id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 13 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20050413.11 Rolnummer: 2003AR2570 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2010-03-09 Raadplegingen: 155 - laatst gezien 2026-07-02 05:27 Fiche Om te beantwoorden aan het veiligheidscriterium van artikel 5 van de Wet, is het evident dat de bedieningssystemen van containerinstallaties dusdanig moeten ontworpen en uitgevoerd zijn dat zij zo veilig en betrouwbaar zijn dat er geen gevaarlijke situatie kan ontstaan. Men mag verwachten dat zij zo ontworpen en gebouwd zijn dat zij bestand zijn tegen de te verwachten bedrijfseisen en invloeden van buitenaf en dat fouten in de logica bij de bediening niet tot gevaarlijke situaties kunnen leiden. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - KWALITEIT VAN GOEDEREN EN DIENSTEN - Productaansprakelijkheid en aansprakelijkheid voor diensten Vrije woorden: Wet productaansprakelijkheid - bedieningsmechanisme containerinstallatie - objectieve aansprakelijkheid - bewijs gebrek - art. 5 veiligheidscriterium Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2003/AR/2570 GEMEENSCHAPPELIJKE VERZEKERINGSKAS VOOR BOUWWERK HANDEL EN NIJVERHEID - APRA, met maatschappelijke zetel te 2000 ANTWERPEN, Frankrijklei 64-68, appellante, vertegenwoordigd door Mr. Jan WILLEMSE loco Mr. DE VAREZ Ingrid, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Stoopstraat 1 bus 9 tegen het vonnis gewezen op 10 juni 2003 door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen tegen N.C.H.-HYDRAULISCHE SYSTEMEN BV, met maatschappelijke zetel te NL-7901 TA HOOGEVEEN (Nederland), Toldijk 21, ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel Meppel registratie 04033112 geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. DE BOCK Dirk, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 210 A *** Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis, gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 10 juni 2003, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Hof op 22 september 2003, waarmee een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld. Appellante streeft, bij hervorming van het bestreden vonnis, na dat haar vordering gegrond zou worden verklaard en dat geïntimeerde zou worden veroordeeld in betaling aan haar van een bedrag van 174.229,52 EUR, te verhogen met de vergoedende interesten op 1.652,16 EUR vanaf 13 februari 1999, op 6.312,46 EUR vanaf 21 juli 1999, op 7.298,54 EUR vanaf 1 juli 2000, op 7.445,51 EUR vanaf 1 juli 2001, op 7.593,40 EUR vanaf 1 juli 2002, op 7.745,27 EUR vanaf 1 juli 2003 en op 7.900,18 EUR vanaf 1 juli 2004, de gerechtelijke interesten en de kosten. Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en tot de bevestiging van het bestreden vonnis. °°°°°°°°°°°°°°°°° I. FEITELIJKE GEGEVENS - VOORWERP VAN DE VORDERING - VOORGAANDEN. Appellante is de arbeidsongevallenverzekeraar van de N.V. CONTAINERS VAN DEN BOSCH, met maatschappelijke zetel Sluizenstraat 105 te Schoten. Op 13 februari 1999 deed er zich tussen 10u en 10.25u een arbeidsongeval voor met dodelijke afloop, op voormelde terreinen. De heer V.V., wonende Eikblokstraat 113 te 2100 Antwerpen, liet het leven bij het assisteren van het optrekken van een container op een vrachtwagen, met gebruik van het trekmechanisme van de vrachtwagen. Het slachtoffer maakte gebruik van een lier geplaatst op het uiteinde van de vrachtwagen, welke hij bediende met een schakelaar achteraan aan de linkerzijde van de vrachtwagen. Deze schakelaar is aldus geconcipieerd door geïntimeerde, dat deze om veiligheidsredenen enkel mits blijven induwen, het optrekmechanisme activeert, en dit optrekmechanisme bijgevolg normaal moet stilvallen wanneer de schakelaar wordt losgelaten. Het slachtoffer had de schakelaar losgelaten, maar het optrekmechanisme functioneerde desalniettemin en het slachtoffer is op een bepaald ogenblik gegrepen door het optrekmechanisme, gekneld geraakt en werd verpletterd tussen de container en de vrachtwagen. Voormelde feiten blijken uit een zonder gevolg gerangschikt strafdossier. Geïntimeerde is de producent van het optrekmechanisme en in het bijzonder van de schakelaar achteraan de vrachtwagen. Appellante, die gesubrogeerd is in de rechten van het slachtoffer, wenst vergoed te worden voor de door haar gedane uitkeringen. Aldus ging zij op 24 september 2001 over tot dagvaarding van geïntimeerde, die zij aansprakelijk acht voor de schade veroorzaakt door een gebrek in de geleverde zaak en zulks in toepassing van artikel 1 en 5 van de Wet op de Productenaansprakelijkheid d.d. 25 februari 1991. Tevens steunt zij haar vordering tegen geïntimeerde op de artikelen 1382-1383 B.W. Ter zitting d.d. 7 november 2001 werd verstek gevorderd tegen geïntimeerde, die bij (verstek)vonnis gewezen op 5 december 2001 verwees naar briefwisseling tussen het Federaal Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid en geïntimeerde en ook tussen het Federaal Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid en de verzekerde van appellante, waaruit geenszins kan worden afgeleid dat geïntimeerde een gebrekkig product in de zin van artikel 3b heeft afgeleverd - reden waarom de zaak naar de bijzondere rol verwezen werd teneinde aan appellante toe te laten haar vordering te staven en haar bundel te vervolledigen. Bij het bestreden vonnis (op tegenspraak) oordeelde de eerste rechter dat de vordering, in zover gebaseerd op artikel 1382-1383 B.W. niet gegrond is omdat appellante niet aangaf waarin de fout van geïntimeerde dan wel zou bestaan. In zoverre de vordering gebaseerd is op de productaansprakelijkheid, verklaarde de eerste rechter deze eveneens ongegrond bij gebrek aan bewijs van een gebrek in de zin van artikel 5 van de wet van 25 februari 1991. De eerste rechter stelde met name vast dat de juiste oorzaak van het blokkeren van de schakelaar niet gekend is, nu de bewuste schakelaar niet onderworpen werd aan een grondig onderzoek. II. NIEUWE BEOORDELING IN RECHTE IN HOGER BEROEP. In hoger beroep steunt appellante haar vordering kennelijk nog enkel op de wet van 25 februari 1991 betreffende de aansprakelijkheid voor producten met gebreken. Overeenkomstig artikel 1 van deze wet, is de producent aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door een gebrek in zijn product. Overeenkomstig artikel 7 van de wet op de productenaansprakelijkheid, is het aan het slachtoffer die vergoeding wenst te bekomen, om het bewijs te leveren van de schade, het gebrek en het oorzakelijk verband tussen beiden. Het "gebrek" vormt de hoeksteen van de regeling inzake de productenaansprakelijkheid. Een fout in hoofde van de producent moet niet bewezen worden. Het gaat om een objectieve aansprakelijkheid waaraan de producent van een gebrekkig product slechts uitzonderlijk kan ontsnappen. In artikel 8 van de wet worden limitatief de omstandigheden opgesomd die voor de producent bevrijdend werken. Thans in hoger beroep betwist geïntimeerde kennelijk niet (meer) dat hij de producent is in de zin van artikel 3 van de wet op de Productenaansprakelijkheid. Het laat overigens geen twijfel dat geïntimeerde wel degelijk de producent is van het (eind)product dat de schade in kwestie heeft veroorzaakt, met name de containerinstallatie. Volgens artikel 5 van voormelde wet op de Productenaansprakelijkheid is een product gebrekkig wanneer het niet de veiligheid biedt die men gerechtigd is te verwachten, alle omstandigheden in aanmerking genomen, met name:
- a)de presentatie van het product
- b)het normaal of redelijkerwijze voorzienbaar gebruik van het product
- c)het tijdstip waarop het product in het verkeer is gebracht. Een product mag niet als gebrekkig worden beschouwd uitsluitend omdat er nadien een beter product in het verkeer is gebracht. Uit o.m. de Memorie van Toelichting (Gedr. St., Kamer, 1989-90, nr 1262/1, blz 12) en toelichting Verdrag Raad van Europa inzake productenaansprakelijkheid (nr 35) blijkt dat het gebrek aan de hand van een objectief criterium moet worden beoordeeld. De maatstaf is de veiligheid die het grote publiek gerechtigd is te verwachten, meer bepaald wordt het gebrek aan veiligheid in abstracto beoordeeld, aan de hand van een normaal zorgvuldig persoon geplaatst in dezelfde omstandigheden. Niet alle veiligheidsverwachtingen van het grote publiek mogen in het oordeel van de rechter worden betrokken. Enkel de veiligheid die het grote publiek gerechtigd was te verwachten komt als maatstaf in aanmerking. De rechter moet m.a.w. nagaan welke de "legitieme" veiligheidsverwachtingen van het grote publiek waren. Het veiligheidscriterium is dus niet alleen een objectief, maar ook een normatief criterium. De rechter zal moeten uitmaken aan welke veiligheidsnormen het product behoorde te voldoen. Het begrip "legitieme veiligheidsverwachtingen" kan in twee richtingen werken. Enerzijds voorkomt het dat men van producten een niet haalbare absolute veiligheid t.i.v. om het even wie gaat eisen. Anderzijds is de rechter niet gebonden door de veiligheidsnormen zoals die door de producent of door de overheid werden opgesteld. De naleving van deze normen sluit immers niet uit dat het product gebrekkig is, omdat de rechter de legitieme veiligheidsverwachtingen op een hoger niveau kan plaatsen (T. VANSWEEVELT, "De Wet van 25 februari 1991 inzake productenaansprakelijkheid, TBBR 1992/2, blz 96 e.v.) Om de legitieme veiligheidsverwachtingen van het grote publiek te bepalen, moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden. De opsomming van de beoordelingsfactoren in artikel 5 van de wet op de productenaansprakelijkheid, is enuntiatief en dus niet beperkend. De rechter zal nog met andere factoren rekening kunnen houden, zoals de aard en de prijs van het product, de ernst van het gevaar, de vraag of een veiliger product mogelijk was enz... . Als bewijs van haar stelling dat het product in kwestie, met name het bedieningssysteem van de containerinstallatie, onveilig was, verwijst appellante naar het verslag van ingenieur KEPPENS van het Federaal Ministerie van Tewerkstelling d.d. 8 april 1999 en naar het schrijven van dezelfde datum uitgaande van het Federaal Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid aan geïntimeerde (cfr strafdossier - stuk 1 bundel appellante), waarin wordt gesteld dat de lierschakelaar (bedieningssysteem) niet veilig is, dat het niet aangepast is aan de uitwendige invloeden waaraan hij wordt blootgesteld, zoals regen en koude en dat de veiligheid van de lierschakelaar evenmin is aangepast aan het risico waaraan de werknemer, die de schakelaar bedient, wordt blootgesteld. Uit voormeld verslag van de arbeidsinspectie blijkt dat de containerinstallatie, waarmee het ongeval gebeurde, op de markt gebracht werd vóór 1 januari 1995 en dus in principe niet moest voldoen aan de bepalingen van de richtlijn 89/392/EEG van de Raad van 14 juni 1989 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende machines. Evenwel, zoals hiervoor reeds werd aangehaald, is de rechter niet gebonden door de veiligheidsnormen zoals die door de producent of de overheid werden opgesteld. Met andere woorden is het feit dat er nog geen wettelijke regeling was voor de containerinstallatie in kwestie of, zoals in casu een wettelijke regeling pas later van toepassing was, irrelevant, minstens niet doorslaggevend bij de beoordeling van het veiligheidscriterium van de containerinstallatie, meer bepaald van het bedieningsmechanisme ervan. Om te beantwoorden aan het veiligheidscriterium van artikel 5 van de Wet, is het evident dat de bedieningssystemen van containerinstallaties, zoals in het geval van het kwestieuze ongeval, dusdanig moeten ontworpen en uitgevoerd zijn dat zij zo veilig en betrouwbaar zijn dat er geen gevaarlijke situatie kan ontstaan. Meer bepaald mag men verwachten dat zij zo ontworpen en gebouwd zijn dat zij bestand zijn tegen de te verwachten bedrijfseisen en invloeden van buitenaf en dat fouten in de logica bij de bediening niet tot gevaarlijke situaties kunnen leiden. Welnu, in voormeld schrijven d.d. 8 april 1999 van het Federaal Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid aan geïntimeerde, wordt uitdrukkelijk gesteld: "De lierschakelaar faalde echter tijdens het ongeval onder invloed van koude en vochtige omstandigheden. Dit zijn weersinvloeden waaraan de lierschakelaar regelmatig wordt blootgesteld. Hij zou niet mogen falen onder dergelijke omstandigheden". Enkel deze vaststelling volstaat reeds als bewijs dat het product niet de veiligheid bood in de zin van artikel 5 van de Wet, rekening houdende met het normaal of redelijkerwijze voorzienbaar gebruik ervan. Het kan inzake niet betwist worden dat de schakelaar in kwestie, gebruikt werd voor het optrekken van een container. Enkel mits blijven induwen werd het optrekmechanisme van de lier die de container optrekt, geactiveerd. In principe moest aldus het optrekmechanisme stilvallen wanneer de schakelaar werd losgelaten. De legitieme veiligheidsverwachting van de gebruiker is dan ook dat deze schakelaar beantwoordt aan dit concept, hetgeen in casu kennelijk niet het geval was, nl is in casu de lierschakelaar niet stilgevallen wanneer hij werd losgelaten, en het slachtoffer is alsdan gegrepen door het optrekmechanisme, gekneld geraakt en werd verpletterd tussen de container en de vrachtwagen. Het is dan ook duidelijk dat het bedieningssysteem in kwestie in casu niet de veiligheid bood die bij het normaal en redelijkerwijze voorzienbaar gebruik ervan mocht verwacht worden, en dat het dan ook gebrekkig was in de zin van artikel 5 van de wet op de productenaansprakelijkheid. Dit brengt in principe de aansprakelijkheid van de producent en derhalve in casu van geïntimeerde, in het gedrang. Zoals reeds aangehaald, kan de producent zich van zijn aansprakelijkheid bevrijden, indien hij bewijst (cfr artikel 8 van de Wet):
- a)........
- b)dat het, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat het gebrek dat de schade heeft veroorzaakt, niet bestond op het tijdstip waarop hij het product in het verkeer heeft gebracht, dan wel dat het gebrek later is ontstaan De wet op de productenaansprakelijkheid verlegt aldus de bewijslast door de producent het bewijs op te leggen dat het gebrek niet bestond op het moment waarop hij het product in het verkeer heeft gebracht dan wel dat het gebrek later is ontstaan. De producent wordt immers geacht beter geplaatst te zijn om dit bewijs te leveren. Het volstaat voor de producent aannemelijk te maken dat het product niet gebrekkig was bij de invoering ervan in het handelsverkeer en de rechter zal bij de beoordeling rekening houden met alle concrete omstandigheden van het geval, zoals de aard van het product en van het gebrek, het tijdsverloop tussen het in het verkeer brengen van het product en het schadegeval, de intensiteit waarmee het product werd gebruikt enz... . Geïntimeerde verwijst o.m. naar het verslag van ingenieur KEPPENS van de arbeidsinspectie en naar de verklaring van de afgevaardigde-bestuurder H. V.D.B., waarin wordt gesteld dat de schakelaar in kwestie zou gefaald hebben door het vriesweer. Volgens geïntimeerde zijn schakelaars onderhevig aan slijtage: door het veelvuldig gebruik kan de waterdichtheid niet meer gegarandeerd worden, de schakelaar kan ook bevuild zijn door olie, vetten en/of smeerstoffen waardoor het veringsmechanisme wordt geblokkeerd. Met andere woorden moeten deze schakelaars, aldus geïntimeerde, op geregelde tijdstippen worden vervangen, hetgeen in casu niet is gebeurd. Waar het niet-functioneren wordt toegeschreven aan vochtigheid en vrieskoude, en anderzijds ook gebleken is uit de voorgelegde documenten dat de lierschakelaar al 5 jaar in gebruik was en nog niet was vervangen, meent geïntimeerde hieruit te kunnen afleiden dat de lierschakelaar helemaal geen gebrek vertoonde op het tijdstip waarop hij in het verkeer werd gebracht zodat zij, bij toepassing van artikel 8b) van de Wet geen aansprakelijkheid draagt. Terecht stelt appellante hiertegenover dat, indien schakelaars op geregelde tijdstippen moeten worden vervangen, zulks noodzakelijkerwijze vermeld dient te worden in de presentatie van het product. Immers, indien het product, in casu het bedieningsmechanisme van de containerinstallatie, na bepaalde tijd niet meer aan de legitieme veiligheidsverwachtingen van de gebruiker voldoet, dient de aandacht van de gebruiker hierop gevestigd te worden, hetgeen in casu kennelijk niet is gebeurd. In de handleiding die bij de containerinstallaties wordt geleverd, wordt geen enkele informatie verstrekt door geïntimeerde dat in bepaalde omstandigheden het product niet meer aan de normale veiligheidsverwachtingen zou voldoen. Meer bepaald wordt nergens melding gemaakt dat bij vriesweer het mechanisme niet meer betrouwbaar zou zijn of dat na veelvuldig gebruik het veiligheidsmechanisme aan vervanging, of zelfs controle, onderworpen zou moeten zijn. De storing die zich in casu heeft voorgedaan, met name dat de lierschakelaar achteraan de vrachtwagen niet is stilgevallen wanneer hij werd losgelaten, wordt niet in de handleiding besproken, noch onder de hoofding storingen, noch op een andere plaats. De storingen, vermeld op blz 38 van de handleiding, waar geïntimeerde naar verwijst in zijn beroepsconclusies, zijn duidelijk andere dan deze welke zich thans heeft voorgedaan, en waaromtrent niets wordt vermeld in de handleiding. In het stuk 2 van het bundel van geïntimeerde (stuk dat eveneens door appellante wordt bijgebracht onder stuk 8, bedienings- en signaaleenheden) is er evenmin enige relevante informatie voor wat de veiligheid van de lierschakelaar betreft. Wanneer de veiligheidsvoorzieningen van een product een minder lange levensloop hebben dan de overige functies van het product, dient zulks noodzakelijkerwijze vermeld te worden in de presentatie en de handleiding van het product, hetgeen in casu kennelijk niet is gebeurd. Er kan wel gesteld worden dat hoe ouder een product is hoe meer de legitieme veiligheidsverwachting kan afnemen. Maar voor een levensreddend veiligheidsmechanisme, zoals in casu het geval was, impliceert de legitieme veiligheidsverwachting dat het veiligheidsmechanisme werkt zolang het product in de normale economische kringloop gebruikt is, minstens dient in het tegenovergesteld geval door de producent de aandacht op het tegendeel te worden gevestigd; Indien bij vriesweer het mechanisme niet meer betrouwbaar was, diende dit eveneens in de veiligheidsvoorschriften vermeld te worden, hetgeen in casu niet is geschied. Voor een aantal schakelaars werd wél uitdrukkelijk controle, schoonmaken en vervangen voorzien, maar niet voor de kwestieuze lierschakelaar achteraan de vrachtwagen, waarvan dan ook niet moest worden verwacht dat deze onderhevig was aan specifieke klimatologische omstandigheden en waarvan dan ook niet moest worden verwacht dat deze speciale onderhoudsmaatregelen vergde en/of binnen een bepaalde tijdspanne diende te worden vervangen. In 1994, wanneer de containerinstallatie in kwestie op de markt werd gebracht en door de N.V. CONTAINERS VAN DEN BOSCH in gebruik werd genomen, mocht deze laatste ervan uitgaan dat het veiligheidsmechanisme de functie zou vervullen, waarvoor het bestemd was, nl gedurende de normaal te verwachten gebruikstermijn naar de neutrale positie te springen van zodra de bedienaar de draaiknop loslaat, zodat het optrekmechanisme enkel functioneert wanneer de bedienaar bij de schakelaar staat. Het is duidelijk dat de functie waarvoor het veiligheidsmechanisme bestemd was, nl gedurende de normaal te verwachten gebruikstermijn te functioneren, niet vervuld was, ook niet in 1994, op het ogenblik dat de installatie op de markt werd gebracht, zodat deze dan ook gebrekkig was, ook reeds in 1994. Waar aldus door geïntimeerde niet het bewijs geleverd wordt dat het gebrek niet bestond op het moment dat hij de containerinstallatie in het verkeer heeft gebracht, dan wel dat het gebrek later is ontstaan, is zij dan ook, als producent van de gebrekkige/onveilige containerinstallatie in kwestie, aansprakelijk voor de schadelijke gevolgen. In tegenstelling tot wat geïntimeerde voorhoudt, doet de aangehaalde eigen fout in hoofde van het slachtoffer als de aangehaalde aansprakelijkheid van de N.V. CONTAINERS VAN DEN BOSCH, zijnde de werkgever van het slachtoffer, in casu niets af aan de aansprakelijkheid van geïntimeerde. Appellante betwist niet dat het slachtoffer zich kennelijk niet gehouden heeft aan het in de handleiding voorziene voorschrift dat er zich geen personen in het werkgebied van de truck met containerinstallatie mogen bevinden. Wél wordt betwist dat de foutieve handeling van het slachtoffer de enige en rechtstreekse oorzaak zou zijn van het ongeval in kwestie, zoals geïntimeerde voorhoudt in conclusies. Indien het veiligheidsmechanisme had gewerkt, had het ongeval, zoals het zich in casu heeft voorgedaan, zich niet voorgedaan. Immers, het weze herhaald, is de schakelaar in kwestie aldus geconcipieerd dat deze om veiligheidsredenen enkel mits blijven induwen, het optrekmechanisme activeert, en dit optrekmechanisme bijgevolg normaal moet stilvallen wanneer de schakelaar wordt losgelaten. Uit de verklaring van de chauffeur van de vrachtwagen blijkt dat de bediening van het optrekmechanisme ook in de cabine kan gebeuren, doch dat het veelal achteraan wordt bediend omdat men daar de kabels in het oog kan houden. Waarom het slachtoffer tussen de vrachtwagen en de container is gaan staan, is onduidelijk, maar mogelijks was dit omdat de kabel(
- s)niet goed was/waren bevestigd en het slachtoffer dit vooralsnog wenste te doen. Een feit is alleszins dat, wanneer het slachtoffer de kabels wilde bevestigen en derhalve hiervoor tussen de vrachtwagen en de container diende te staan, hij alsdan de schakelaar moest lossen, en dat alsdan het optrekmechanisme normaal had moeten stilvallen. Men kan dan ook niet zonder meer stellen dat in casu het slachtoffer de elementaire voorzorgsmaatregelen zou hebben verwaarloosd en/of een foutieve manipulatie heeft gedaan, zoals geïntimeerde in conclusies stelt. Zoals reeds aangehaald, mocht de gebruiker ervan uitgaan dat het systeem de nodige veiligheid bood die bij het normaal en redelijkerwijze voorzienbaar gebruik ervan mocht verwacht worden. Het veiligheidsmechanisme heeft juist haar reden van bestaan en tot doel te voorkomen dat de gebruiker zich zou kunnen gedragen zoals hij zich inzake in concreto heeft voorgedaan. De bedoeling van het veiligheidsmechanisme is wel degelijk om te voorkomen dat de bediener van de lierschakelaar achteraan zich met de in werking zijnde optrekinstallatie in het werkgebied hiervan kàn bevinden. Indien het veiligheidsmechanisme had gewerkt, was het optrekmechanisme stilgevallen (en derhalve niet meer in werking) en had het ongeval zich niet voorgedaan. Bij gebrek aan bewijs van enige fout in hoofde van het slachtoffer in oorzakelijk verband met het ongeval is, kan er dan ook aan het slachtoffer geen aansprakelijkheid worden toegerekend, ook niet gedeeltelijk en blijft de producent, nl geïntimeerde, ten aanzien van het slachtoffer (en dus ook ten aanzien van appellante als gesubrogeerde in diens rechten) voor het geheel aansprakelijk voor de schadelijke gevolgen van het ongeval te wijten aan gebrekkige werking van de lierschakelaar op de containerinstallatie. De eventuele aansprakelijkheid van de werkgever van het slachtoffer, de N.V. CONTAINER VAN DEN BOSCH, die de onveilige containerinstallatie is blijven gebruiken in overtreding met de minimumvoorschriften zoals bepaald in het K.B. betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen, en waar geïntimeerde eveneens naar verwijst om zich aan zijn aansprakelijkheid te onttrekken, doet niets af aan de aansprakelijkheid van de geïntimeerde , die het onveilig systeem geleverd heeft. Immers, zelfs indien een aansprakelijkheid van de N.V. CONTAINERDIENST VAN DEN BOSCH zou worden weerhouden, heeft het slachtoffer - en derhalve ook appellante, als gesubrogeerde in de rechten van het slachtoffer - het recht de volledige schadevergoeding te vorderen en te bekomen van geïntimeerde. Overigens bepaalt artikel 10 par 2 van de wet op de productenaansprakelijkheid, dat, onverminderd het regresrecht, de aansprakelijkheid ten aanzien van het slachtoffer niet uitgesloten of beperkt wordt wanneer de schade wordt veroorzaakt, zowel door een gebrek in het product als door toedoen van derden. Gelet op dit alles, dient dan ook te worden besloten, in tegenstelling tot wat de eerste rechter oordeelde, dat het veiligheidsmechanisme van de containerinstallatie een gebrek vertoonde in de zin van artikel 5 van de wet op de productenaansprakelijkheid en dat geïntimeerde als producent van de containerinstallatie aansprakelijk is voor de schadelijke gevolgen van het gebrek. De door appellante gevorderde schadebedragen werden correct berekend op basis van de voorhanden zijnde gegevens. Overigens wordt door geïntimeerde geen betwisting gevoerd over de cijfers. De vordering van appellante komt dan ook gegrond voor en dient dan ook te worden toegekend. Het hoger beroep is dan ook gegrond. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Bevestigt het bestreden vonnis enkel in zoverre de vordering ontvankelijk werd verklaard. Hervormt het bestreden vonnis voor het overige en opnieuw wijzende. Verklaart de vordering van appellante gegrond. Veroordeelt dienvolgens geïntimeerde om aan appellante te betalen de som van 174.229,52 EUR, te verhogen met de vergoedende interesten op 1.652,16 EUR vanaf 13 februari 1999, op 6.312,46 EUR vanaf 21 juli 1999, op 7.298,54 EUR vanaf 1 juli 2000, op 7.445,51 EUR vanaf 1 juli 2001, op 7.593,40 EUR vanaf 1 juli 2002, op 7.745,27 EUR vanaf 1 juli 2003 en op 7.900,18 EUR vanaf 1 juli 2004 en de gerechtelijke interesten. Veroordeelt geïntimeerde tevens tot de kosten van het geding in beide aanleggen, in hoofde van appellante begroot op: - euro 331,68 dagvaarding eerste aanleg - euro 334,66 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg - euro 55,78 uitgavevergoeding verzoekschrift hoger beroep - euro 186 rolrecht - euro 466,04 rechtspleginsgvergoeding hoger beroep Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 13 april 2005. waar aanwezig waren: K. ALLEGAERT Raadsheer wnd. Voorzitter R. VAN LAKEN Raadsheer A. PEETERS Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier PDF document ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20050413.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div