id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 29 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20050629.6 Rolnummer: 2003AR2554 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-04-18 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-07-02 05:28 Fiche 1)Een proceshandeling moet worden beoordeeld op grond van het werkelijk procesgebeuren, eerder dan op de bewoordingen in het vonnis. Wanneer een procespartij niet is verschenen, noch iemand namens haar, en er te haren laste met toepassing van artikel 803-804 Ger.W. enkel verstek kan worden gevorderd en uitgesproken, moet het tegen haar gewezen vonnis ook geacht worden bij verstek gewezen te zijn, niettegenstaande de vermelding dat het vonnis ook te haren opzichte op tegenspraak werd gewezen. 2)Nochtans kan, zoals te dezen, niettegenstaande de relativiteit van de overeenkomsten, waaruit strikt genomen in de regel geen derdenwerking voortspruit, het bestaan van het contract een zodanige betekenis hebben in het rechtsverkeer dat de algemene zorgvuldigheidsplicht die op eenieder rust, ook op iedere contractpartij, vereist dat deze laatste bij de uitvoering van het contract rekening houdt met de schade die derden kunnen lijden door een bepaalde uitvoeringswijze. Door het sluiten van een levensverzekeringsovereenkomst, weergegeven in een polis, creëren de verzekeraar en de verzekeringnemer een overdraagbare titel. De overnemer moet erop kunnen vertrouwen dat hij de waarde overneemt die de in zijn handen afgegeven titel werkelijk vermeldt. Het bezit van het origineel van de polis wekt een rechtmatige schijn van financiële zekerheid. Ter bescherming van derden, waaraan de overdraagbare titel zou kunnen worden aangeboden als financiële zekerheid, vereiste de algemene zorgvuldigheidsplicht dat appellante te dezen de afgifte van de polis had geëist van Willem Charlier vooraleer hem een voorschot toe te kennen. Door in die omstandigheden de afgifte van de polis niet te eisen bij de toekenning van het voorschot heeft appellante niet gehandeld als een normaal zorgvuldig en voorzichtig verzekeraar in dezelfde omstandigheden geplaatst. Zij beging aldus een buitencontractuele fout Vrije woorden: 1)rechtspleging - vermelde proceshandeling - werkelijke proceshandeling 2)verzekeringen - derdenwerking - algemene zorgvuldigheidsplicht - levensverzekering - afgifte polis bij verlenen van een voorschot Tekst van de beslissing HET HOF,
- Wat voorafgaat. 1.
- P. V., echtgenote van G. v. D., werd het slachtoffer van een verkeersongeval waarbij zij een blijvende arbeidsongeschiktheid opliep (100% arbeidsongeschikt met 50% hulp van derden). Naar aanleiding van dit schadegeval kreeg P. V. vanwege verzekeraar Eagle Star in december 1985 een vergoeding uitgekeerd van EUR 470 997,69 (19.000.000,- : 40,3399 ). 1.
- Met het oog op de belegging van deze vergoeding verstrekte zij op 30 december 1986 een lening voor een periode van tien jaar van EUR 421 418,98 (17.000.000,- : 40,3399) aan W. C.. Deze was de afgevaardigde-bestuurder van de n.v. C. & Zonen en tevens directeur van het agentschap Britse lei van de Kredietbank. Er werd een rente van 12% per jaar bedongen, maandelijks betaalbaar met een som van EUR 4 214,19 (170.000,- : 40,3399). L. C. was destijds directeur van het kantoor van de Kredietbank te Antwerpen, agentschap Britse lei. Tot waarborg van de terugbetaling werd, zoals overeengekomen, door W. C. een levensverzekering gesloten met de n.v. Zürich Vita. De verzekeringnemer was L. C. en het echtpaar V. D-V. waren de begunstigden van de polis. Bij leven van W. C. op 30 december 1996 zou de verzekeraar de som van EUR 421 418,98 (17.000.000,- : 40,3399) aan de begunstigden uitkeren. Bij overlijden verbond de verzekeraar er zich toe de premie van EUR 305 772,15 (12.334.818,- : 40,3399) terug te betalen. L. C. betaalde aan de verzekeraar de eenmalige premie van EUR 305 772,15 (12.334.818,- : 40,3399), doch bedong tegelijkertijd een voorschot op het uit te keren kapitaal ten belope van EUR 247 893,52 (10.000.000, : 40,3399). Na compensatie werd effectief het saldo van EUR 82 177,92 (3.315.049,- : 40,3399) aan de verzekeraar betaald. L. C. verzuimde vanaf 1 maart 1987 de bedongen rente aan het echtpaar V. D. V. te betalen. 1.
- Op 12 oktober 1993 heeft het echtpaar V. D. V. een dagvaarding uitgebracht om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen tegen W. C. en tegen de n.v. Kredietbank om hen er solidair, in solidum, minstens ieder voor zijn deel te zien veroordelen tot de betaling van het ontleende kapitaal en de rente, of samen van de som van EUR 707 983,89 (28.560.000,- : 40,3399), vermeerderd met de gerechtelijke interesten en de gedingkosten. Zij lieten hun eis tegen W. C. steunen op de voormelde lening. Tegenover de n.v. Kredietbank vorderden zij op grond van art. 1382 en art. 1384, 3de lid van het Burgerlijk Wetboek, meer bepaald op grond van de fout van de bank door haar aangestelde de toelating te verlenen een vermogensvennootschap op te richten, minstens op grond van de fouten die door haar aangestelde werden begaan. 1.
- Op 1 september 1995 heeft het echtpaar V. D. V. dan de n.v. Zürich - Vita in tussenkomst gedagvaard waarbij zij hun oorspronkelijke eis hebben uitgebreid tegen laatst genoemde op grond van contractuele en van buitencontractuele aansprakelijkheid, met name wegens het verstrekken van het voorschot aan W. C. zonder afgifte van de polis, minstens wegens derde-medeplichtigheid aan de contractbreuk van W. C. 1.
- In het eerste beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 5 februari 2003 werd de eis van het echtpaar V. D. V.: - gegrond verklaard ten aanzien van W. C. door deze te veroordelen tot de betaling van de som van EUR 421.418,99, vermeerderd met de nalatigheidsinteresten van EUR 286.564,91 en met de gerechtelijke interesten op de som van EUR 421 418,99, - ongegrond verklaard ten aanzien van de n.v. Kredietbank. Het debat werd heropend m.b.t. tot de eis tegen de n.v. Zürich Vita om partijen de kans te geven standpunt in te nemen ten aanzien van de gevolgen die zouden kunnen verbonden zijn aan het feit dat W. C. het origineel van de levensverzekeringpolis overhandigde aan het echtpaar V. D. V., of anders gezegd aan het feit dat de verzekeraar een voorschot uitbetaalde terwijl hij niet in het bezit van het origineel van de polis werd gesteld. 1.
- In het tweede beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 6 mei 2003 werd aangenomen dat het echtpaar V. D. - V. uit het bezit van het origineel van de polis konden besluiten dat hun rechten op de verzekeringswaarborg gevrijwaard waren en dat de verzekeraar een fout beging door aan W. C. een voorschot uit te betalen zonder de afgifte van het origineel van de polis te eisen. Het verweer van de verzekeraar werd afgewezen en deze werd veroordeeld tot de betaling aan het echtpaar V. D. - V. van een provisie van EUR 269.437,
- De debatten werden heropend met het oog op de afrekening. 1.
- In het derde beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 24 juni 2003 werd de eis van het echtpaar V. D. - V. verder gegrond verklaard door de n.v. Zürich Vita te veroordelen tot de betaling van EUR 421 418,99, - vermeerderd met de deelname aan de winst op 30 december 1996, begroot op EUR 1 provisioneel en met de verwijlinteresten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 30 december 1996, - verminderd met het bedrag dat reeds provisioneel werd toegekend bij vonnis van 6 mei 2003, en met het bedrag van EUR 28 034,95 , vermeerderd met de rente vanaf 2 juni 1998, dat reeds betaald werd. De n.v. Zürich - Vita en W. C. werden verwezen in alle gedingkosten. 1.
- De n.v. Zürich, hierna appellante genoemd, stelde een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in tegen de drie voormelde vonnissen bij gerechtsdeurwaardersexploot betekend op 2 september
- De zaak werd behandeld ter terechtzitting van 10 mei
- De n.v. Vivium Life heeft op 6 december 2004 een akte van gedinghervatting neergelegd in rechtsopvolging van de n.v. Zürich Levensverzekeringsmaatschappij.
- De eisen in hoger beroep. 2.
- Appellante vordert dat de oorspronkelijke eisen van het echtpaar V. D. - V. bij hervorming van de beroepen vonnissen geheel ongegrond zouden worden verklaard. Ondergeschikt, verzoekt zij het echtpaar V. D. - V. minstens gedeeltelijk aansprakelijk te stellen voor hun eigen schade en haar slechts te veroordelen tot de helft van de schade die hoogstens mag vastgesteld worden op EUR 82 177,92, te vermeerderen met de rente naar rato van 7% vanaf 3 juni 2003 tot op de dag van de betaling en te verminderen met de betaling van EUR 28 034,95, vermeerderd met de rente naar rato van 7% vanaf 12 mei 1998 tot aan de effectieve betaling. Uiterst ondergeschikt, vraagt appellante de eis van het echtpaar V. D. - V. te herleiden tot EUR 421 418,99 en een winstdeelname van EUR 1 provisioneel, te vermeerderen met de rente naar rato van 7% vanaf 3 juni 2003 tot aan de betaling, en te verminderen met de betaling van EUR 28 034,95, vermeerderd met de rente naar rato van 7% vanaf 12 mei 1998 tot aan de effectieve betaling. 2.
- G. V. D. en P. V., hierna eerste en tweede geïntimeerde genoemd, verzoeken, het hoger beroep van appellante nietig, minstens ongegrond te verklaren. Zij concluderen tot de bevestiging van de beroepen vonnissen. Zij hebben ten overstaan van de n.v. KBC echter incidenteel beroep ingesteld. Zij vorderen dat de n.v. KBC bij hervorming van de beroepen vonnissen zou veroordeeld worden tot de betaling aan hen, solidair, in solidum, of voor het geheel met de andere partijen, van de som van EUR 421 418,99, vermeerderd met de interesten van 1 november 1987 tot 1 november 1993 ten belope van EUR 286 564,91, en met de interesten van 1 november 1993 tot 31 december 1996 te belope van EUR 160 300,87, en met de gerechtelijke interesten vanaf 31 december
- Zij vorderen de kapitalisatie van vervallen interesten per 31 december
- 2.
- W. C., hierna derde gedaagde in hoger beroep genoemd, verzoekt het hoger beroep van appellante ontoelaatbaar minstens ongegrond te verklaren. Hij verzoekt hem voorbehoud te verlenen van het recht om tegen de vonnissen a quo vooralsnog verzet te doen en in afwachting daarvan de behandeling van het hoger beroep aan te houden. Hij vraagt de overlegging van stukken te bevelen en verwijst naar de briefwisseling die zou bestaan tussen appellante en eerste en tweede geïntimeerde. Ondergeschikt wenst derde geïntimeerde incidenteel beroep in te stellen en vordert hij dat het bedrag waartoe hij veroordeeld is zou verminderd worden met EUR 82 177,
- Uiterst ondergeschikt, verzoekt hij dat hem afbetalingsmodaliteiten zouden worden toegestaan. 2.
- De n.v. KBC, hierna vierde geïntimeerde genoemd, concludeert tot de bevestiging van de vonnissen a quo
- De beoordeling. 3.
- Het weren van de conclusie van derde gedaagde in hoger beroep. 3.1.
- Vierde geïntimeerde vordert dat de conclusie die derde gedaagde in hoger beroep op 1 juni 2004 indiende wegens laattijdigheid uit het debat moet worden geweerd met toepassing van art. 747, ,§2 in fine van het Gerechtelijk Wetboek. Derde gedaagde in hoger beroep betwist dat zijn conclusie van 1 juni 2004 te laat werd neergelegd ter griffie. 3.1.
- De conclusietermijnen en de rechtsdag werden bepaald door de beschikking van 23 maart 2004, gewezen met toepassing van art. 747, ,§2 van het Gerechtelijk Wetboek. Krachtens deze beschikking werd aan derde gedaagde in hoger beroep een termijn tot en met 31 mei 2004 gegeven om een conclusie ter griffie van het Hof neer te leggen. Derde gedaagde in hoger beroep legde zijn conclusie neer op 1 juni
- Het staat vast dat 31 mei 2004 een wettelijke feestdag was. Met toepassing van art. 48, 49 en 53 van het Gerechtelijk Wetboek werd deze termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag (1 juni 2004). Het tijdstip van neerlegging vormt te dezen geen grond tot het weren van de conclusie uit het debat. 3.
- De (on-)toelaatbaarheid van het hoger beroep van appellante. 3.2.
- Eerste en tweede geïntimeerde houden voor dat de akte tot hoger beroep van appellante van 2 september 2003 met toepassing van art. 1057, 7° van het Gerechtelijk Wetboek nietig is bij gebreke van uiteenzetting van de grieven tegen de beroepen vonnissen. Zij beweren dat dit verzuim hun belangen schaadt. Zij vorderen dat het hoger beroep van appellante daarom nietig zou worden verklaard, waardoor zij klaarblijkelijk willen uitdrukken dat het hoger beroep van appellanten onontvankelijk of ontoelaatbaar moet worden verklaard. Appellante betwist de beweerde tekortkoming. 3.2.
- Appellante heeft blijkens de akte tot hoger beroep van 5 september 2003 sub punt 5 en 6 haar grieven uiteengezet in volgende samengevatte en deels geciteerde bewoordingen: - "... de eindbeslissing (...) is immers gegrond op een verkeerd uitgangspunt, m.n. dat de heer C. de polis (...) had overgedragen en dat deze overdracht door afgifte van de polis ook aan Zürich tegenwerpelijk was (...), terwijl er in casu geenszins sprake was van overdracht van de verzekeringspolis..." - "...De aanwijzing van een begunstigde houdt nochtans geenszins een overdracht van rechten in. .... Er is echter van enige aanvaarding van begunstiging door het echtpaar Van D.l-V. geen sprake, zodat hun oorspronkelijke vordering ongegrond diende verklaard te worden door de rechtbank...." - "...aangezien ongeacht de vraag of verzoekster al dan niet een fout heeft begaan door aan de heer C. een voorschot op de polis toe te kennen zonder hem voorafgaandelijk het origineel van de polis op te vragen, dient vastgesteld dat dit feit niet in oorzakelijk verband staat tot de schade geleden door de heer en mevrouw Van D.-V.. ... De rechtbank kon derhalve niet geldig beslissen: 'dat de vraag of de heer C. zichzelf al dan niet als begunstigde zou hebben aangesteld geen enkel belang heeft. Indien de heer C. een voorschot op de polis wilde ontvangen, dan nog had hij in ieder geval dienen te beschikken over het origineel van de polis, hetgeen niet het geval was'..." - "...het is tenslotte onbegrijpelijk dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de heer en mevrouw Van D.-V. (...) geen enkele fout hebben begaan terwijl zij ....". Deze bewoordingen, aangevuld met een uitvoerige verwijzing naar de feiten die aan de betwisting ten grondslag liggen en naar de standpunten in eerste aanleg, volstonden voor geïntimeerden om te weten in welk opzicht appellante zich door de beroepen vonnissen gegriefd achtte en moesten hen in staat stellen om hun verweer voor te bereiden en in nuttige orde in te dienen. Tegelijkertijd stelde deze uiteenzetting de appelrechter op voldoende wijze in staat de draagwijdte van het hoger beroep te kennen. Appellante heeft aldus voldaan aan het vereiste vermeld in art. 1057, 7° van het Gerechtelijk Wetboek. De beweerde grond tot nietigheid van de akte tot hoger beroep is niet aangetoond. Het hoger beroep van appellante is toelaatbaar in zoverre dit is ingesteld tegen eerste en tweede geïntimeerde. 3.2.
- Appellante heeft haar hoger beroep ook ingesteld tegen W. C. en tegen de n.v. KBC. W. C. vordert dat het hoger beroep van appellante ontoelaatbaar zou worden verklaard. Het blijkt dat appellante ten aanzien van W. C. en de n.v. KBC in eerste aanleg geen eis heeft ingediend en dat laatst genoemden evenmin van appellante iets hebben gevorderd. Deze partijen waren elkaars tegenpartij niet in eerste aanleg. Het geschil is niet onsplitsbaar. Appellante mist het vereiste belang om tegen hen hoger beroep in te stellen tegen. Het hoger beroep van appellante is in zoverre ontoelaatbaar. Daaraan staat evenwel niet in de weg dat eerste en tweede geïntimeerde wel een toelaatbaar incidenteel beroep hebben ingesteld tegen de n.v. KBC die hierdoor de proceshoedanigheid van (vierde) geïntimeerde heeft verworven. 3.
- De schorsing van de rechtspleging. 3.3.
- Derde gedaagde in hoger beroep houdt voor dat de beroepen vonnissen wat hem betreft moeten geacht worden bij verstek gewezen te zijn. Hij meent hiertegen vooralsnog verzet te kunnen doen. Hij vordert dat in afwachting daarvan zou worden vastgesteld dat ondertussen ter bescherming van zijn rechten van verdediging niet over het hoger beroep van appellante kan geoordeeld worden. 3.3.
- Het beroepen tussenvonnis van 5 februari 2003 werd blijkens de bewoordingen van het dictum gewezen "op tegenspraak" ten aanzien van alle partijen, inclusief W. C. De proceshandeling moet evenwel eerder beschouwd worden op grond van het werkelijk procesgebeuren dan op grond van desbetreffende bewoordingen in het vonnis. Er wordt dan vastgesteld dat W. C. bij exploot van 12 oktober 1993 gedagvaard werd op het adres van inschrijving in de bevolkingsregisters te Sint-Niklaas, Wijnveld
- Betrokkene is niet ter inleiding noch op een andere terechtzitting verschenen en heeft er zich niet laten vertegenwoordigen. Hij heeft geen conclusie neergelegd. Het verzoekschrift van appellanten van 3 januari 2002 beoogde een rechtsdag te verkrijgen, enerzijds met toepassing van art. 750, ,§2 van het Gerechtelijk Wetboek t.a.v. partijen n.v. KBC en n.v. Zürich, en anderzijds met toepassing van art. 803 van het Gerechtelijk Wetboek t.a.v. W. C. Niettegenstaande de hierop gewezen beschikking van 20 februari 2002 enkel gewag maakt van art. 750, ,§2 van het Gerechtelijk Wetboek, moet geconstateerd worden dat W. C. op de rechtsdag van 18 december 2002 niet is verschenen noch iemand namens hem. In die omstandigheden kon er ten aanzien van W. C. met toepassing van art. 803-804 van het Gerechtelijk Wetboek enkel vonnis bij verstek worden gevorderd en uitgesproken. Het tussenvonnis van 5 februari 2003 moet dan ook, niettegenstaande de bewoordingen ervan, bij gebreke van zuivering van het verstek geacht worden ten aanzien van W. C. bij verstek gewezen te zijn. In dit tussenvonnis werden debatten heropend, zodat de rechtspleging in dezelfde stand ten aanzien van W. C. bij verstek werd verder gezet. Het daarop gewezen tussenvonnis van 6 mei 2003 moet eveneens, niettegenstaande de bewoordingen, geacht worden bij verstek gewezen te zijn ten aanzien van W. C. Ook in dit tussenvonnis werden de debatten heropend, zodat de rechtspleging in dezelfde stand ten aanzien van W. C. bij verstek werden verder gezet. Het daarop gewezen eindvonnis van 24 juni 2003 moet eveneens, niettegenstaande de bewoordingen, geacht worden bij verstek gewezen te zijn ten aanzien van W. C. Aan dit alles staat evenwel niet in de weg dat W. C. geldig kon betrokken worden in hoger beroep en daardoor thans een partij in het geding in hoger beroep is. De dubbele aanleg is geen algemeen rechtsbeginsel. De rechten van verdediging van W. C. zijn niet geschonden door hem in hoger beroep te betrekken. W. C. geeft toe tegen voormelde vonnissen geen verzet te hebben ingesteld zodat de problematiek van de schorsing van het hoger beroep tot na de zogezegde behandeling van het verzet, zich niet stelt. Als partij in het geding in hoger beroep vermag W. C. de vonnissen a quo, waardoor hij zich gegriefd acht, te bestrijden door het rechtsmiddel van hoger beroep, waarvan hij ten andere in ondergeschikte orde ook gebruik maakt. De verstekvonnissen, voormeld, zijn thans geen reden tot schorsing van de rechtspleging. .
- Het hoger beroep van appellante. 3.4.
- Eerste en tweede geïntimeerde omschrijven de in hoofdorde aangevoerde, feitelijke grondslag van hun eis blijkens hun syntheseconclusie nog als volgt: "Ondanks het feit dat appellante niet in het bezit werd gesteld van de oorspronkelijke polis door derde geïntimeerde, heeft zij deze toch een substantieel voorschot betaald..." (syntheseconclusie van eerste en tweede geïntimeerde, blz. 6, 1ste al.). Volgens eerste en tweede geïntimeerde was deze handelwijze van appellante foutief, zowel contractueel als buitencontractueel, en veroorzaakte deze de door hen geleden schade. De contractuele dan wel buitencontractuele grondslag van hun eisen laten eerste en tweede geïntimeerde afhangen van het bewijs van de ene dan wel van de andere feitelijke hypothese, te weten ofwel dat de uitbetaling van het voorschot door appellante aan W. C. geschiedde nadat deze laatste het origineel van de polis aan hen had overhandigd, ofwel dat de uitbetaling van het voorschot door appellante aan W. C. geschiedde vooraleer deze laatste het origineel van de polis aan hen had overhandigd. De eerste rechter oordeelde dat de eis van eerste en tweede geïntimeerde toewijsbaar was in beide hypothesen, wat door appellante wordt aangevochten. 3.4.
- Volgens de door partijen overgelegde onderhandse akten werd: - door W. C. op 22 december een "aanvraag om levensverzekering" ondertekend en op 29 december 1986 ingediend, waarin geen melding is gemaakt van een derdebegunstiging, - de levensverzekering polisnr. 2.061.449 gesloten op 30 december 1986, waarin bij leven eerste geïntimeerde als begunstigde werd aangewezen, en bij overlijden eerste geïntimeerde en bij gebreke tweede geïntimeerde en of de nakomelingen, - een voorschot van EUR 252 851,39 (10.500.000,- : 40,3399) toegekend aan verzekeringnemer W. C. op 30 december 1986, - de overeenkomst van lening tussen eerste en tweede geïntimeerde en W. C. gesloten op 30 december 1986, waarbij laatst genoemde het origineel van de levensverzekeringspolis nr. 2.061.449 overhandigde aan eerst genoemden, - op 9 januari 1987 door W. C. aan appellante de som betaald van EUR 82 177,92 (3.315.049,- : 40,3399), zijnde het verschil tussen de eenmalige premie, vermeerderd met de eerste jaarlijkse rente, en het voorschot. Door het verloop van deze vaststaande feiten wordt aannemelijk, zoals door appellante voorgehouden, dat aan W. C. onmiddellijk na het sluiten van de levensverzekering op 30 december 1986 het voorschot werd toegekend. Dit leidt ertoe te besluiten dat W. C., toen hij nadien, doch nog op dezelfde dag (30 december 1986), de lening sloot met eerste en tweede geïntimeerde en tot waarborg het origineel van de levensverzekeringspolis aan hen overhandigde, reeds de toekenning van het voorschot had verworven. 3.4.
- Op het ogenblik van de toekenning van het voorschot was appellante op de hoogte van de derdebegunstiging in het voordeel van eerste cq. tweede geïntimeerde zodat zij tevens wist, minstens als professioneel van het vak moest weten dat de begunstiging, die in het verzekeringsvoorstel niet voorkwam, en dus slechts bij het sluiten van de polis was opgedoken, terstond in belangrijke mate ongedaan werd gemaakt door de toekenning van het voorschot. Door die handelwijze van appellante, met name de toekenning van het voorschot in voormelde omstandigheden zonder verwittiging van de begunstigden(n), heeft zij nochtans geen contractuele tekortkoming begaan t.o.v. eerste en tweede geïntimeerde. Krachtens art. 11, 1ste lid van de algemene polisvoorwaarden behield de verzekeringnemer (W. C.) het recht de begunstiging te herroepen zolang deze niet was aangenomen. Dit recht vermocht de verzekeringnemer niet meer uit te oefenen zonder het akkoord van de aanvankelijk begunstigde, die had aanvaard (art. 11, 3de lid). De aanvaarding van de begunstiging was slechts tegenwerpelijk aan appellante vanaf het ogenblik waarop zij daarvan akte genomen had (art. 11, 2de lid). Te dezen hebben eerste en tweede geïntimeerde niet aangetoond dat zij de begunstiging reeds hadden aanvaard, laat staan dat appellante daarvan reeds akte genomen had, toen het voorschot werd toegekend. Ook al hield de vraag om een voorschot te verkrijgen vanwege verzekeringnemer W. C. een minstens gedeeltelijke herroeping in van de begunstiging die hij een ogenblik daarvoor nog had bedongen, de begunstiging stond in deze omstandigheden het verlenen van een voorschot zonder akkoord van de begunstigden niet in de weg, appellante was op dat ogenblik niet geconfronteerd met een "aannemende begunstigde" van wiens aanvaarding zij reeds akte had kunnen nemen, zodat zij haar toestemming niet van het voorafgaand akkoord van de begunstigde moest laten afhangen. In dit opzicht is er geen contractuele fout van appellante aangetoond. 3.4.
- Terecht laten eerste en tweede geïntimeerde gelden dat W. C. hen zijn rechten, voortspruitend uit de levensverzekeringsovereenkomst, had overgedragen door de afgifte aan hen van het origineel van de polis bij het sluiten van de lening. Zij werden aldus door W. C. in de waan gebracht dat deze rechten, inclusief deze van de begunstigden, nog onaangetast waren. Deze schijn was des te aannemelijker vermits de polis en de daarin opgenomen begunstiging in hun voordeel slechts kort daarvoor, nog op dezelfde dag, bedongen waren. De argumentatie van eerste en tweede geïntimeerde dat appellante een contractuele fout beging door aan W. C. een voorschot toe te kennen, wordt evenwel niet gevolgd. Deze overdracht, die een overdracht van schuldvordering impliceerde, was immers slechts tegenwerpelijk aan appellante nadat was voldaan aan de vereisten van art. 1690 (oud) van het Burgerlijk Wetboek en/of art. 42 (oude) Verzekeringswet van
- Bovendien geschiedde de toekenning van het voorschot in de tijd vóór de overdracht van de rechten door de verzekeringnemer aan eerste en tweede geïntimeerde zodat appellante met deze overdracht geen rekening kon houden. 3.4.
- Eerste en tweede geïntimeerde hebben aangevoerd dat de fout van appellante er minstens in bestond een voorschot aan W. C. te hebben toegekend zonder de afgifte van de polis te vragen. Volgens art. 10 van de algemene polisvoorwaarden kan de verkeringnemer een voorschot verkrijgen overeenkomstig de voorwaarden bepaald in de voorschotakte en tegen bewaargeving van de polis. Appellante ontkent niet dat zij aan W. C. een voorschot heeft toegekend zonder dat deze de polis aan haar in bewaring had gegeven. Appellante laat evenwel gelden dat zij hierdoor geen contractuele tekortkoming beging ten aanzien van de verzekeringnemer noch ten aanzien van eerste en tweede geïntimeerde. Het is, zoals appellante voorhoudt, aan te nemen dat voormeld art. 10 van de algemene polisvoorwaarden tussen de verzekeraar en de verzekeringnemer een recht creëert aan de zijde van de verzekeraar en dat het in hun onderlinge verhouding in de regel geen tekortkoming is vanwege de verzekeraar wanneer deze een voorschot toekent zonder zijn recht op de inbewaringneming van de polis uit te putten. Deze handelwijze kan ook door eerste en tweede geïntimeerde op louter contractuele grondslag niet foutief genoemd worden omdat de rechten van de polis op het ogenblik van de toekenning van het voorschot nog niet aan laatst genoemden waren overgedragen. Zij waren op dat ogenblik enkel begunstigden die de begunstiging nog niet hadden aanvaard, of waarvan de aanvaarding van de begunstiging nog niet aan de verzekeraar ter kennis was gebracht. Nochtans kan, zoals te dezen, niettegenstaande de relativiteit van de overeenkomsten, waaruit strikt genomen in de regel geen derdenwerking voortspruit, het bestaan van het contract een zodanige betekenis hebben in het rechtsverkeer dat de algemene zorgvuldigheidsplicht die op eenieder rust, ook op iedere contractpartij, vereist dat deze laatste bij de uitvoering van het contract rekening houdt met de schade die derden kunnen lijden door een bepaalde uitvoeringswijze. Door het sluiten van een levensverzekeringsovereenkomst, weergegeven in een polis, creëren de verzekeraar en de verzekeringnemer een overdraagbare titel. De overnemer moet erop kunnen vertrouwen dat hij de waarde overneemt die de in zijn handen afgegeven titel werkelijk vermeldt. Het bezit van het origineel van de polis wekt een rechtmatige schijn van financiële zekerheid. Zoals te dezen heeft de overdrager (W. C.) die financiële zekerheid schijnbaar verstrekt aan de overnemers (eerste en tweede geïntimeerde) door de afgifte van het origineel van de polis. Wanneer echter, zoals in dit geval, de rechten van de verzekeringnemer of van de daarin vermelde derdebegunstigden, grotendeels zijn uitgehold door het verstrekken van een voorschot, dan kan de verzekeraar niet volstaan arbitrair, enkel zijn rechtsband met de verzekeringnemer in acht nemend, zijn recht op afgifte van de polis al dan niet uit te oefenen. Ter bescherming van derden, waaraan de overdraagbare titel zou kunnen worden aangeboden als financiële zekerheid, vereiste de algemene zorgvuldigheidsplicht dat appellante te dezen de afgifte van de polis had geëist van W. C. vooraleer hem een voorschot toe te kennen. Dit was te dezen des te meer het geval omdat appellante het toch niet als een gangbare praktijk kan hebben beschouwd dat W. C. een levensverzekeringscontract sloot, terstond en niettegenstaande er derdebegunstigden waren aangewezen en zelfs de eenmalige premiebetaling nog niet was geschied, daarvan een zeer substantiëel voorschot opnam om vervolgens de eenmalige premiebetaling uit te voeren door integrale compensatie met dit voorschot. Door in die omstandigheden de afgifte van de polis niet te eisen bij de toekenning van het voorschot heeft appellante niet gehandeld als een normaal zorgvuldig en voorzichtig verzekeraar in dezelfde omstandigheden geplaatst. Zij beging aldus een buitencontractuele fout. 3.4.
- De rechtsgevolgen van deze buitencontractuele fout worden niet in de weg gestaan door een beweerde samenloop van aansprakelijkheden. Ten tijde van het stellen van haar onrechtmatige daad, te weten het verzuim van appellante de afgifte van het origineel van de polis te eisen van de verzekeringnemer toen zij aan deze het voorschot in kwestie verleende, was er nog geen overdracht geschied en bleven eerste en tweede geïntimeerde derden, t.o.v. de contractuele relatie tussen appellante en W. C. 3.4.
- Eerste en tweede geïntimeerde leveren het afdoende bewijs van hun schade, met name het verlies van de zekerheid tegen de wanbetaling van hun debiteur. Zij meenden deze zekerheid te bezitten door de afgifte door hun debiteur van het origineel van de levensverzekeringspolis in kwestie. Dat verlies beliep het equivalent van de verzekeringsprestatie waarop eerste en tweede geïntimeerde zich blijkens de hen overhandigde polis gerechtigd achtten. 3.4.
- Zonder de fout van appellante, meer bepaald het verzuim de afgifte van het origineel van de polis te eisen bij de toekenning van het voorschot, had W. C. dit origineel niet als financiële zekerheid kunnen aanbieden aan eerste en tweede geïntimeerde en aldus niet de schijn van zekerheid, substantieel deel van zijn oplichting, kunnen creëren. Deze laatsten hadden hun instemming met de lening aan W. C. laten afhangen van die zekerheid, die achteraf gezien nog slechts schijnbaar bestond. Er wordt dan ook besloten dat het verlies van de zekerheid tot recuperatie door middel van de verzekeringsprestatie van appellante zich niet op de wijze zou hebben voorgedaan zoals dat thans het geval is, zonder de fout van appellante, zonder welke de schijnbare zekerheid in kwestie zelfs niet zou kunnen aangeboden geworden zijn en ook eerste en tweede geïntimeerde daarmee niet hadden kunnen instemmen. Appellante laat gelden dat andere scenario's denkbaar zijn waarin zij geen afgifte van het origineel van de polis had kunnen vragen en waarbij W. C. zijn oplichtingspraktijk toch had kunnen doorvoeren, zodat zij meent dat het causaal verband tussen haar optreden en de schade van eerste en tweede geïntimeerde doorbroken is. Dit verweer dient echter niet terzake. Het roept de hypothese op van het verlies van het origineel van de polis in welk geval aan de verzekeringnemer na zijn verklaring van verlies een duplicaat van de polis kan worden afgeleverd. Die hypothese steunt op het vermoeden van een valse verklaring van W. C. omtrent een geveinsd verlies, met name op een omstandigheid die zich niet heeft voorgedaan. Daarenboven heeft de gang van zaken te dezen de mogelijkheid van verlies van de polis uitgesloten vermits het sluiten van de polis en het toekennen van het voorschot zo goed als gelijktijdig zijn geschied. Ook de hypothese dat W. C. een zelfde schadelijk resultaat had kunnen bereiken door een ander of zichzelf als begunstigde aan te wijzen dient niet terzake, vermits deze wijziging dan moest aangebracht zijn vooraleer de polis aan eerste en tweede geïntimeerde overhandigd werd, in welk geval zij de wijziging van de begunstiging hadden opgemerkt en niet tot contracteren zouden gekomen zijn. 3.4.
- Appellante houdt verder voor dat eerste en tweede geïntimeerde zelf een fout begingen die het oorzakelijk verband tussen haar fout en de schade van laatst genoemden heeft doorbroken. Appellante verwijt eerste en tweede geïntimeerde een grote onvoorzichtigheid door een voor hen aanzienlijk bedrag "blindelings" onder vorm van lening aan W. C. te hebben gegeven zonder er zich van te vergewissen of de rechtstitel die hen als zekerheid overhandigd werd, werkelijk iets waard was. Nochtans moet worden vastgesteld dat eerste en tweede geïntimeerde precies het risico verbonden aan de lening aan W. C. hebben ingezien en daarom hun instemming lieten afhangen van een door hun debiteur te verstrekken zekerheid. Zij hebben daarbij niet alleen kunnen vaststellen dat W. C. nog in het bezit was van het origineel van de polis maar ook dat dit origineel nog de dag van de lening zelf was opgesteld, zodat zij het rechtmatig vertrouwen mochten hebben dat de zekerheid nog op geen enkele wijze was uitgehold. Er is door appellante aan de zijde van eerste en tweede geïntimeerde geen fout bewezen die hun schade mede veroorzaakt heeft. 3.4.
- Eerste en tweede geïntimeerde hebben de voormelde buitencontractuele fout van appellante afdoende bewezen alsmede het oorzakelijk verband tussen die fout en hun schade. Op grond daarvan is appellante met toepassing van art. 1382-1383 van het Burgerlijk Wetboek gehouden tot hun schadeloosstelling. 3.
- Het incidenteel beroep van eerste en tweede geïntimeerde tegen vierde geïntimeerde. 3.5.
- Eerste en tweede geïntimeerde laten hun eis tot schadeloosstelling tegen vierde geïntimeerde nog steunen op de buitencontractuele aansprakelijkheid van laatst genoemde wegens haar eigen fout. Deze fout zou erin bestaan dat zij aan haar kantoordirecteur een onbeperkte volmacht verleende tot het oprichten van een vermogensvennootschap. Volgens eerste en tweede geïntimeerde wekte die onbeperkte volmacht de schijn dat Willem Charlier handelde in opdracht van de bank en dat hij het beheer van zijn vermogensvennootschap uitoefende in het kader van zijn functie als kantoordirecteur. Vierde geïntimeerde betwist haar aansprakelijkheid. 3.5.
- De eis van eerste en tweede geïntimeerde werd in eerste aanleg in het beroepen tussenvonnis van 5 februari 2003 op grond van een pertinente en adequate redengeving ongegrond verklaard. Het Hof treedt de motieven van de eerste rechter bij, maakt deze tot de zijne en beschouwt deze als te dezen herhaald. Ter aanvulling wordt nog volgende argumentatie toegevoegd. Eerste en tweede geïntimeerde gaan ten onrechte uit van een volmacht of een mandaat van vierde geïntimeerde aan W. C. De toestemming die vierde geïntimeerde in het kader van het personeelsstatuut gaf aan haar kantoordirecteur om een vermogensvennootschap op te richten, hield geen enkele volmacht noch mandaat in. Daarenboven is op geen enkele wijze aangetoond dat W. C. tegenover eerste en tweede geïntimeerde ooit de indruk zou hebben willen wekken op te treden namens en voor rekening van vierde geïntimeerde. De beweerde schijn is nooit gewekt. Er is dan ook geen sprake van een schijnlastgeving. De toestemming tot het oprichten van een vermogensvennootschap, die werd gegeven in het kader van art. 18, punt 4 van het arbeidsreglement van vierde geïntimeerde, was ten andere duidelijk beperkt tot private patrimoniale belangen, te weten het beheer van het vermogen van de twee minderjarige kinderen van het personeelslid met eventuele inbreng van zijn eigen goederen. Er is dan ook geen eigen fout van vierde geïntimeerde bewezen. Ook al was W. C. destijds een aangestelde van vierde geïntimeerde, er is ook geen aansprakelijkheid van de bank op grond van art. 1384, 3de lid B.W. bewezen. W. C. is immers in zijn handelingen ten aanzien van eerste en tweede geïntimeerde onbetwistbaar opgetreden buiten de bediening waarvoor de bank hem bezigde. Zijn handelwijze had daar geen enkel verband mee. Eerste en tweede geïntimeerde handelden enkel met W. C. persoonlijk zonder enig verband met de bank, zij verkregen van hem enkel een persoonlijke verbintenis tot terugbetaling en aanvaarden van hem een (vermeende) zekerheid die hij persoonlijk had aangegaan. Het incidenteel beroep van eerste en tweede geïntimeerde tegen vierde geïntimeerde is dan ook ongegrond. 3.
- Het incidenteel/ hoger beroep van W. C. 3.6.
- W. C. heeft blijkens zijn conclusie in hoger beroep een ondergeschikt incidenteel beroep ingesteld. Zoals voormeld heeft W. C. niet de proceshoedanigheid van geïntimeerde verworven, zodat hij geen regelmatig incidenteel beroep heeft kunnen instellen. Wel is hij als partij in het geding in hoger beroep in staat bij conclusie een hoger beroep in te stellen, wat klaarblijkelijk zijn bedoeling is niettegenstaande de benoeming van het aangewende rechtsmiddel. De omstandigheid dat hij moet beschouwd worden als verstekmakend in eerste aanleg, staat zijn hoger beroep niet in de weg. Zijn hoger beroep is gericht tegen het tussenvonnis van 5 februari 2003 en de daarbij tegen hem uitgesproken veroordeling. Hij voert aan dat van de som waartoe hij werd veroordeeld een bedrag van EUR 82 177,92 moet worden afgetrokken. Deze som stemt overeen met het bedrag dat hij op 9 januari 1986 betaalde aan appellante tot delging van de eenmalige premie van de levensverzekering na compensatie met het hem toegekende voorschot. W. C. wijst evenwel geen rechtsgrond aan die de aftrek van deze som op het aan eerste en tweede geïntimeerde bedrag zou rechtvaardigen. Laatst genoemden putten de hen toegewezen rechten uit de lening die zij met W. C. sloten. De voormelde betaling van deze laatste aan appellante kan niet gelden als nakoming van zijn terugbetalingsverbintenis ten gevolge van de lening. 3.6.
- W. C. vraagt dat hem betalingstermijnen zouden worden toegestaan. Hij heeft echter bijna 20 jaar de tijd gehad om afbetalingen te verrichten aan zijn slachtoffers. Hij heeft nagelaten dit te doen zodat hem thans geen genadetermijn meer toekomt. Het hoger beroep van W. C. is ongegrond. 3.
- De schade van eerste en tweede geïntimeerde (hoger beroep van appellante incidenteel beroep van eerste en tweede geïntimeerde). 3.7.
- Het herstel van de schade die eerste en tweede geïntimeerde mede door de fout van appellante geleden hebben, bestaat in de vergoeding ten belope van het equivalent van de verzekeringsprestatie, die zij als zekerheid hadden aangenomen. Bij leven van W. C. op 30 december 1996 waarborgde de polis de betaling aan de begunstigden van de som van EUR 421 141,98 (17.000.000,- : 40,3399). Eerste en tweede geïntimeerde hebben afdoende aangetoond dat aan deze voorwaarden werd voldaan. 3.7.
- Eerste en tweede geïntimeerde vorderen de vergoeding voor het uitblijven van de betaling van de schadevergoeding door middel van een rente naar rato van 12% per jaar vanaf 1 maart 1987, gekapitaliseerd op 31 december
- Appellante betwist deze interestberekening zowel wat de aanvangsdatum, de rentevoet als de kapitalisatie betreft. De verloren zekerheid gaf eerste en tweede geïntimeerde slechts recht op uitkering van het kapitaal bij leven van W. C. op 31 december
- In eerste aanleg werden dan ook terecht slechts interesten toegekend vanaf 30 december 1996, voordien heeft de fout van appellante immers niet tot effectieve schade aan de zijde van eerste en tweede geïntimeerde aanleiding gegeven. Ten onrechte houdt appellante voor dat de rente slechts mag berekend worden vanaf 3 juni 2003, zijnde de dag waarop eerste en tweede geïntimeerde het attest van leven van W. C. hebben medegedeeld. Het is steeds het standpunt van appellante geweest dat zij niet tot enige vergoeding gehouden was ongeacht of het attest van leven werd voorgebracht of niet. Eerste en tweede geïntimeerde vermogen niet de conventionele rente die zij bedongen hadden ten overstaan van W. C. aan appellante tegen te werpen. De vergoedende interesten maken deel uit van hun schade en dekken de werkelijke schade, waaraan te dezen door toekenning van rente naar rato van de wettelijke rentevoet integraal zal voldaan zijn. Het Hof treedt op dit punt de beoordeling van de eerste rechter bij. Vermits de vordering tot schadeloosstelling van eerste en tweede geïntimeerde steunt op de aquiliaanse aansprakelijkheid is de kapitalisatie van de interesten conform art. 1154 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing, tenzij zou bewezen zijn dat deze kapitalisatie overeenstemt met de werkelijk geleden schade. Dit bewijs wordt niet geleverd. Het Hof acht de vergoeding van de vertraging bij uitbetaling van de schadevergoeding integraal vergoed door de toekenning van de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet. 3.7.
- Appellante betaalde aan eerste en tweede geïntimeerde op 2 juni 1998 de som van EUR 28 034,95 (1.130.927, : 40,3399). Deze betaling en de daarop te berekenen intresten moeten in aftrek van het verschuldigde gebracht worden. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verleent akte aan de n.v. Vivium Life van haar gedinghervatting in rechtsopvolging van de n.v. Zurich Levensverzekeringsmaatschappij, Verklaart het hoger beroep van appellante ontoelaatbaar in zoverre dit werd ingesteld ten aanzien van derde en vierde geïntimeerde, en toelaatbaar voor het overige. Verklaart het hoger beroep van appellante ongegrond. Verklaart het hoger beroep van W. C. toelaatbaar doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep van eerste en tweede geïntimeerde toelaatbaar doch ongegrond. Bevestigt het beroepen vonnis van 24 juni 2003 en tevens de beroepen vonnissen van 5 februari 2003 en van 6 mei 2003 in alle beschikkingen, behoudens dat deze vonnissen moeten geacht worden bij verstek gewezen te zijn ten aanzien van W. C. Verwijst appellante in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van eerste en tweede geïntimeerde vereffend op de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van EUR 475,96, aan de zijde van derde geïntimeerde vereffend op de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van EUR 475,96 en aan de zijde van vierde geïntimeerde vereffend op de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van EUR 475,
- PDF document ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20050629.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div