart 2000 heeft de eis van N. V. ongegrond verklaard in zoverre deze werd ingesteld tegen de n.v. KBC Bank. Met betrekking tot de eis tegen de n.v. KBC Verzekeringen werd beslist het medisch attest van Dr. B. van 17 juni 1996 uit het debat te weren omdat de verzekeraar daarvan op onregelmatige wijze in het bezit zou gekomen zijn. De verzekeraar werd evenwel toegelaten om met getuigen de gezondheidstoestand van wijlen R. V. in juli 1992 te bewijzen. Het getuigenverhoor werd gehouden op 19 september
- 1.
- Het tweede beroepen vonnis van 31 oktober 2001 oordeelde dat niet afdoende bewezen was dat wijlen R. V. ten tijde van het sluiten van het verzekeringscontract reeds aan chronisch ethylisme leed of dat hij enige ziekte heeft verzwegen. De verzekeraar werd veroordeeld tot uitkeren van de verzekeringswaarborg. De eis tot schadevergoeding ten laste van de verzekeraar werd ongegrond verklaard. De verzekeraar werd verwezen in de gedingkosten. Het vonnis werd uitvoerbaar verklaard bij voorraad niettegenstaande elk verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement. 1.
- De n.v. KBC Verzekeringen, hierna appellante genoemd, stelde een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij gerechtsdeurwaardersexploot betekend op 10 december
- In zijn tussenarrest van 12 februari 2002 heeft het Hof het hoger beroep van appellante ontvankelijk verklaard doch ongegrond bevonden in zoverre het beoogde het kantonnements- en borgstellingsverbod op te heffen. De zaak werd verder behandeld ter terechtzitting van 14 december
- De eisen in hoger beroep. 2.
- Appellante vordert de beroepen vonnissen nietig te verklaren om vervolgens de oorspronkelijke eis van N. V. ongegrond te verklaren. Zij vordert de terugbetaling van de sommen die zij in uitvoering van de beroepen vonnissen heeft betaald, te weten een som van EUR 47 057,27, vermeerderd met de interesten vanaf haar betaling Ondergeschikt verzoekt zij aan Dr. B. te bevelen zijn medisch dossier m.b.t. R. V. over te leggen en een geneesheer-deskundige aan te stellen met als opdracht: "... - kennis te nemen van het volledig medisch dossier betreffende wijlen de heer R. V., zowel het medisch dossier van zijn behandelende huisarts Dr. B., als van enig ander behandelende arts, - advies te geven over de vooraf bestaande gezondheidstoestand van wijlen de Raf V., in het bijzonder advies te geven over de vraag of de heer R. V. leed aan chronisch ethylisme en depressies en zo ja, vanaf wanneer deze aandoeningen zijn begonnen, hoelang zij hebben geduurd en of hij hiervoor behandeld werd en over alle nuttige vragen ter zake; ...". Meer ondergeschikt, vraagt appellante het incidenteel beroep van geïntimeerde alleszins af te wijzen. Zij verzoekt geïntimeerde te verwijzen in alle gedingkosten. 2.
- N. V., hierna geïntimeerde genoemd, concludeert tot de bevestiging van de beroepen vonnissen behoudens wat de afwijzing van haar eis tot schadevergoeding betreft. Bij incidenteel beroep verzoekt zij de hervorming van het beroepen vonnis van 31 oktober 2001 en de veroordeling van appellante tot de betaling van een schadevergoeding van EUR 16 113,08, vermeerderd met de gerechtelijke interesten, wegens materiële en morele schade ten gevolge van de laattijdige betaling van de verzekeringswaarborg. Zij vraagt tevens de verwijzing van appellante in alle gedingkosten.
- De beoordeling. 3.
- Het hoger beroep van appellante. 3.1.
- Appellante houdt nog steeds voor dat zij na het overlijden van haar verzekerde R. V. terecht weigerde de verzekeringsprestatie ten overstaan van de begunstigde te leveren wegens de nietigheid van de verzekeringsovereenkomst. Deze nietigheid laat zij steunen op de bewering dat de verzekerde bij het sluiten van het contract n.a.v. zijn gezondheidsverklaring verzwegen heeft dat hij leed aan chronisch ethylisme. Deze verzwijging zou appellante hebben misleid omtrent het risico dat zij ten laste nam. Met toepassing van art. 2 van de algemene polisvoorwaarden wordt de nietigheid van het contract ingeroepen. Appellante betwist niet dat zij het bewijs moet leveren van de nietigheidsgrond die zij aanvoert. Tot bewijs voert zij een attest aan op 17 juni 1996 afgegeven door Dr. A. B., waaruit zij afleidt dat wijlen R. V. bij de contractsluiting op 14 juli 1992 leed aan chronisch ethylisme en depressie, zijnde ziekten waarvan hij in zijn gezondheidsverklaring van dezelfde datum geen gewag maakte. In het beroepen tussenvonnis van 22 maart 2000 werd beslist het attest van Dr. A. B. uit het debat te weren omdat dit attest niet zou zijn afgegeven in de omstandigheden bedoeld door art. 95, 1ste lid W.L.V.O. Impliciet doch zeker werd aldus geoordeeld dat appellante geen nuttig gebruik mocht maken van de bepalingen van art. 95 W.V.L.O. om het attest in kwestie onder het medisch beroepsgeheim weg te halen. Geïntimeerde blijft het medisch beroepsgeheim inroepen. 3.1.
- De informatie die Dr. A. B. heeft weergegeven in het attest van 17 juni 1996, slaat op de gezondheidstoestand van betrokkene wijlen R. V. en is door deze geneesheer verworven bij zijn consultaties als huisarts van betrokkene. Het attest is dan ook een document dat in de regel gedekt is door het medisch beroepsgeheim. Volgens appellante dient het medisch beroepsgeheim te dezen niet omdat wijlen R. V. zijn geneesheren zou hebben bevrijd van hun zwijgplicht door middel van volgende clausule in de verzekeringsovereenkomst: "... De verzekerde machtigt uitdrukkelijk de behandelende geneeshe(e)r(en) om alle bijkomende inlichtingen te verschaffen in verband met zijn gezondheidstoestand. ..." Aan dit contractueel beding kan geen ruimere toepassing worden verleend dan binnen de grenzen bepaald door art. 95 W.V.L.O., zoals van kracht bij het uitschrijven van het attest op 17 juni
- Partijen vechten niet aan dat de wet op de landverzekeringsovereenkomst te dezen van toepassing is. Voormeld wetsartikel is krachtens art. 3 W.V.L.O. van dwingend recht en wordt door geïntimeerde ingeroepen. De bedoelde machtiging van wijlen R. V. strekt dan ook niet verder dan de toelating die hij aan een door hem gekozen arts zou geven om verklaringen af te geven die voor het sluiten of het uitvoeren van de overeenkomst nodig zouden zijn. Het attest in kwestie werd niet aan de verzekerde afgegeven doch na zijn overlijden uitgereikt door een arts die reeds sedert ongeveer één jaar vóór het overlijden had opgehouden zijn behandelende geneesheer te zijn. Het attest is dan ook in onderhavig geval niet afgegeven op verzoek van de verzekerde door een arts van zijn keuze. Daarenboven vermag de toegelaten geneeskundige verklaring, bedoeld in art. 95, 1ste lid (oud) W.V.L.O., niet te slaan op een post mortem-attest, zoals te dezen, dat dan ook nog de medische geschiedenis van de overleden verzekerde tot voorwerp heeft. Ten onrechte poogt appellante het attest in kwestie nog te laten gelden als een verklaring over de doodsoorzaak in de zin van art. 95, 2de lid (oud), thans 4de lid W.V.L.O. Ongeacht nog de kwestie of wijlen R. V. aan Dr. A. B. toestemming voor zo'n verklaring had gegeven, heeft deze immers geen verklaring over de doodsoorzaak kunnen doen vermits hij verzekerde na diens overlijden en gedurende het jaar daarvoor niet als arts heeft onderzocht. De argumentatie van appellante dat het medisch beroepsgeheim het gebruik van het voormelde attest niet in de weg mag staan omdat dit geheim door geïntimeerde wordt afgewend van zijn doel, met name om bedrog van de verzekerde te verhullen, kan niet worden bijgetreden. Het recht van de verzekerde om bij het sluiten van een verzekeringsovereenkomst een door hem gekozen arts te ontheffen van zijn medisch beroepsgeheim is persoonlijk en extra-patrimoniaal. De rechtsopvolgers van de verzekerde of de begunstigde van een door de verzekerde gesloten overeenkomst vermogen dat recht niet uit te oefenen. Het is de openbare orde die zich, ongeacht de houding die geïntimeerde hiertegenover aanneemt, te dezen verzet tegen het gebruik van een medisch attest dat in strijd met het medisch beroepsgeheim is opgesteld en afgegeven. Het medisch attest in kwestie werd dan ook terecht door de eerste rechter buiten het debat gehouden. 3.1.
- Appellante slaagt ook niet door andere elementen van bewijs de beweerde verzwijging aan te tonen. De omstandigheid dat R. V. op 26 februari 1996 overleed ten gevolge van een "delirium tremens" levert op zich geen afdoende bewijs van de bewering van appellante dat betrokkene bij het sluiten van het contract op 14 juli 1992 reeds aan chronisch ethylisme leed. De omstandigheid dat betrokkene tot half 1995 als duiker lid was van het brandweerkorps van de gemeente Beveren en dat duikers van de hulpdiensten regelmatige grondige medische controles moeten ondergaan, doet eerder aannemen dat betrokkene in 1992 niet ziek was, in de zin zoals appellante voorhoudt. Het getuigenverhoor van Dr. A. B. heeft evenmin het nodige bewijs geleverd. Volgens deze verklaringen stelde er zich bij R. V. slechts een drankprobleem in de periode dat hij "om die reden ontslagen werd bij de brandweer". Het is gebleken dat betrokkene zelf ontslag nam in de loop van
- Deze getuige verklaarde eveneens dat hij als korpsgeneesheer van de brandweer de verslagen van de geneesheer-specialisten na onderzoek van R. V. ontving en dat daaruit bleek dat hij medisch voldeed om als brandweerman te duiden. De bewering van appellante dat de getuigenverklaring van Dr. A. B. ongeloofwaardig is wegens zijn familieband met wijlen R. V., wordt door het Hof niet bijgetreden. Het blijkt, o.m. door onderlinge rechtsgedingen, dat tussen geïntimeerde en de familie van wijlen R. V. na diens overlijden een ernstige onenigheid is ontstaan, zodat de voormelde familieband op zich niet aannemelijk maakt dat de getuige in strijd met wat volgens hem waar was, een verklaring zou hebben afgelegd ten gunste van geïntimeerde. 3.1.
- Appellante verzoekt, in ondergeschikte orde, dat een geneesheer-deskundige zou worden aangesteld om het medisch dossier van wijlen R. V. te onderzoeken zoals dat zich bevindt in handen van Dr. A. B. of in handen van gelijk welk ander geneesheer en om advies te geven over de vooraf bestaande gezondheidstoestand van R. V. en in het bijzonder over de vraag of betrokkene leed aan chronisch ethylisme en depressies en zo ja, vanaf wanneer en gedurende welke periode en welke behandeling hij hiervoor kreeg. De kennis van de doodsoorzaak van wijlen R. V. noch de getuigenverklaring van Dr. A. B. maken waarschijnlijk dat betrokkenen bij de contractsluiting leed aan chronisch ethylisme en depressies en dat hij deze kwalen in strijd met de goede trouw verzwegen heeft. Het is aldus ook niet aannemelijk dat de gevraagde onderzoeksmaatregel zou kunnen bijdragen tot de oplossing van het geschil. Appellante verzoekt eveneens Dr. A. B. met toepassing van art. 877 van het Gerechtelijk Wetboek te bevelen de stukken over te leggen waaruit blijkt dat wijlen R. V. reeds in juni 1992 leed aan chronisch ethylisme en depressies. Appellante toont evenwel niet aan dat er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat Dr. A. B. de stukken onder zich houdt die het bedoelde bewijs kunnen leveren. Het vaststaande feit dat R. V. na juni 1992 nog meerdere gespecialiseerde medische onderzoeken onderging waarbij hij voldoende gezond bevonden werd om te functioneren als duiker bij de brandweer, maakt de bewering van appellante zelfs onwaarschijnlijk. Deze conclusie wordt niet in de weg gestaan door de omstandigheid dat betrokkene in 1996 overleed aan een delirium tremens. 3.1.
- In eerste aanleg werd terecht beslist dat de verzekeringsovereenkomst geldig is tot stand gekomen en dat appellante gehouden is de verzekeringsprestatie te leveren. Het hoger beroep van appellante is dan ook ongegrond. 3.
- Het incidenteel beroep van geïntimeerde. 3.2.
- Geïntimeerde meent gerechtigd te zijn op een schadevergoeding van EUR 16 113,07 wegens materiële en morele schade geleden ten gevolge van de weigering van appellante haar verzekeringsprestatie te leveren. Appellante betwist deze aanspraak en houdt voor dat de schade die eventueel zou voortgekomen zijn uit de vertraging van haar betaling volledig is vergoed door de toekenning van verwijlinteresten, zoals in eerste aanleg beslist. In eerste aanleg werd geïntimeerde afgewezen van haar eis op grond van de kennis die zij van de weigering tot uitbetaling van appellante had, bij het aangaan van de nieuwe leningen. 3.2.
- Geïntimeerde beoogde bij een derde (H.B.M.) een nieuwe hypothecaire lening aan te gaan om verbouwingswerken te laten uitvoeren aan het huis, waarop zij met haar kinderen gerechtigd is. De kredietverlener eiste echter een hypotheek in eerste rang, die tot dan toe werd ingenomen door de n.v. Kredietbank, waarvan de terugbetaling verzekerd was door de schuldsaldoverzekering bij appellante. Door de weigering van appellante de verzekeringsprestatie te leveren van zodra deze opeisbaar was, is aan de zijde van geïntimeerde niet alleen schade ontstaan door de vertraging waarmee het verzekerd kapitaal in het vermogen van geïntimeerde is terecht gekomen. Hierdoor werd ook verhinderd dat het voormeld onroerend goed vrij werd gemaakt van de eersterangs hypotheek van de n.v. Kredietbank en tot zekerheid kon worden aangeboden voor een nieuwe hypothecaire lening. Geïntimeerde zag zich aldus genoodzaakt, om de toestand te bereiken die zou ontstaan zijn indien appellante haar verplichtingen correct was nagekomen, andere financiële bronnen aan te spreken om de lening van de n.v. Kredietbank af te lossen en het onroerend goed vrij te maken van de hypotheek. Zij heeft daartoe twee leningen aangegaan waarvoor de ouders van haar echtgenoot R. D. D. hun huis met hypotheek hebben bezwaard. Zonder de tekortkoming van appellante had geïntimeerde deze veel zwaardere financiële last niet moeten dragen. Door de beslagen die geïntimeerde heeft ondergaan blijkt overigens dat deze financiële last te zwaar was. Appellante voert aan, zoals de eerste rechter overigens oordeelde, dat geïntimeerde nieuwe financiële lasten op zich nam terwijl ze wist dat de betaling van het verzekerd schuldsaldo betwist werd. Deze handelwijze heeft echter het oorzakelijk verband tussen de tekortkoming van appellante en de schade van geïntimeerde niet verbroken en was bovendien niet in strijd met de schadebeperkingplicht. Met de huisvestingsnood van haar gezin (6 personen) en met de aannemelijke verwachting van een jarenlange juridische strijd tegen appellante kon geïntimeerde redelijkerwijze niet anders dan ten spoedigste de beoogde verbouwingswerken aan haar woning te laten plaatsvinden en zich daartoe de nodige financiële middelen verschaffen. Het is bovendien aan te nemen dat geïntimeerde eronder geleden heeft dat zij de aanspraak waarop zij gerechtigd was, en waarvoor gedurende jaren premie was betaald, betwist zag en dat zij zich daarom diep in de schulden moest steken om de huisvestingsnood van haar gezin te kunnen lenigen. 3.2.
- Geïntimeerde raamt deze schade, zowel moreel als materieel, forfaitair op EUR 16 113,
- Deze raming wordt door geen becijferde gegevens gestaafd. Deze schade laat zich door zijn aard niet exact berekenen. Daaraan staat evenwel niet in de weg dat ze zeker is. Ex aequo et bono begroot het Hof deze schade op EUR 10
- OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep van appellante toelaatbaar doch ongegrond. Bevestigt het beroepen vonnis van 22 maart
- Bevestigt het beroepen vonnis van 31 oktober 2001 in zoverre de oorspronkelijke eis van geïntimeerde gegrond werd verklaard en de veroordeling van appellante werd uitgesproken, met dien verstande evenwel dat de door appellante te betalen som en kosten dienen te worden omgezet van Belgische frank naar euro (1 EUR = 40,3399 BEF). Verklaart het incidenteel beroep toelaatbaar en gedeeltelijk gegrond. Wijzigt het beroepen vonnis in zoverre de oorspronkelijke tegeneis van geïntimeerde geheel ongegrond werd verklaard. Verklaart de oorspronkelijke tegeneis van geïntimeerde in volgende mate gegrond. Veroordeelt appellante tot de betaling aan geïntimeerde van de som van EUR 10 000, vermeerderd met de gerechtelijke interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf de dag van onderhavige uitspraak tot op de dag van de gehele betaling. Verwijst appellante in de gedingkosten in hoger beroep vereffend aan de zijde van geïntimeerde op de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van EUR 466,
- PDF document ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20050216.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.