← België

ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20050323.15

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 23 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20050323.15 Rolnummer: 2003AR2949 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-04-18 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-07-02 05:27 Fiche Het door art. 12 bis ,§ 1 3 ° W.B.N. bedoelde hoofdverblijf veronderstelt een wettelijke verblijfsvergunnig en een onwettig verblijf kan hiertoe niet in aanmerking worden genomen Vrije woorden: Nationaliteit nationaliteitsverklaring art. 12bis ,§ 1 3° W.B.N. hoofdverblijf geen onwettig verblijf Nota: Foblets M.-C., "Een nieuw nationaliteitsrecht ? De wet van 1 maart 2000 tot wijziging van een aantal bepalinge betreffende de Belgische nationaliteit", R.W. 2000-01, p. 1147, voetnooot 17 Tekst van de beslissing HET HOF, Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis, waarvan geen kennisgeving of betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift neergelegd op 19.11.2003, waarmee een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld; Overwegende dat het hoger beroep ertoe strekt, bij hervorming van het bestreden vonnis, appellants verzet tegen de nationaliteitsverklaring van geïntimeerde gegrond te verklaren; Dat geïntimeerde concludeert tot de bevestiging van het bestreden vonnis; Overwegende dat geïntimeerde op 25.10.2002 een verklaring tot het verkrijgen van de Belgische nationaliteit aflegde voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van de stad Antwerpen, district Merksem, overeenkomstig artikel 12bis ,§ 1 3° van het Wetboek van de Belgische nationaliteit d.d. 28.06.1984 (W.B.N.); Dat de Procureur des Konings op 10.02.2003 een negatief advies uitbracht tegen deze verklaring wegens het niet vervullen van een vereiste grondvoorwaarde, m.n. het ontbreken van een periode van 7 jaren hoofdverblijf in België; Overwegende dat geïntimeerde op 12.04.1993 in België toekwam en zich op 13.04.1993 vluchteling verklaarde; dat zijn asielaanvraag onontvankelijk verklaard werd en hem op 07.09.1993 bevel betekend werd om het grondgebied te verlaten; dat zijn beroep tegen deze beslissing verworpen werd; dat hij op 07.03.1995 een regularisatieaanvraag indiende die verworpen werd en hem op 22.01.1996 opnieuw een bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend; dat hij op 25.03.1996 een nieuwe aanvraag tot asiel indiende die op 05.11.1996 ontvankelijk werd verklaard; dat hij op 19.01.2000 een aanvraag tot regularisatie indiende die op 14.01.2002 werd ingewilligd; dat hij aldus slechts sedert 14.01.2002 legaal in België verblijft en de inwilliging van zijn tweede aanvraag de periode voorafgaande aan deze aanvraag niet kan regulariseren; dat hij aldus op het ogenblik van zijn nationaliteitsverklaring op 25.10.2002 niet sedert minstens zeven jaar legaal in België verbleef; Overwegende dat appellant voorhoudt dat het door artikel 12bis ,§ 1 3° W.B.N. bedoelde hoofdverblijf sedert ten minste zeven jaar een legaal verblijf dient te zijn en een onwettig verblijf hierbij niet in aanmerking kan worden genomen; dat geïntimeerde meent dat het door de voormelde bepaling vereiste verblijf een loutere feitenkwestie is en ook een onwettig verblijf zou volstaan; dat de eerste rechter in het bestreden vonnis deze argumentatie van geïntimeerde volgde en appellants negatief advies ongegrond verklaarde; Overwegende dat, ingevolge art. 299 van de Programmawet d.d. 27.12.2004, artikel 12bis, ,§ 1, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, vervangen bij de wet van 1 maart 2000 wordt uitgelegd in de zin dat het alleen van toepassing is op de vreemdelingen die zich kunnen beroepen op zeven jaar hoofdverblijfplaats gedekt door een wettelijk verblijf; dat dit, ook blijkens de omschrijving in de Wet zelf "Afdeling IX. - Interpreterende bepaling van artikel 12bis, ,§ 1, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit"- gaat om een interpretatieve wet, waarnaar het Hof zich, in toepassing van art. 7 Ger.W. dient te gedragen; dat een geïnterpreteerde wetsbepaling geacht wordt steeds de betekenis gehad te hebben welke door de interpretatieve wetsbepaling wordt vastgelegd (Cass. 07.05.1996, Arr.Cass. 1996, 410; 04.11.1996, Arr. Cass. 1996, 1053); Overwegende dat deze uitlegging overigens volstrekt conform is aan de bedoeling van de wetgever zoals blijkt uit de voorbereidende werken; dat dienaangaande o.m. kan verwezen worden naar de memorie van toelichting bij het wetsontwerp waar duidelijk gesteld wordt : "Onder het begrip "hoofdverblijfplaats", moet worden verstaan een verblijf op grond van verschillende verblijfsvergunningen, te weten een vestigingsmachtiging, een machtiging of een toelating tot verblijf voor onbepaalde duur, dan wel een machtiging of een toelating tot verblijf voor bepaalde duur. Een hoofdverblijfplaats in België die niet is gegrond op een wettelijke verblijfsvergunning biedt de vreemdeling geenszins de mogelijkheid om een nationaliteitsverklaring af te leggen. Ten minste wordt geëist dat de vreemdeling het bewijs kan leveren van voorlopige verblijfsvergunningen die betrekking hebben op de vereiste duur (sedert de geboorte in het kader van 1° en sedert ten minste zeven jaar in het kader van 3°) opdat hij, onder voorbehoud van de naleving van de andere gestelde voorwaarden, een nationaliteitsverklaring kan afleggen. Vanzelfsprekend kan een onwettig verblijf niet in aanmerking worden genomen." (Parl. St., Kamer, 1999-2000, 0292/001 en 0293/001, p. 10-11) en "Beide procedures worden merkelijk gewijzigd, zodat er gemakkelijker een beroep op kan worden gedaan. Van de procedure inzake nationaliteitsverklaring zal voortaan gebruik kunnen worden gemaakt door de vreemdelingen die de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt ... en die de volgende voorwaarden vervullen : ... - hetzij sedert ten minste 7 jaar zijn hoofdverblijf hebben gevestigd in België en op het tijdstip .... Vanzelfsprekend kan een onwettig verblijf niet in aanmerking worden genomen." (Parl. St., Kamer, 1999-2000, 0292/007, p. 7); Dat ook tijdens de behandeling in de beide Kamers de minister meermaals bevestigde dat een onwettig verblijf niet in aanmerking kan worden genomen, o.m. Parl. Hand. Kamer, zitting 12.04.1991, 1314/7-90/91, p. 22 : "Vanzelfsprekend kan een onwettig verblijf niet in aanmerking worden genomen." en Parl. Hand. Senaat, zitting 1999-2000, zitting 09.02.2000, 2-308/3, p. 6) : "Een hoofdverblijf in België dat niet door een wettelijke verblijfsvergunning gedekt wordt, zal de vreemdeling in geen geval in staat stellen een nationaliteitsverklaring af te leggen; vanzelfsprekend kan een onwettig verblijf niet in aanmerking worden genomen."; Overwegende dat het in art. 12 bis ,§ 1 3 ° W.B.N. bedoelde hoofdverblijf aldus onbetwistbaar een wettelijke verblijfsvergunning veronderstelt en een onwettig verblijf hiertoe niet in aanmerking kan worden genomen; Overwegende dat geïntimeerde eveneens ten onrechte verwijst naar bepaalde rechtspraak die zijn argumentatie zou volgen; dat hoven en rechtbanken immers geen uitspraak doen bij wege van algemene en als regel geldende beschikking (art.6 Ger.W.), en deze uitspraken dus geen afbreuk kunnen doen aan de authentieke interpretatie door de Wetgever van deze bepaling en zoals deze duidelijk blijkt uit de voorbereidende werken; Overwegende dat aldus vaststaat dat geïntimeerde op het ogenblik van zijn verklaring niet voldeed aan de vereiste grondvoorwaarden, m.n. een wettig verblijf sedert ten minste 7 jaar, zodat het Openbaar Ministerie terecht verzet aantekende; dat het hoger beroep dan ook gegrond is en het bestreden vonnis dient hervormd; OM DIE REDENEN: HET HOF, na beraad, Recht sprekend op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935; Gehoord Advocaat-generaal L. VAN LERBERGHE in zijn advies dat omwille van de omstandigheden der zaak mondeling ter terechtzitting werd gegeven en waarop geïntimeerde heeft kunnen repliceren; Ontvangt het hoger beroep en verklaart dit gegrond in de hiernabepaalde mate; Doet het bestreden vonnis te niet; Opnieuw wijzend; Verklaart het negatief advies van de heer Procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen tegen de overeenkomstig artikel 12bis ,§ 1 3° W.B.N. op 25.10.2002 door geïntimeerde voor de Ambtenaar van de burgerlijke stand van de stad Antwerpen, district Merksem, afgelegde verklaring tot het verkrijgen van de Belgische nationaliteit gegrond; Verwijst geïntimeerde in de kosten van beide aanleggen. PDF document ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20050323.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.