← België

ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20050525.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 25 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20050525.5 Rolnummer: 2004AR720 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-04-14 Raadplegingen: 106 - laatst gezien 2026-07-02 05:27 Fiche De dekkingsuitbreiding tot elk aan een derde toebehorend voertuig dat verzekerde toevallig bestuurt, zelfs indien het omschreven voertuig in gebruik is, strekt zich uit tot het onregelmatig of bij toeval besturen van zo'n voertuig. Het bestaan van een aan een derde toebehorend voertuig krachtens een huurovereenkomst valt niet onder deze uitbreiding van dekking. De huurder van een voertuig is tijdens de uitvoering van zijn huurrechten de regelmatige en gebruikelijke bestuurder van het gehuurd voertuig. Vrije woorden: Verzekering auto - uitbreiding van dekking - toevallig bestuurd voertuig van een derde Tekst van de beslissing HET HOF, 1. Wat voorafgaat. 1.1. P. D., dochter van J. en Fr. D. V. T., is op 11 september 1989 om het leven gekomen bij een verkeersongeval te Samos in Griekenland. Zij was duo-zitter op een motorfiets bestuurd door haar vriend L. K.. Deze had de motorfiets gehuurd bij een plaatselijk verhuurbedrijf. L. K. werd door de politierechtbank te Samos (GR) op 22 februari 1990 schuldig bevonden aan onopzettelijke doding. L. K. had in die tijd een W.A.M.-verzekering bij de n.v. ABB Verzekeringen, thans KBC Verzekeringen. 1.2. In een dagvaarding van 7 juli 1992 om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen hebben J. en F. D. V. T. een rechtstreekse eis ingediend tegen voormelde verzekeraar en vorderden zij een schadevergoeding, moreel en materieel, van EUR 24 789,35 (1.000.000,- : 40,3399 ), vermeerderd met de vergoedende interesten en de gerechtelijke interesten. Zij lieten hun eis steunen op de uitbreiding van dekking die vermeld werd in art. 4.1.b van de modelpolis, inzonderheid waar dit beding de dekking verleent voor de burgerlijke aansprakelijkheid van de verzekeringnemer als bestuurder van elk aan derden toebehorend motorrijtuig, dat hij toevallig zou besturen, zelfs terwijl het omschreven voertuig in gebruik is. 1.3. De zaak werd bij gebrek aan voortgang ambtshalve van de rol weggelaten op 7 december 1998. Op verzoek van partijen D. V. T. werd de zaak opnieuw op de rol ingeschreven op 30 oktober 2000. 1.4. Het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 13 oktober 2003 heeft de oorspronkelijke eis van het echtpaar D. V. T. ongegrond verklaard. Volgens de eerste rechter valt de door de oorspronkelijke eisers bedoelde uitbreiding van dekking buiten de grenzen van de verplichte aansprakelijkheidsverzekering volgens de WAM-wet en vereist deze een beperkende interpretatie. Het in Griekenland besturen van een aldaar gehuurd voertuig is, volgens het beroepen vonnis, geen "toevallig besturen" in de zin van de dekkingsuitbreiding in kwestie. De oorspronkelijke eisers werden verwezen in de gedingkosten. 1.5. J. D. en F. V. T., hierna appellanten genoemd, stelden een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 9 maart 2004. De zaak werd behandeld ter terechtzitting van 6 april 2005. 2. De eisen in hoger beroep. 2.1. Appellanten vorderen dat hun oorspronkelijke eis bij hervorming van het beroepen vonnis zou worden toegekend met dien verstande dat de n.v. KBC Verzekeringen zou worden veroordeeld tot de betaling van een som van EUR 25 830,28, vermeerderd met de vergoedende interesten, de gerechtelijke interesten en de gedingkosten van beide aanleggen. 2.2. De n.v. KBC Verzekeringen, hierna geïntimeerde genoemd, concludeert tot de bevestiging van het vonnis a quo. 3. De beoordeling. 3.1. Appellanten hebben niet betwist dat zij als derde schadelijders die een rechtstreekse eis instellen tegen de verzekeraar van de aansprakelijke, niet enkel hun schade moeten bewijzen maar ook de gebeurtenis die daartoe aanleiding gaf en moeten aantonen dat het contract wel degelijk in dit schadegeval voorziet en er niet van is uitgesloten. Appellanten hebben ten grondslag van hun eis gelegd het art. 4.1.b van de modelvoorwaarden voor de verplichte verzekering van de burgerlijke aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen, conform de wet van 1 juli 1956, luidend als volgt: "ART. 4.-1) De dekking van dit contract strekt zich uit, zonder dat hiervoor een verklaring vereist weze, tot de burgerlijke aansprakelijkheid van de verzekeringnemer alsmede van diens echtgenoot en kinderen, indien deze bij hem inwonen en de wettelijke leeftijd om een motorrijtuig te besturen bereikt hebben, als bestuurder of als burgerlijke aansprakelijke voor de bestuurder:

  1. b)van elk aan derden toebehorend motorrijtuig, dat zij toevallig zouden besturen, zelfs terwijl het omschreven voertuig in gebruik is." Het is niet betwist dat dit beding behoorde tot de verzekeringsovereenkomst die bestond tussen Luc Keysers en de rechtsvoorganger van geïntimeerde. Het is niet betwist dat het ongeval waarvan de dochter van appellanten het slachtoffer werd zich heeft voorgedaan in Griekenland, Samos op 11 september 1989 terwijl zij als duozitter gezeten was op een motorfiets die de bestuurder L. K. had gehuurd bij een plaatselijk verhuurbedrijf. Het is evenmin betwist dat L. K., de verzekeringnemer van geïntimeerde door zijn onopzettelijke fout het ongeval veroorzaakte waarvan de dochter van appellanten het slachtoffer werd. Geïntimeerde betwist echter dat het voertuig waarvan L. K. bij het ongeval gebruik maakte een door haar verzekerd voertuig was, m.a.w. dat de voormelde dekkingsuitbreiding te dezen van toepassing is. 3.2. Het debat van partijen spitst zich toe op de uitlegging van de zinsnede: "... die zij toevallig zouden besturen...", zoals voorkomend in voormeld contractueel beding. Volgens appellanten betekent "toevallig... besturen": onregelmatig of occasioneel besturen en beantwoordt het gebruik van een motorrijtuig dat iemand tijdens zijn vakantie huurt aan dit begrip van toevallig of occasioneel gebruik. Volgens geïntimeerde betekent "toevallig...besturen": niet bedoeld of onvoorzien, waaruit zij afleidt dat het gebruik van een gehuurd voertuig daaraan niet beantwoordt. 3.3. De uitbreiding van dekking, voormeld, was onder het regime van de wet van 1 juli 1956 niet verplicht. Daaruit volgt dat het beding in kwestie beperkend moet worden uitgelegd. 3.4. "Toevallig .. .besturen" wordt in de gewone betekenis verstaan als het onregelmatig of bij toeval besturen van een voertuig. Het is niet aangetoond dat partijen in dit geval van deze gewone of gebruikelijke betekenis zouden zijn afgeweken. Art. 4.1.
  2. b)onderscheidt zich dan nog wel van het in art. 4.1.
  3. a)bedoelde geval waarin specifiek het gebruik is beoogd van een vervangingsvoertuig in het geval het omschreven voertuig tijdelijk onbruikbaar zou zijn zonder dat het al dan niet toevallig voorkomen van deze gebeurtenis een toepassingcriterium is. Te dezen, is echter geen sprake van een vervangingsvoertuig. Het behoort dan aan appellanten aan te tonen dat het gebruik van het motorrijtuig in kwestie toevallig was in de voormelde zin. Bestuurder L. K. had krachtens een huurovereenkomst onder bezwarende titel het recht verworven om van het voertuig als bestuurder gebruik te maken en dit de gehele huur lang. Gedurende die huurovereenkomst was hij als huurder de regelmatige en gebruikelijke bestuurder van dat voertuig. L. K. bestuurde het voertuig in kwestie dan ook niet toevallig in de zin van voormelde polisbeding. Appellanten voldoen dan ook niet aan hun voormelde bewijslast en vinden voor hun eis geen grond in art. 4.-1
  4. b)voormeld. Het door partijen, in ondergeschikte orde, gehouden debat over de toepasbaarheid van het vreemde recht is door wat voorafgaat niet terzake dienend. Het hoger beroep van appellanten is ongegrond. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep van appellanten toelaatbaar doch ongegrond. Bevestigt het beroepen vonnis in alle beschikkingen. Verwijst appellanten in de gedingkosten in hoger beroep vereffend aan de zijde van geïntimeerde op de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van EUR 475,96. PDF document ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20050525.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.