← België

ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20050525.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 25 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20050525.6 Rolnummer: 2002AR1405 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-04-14 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-02 05:27 Fiche Door de wijziging van het voorwerp van een eis, die regelmatig was ingediend, moet de rechter, ongeacht de toelaatbaarheid van de oorspronkelijke eis, zich nog enkel uitspreken over de toelaatbaarheid van de gewijzigde eis. Vrije woorden: Ger. W. - art. 802 - wijziging van eis - toelaatbaarheid Tekst van de beslissing HET HOF,

  1. Wat voorafgaat. 1.
  2. In een dagvaarding van 17 maart 1994 heeft P. De R. voorgehouden dat hij op 20 december 1992 W. V. H. aan het helpen was bij de bouw van het dak van zijn woning te Hechtel-Eksel. Hij zou panlatten aangereikt hebben aan W. V. H., die op het dak zat. Op zeker ogenblijk zou een lat uit de handen van V. H. geschoten zijn, en in zijn val het oog van P. D. R. hebben geraakt. Hij heeft voorgehouden dat hij tengevolge van dit ongeval meerdere heelkundige ingrepen heeft moeten ondergaan aan het rechter oog en dat uiteindelijk een verminderd zicht is gebleven. W. V. H. was verzekerde in het kader van een polis "Burgerrechtelijke aansprakelijkheid gezin" (nr. 60238575) die door zijn vader H. V. H. gesloten was met de n.v. AG van 1830, rechtsvoorganger van de n.v. Fortis AG. 1.
  3. In voormelde dagvaarding om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt vorderde P. D. R. de veroordeling van W. V. H. tot de betaling van EUR 0,02 (1,- : 40,3399) provisioneel en een medisch deskundigenonderzoek. Tegelijk vorderde hij dat de n.v. A.G. van 1830 zou veroordeeld worden tot vrijwaring van W. V. H. Nadien breidde hij zijn eis tot een provisionele vergoeding van EUR 2 478,94 (100.000,- : 40,3399) uit en vorderde hij daarnaast ook de rechtstreekse veroordeling van de verzekeraar. Deze laatste betwistte gehouden te zijn wegens collusie tussen de overige partijen. 1.
  4. In het eerste beroepen tussenvonnis van 6 mei 1998 werd vastgesteld dat W. V. H. zijn aansprakelijkheid niet betwistte. Hij werd veroordeeld tot de betaling aan P. D. R. van een provisionele schadevergoeding van EUR 2 478,94 (100.000,- : 40,3399). Er werd een medisch deskundigenonderzoek bevolen. De eis tegen de n.v. AG van 1830 werd onontvankelijk verklaard in zoverre deze de veroordeling tot vrijwaring van V. H. beoogde, doch wel ontvankelijk in zoverre de veroordeling van de verzekeraar tot het leveren van de verzekeringsprestatie werd nagestreefd. Vooraleer over de grond van de eis tegen de verzekeraar te oordelen werd de verzekeraar bevolen het origineel van een schadeverslag van de b.v. Ameyde Interschade over te leggen en werd de zaak in afwachting daarvan naar de bijzondere rol verwezen. 1.
  5. In een tussenvonnis van 23 maart 2000, dat eveneens beroepen is, werd de persoonlijke verschijning van partijen bevolen. Deze persoonlijke verschijning van partijen vond plaats op 21 september
  6. 1.
  7. Op 24 januari 2002 werd dan het beroepen eindvonnis gewezen waarbij de verzekeraar in solidum met W. V. H. veroordeeld werd tot de betaling aan P. D. R. van een schadevergoeding van EUR 2 478,93, provisioneel en het medisch deskundigenonderzoek opnieuw werd bevolen. Op tusseneis werd de verzekeraar veroordeeld tot vrijwaring van W. V. H. De tusseneis in vrijwaring van de verzekeraar tegen W. V. H. werd ongegrond verklaard. De verwijzing in de gedingkosten werd aangehouden. Het vonnis werd uitvoerbaar verklaard bij voorraad niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling. 1.
  8. De n.v. Fortis AG, hierna appellante genoemd, stelde een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 10 juni
  9. Het hoger beroep is gericht tegen de drie voormelde vonnissen. De zaak werd behandeld ter terechtzitting van 20 april
  10. De eisen in hoger beroep. 2.
  11. Appellante vordert bij hervorming van het tussenvonnis van 6 mei 1998 dat de eisuitbreiding van P. D. R. ontoelaatbaar was en ook de tegen haar ingestelde tusseneis in vrijwaring van W. V. H. ontoelaatbaar was. Zij verzoekt het tussenvonnis van 23 maart 2000 en het eindvonnis van 24 januari 2002 nietig te verklaren, minstens te zeggen dat deze vonnissen t.o.v. haar als onbestaande moeten worden beschouwd. Ondergeschikt, vraagt zij de tegen haar ingediende eisen ongegrond te verklaren. Meer ondergeschikt, vraagt zij dat zou worden gezegd voor recht dat zij het verval van de waarborg vermag in te roepen, minstens recht heeft op een vermindering van de verzekeringsprestatie, en dat zij gerechtigd is de uit te keren vergoeding terug te vorderen van W. V. H. 2.
  12. P. D. R., hierna eerste geïntimeerde genoemd, concludeert tot de afwijzing van het hoger beroep van appellante, behoudens wat betreft de beoordeling van de toelaatbaarheid van zijn oorspronkelijke eis tegen de verzekeraar bij vonnis van 6 mei
  13. In dat verband heeft hij incidenteel beroep ingesteld en vordert dat zijn oorspronkelijke eis toelaatbaar zou worden verklaard. Ondergeschikt, vraagt hij dat, alvorens er zal worden beslist over de grond, dat hij zou worden toegelaten tot het bewijs met alle middelen van recht, het getuigenbewijs inbegrepen van een als volgt omschreven feit: "...dat dadelijk bij de opname van de heer D. R. aan Dr. D. S medegedeeld werd dat het ongeval gebeurde doordat heer Van Hoeven een panlat uit zijn handen had laten vallen en dewelke in het oog van de heer D. R. was terechtgekomen". Meer ondergeschikt verzoekt hij een ambtshalve getuigenverhoor van Dr. D. S. over het feit: "...dat hem bij opname van de heer D. R. werd meegedeeld dat een vriend, zijnde de heer V. H., een houten panlat had laten vallen en dewelke in het oog van D. R. was terecht gekomen en zoals hij in zijn verklaring dd. 01.08.1994 stelde". 2.
  14. W. V. H., hierna tweede geïntimeerde genoemd, concludeert tot de afwijzing van het hoger beroep van appellante.
  15. De beoordeling. 3.
  16. De toelaatbaarheid van de gewijzigde eis van eerste geïntimeerde P. D. R. hoger beroep van appellante en incidenteel beroep van eerste geïntimeerde tegen het tussenvonnis van 6 mei
  17. 3.1.
  18. De uitspraak in eerste aanleg over de toelaatbaarheid van de oorspronkelijke en nadien gewijzigde eis van eerste geïntimeerde luidde als volgt: " Verklaart de initiële vordering van eiser (d.i. P. D. R.) gesteld tegen verweerster (d.i. Fortis AG) onontvankelijk" en verder: "Verklaart..., de tussenvordering van eiser gesteld tegen verweerster ... ontvankelijk". Appellante meent dat de oorspronkelijke eis van eerste geïntimeerde, die wat haar betreft enkel vroeg dat zij zou gehouden worden tot vrijwaring van tweede geïntimeerde, bij gebrek aan belang en hoedanigheid "niet-toelaatbaar evenals onontvankelijk" moest worden verklaard. Daaruit leidt appellante dan af dat de eerste rechter niet op geldige wijze uitspraak kon doen over de gewijzigde eis. Volgens appellante is het tussenvonnis van 6 mei 1998 wat haar betreft nietig, waaruit bovendien de nietigheid zou voortkomen van de later gewezen vonnissen van 23 maart 2000 en van 24 januari
  19. Eerste geïntimeerde houdt staande dat zijn eis zoals gewijzigd terecht ontvankelijk of toelaatbaar werd verklaard en voegt daaraan toe dat ook zijn eis zoals oorspronkelijk geformuleerd toelaatbaar moest worden verklaard. Daartoe stelde hij incidenteel beroep in. 3.1.
  20. De al dan niet juiste beoordeling door de eerste rechter van de toelaatbaarheid van de ingediende en gewijzigde eis van eerste geïntimeerde levert geen grond tot nietigheid op van dit vonnis noch van de daaropvolgend uitgesproken vonnissen. Naar luid van art. 807 van het Gerechtelijk Wetboek kan een vordering die voor de rechter aanhangig is uitgebreid of gewijzigd worden, indien de nieuwe op tegenspraak genomen conclusies berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is. Eerste geïntimeerde die blijkens de inleidende dagvaarding ten aanzien van appellante slechts vorderde dat zij zou gehouden worden tweede geïntimeerde te vrijwaren, heeft zijn eis gewijzigd door middel van zijn conclusie van 20 januari 1995 waarbij hij bij wijze van rechtstreekse eis de veroordeling van appellante vorderde tot de betaling van een provisionele schadevergoeding van EUR 2 478,94 (100.000,- : 40,3399) met een deskundigenonderzoek. Eerste geïntimeerde had zijn oorspronkelijke vordering op een rechtsgeldige wijze aanhangig gemaakt, waaraan de al dan niet toelaatbaarheid van die eis niet afdoet. Hij wijzigde zijn eis conform art. 807 van het Gerechtelijk Wetboek. Hij liet zijn gewijzigde eis immers steunen op feiten aangehaald in de inleidende dagvaarding, inclusief de verwijzing naar de hoedanigheid van appellante als verzekeraar van tweede geïntimeerde en naar de mogelijkheid van rechtstreekse dagvaarding van de verzekeraar. Door de wijziging van het voorwerp van de eis van eerste geïntimeerde moest de eerste rechter zich nog enkel uitspreken over de toelaatbaarheid en over de grond van deze gewijzigde eis. Eerste geïntimeerde heeft door de bewoordingen van de inleidende dagvaarding blijk gegeven van het vereiste belang om zijn eis, zoals gewijzigd, in te dienen. De gewijzigde eis van eerste geïntimeerde werd door de eerste rechter terecht ontvankelijk of toelaatbaar verklaard waaraan niet afdoet dat deze eis als ten onrechte een "tussenvordering" werd omschreven. De uitspraak van de eerste rechter over de ontvankelijkheid van de oorspronkelijke eis van appellante was overbodig en niet terzake dienend doch heeft de geldigheid van de verdere rechtsgang niet geraakt. 3.
  21. Over de grond van de rechtstreekse eis van eerste geïntimeerde P. D. R. tegen appellante Fortis AG. 3.2.
  22. Appellante betwist dat het geval gebeurd is op de wijze die door eerste en ook tweede geïntimeerde, haar verzekerde, wordt voorgehouden. Zij beweert dat er collusie bestaat tussen de geïntimeerden. Volgens appellante is het niet bewezen dat de schade, die eerste geïntimeerde heeft opgelopen, door de fout van tweede geïntimeerde is veroorzaakt. 3.2.
  23. De wijze waarop het ongeval gebeurde, is doorheen het onderzoek van de verzekering en de rechtsgang ongewijzigd, consistent en coherent voorgedragen, te weten dat tweede geïntimeerde in de ochtend van zondag 20 december 1992 op het dak van zijn in aanbouw zijnde woning te Hechtel-Eksel, Kruisstraat 63 zat om panlatten vast te spijkeren, dat eerste geïntimeerde op de grond stond om panlatten aan te geven, dat een panlat uit de handen van tweede geïntimeerde schoot, naar beneden schoof en op het hoofd ter hoogte van het rechteroog van eerste geïntimeerde terechtkwam. Het Hof slaat daarbij inzonderheid acht op: - het doorverwijzingsbriefje van Dr. C. D. S. van de dag van het ongeval (stuk 19 van het dossier van eerste geïntimeerde), - het rapport van Dr. B. L. van de spoedgevallendienst eveneens van de dag van het ongeval (stuk 20 van het dossier van eerste geïntimeerde), - de ongevalsaangifte van 5 oktober 1993 met een gedetailleerde weergave van de feiten door eerste geïntimeerde, - het onderzoek van de inspecteur V. N. van appellante waarvan de neerslag te vinden is in zijn verslag (stuk 5 van het dossier van appellante), - het verslag van V. A. van 8 december 1993 met daaraan gehecht de uitvoerige en nauwkeurige verklaring van tweede geïntimeerde, - het proces-verbaal van persoonlijke verschijning van partijen van 21 september
  24. De loutere omstandigheid dat tweede geïntimeerde slechts op 5 oktober 1993, of ruim negen maanden na het ongeval, aangifte deed bij zijn verzekeraar levert geen bewijs van collusie. Uit het feitenrelaas blijkt dat tweede geïntimeerde een onvoorzichtigheid heeft begaan door de panlat in kwestie uit zijn handen te laten glijden, en door deze fout de schade heeft veroorzaakt waarvan eerste geïntimeerde de vergoeding vordert. De buitencontractuele aansprakelijkheid van tweede geïntimeerde ten opzicht van eerste geïntimeerde staat overigens vast krachtens het tussenvonnis van 6 mei 1998 dat in de desbetreffende beoordeling niet beroepen is. De rechtstreekse eis van eerste geïntimeerde tegen appellante als verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid van tweede geïntimeerde is met toepassing van art. 86 Wet Landverzekering dan ook gegrond. Het hoger beroep van appellante is in dit onderdeel ongegrond. 3.
  25. Over de grond van de tusseneis in vrijwaring van tweede geïntimeerde tegen appellante. 3.3.
  26. Appellante voert aan dat tweede geïntimeerde slechts een laattijdige aangifte van het schadegeval deed en meent dat hij daardoor vervallen is van zijn recht om in het kader van zijn vrijwaringseis aanspraak te maken op de verzekeringswaarborg, minstens dat hij slechts recht heeft op een verminderde prestatie in functie van het door zijn laattijdigheid veroorzaakte nadeel voor de verzekeraar. 3.3.
  27. Appellante bewijst echter niet dat tweede geïntimeerde met enig bedrieglijk opzet tekort zou gekomen zijn aan zijn verplichting tot aangifte binnen de acht dagen, of minstens zo spoedig als redelijkerwijze mogelijk. De verzekeraar kan de dekking met toepassing van art. 21, ,§2 Wet Landverzekeringsovereenkomst niet weigeren. Appellante kan evenmin de vermindering van haar prestatie tot beloop van het door haar geleden nadeel met toepassing van art. 21, ,§1 Wet Landverzekeringsovereenkomst inroepen vermits zij niet bewijst enig nadeel te hebben geleden door de laattijdige aangifte. Het Hof sluit zich aan bij de desbetreffende pertinente redengeving van de eerste rechter en beschouwt deze als herhaald. Daar wordt aan toegevoegd dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij door de eventuele laattijdigheid van de aangifte enig bewijsmiddel zou hebben verloren. Het hoger beroep van appellante is ook in dit onderdeel ongegrond. 3.
  28. Over de grond van de regresvordering van appellante tegenover tweede geïntimeerde. 3.4.
  29. Door middel van haar conclusie in eerste aanleg van 19 december 2000 heeft appellante een "eis in vrijwaring" ingesteld tegen tweede geïntimeerde en vorderde zij dat tweede geïntimeerde zou worden veroordeeld haar te vrijwaren ten belope van alle sommen die zij te dezen verschuldigd zou zijn aan eerste geïntimeerde. Zij legde daarbij de beweerde contractuele tekortkoming van tweede geïntimeerde, inzonderheid de laattijdige aangifte van het schadegeval, ten grondslag van haar eis. De eerste rechter heeft deze eis gekwalificeerd als een regresvordering. Deze beoordeling is in hoger beroep niet aangevochten. De eerste rechter verklaarde deze regresvordering met verwijzing naar art. 88, 2de lid Wet Landverzekeringsovereenkomst ongegrond omwille van het ontbreken van het bewijs dat in de polis, die partijen bindt, een regres werd bedongen in het geval van een laattijdige aangifte van het schadegeval, omwille van de omstandigheid dat appellante zelf laattijdig haar verzekerde in kennis stelde van haar voornemen een regres uit te oefenen en, daarenboven, omwille van de vaststelling dat de laattijdige aangifte van tweede geïntimeerde te dezen helemaal geen grond tot vermindering, laat staan tot weigering van de verzekeringsprestatie heeft doen ontstaan. Appellante voert hiertegen aan dat art. 6 van hoofdstuk II van de polis een mogelijkheid tot regres bevat, en dat ten onrechte toepassing is gemaakt van art. 88, 2de lid Wet Landverzekeringsovereenkomst omdat aan dit wetsartikel door zijn temporele werking in dit geval geen uitwerking mag worden verleend. Zij meent dat voormeld art. 6 van de polisvoorwaarden, zoals van kracht ten tijde van het schadegeval, onverkort moet worden toegepast. 3.4.
  30. Art. 88 Wet Landverzekeringsovereenkomst is krachtens art. 3 van het koninklijk besluit van 24 augustus 1992 in werking getreden op 1 januari
  31. De in werking getreden bepalingen van de Wet Landverzekeringsovereenkomst zijn krachtens haar art. 148, ,§1 toepasbaar op de lopende contracten vanaf de dag van de wijziging, vernieuwing of verlenging of omzetting van het contract (,§1), minstens vanaf de eerste dag volgend op de vijfentwintigste maand volgend op die waarin de wet is bekendgemaakt (,§2), of op 1 september
  32. Het staat dan ook vast dat art. 88 Wet Landverzekeringsovereenkomst van toepassing was op het contract van partijen toen appellante op 19 december 2000 haar regresvordering indiende. Vermits art. 88, voormeld, krachtens art. 3 Wet Landverzekeringsoveenkomst van dwingend recht is, vermag appellante de daarvan afwijkende bepaling van art. 6 van de polis niet tegen te werpen, met name in zoverre door dit beding moet verstaan worden dat bij elke tekortkoming van de verzekeringnemer of de verzekerde de verzekeraar gerechtigd is de ten onrechte betaalde onkosten of vergoedingen terug te vorderen. Art. 88 Wet Landverzekeringsovereenkomsten beperkt het regresrecht immers tot de gevallen waarin de verzekeraar zijn prestaties volgens de wet op de verzekeringsovereenkomst had kunnen weigeren of verminderen op voorwaarde dat de verzekeraar, en dit op straffe van verval van zijn regresrecht, de betrokkene kennis geeft van zijn voornemen om het regres uit te oefenen van zodra hij op de hoogte is van de feiten waarop zijn besluit steunt. Zoals voormeld is te dezen in het licht van art. 19 en 21 Wet Landverzekeringsovereenkomsten niet aangetoond dat de laattijdige aangifte van tweede geïntimeerde volgens de wet op de verzekeringsovereenkomst een grond is voor appellante de verzekeringsprestatie te weigeren of te verminderen. De grond voor het regres ontbreekt dan ook. Het hoger beroep van appellante is ongegrond. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep van appellante toelaatbaar doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep van eerste geïntimeerde toelaatbaar en gegrond. Wijzigt het beroepen tussenvonnis van 6 mei 1998 enkel in zoverre de oorspronkelijke eis van eerste geïntimeerde onontvankelijk werd verklaard. Zegt dat over de toelaatbaarheid van de eis van eerste geïntimeerde, zoals oorspronkelijk ingediend, t.o.v. appellante geen uitspraak meer kon worden gedaan ten gevolge van de wijziging van deze eis. Bevestigt voor het overige dit en de andere beroepen vonnissen in alle beschikkingen. Verzendt de zaak voor verdere afdoening terug naar de eerste rechter. Verwijst appellante in de gedingkosten in hoger beroep vereffend aan de zijde van eerste geïntimeerde op de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van EUR 475,96 en aan de zijde van tweede geïntimeerde vereffend op de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van EUR 475,
  33. PDF document ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20050525.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.